Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 15, “European Renaissance: West” De tweede Italiaanse film renaissance

Dovnload 88.03 Kb.

Hoofdstuk 15, “European Renaissance: West” De tweede Italiaanse film renaissance



Pagina1/3
Datum08.07.2017
Grootte88.03 Kb.

Dovnload 88.03 Kb.
  1   2   3

EXCERPT COOK 7, pp. 607-681

Hoofdstuk 15, “European Renaissance: West”, pp. 607-681.

Hoofdstuk 15, “European Renaissance: West”

De tweede Italiaanse film renaissance


In de jaren vijftig had men in Italië een creatieve inzinking. Het was de periode van 'rosy realism' (na het uitsterven van het neo-realisme) met nadruk op spektakel en sex. Sexsymbolen als Sophia Loren en Marcello Mastroianni deden hun intrede. Ondanks de dip zorgden Federico Fellini (1920-1993) en Michelangelo Antonioni (1912- ) voor tweede naoorlogse Italiaanse filmrenaissance.
Federico Fellini:

Begon als scenarioschrijver. Eerste films stonden nog sterk in de neorea­listische traditie (Luci del varieta 1950). Daarop volgden Lo sceicco bianco (1952) en I vitelloni (1953), waarin Fellini's gevoel voor karakter en sfeer voor het eerst sterk naar voren kwam.

In La strada (1954) brak hij met het neorealisme, een realistische maar symbolische film. Het gaat over een boerenmeisje dat voor een bord pasta verkocht wordt aan een circusfiguur. Hij mishandelt haar en loopt uiteinde­lijk weg. Haar dood doet hem geeste­lijk instorten. De film werd hevig bekritiseerd omdat Fellini het neorea­lisme losliet, maar won wel de tweede prijs op het filmfestival van Venetie in 1954.

Il bidone (1955) was stilistisch vergelijkbaar met La strada. In 1956 kwam Le notti di Cabiria, dat Fellini schreef met Pasolini.

In 1960 produceerde hij La dolce vita, de eerste film over paparazzi en een keerpunt in Fellini's werk (maar wat voor keerpunt vermeldt Cook niet).

Daarna volgden Otto e mezzo (1963), Giulietta degli spiriti (1965) beiden over een angstige fantasiewereld, geheugen, obsessies, zijn beiden 'nonnar­rative' (is dat hetzelfde als weinig dialoog?).

Fellini's meest ambitieuze project was Fellini Satyricon (1969); een extravagante film over de decadentie van het antieke Rome. Bekriti­seerd om de groteske uitvoering, bewonderd vanwege de creatie van 'a unique audiovi­sual language' dat de traditionele vorm oversteeg en de continue corruptie van de mens in de geschiedenis aanwees.

Dan volgt nog een lijst met Fellini films (610), maar het lijkt me niet nuttig die allemaal op te noemen. Amarcord ('ik herinner', 1974) is een autobiografische film over het opgroeien van een jonge man in Rimini. Vanweg de bescheiden vorm wordt deze film beschouwd als een terugkeer naar Fellini's neorealitische oorsprong. Memoirs (1976) was nog controversieler dan Satyricon. In Prova d'orchestra (1979) waarschuwt Fellini voor het gevaar van de huidige chaotische staat van de democratie; alom geprezen wegens de filmische schoonheid en intellectuele diepgang. Intervista (1987) is een soort documentair zelfportret. Zijn lkaatste film is LA voce della luna (1990); een pleidooi voor minder technocratie, terug naar de rust van zijn jeugd.

Fellini's thema betreft zijn eigen persoonlijkheid en obsessies en het mysterie van identiteit in het algemeen. Het gaat om verbeelding, fantasie, herinterpretatie van de werkelijkheid. Hij combineerde 'the epic traditi­on', spektakel, met de 'humanist tradition', over de onderdrukten en buitenstaanders.


Michelangelo Antonioni:

Begon ook als neorealist, maar ging langzaam over op het neerzetten van middenklasse milieus. Cronaca du un amore (1950) over een affaire tussen een rijke vrouw en een autohandelaar. I vinti (1952) onderzoekt geweld onder jongeren van naoorlogs Europa. La signora senza camelie (1953) behandelt het lot van een jonge filmster. Alledrie de films hebben sociale misplaatstheid en vervreemding als thema, grote themas in Antonioni's latere werk.

Hij zette deze lijn voort in Le amiche (1955); een pessimistische film over de vervreemde bourgeois vrouwen van Turijn. Met dit werk introduceerde Antonioni een nieuwe stijl door minder te monteren en zeer lange 'takes' te gebruiken. Hij was druk bezig met het belang van de omgeving voor de karakters. Onder andere merkbaar in Il grido (1957) over de reis va neen arbeider door het Po landschap. L'aventura (1959) staat bekend als Antonio­ni's meesterwerk. Het is de eerste film van een trilogie. Antonioni gebruikte techniek zo dat 'filmtijd' gelijk kwam te staan aan 'echte tijd'. Elke scene duurt evenlang als in de werkelijkheid. Ook kwam hij met 'widescreen deep focus' waardoor de acteurs opgingen in de omgeving. De binding met het publiek werd veel groter, ze beleefden de film intenser door de verandering in techniek.

Het tweede deel van de trilogie is La notte (1960) en het slot heet L'eclisse uit 1962. L'eclisse gaf Antonioni's visie op de chaos van het moderne bestaan weer.

In Il deserto rosso (1964), Antonioni's eerste kleurenfilm, schetst hij de nachtmerrie van industrie aan de hand van een neurotische 'engineers'-vrouw. Blow up (1964) bereikte voor het eerst een groot publiek.

Professione: reporter (1975) is een wanhopige bezinning over de zinloos­heid van menselijke indiviualiteit.

Zijn laatste film is Identificazione di una donna (1982) met vele persoon­lijke thema's in JJn. Antonioni is een filmmaker die weinig dialoog maar des te meer natuurlijke stilte en geluid gebruikt om de isolatie en eenzaamheid van de karakters te benadrukken. De omgeving en de karakters maken het verhaal en zijn belangrijker dan het scenario. Dit heeft veel invloed gehad op hedendaagse film.



pp.616-638

Olmi, Pasolini and Bertolucci (blz. 616)

Terwijl Fellini en Antonioni in de jaren zestig hun sporen verdiende in de internationale cinema, kwam er een tweede generatie van na-oorlogse Italiaanse regisseurs op.

- Ermanno Olmi (geb. 1931) was een jonge filmmaker in de neorea­listische traditie. Hij vestigde naam met Il Posto (The Job, 1960), een naargeestige komedie over een jongen uit de provin­cie die een baan krijgt bij een groot bedrijf in de stad. Olmi geeft een goed beeld van het contract tussen de 'dehumanise­rende' baan en de naie­ve, blije man, die een plekje voor zich­zelf probeert te vinden in de naargeestige stad. I fidanzati (The fiancJs, 1963) heeft een zelfde thema: een verloofd kop­pel moet scheiden omdat de man een baan krijgt op SiciliN, maar ze blijven bij elkaar en vech­ten voor hun rela­tie.

Zijn beste werk schijnt echter Un certo giorno (One Fine Day, 1968), dat het verhaal vertelt van een 'advertising exe­cu­tive' die een man doodrijdt en daar­na zijn leven moet heroverzien om er nog wat betekenis aan te geven. Aan het eind van de film wordt hij door een slimme ad­vo­caat vrijgepleit van het ongeluk en bezwijkt weer voor de gevoel­loosheid van de bourgeoisie.

In de jaren tachtig en negentig maakte Olmi voornamelijk docu­mentaires en kinderfilms voor de RAI.

- De Marxistische poeet, schrijver en essayist Pier Paolo Pas­olini (1922-1975) maakte zijn eerste films volgens neorealis­tische traditie, maar verwierp deze stijl later om te gaan wer­ken vanuit een 'episch religieus' of mythisch perspectief.



Accattone (The Beggar, 1961) en Mamma Roma (1962) waren harde, oncomprommitterende studies van het Romeinse leven in de lage­re klassen. Het grootse Il vangPlo secondo Matteo (The Gospel According to St. Matthew, 1964) was een semidocumentaire re­con­structie van het leven van Christus en probeerde het ver­band tussen de Mar­xistische dialektiek en de Christelijke mythe te onderzoeken.

Naarmate de jaren zestig vorderden, 'bekeerde' Pasolini zich steeds meer tot beeldspraken en mythes. Titels uit die tijd zijn bv. Uccellacci e uccellini (Hawks and Sparrows, 1966), een 'ideo-komische' film over het ont­staan van het Italiaanse Marxisme, of Edipo Re (Oedipus Rex, 1967), waarin Pasolini Sophokles' tragedie omvatte met eigen­tijdse Freudiaanse denk­beelden.



Teorema (Theorem, 1968), die het verhaal vertelt van een bi­sek­suele, buiten­aardse Christus die een Italiaanse bourgoei­sie-familie bezoekt en tweespalt zaait door zijn mysterieuze seksuele aantrek­kingskracht, en Porcile (Pigsty, 1969) waren films in diezelf­de my­thish-ideologische visie, en gaven Pas­olini de naam van een groot filmmaker. TeorPma be­spotte de Ka­tholieke Kerk, maar Porcile ging nog veel verder. De film ver­telt twee wilde para­bels over het kapitalisme: JJn over een bende middeleeuwse kan­nibalen die in de bergen leven van het vlees van gekidnapte reizigers, en de ander over een Westduit­se zakenman die in WO II zijn fortuin heeft verdiend en wiens demente zoon graag seks met varkens heeft. Aan het einde van de film worden de kannibalen door politiehonden uit elkaar gereten, en wordt de Duitse zoon door zijn eigen varkens opgegeten.

Na een versie van Euripides' Medea (1969) verliet Pasolini zijn surrealistische satires om een 'Trilogie over het Leven' te gaan maken: de verfilming van drie grote literaire werken: Boccacio's Decameron (1971), Chaucer's Canter­bury Tales (1972) en A Thousand and One Nights/The Arabian Nights (1974).


Pasolini's laatste film was Salo; o le centoventi di Sodo­ma (The 120 Days of Sodom, 1975), een adaptie van De Sade's bi­zar­re pornografische epos, dat Pasolini verplaatste naar de Fascistische Italiaanse Republiek tijdens WO II. Salo toont Pas­olini op z'n best wanneer hij een intellectuele film maakt waarin metafoor, mythe en vertelvorm allemaal samensmelten in dienst van zijn idelogie.

In de herfst van 1975 werd Pasolini vermoord door een jongen die claimde aangerand te zijn door hem.

- Bernardo Bertolucci (geb. 1940) werd de belangrijkste Itali­aanse regisseur uit de lichting van de jaren zestig. Zijn film La commare secca (The Grim Reaper, 1962), naar een script van Pasolini, was een do­cu­mentaire reconstructie van het onderzoek na de moord op een prostituee die op het filmfestival van Ve­ne­tiN hoge ogen gooi­de, maar Prima della rivoluzione (Before the Revolution, 1964) bracht hem pas echt internationale faam. De film vertelt over een jongeman die niet uit zijn bourgeoi­sie milieu kan ontsnap­pen en zichzelf volledig overgeeft aan Marxistische idealen.

Met La strategia del ragno (The Spider's Strategy, 1970), waar­in een jongeman de waarheid zoekt achter de dood van zijn vader in het Fascistische ItaliN, en Il conformista (The Con­formist, 1970), over een jongeman die door de Italiaanse Fas­cisten ingehuurd wordt om zijn vroegere docent in Frankrijk te vermoorden, ontwikkelde Berto­lucci een eigen stijl. De films onder­zochten de filosofi­sche basis van het fascisme. Beide films maken gebruik van een ingewikkelde vertelstijl die heen en weer springt in de tijd, om de relativiteit ervan te bena­drukken.

In de jaren zeventig maakte Bertolucci naam met het expressio­nistische en controver­siNle Last Tango in Paris (1972, met Ma­ria Schneider en Mar­lon Brando), waarin een blik wordt gewor­pen in de geest van een man die door leed wordt verscheurd, en Novecento (1900, 1976), de duurste en langste film ooit in I­ta­liN gemaakt, die het verhaal vertelt van twee families, een rijke en een arme, in de eerste vijftig jaar van de 20e eeuw. De film was een lofzang op het politieke bewustzijn van de I­ta­liaanse boerenklasse.

In de jaren tachtig maakte Bertolucci La tragedia di un uomo ridicolo (The Tragedy of a Ridiculous Man, 1981), een drama over een fabrikant die het op moet nemen tegen de raadselach­tige ontvoerders van zijn zoonje, waarin het eigen­tijdse Ita­li­aanse politieke en sociale le­ven op een knappe manier uit­eengezet wordt, en The Last Emperor (1987), een schitterend epos over Pu Yi, de Laatste Keizer van China. De film werd wereldwijd een groot succes en bekroond met talloze prijzen, waaronder negen Oscars.

In de jaren negentig maakte Bertolucci The Sheltering Sky (1990), een ingetogen film over een verwend Amerikaans koppel dat in de jaren veertig door Afrika reist om de romantiek in hun relatie terug te vinden en daar alleen maar een lijdensweg van marteling, dood en seksuele slavernij vindt, en Little Buddha (1993), waarin het verhaal van Siddartha's jeugd wordt verteld, door middel van een groep monniken die geloven dat ze in Seattle de reincarnatie van hun god hebben gevonden.
Andere Italiaanse filmmakers (blz. 620)

Andere belangrijke figuren in de nieuwe Italiaanse cinema zijn:

- Marco Bellocchio (geb. 1939). Hij maakte o.a. Fist in the Pocket (1965), een portret van een epilep­ticus die besluit zijn zieke bourgeoisie familie uit te moor­den. In In the Name of the Father (1971) geeft Bellocchio een beeld van een Jezu­etenschool in de jaren vijftig, een micro­cosmos van een op­pressieve, vreugdeloze en klassebestemde maatschappij. In latere films ging de kwaliteit ten koste van de dikopgelegde Marxistische ideologie.

In de jaren tachtig maakte hij echter nog een paar geslaagde films, zoals The Eyes, the Mouth (1982), de analyse van de gevolgen van de zelfmoord van de favoriete zoon op een bour­goisie gezin, en Henry IV (1984), waarin Marcello Mastroianni schittert als een edelman die van z'n paard valt als ie op weg is naar een gekostumeerd bal, waarna hij gelooft dat hij de middeleeuwse heerser van het Hei­lige Roomse Rijk is en door zijn familie als 'heerser' twin­tig jaar opge­sloten wordt in het familieslot.

- Franscesco Rosi (geb. 1922) maakte in 1962 Salvatore Giula­no, een semidocumentaire over het leven van een Robin Hood-achtige ban­diet/volksheld en de moord op hem door de na-oor­logse Sici­liaanse autoriteiten. De film gebruikt een ellipti­sche vertel­stijl, waarin voor- en achteruit in de tijd wordt ge­sprongen.

Rosi heeft zichzelf bewezen als een regisseur met een grote so­ciale betrokkenheid, en een waardig uitdrager van het neore­alisme. Zijn Hands over the City (1963) is een sterke politie­ke film in documentaire-stijl over het corrupte verband tussen een onroerend goed-handelaar en de ste­denplanning. Moment of Truth (1965) is een kritische analyse van de collectieve psy­chologie achter het stierenvechten.

Rosi maakte nog meer (semi)documentaire-achtige reconstructies van historische gebeurtenissen, zoals Men a­gainst (1970), een hekelschrift tegen de rol van ItaliN in WO I, en The Mattei Af­fair (1972), over de myste­rieuze moord op een topambtenaar. In Lucky Luciano (1973) probeert hij een link te leggen tussen Ameri­kaanse en Siciliaanse gangsters en regeringen.

In de jaren tachtig maakte Rosi o.a. nog het geroemde en be­kroonde vier uur-durende epos Christ stopped at Eboli (1980), Three Brothers (1981), over drie broers die na de dood van hun moeder de poli­tieke situatie in ItaliN bespre­ken, en een adap­tatie van Gabriel GarcXa Marquez' Chro­nicle of a Death Fore­told (1987), over liefde en dood in een slaperig Colombi­aans stadje rond 1950.

- De Siciliaanse regisseur Vittorio De Seta (geb. 1919) schr­ijft en filmt zijn eigen films. Zijn enige twee echte fameuze titels zijn Bandits of Orgosolo (1961), een semidocumentaire over een Sardiniaanse herder die zich aansluit bij een groep revolutionairen, en Diary of a Schoolmas­ter (1973). Daarna heeft De Seta niets meer van betekenis gemaakt.

- Elio Petri (1929-1982) begon zijn carriPre in de nadagen van het neorealisme, maar later ontwikkelde hij een eigen, gevoe­lige, elliptische filmstijl. Petri was een Marxist, en zijn meest karakteristiske films zijn dan ook sociale satires.

- Gillo Pontecorvo (geb. 1919) was een filmjournalist voordat hij in 1960 debuteerde met een speelfilm, Kapo; een semidocu­mentaire over een jong Joods meisje in Auschwitz dat collabo­reert met de SS. Daarna heeft Pontecorvo voornamelijk documen­taires gemaakt die historische gebeurtenissen op autentieke lokaties reconstrueerden. Zijn be­langrijkste werk tot nu toe is The Battle of Algiers (1966), die een Gouden Leeuw won in VenetiN. Andere, minder succesvolle films van hem waren Burn! (1969), waarin hij de koloniale exploitatie in de ne­gen­tiende eeuw wilde doorgronden door het reconstrueren van een slaven­revolte op een CaraVbische suikerplantage, en The Tunnel (1979), over de moord op de Spaanse pre­mier Blanco door Baski­sche terroristen in 1973.

In deze periode produceerde het Italiaanse tv-station RAI een hele zooi grote, dure speelfilms, ook voor fameuze regisseurs.

Nog meer belangrijke Italiaanse filmmakers uit de tweede helft van de 20e eeuw zijn:

- Cavani (geb. 1936), die bv. maakte The Night Porter (1974), een sadomasochistisch liefdesverhaal waar­in het fascisme be­dis­cussieerd werd, en Beyond Good and Evil (1977), waarin het laatste jaar van Friedrich Niet­zsche wordt gereconstrueerd.

- Marco Ferreri (geb. 1928), een surrealistische sociale cri­ti­cus in de traditie van Bunuel, in wiens films de personages vaak zelfmoord plegen of zichzelf verminken. Zijn meest karak­teristieke film is La Grand Bouffe (1973), waarin vier koks zichzelf verstikken in hun kots en sterven temidden van hun braaksel en hun uitwerpselen, en Bye Bye Monkey (1979), een allegorie over het uitsterven van het menselijke ras in New York.

Stories of Ordinary Madness (1981) is gebaseerd op verhalen van dichter Charles Bukowsky schetst het Los Angels van 1960 als een slangenkuil vol zelfdestruc­tieve impulsen, en Story of Piera (1983) is een verfilming van de contro­versiële biografie van actrice Piera Degli Esposita, wiens jeugd werd beheersd door een in­cen­stueze relatie met beide ouders. In I Love You (1986) wordt het verhaal verteld van een jongeman die een fetish ontwikkeld voor een sleutelhanger.

In de jaren negentig maakte hij nog meer films en won ook nog een paar prijzen.

- Ettore Scola (geb. 1931) was een scriptschrijver die zijn regiecarriPre in de jaren zestig begon met het maken van kome­dies. Hij verwierf internationale faam met We All Love Each Other So Much (1975), een ambitieuze film die een beeld geeft van de talloze economische en sociale veranderingen die ItaliN heeft ondergaan na WO II.

Dirty, Mean and Nasty (1976) toont de stadse armen niet als een sterke, sociaal aan elke gecohe­reerde groep, maar als een hopeloos verplinterd zootje, ver­blind door kapitalisme.

Una giornota particolare (A Special Day, 1977) vertelt het ontroerende verhaal van twee eenzame outsiders: een onderge­waardeerde, vermoeide huisvrouw (Sophia Loren) en een antifas­cistische homoseksuele journalist (Marcello Mastroianni) op 6 mei 1938, de dag waarop Hitler Rome bezocht.

Scola's reputatie als internationaal filmmaker werd bevestigd met La Nuit de Varennes (1982), een 'ideeën komedie' die Casa­nova, Thomas Paine en Restif de la Bretonni bij elkaar brengt op 20 juni 1791, de dag van de mislukte ontsnapping van Lodewijk XVI en Marie-Antoinette uit de Tuileries.

Sindsdien heeft Scola nog meer films gemaakt.

- Paolo (geb. 1931) en Vittorio (geb. 1929) Taviani maakten in de jaren zestig een aantal politieke films, voordat ze beslo­ten zich te gaan richten op de 'decent core' van de samenle­ving in de jaren zeventig.



Allonsanfan (1974) speelt zich af in het post-Napoleontische ItaliN, waar de Ja­co­bijnen met de Vrijmetselaars vechten over de puriteinse re­vo­lutionaire ideeNn. Father Master (1977) le­ver­de de broers een Gouden Palm op in Cannes, en internationa­le erkenning. Deze complexe film, een adaptatie van de autobi­ografie van Gavino Ledda, over hoe hij zich opwerkte van de ongeletterde Sardiniaanse boerenstand tot een professorsgraad, verweeft feiten en fictie, subjectivieve geluiden en concrete beelden, om zo te komen tot een narratie­ve stijl die emotio­neel bevredigt en ideologisch overtuigt.

De Taviani-broers scoorden opnieuw met The Night of Shooting Stars (1981), dat een beeld schetst van de succesvolle strijd van een klein bergdorpje teneinde een massaslachting van de nazis te overleven. De film won een speciale Juryprijs in Cannes.

Daarna hebben de broers o.a. nog gemaakt Good Morning Babilo­nia (1987), een originele film waarin twee geVmmigreerde Italiaanse broers zich voordoen als meestervrijmetselaars teneinde een rol te krijgen als setdecoratoren in D.W. Grif­fith's epos Intolerance (1916), en Night Sun (1990), een 18e eeuws politiek drama gebaseerd op Tolstoj's 'Father Sergius'.

- Lina Wertmüller (geb. 1928), die zich in de jaren zeventig in de VS ontwikkelde tot cultfiguur, begon haar filmcarrière als assistente van Fellini in 82 (1963). Datzelfde jaar debu­teerde ze met The Lizards, een sociocomedy over het Italiaan­se boerenleven. Ze ging door met 'intelligente comedies' maken. Met Love and Anarchy (1973), een ironische komedie over seks in het fascis­tistische ItaliN, scoorde ze haar eerste interna­tionale suc­ces. In deze film speelde Giancarlo Gianninni de hoofdrol, wat hij wel vaker zou doen in haar films.

Haar hoogtepunt in die tijd kende ze met Swept Away by an Unu­su­al Destiny in the Blue Sea of August (1974), waarin een wel­ge­stelde vrouw en een matroos overboord slaan door een storm en moeten overleven op een verlaten eilandje, waar de rollen als meester en slaaf omdraaien. Natuurlijk krijgen ze een ver­hou­ding, maar wanneer ze weer terugkeren naar de bewoonde we­reld, vallen ze weer terug in het oude patroon.

Een andere ironische film van Wertmüller is Seven Beauties (1976), over een Italiaanse deserteur (Gianninni) die WO II doorbrengt in een concentratiekamp.

Andere films van Wertmhller in die periode flopten wanhopig.

In de jaren tachtig maakte ze o.a. nog A Joke of Destiny Lying in Wait Around the Corner Like A Robber (1983), een politiek-sociale allegorie over een minister die in zijn kogelvrije en geluidsdichte limousine wordt opgesloten.

De meeste films die ze daarna nog gemaakt heeft (ook in de jaren negentig) zijn nooit buiten Italië gedistribueerd, met uitzondering van Ciao, Professore (1993), een vertelling over een dozijn spijbelende Napolese kinderen die door een leraar weer op het rechte pad worden gebracht; de film werd zowel een commercieel als kritisch succes in de VS.

De allerbelangrijkste ontwikkeling voor de Italiaanse cinema in de jaren tachtig was de opkomst van een nieuwe generatie van begaafde komedieregisseurs, wiens basis in de aloude com­me­dia dell'arte lag, maar wiens sociale besef en filmtechnie­ken zeer hedendaags waren. Bv.:

- Maurizio Nichetti (geb. 1948), die met zijn briljante Rata­taplan vrijwel alle prijzen in VenetiN won in 1979. Hij maakte in de jaren tachtig meerdere meer of minder geslaagde of suc­cesvolle films, wo. The Icicle Thief (1989) en Volere volare (I want to Fly, 1991), moderne satires; de laatste combineerde animatie met live action.

- Nanni Moretti (geb. 1953) begon met 8- en 16 mm-films. Zijn eerste succes was het in 16 mm gefilmde Ecce Bomba (1978), een parodie op de traditionele Italiaanse filmkomedies, die veel dank verschuldigd waren aan zowel de Amerikaanse slapstick, als aan gedestingeerde komediemakers als Woody Allen of Mel Brooks. Zijn tweede film, Sogni d'oro (Golden dreams, 1981), over een Fellini-achtige regisseur die een film over Freud's moeder maakt, won een Gouden Leeuw in VenetiN. Daarna maakte hij nog meer films. Zijn recentste film is Caro Diario (Dear Diary, 1993), een autobiografisch drieluik.

Andere namen zijn Carlo Verdone (geb. 1946), Massimo Troisi (geb. 1953), de akteur/regisseur/komiek Roberto Benigni (o.a. Il piccolo diavolo (The Little Devil, 1987) en Johnny Stecchi­no, 1992), en de Bolognese regisseur Pupi Avati (geb. 1938).

Het bijzondere van Benigni en Troisi is dat ze ook vaak de hoofdrollen spelen in hun eigen films.


Widescreen: technieken en stijlen (blz. 627)

De Franse en Italiaanse filmrenaissance in de jaren zestig opende een nieuw tijdperk van cinematogra­fische expressie: een vertelstijl waarin de verhaallijn niet langer een eigen opzet is, maar meer een middel voor het vertellen van 'audio­visueel essays' over het menselijke be­staan. In het kort is de cinema nu eindelijk een vorm voor audiovisuele literatuur geworden.

De introductie van het 'widecreen'-principe en de verbetering van de filmkleuren waren technologische vereistes voor een vol­ledige revolutie in het filmmaken.

André Bazin, die deze 'integrale filmstijl' al voorspeld had voor zijn dood in 1958, had echter twee snelle ontwikkelingen in de jaren zestig niet kunnen hebben zien aankomen: 1. de per­fectie en het wijdse gebruik van handzame 35 mm-camera's, die doorlopende en spontane lokatie-opnames mogelijk maakte, en 2. verbeteringen in de optimische industrie door het ge­bruik van computertechnieken, zoals verbeterde hoek- en tele­foto-lenzen, en de ultieme moderne zoom-lens.

De wijdhoek-lens is een lens die door filmmakers gebruikt wordt voor het schieten van relatief grote objecten op een korte afstand, bv. in een auto of in een kamer. De wijdhoek-lens werkt als een soort van telescoop: het geeft de figuren een 'overdreven diepteveld'.

De telefoto-lens wordt gebruikt voor het schieten van beelden die weinig of geen diepteveld hebben.

De zoomlens is een lens die doorlopend zijn afstand tot het te filmen object kan variNren. Door de introduktie van de zoom­lens kon er voortaan bewogen worden met de camera zonder dat de camera bewogen hoefde te worden.

[lees blz. 629 voor speciale gevallen in speciale films voor speciale camera's]

Een ander effect van de zoomlens was dat de camera een ruimte of een mensenmassa 'af kon zoeken', terwijl de camera pas op het moment zelf leek te besluiten waarop wanneer ingezoomd zou worden, bv. in scenes in Robert Altmans' M*A*S*H (1970), of de grootse eindscene van Sam Peckinpah's The Wild Bunch (1969).

De zoomlens kon ook goed een apart figuur of object absolveren in een grote ruimte met allemaal dingen of mensen.

Ook de mogelijkheden en technieken voor het snijden van de film werden enorm verbeterd, zie bv. de aktiesequenties in Peckinpah's The Wild Bunch.
Scandinavische en Noorse cinema: Ingmar Bergman (blz. 631)

De meest fameuze na-oorlogse Zweedse filmmaker was zonder eni­ge twijfel Ingmar Bergman (geb. 1918). Hij was getraind in het theater en bij de opera. Hij werkte tussen 1940 en 1944 aan scripts voor de Zweede Filmmaatschappij.

Tussen 1945 en 1955 schreef en regisseerde Bergman dertien ui­terst sombere films, die allen thema's als eenzaamheid, ver­vreemding, en de problemen van het menselijke bestaan aansne­den.

Hij werkte altijd met cameramen Gunner Fischer en met allemaal eersteklas akteurs, als bv. Max von Sydow. Hij ont­wikkelde een karakteristieke stijl door eerste zijn verhalen als roman te schrijven, en vervolgens pas als screenplay uit te werken.

In The Seventh Seal (1956), over een Mid­deleeuwse ridder die een schaakspel met de Dood verliest, plantte Bergman voor het eerst een metafysisch vraagstuk over de relatie tussen de mens en God, een thema dat hem meer dan tien jaar bezig zou houden. Met die film behaalde hij definitief internationale faam.

Zijn grootste werk in de jaren vijftig was echter Wild Straw­berries (1957). De film is geconstrueerd rond­om de dromen en herinneringen die de oude professor Borg aanvallen wanneer hij door Zweden reist om een doctoraalgraad aan de uni­versi­teit van Lund te ontvan­gen. Borg's reis doet hem afdalen in zijn onderbewustzijn en confronteert hem met alles dat hij geweest is en gedaan heeft in zijn leven. Een meesterwerk (schijnt).



The Magician (1958) vertelt een kryptisch verhaal over een ma­gische toverlantaarnmeneer (Bergman zelf?) die een bourgoei­sie familie (het publiek?) meesleept in een beangstigende en inge­nieuze nachtmerrie zonder enige wezenlijkheid. Zag er mooi uit, maar had weinig inhoud.

De laatste film die Bergman in de jaren vijftig maakte was The Virgin Spring (1959), een krachtige film, gebaseerd op een 13e eeuwse ballade waarin een mooi jong meisje onderweg naar de kerk verkracht en vermoord wordt door drie herders, die later beschutting zoeken in de burcht van haar vader. Hij ontdekt wat ze uitgevreten hebben en maakt ze af in een scene van apo­calyptisch ranzig geweld. Wanneer het lichaam van het meisje later in het bos wordt gevonden, zweert de vader op die plaats een kerk te bouwen, en in de ironische conclusie ontspringt op die plaats nog een bron ook, als symboliek voor goddelijke ver­giffenis (een ongebruikelijk hoopvol einde voor Bergman).



Through a Glass Darkly (1961) is het eerste deel van een 're­li­gieuze' trilogie. De andere twee films waren Winter Light (1961) en The Silence (1963). Vooral de laatste was een waar mees­terwerk. In de film komen twee zussen naar een Centraal-Euro­pese stad, in gezel­schap van de zoon van JJn van hen. De taal in de stad, en ook alle geluiden, zijn onbegrij­pelijk voor beide reizigers, en dus zijn ze gedwongen zich door een zinloze, meningsloze wereld voort te bewegen. Praten wordt irrelevant voor het drietal, en beelden van erotiek en op han­den zijnd onheil gaat de boventoon voeren in de film. Voor Bergman, net als voor Antonioni, lijkt het dat de moder­ne, hedendaagse vervreemding de menselijke communicatie heeft gereduceerd tot wanhopige seksuele ontmoetingen die alleen maar in chaos kunnen eindigen.

The Silence werd, net als alle films van Bergman sinds The Vir­gin Spring, gefotografeerd door Sven Nykvist (geb. 1922).

Ingmar Bergman maakte in de jaren zestig/zeventig nog meer films, waaronder een nieuwe trilogie: Persona, Hour of the Wolf en Shame, de JJn nog naargeestiger dan de ander.

[lees voor meer hierover, en inhoud: blz. 634-635]

The Passion of Anna (1969) was Bergman's eerste grote kleuren­film. De film handelt over de hevige psychische wisselwerking tussen vier mensen die op een klein Zweeds eilandje bij Faro leven (waar Bergman irl zelf woonde). Karakteristiek is het een drama over schuld, angst en uiteindelijk woede. Elk van de vier karakters zit opgesloten in zijn eigen unieke soort van martelaarschap.

The Passion of Anna maakt gebruik van een techniek waar Brecht en Godard ook gebruik van maken: op een moment van intense spanning stapt elk van de hoofpersonen even uit zijn positie in de scene en bespreekt met het publiek zijn emoties en zijn karakter.

The Touch (1970) was Bergman's eerste Engelstalige film, die min of meer flopte, maar zijn volgende, Cries and Whispers, wordt weer als een hoogtepunt gezien. Deze film over de dood en sterven is een beeldschoon werk, waarin realiteit, geheugen en fantasie JJn worden.

Bergman's volgende film was Scenes from a Marriage (1974) werd oorspronkelijk gemaakt als zes afleveringen van vijftig minu­ten voor de Zweedse televisie, maar werd na succes in een ver­sie van een kleine 22 uur in de bioscoop uitgebracht. De opzet bleef echter in tact: in zes scenes wordt gedurende tien jaar een beeld gegeven van een langzaam van elkaar vervreemdend echt­paar, wat uiteindelijk eindigt in een scheiding en een huwelijk met anderen. Zoals gewoonlijk maakt Bergman hevig gebruik van close-ups om de angst te benadruk­ken, maar zijn gebruikelijke psychologische realisme wordt dit keer niet weergegeven door fantasie, geheugen en metaforen, maar door een beklemmende waarschijnlijkheid. Met meerdere cliffhangers aan het eind van elke scene is de film opgebouwd als een zes afleveringen durende soap, maar de film heeft de diepgang en de gevoelens die meestal niet met een soap samengaan.



The Magic Flute (1975) was een vervulling van Bergman's grote wens ooit een Mozart-opera te verfilmen, over de voortreffe­lijke kracht van liefde en kunst. De film toont een lichthar­tigheid die zelden bij Bergman wordt gezien. Bergman heeft de film gemaakt als een 18e eeuwse toneelproduktie.

Hierna volgden een paar minder succesvolle films (Face to Face (1976), over de aftakeling van een geesteszieke vrouwelijke psychiater, en The Serpent's Egg (1977), over de psychologi­sche conflicten van een Joodse circusartiest in pre-Nazi-Duits­land). Maar Autumn Sonata (1978), over de relatie tussen een concert­pianiste en haar dochter, en From the Life of the Marionettes (1980) werden weer wel goed ontvangen.



Fanny and Alexander (1982) was Bergman's meest luxueuze en toe­gankelijke werk, en winaar van vier Oscars. Bergman her­creNert in de film de magische wereld van zijn jeugd in Uppsa­la aan het begin van deze eeuw (hoewel de film niet direct au­tobiografisch is). Bergman verklaarde dit tot zijn laatste film, hoewel hij voor de Zweedse tv later nog een 16mm film schoot, After the Rehearsal (1984), een JJnakter over de rela­tie tussen een theaterregisseur en de akterende dochter van zijn overleden minnares.
Bergman is onbetwist één van de grootste filmmakers uit de naoorlogse Westerse cinema. Ondanks zijn pessimistische visie over het menselijke bestaan en de menselijke communicatie ech­ter, ondanks zijn 'kosmische nihilisme', is Bergman eigenlijk een een religieuze artiest wiens films fundamentele kwesties over het menselijke bestaan aansnijden: de betekenis van lij­den en pijn, de onverklaarbaarheid van de dood, het eenzame karakter van de mens en de moeilijkheid van het bepalen van de nut van het bestaan in een schijnbaar willekeurige en grillige wereld.
pp. 638-660

Er is meer in Zweden te zien dan Bergman. Alhoewel de filmin­dustrie hier maar klein is, en Bergman gezien zou kunnen worden als de enige naoorlogse internationale ster, zijn er tal van andere noemenswaardige filmmakers actief en actief geweest.

Vanaf de jaren zestig waren dat ondermeer, Bo Widerberg (o.a. The serpents way 1986), beinvloed door Godard, die een politieke lading in zijn films toevoegt die bij Bergman ont­breekt. De films van Vilgot Sjoman (o.a. I am curious-Blue 1968) zitten vol met (histori­sche) kritiek op Zweedse institu­ties en subversieve sex. Jan Troell's The emigrants (1971), en het vervolg hierop, The new land (1972) behaalde ook in de Ver­enigde Staten succes. Hij maakt films met veel hogere budgets. De Fin Jorn Donner heeft veel invloed op de zweedse filmindus­trie gehad, eerst als criticus, maar later ook als regisseur. In '67 keerde hij terug naar Finland wwar hij zeer treffende films zoals Fuck Off! Images from Finland (1969) naar de traditie van Godard.

De jaren zevetig brachtten nieuwe filmmakers zoals Gunnel Lindblom, Christer Dahl en Kjell Grede voort. Door de intro­ductie van video viel het bioscoopbezoek in de jaren 80 enorm terug. Vanaf '82 werd het Zweeds Film Instituut, gefinanceerd door de staat, steeds actiever. Veel internationale prijzen werden door deze "school" in de wacht gesleept, zoals Alfred­son's The Simple-Minded Professor (1982) (Gouden Beer, Ber­lijn), Hallstrom's My life as a dog (1985) (Acadamy ward foreign film 1987), Bille August's Pelle The Conqueror (1987) (acadamy award en Palm d'Or). Deze lijn werd in de jaren negentig voortgezet met Osten's The Guardian Angel (1990) en August's The Best Intentions (1992), gebaseerd op een script van Bergman.

In Finland is de markt voor films nog kleiner, maar het Fins Film Instituut bekostigd toch zo'n 20 producties per jaar. Jorn Donner was voor jonge New Wave/Literature filmma­kers een voorbeeld. Daarnaast werd er veel geexperimenteerd met Amerikaanse co-producties. De gebroeders Kaurismakis (The Clan 1984, Shadows in Paradise 1986, The Leningrad Cowboys go America 1989) blinken uit in zowel fatalisme, politiek realis­me en satire.

Het Deense Filminstituut financierd zo'n 15 films per jaar. Deense film dateert al vanaf WW I. Eric Clausen (o.a. Rami and Julie 1987), Soren Kragh-Jacobsen en Jon Bang Carlsen zijn de bekendste voorbeelden uit de jaren tachtig. Momenteel is Lars von Trier (Breaking the waves 1995, The Idiots 1998) internationaal succesvol. Noorse Cinema is eveneens afhankelijk van staatssubsidies. Economische voorspoed door olie in de jaren ’70 kon dit ondermeer bekostigen. Vanaf 1986 (Oliver Einerson, X) krijgt de industrie internationale erkenning. Lapse en femisitische films blinken hierbij uit. (Revelation 1978 en Pathfinder 1987). IJslandse films kregen vanaf 1980 meer aandacht. (o.a. Gundmundsson's On Top 1982).



  1   2   3

  • Pier Paolo Pas­olini (1922-1975)
  • Bernardo Bertolucci (geb. 1940)
  • Andere Italiaanse filmmakers (blz. 620)
  • Franscesco Rosi (geb. 1922)
  • Vittorio De Seta (geb. 1919)
  • Gillo Pontecorvo (geb. 1919)
  • Marco Ferreri (geb. 1928)
  • Ettore Scola (geb. 1931)
  • Paolo (geb. 1931) en Vittorio (geb. 1929) Taviani
  • Lina Wertmüller (geb. 1928)
  • Maurizio Nichetti (geb. 1948)
  • Nanni Moretti (geb. 1953)
  • Carlo Verdone (geb. 1946) , Massimo Troisi (geb. 1953)
  • Scandinavische en Noorse cinema: Ingmar Bergman (blz. 631)
  • Sven Nykvist (geb. 1922)

  • Dovnload 88.03 Kb.