Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 16: Voorschriften voor onderbrekingen gedurende Sjema’ en zijn berachot

Dovnload 35.96 Kb.

Hoofdstuk 16: Voorschriften voor onderbrekingen gedurende Sjema’ en zijn berachot



Datum17.09.2018
Grootte35.96 Kb.

Dovnload 35.96 Kb.



KITSOER SJOELCHAN AROECH – HOOFDSTUK 16

Hoofdstuk 16: Voorschriften voor onderbrekingen gedurende Sjema’ en zijn berachot

1. Keriat Sjema' en zijn drie berachot - dat zijn Jotseer Or1, Ahawa rabba2 en Emmet wejatsiev - worden strenger beoordeeld dan de psoeké dezimra (en hetzelfde geldt voor Keriat Sjema' van ma'ariv en zijn berachot). Ze worden in groepen verdeeld en de afscheidingen zijn3:

- tussen Jotseer hammeorot4 en Ahawat rabba [tussen de eerste en de tweede beracha vóór Sjema’];

- tussen Habbocheer be’ammo Jisrael beahawa en Sjema’ Jisrael5;

- tussen Oewisje’arècha en Wehaja iem sjemo’a;



- tussen ‘Al haärets en Wajomèr.

2. Tussen de afdelingen in is het toegestaan amein te antwoorden op iedere beracha6 die men hoort en zeker mag men ook antwoor­den7 op de Kedoesja, op Kaddisj en op Barachoe. Men zegt daar echter geen Baroech Hoe oewaroech Sjemo. En wanneer men de gemeente dan Sjema’ hoort zeggen, dan zegt men geen Sjema’ Jisraël met hen mee, maar men zegt dan datgene wat men op dat moment leest met luide stem, zoals de gemeente dan Sjema’ Jisraël zegt. Dan lijkt het alsof hij met hen meeleest.

3. In het midden van een afdeling antwoordt men geen amein, behalve op de beracha Hae-l Hakadosj en na de beracha sjome’a tefilla. En op Kaddisj zegt men amein jehei Sjemei rabba mewarach le’alam oele’almei ‘almaja8. Wanneer de voorzanger deamieran be’alma we­imroe amein zegt, zegt men eveneens amein. Maar de overige amein’s in de Kaddisj zegt men niet, want die horen niet tot de hoofdzaak van Kaddisj. Bij de Kedoesja is men stil [d.w.z. men stopt met lezen], luistert naar de voorzanger en men zegt met de gemeente Kadosj, Kadosj, Kadosj Hasjem Tsewaot melo kol haärets kewodo, waarna men weer stil is, en vervolgens zegt men met de gemeente Baroech Kewod Hasjem mimmekomo, en verder zegt men niets, want de rest behoort niet tot de hoofdzaak van de Kedoesja9. Wanneer men Barachoe hoort, of dat nu door de voorzanger gezegd wordt of door iemand die voor Tora werd opgeroepen, antwoordt men Baroech Hasjem Hammeworach le’olam wa’ed. Men mag ook amein antwoorden op de berachot van iemand die is opgeroepen [voor Tora]. Wanneer de gemeente modiem zegt, buigt hij ook en zegt modiem anachnoe lach, maar meer niet. Wanneer men het hoort donderen, dan zeggen sommigen dat men ook daarvoor mag onderbreken om de beracha [sjèkocho oegewoerato malé ‘olam - „wiens kracht en macht de wereld vult” (siddoer blz. 355, nr. 11)] te zeggen. Maar anderen zeggen dat men hiervoor niet onderbreekt.

4. Wat bovengenoemde onderbrekingen betreft, waarvan wij gezegd hebben dat zij zijn toegestaan in het miden van een afdeling, daarvoor geldt, dat wanneer men de berachot leest, men probeert te onderbreken aan het eind van een onderwerp. Wanneer men Keriat Sjema’ leest, probeert men te onderbreken tussen twee psoekiem in. Indien dat niet mogelijk is, mag men zelfs in het midden van de passoek onderbreken10, en dan herhaalt men nadien die passoek vanaf het begin.

5. Dat men, zoals wij gezegd hebben, soms mag onderbreken in het midden van een afdeling, geldt niet voor het vers Sjema’ Jisraël [Hasjem Elokeinoe, Hasjem Echad] en ook niet voor Baroech Sjeem Kewod Malchoeto le’olam wa’ed11. Daar is het verboden te on­der­breken voor wat dan ook, zelfs als de koning hem groet, mag hij niet antwoorden. Tussen de woorden Anie Hasjem Elokeichem en het woord ָmet stopt men in het geheel niet, omdat weHasjem Elokiem Èmet [Hasjem is een G’d van waarheid] een passoek uit Tenach is [Jeremiahoe 10:10]. Daarom onderbreekt men niet tussen Elokeichem en ָmet. En men moet ook oppassen niet te onderbreken totdat men ook het woord wejatsiev [„zeker”, dat er onmiddelijk achter staat] heeft gezegd (want ook wejatsiev drukt waarheid uit). Daarna kan men onderbreken zoals bij een andere plaats middenin een afdeling. (Men neemt het tegenwoordig niet meer zo nauw met de begroetingsregels, en daarom onderbreekt men nu niet meer [om iemand, wie dat ook is, te begroeten of zijn groet te beantwoorden], zelfs niet tussen de afdelingen in12.


1. Men moet heel even onderbreken tussen [de woorden] Jotseer en Or, opdat het niet klinkt als jotseror [M.B. 59:1].

Wie [uit zij hoofd dawent en] zich vergist en in plaats van Jotseer or zegt hij asjèr bediwro ma’ariv ‘araviem [„Die door Zijn woord het avond laat woorden” - dit is de voorberacha van het avondgebed], maar zich dat rea­liseert en verder gaat met de woorden Jotseer or, enz. en ook afsluit met Jotseer hammeorot, die heeft zijn plicht gedaan [Sj.A. 59:2]. Hij mag zo verbeteren, zolang hij de beracha nog niet heeft afgesloten [M.B. 59:2].

Wanneer men antwoordt op de Kedoesja [in Jotseer or] doet men dat hardop wanneer men in minjan dawent. Maar wanneer men alleen dawent zegt men het stil, en zo mogelijk zittend [M.B. 59:12,13; zie ook hfd. 15, § 9, noot 38].

Men moet proberen de beracha Jotseer Or te beëindigen vóór de gazan hem beëindigt, zodat men amein kan antwoorden [Rema 59:4] [Zie ook hfd. 14, noot 3]. Men zegt echter geen Baroech Hoe oewaroech Sjemo, zoals men hiervoor ook geen onderbreking maakt bij de psoeké dezimra [M.B. 59:17, zie ook hfd. 14, § 1].



2. Volgens noesach Ari z.l.: Ahawat ‘Olam.

3. De regels voor de afscheidingen tussen de afdelingen is voor ma’ariv hetzelfde als voor sjacharit, en ze zijn als volgt:

- tussen de eerste en de tweede beracha [voor Sjema’];

- tussen de tweede beracha en Sjema’;

- tussen Sjema’ en Wehaja;

- tussen Wehaja en Wajomer;

- tussen Wajomer en de eerste na-beracha;

- tussen Gaäl Jisraël en Hasjkiewenoe [dat is tussen de eerste en tweede naberacha].

Maar men maakt tussen het eind van de derde afdeling van Sjema’ [Anie Hasjem Elokeichem] en het woord ָmet net zo min een onderbreking als ‘s ochtends bij sjacharit (). En het lijkt mij dat na de [tweede na-] beracha Sjomeer ‘amo Jisraël le’ad [„die voor eeuwig over Zijn volk waakt”, onderaan blz. 222 siddoer] ook beschouwd kan worden als een afscheiding, ook voor wie daarna nog zegt Baroech Hasjem le’olam amein weamein [„geprezen Hasjem voor eeuwig, amein en amein”, bo­ven­aan blz. 223 siddoer] [B.H. 66:5].



4. Tussen Kaddisj en Barachoe maakt men geen enkele onderbreking en ze­ker niet tussen Barachoe en de beracha Jotseer or [Rema 54:3]. Dat wil zeggen, vanaf dat [de voorzanger] begon Kaddisj te zeggen, want Kaddisj behoort bij Barachoe. De Acharoniem schrijven dat een onderbreking tus­sen Kaddisj en Barachoe in alle opzichten vergelijkbaar is met [een onder­breking] tussen de afdelingen. En onmiddellijk na Barachoe, ook al is men nog niet met de laatste beracha Jotseer or begonnen, wordt het be­schouwd als middenin een afdeling, want vandaar af is het alsof hij begint met Jotseer or. Want de bedoeling van de voorzanger met het roepen Barachoe et Hasjem [prijs Hasjem] is hoofdzakelijk dat men Hem ver­volgens looft met de beracha Jotseer or [M.B. 54:13].

5. Er is een meningsverschil tussen de poskiem of men wel amein moet ant­woorden wanneer de gazan הַבּוֹחֵר בְּעַמוֹ יִשְׂרָאֵל בְּאַהֲבָה zegt, als men dat zelf reeds vlak voor de gazan heeft afgesloten, of niet. Volgens sommige poskiem wordt de beracha voor Sjema’ vergeleken met de beracha die men zegt voor een mitswa of voor iets waarvan men profijt heeft, en dan mag men na de beracha niet onderbreken. Echter omdat de berachot voor Sjema’ niet beginnen met אֲשֶׁר קִדְּשָׁנוּ בְמִצְוֹתָיו וְצִוָּנוּ [asjèr kiddesjanoe bemitswotav wetsiewanoe - die ons geheiligd heeft met Zijn voorschriften en ons heeft geboden, enz. -] menen anderen dat zij niet onder die cate­gorie vallen en mag men wel onderbreken. En zo is de halacha. Maar het is beter dat men het zo probeert in te richten dat men het gelijktijdig met de gazan zegt, zodat het niet nodig is amein te antwoorden [M.B. 59:25].

6. Dit is ook de conclusie van de M.B. 66:13 in naam van de Prie Megadiem en Chidoesjei Rabbi Akiwa Eiger.

De Sj.A.HaRav schrijft dat men, zelfs niet tussen de afdelingen van Sjema’ en zijn berachot, en dus zeker niet in het midden ervan, amein antwoordt op berachot, behalve op de beracha HaKeel Hakadosj [de derde beracha van de sjemoné ‘esré] en op sjomé’a tefilla [de 16e beracha van sjemoné ‘esré], omdat zij woorden van heiliging bevatten. En ook zegt men amein op de [vóór- en naberachot] noteen haTora [die de Tora geeft], die ge­zegd worden door diegene die wordt opgeroepen voor Tora. Immers, men leest alleen uit Tora in minjan, dus deze beracha is ook een heiliging [van G’ds naam] [Sj.A.HaRav 66:5, M.B. 66:18].



7. Wat geschreven staat over Kaddisj, Kedoesja, Barachoe en Modiem in § 3 met bijbehorende voetnoten, geldt ook hier voor tussen de afdelingen.

8. En men zegt geen Jitbarach [M.B. 66:17]. Maar volgens de Sj.A.HaRav 66:5 zegt men het wel.

9. Men zegt geen Jimloch, en zeker niet Nekadeesj enz. of de andere verzen van de Kedoesja die men op sjabbat zegt. Dit alles zegt men zelfs niet tussen de afdelingen in [M.B. 66:17]. Maar Rabbi Eliyahoe Touger schrijft in een voetnoot bij deze paragraaf in zijn Engelse vertaling van de Kitzur Shulchon Oruch dat men volgens de siddoer van de Rav wel Jimloch mag zeggen.

10. Zie ook noot 3 bij hoofdstuk 14 hierboven, waar wij schreven dat men volgens de Misjna Broera, die daar de Chajé Adam aanhaalt, nergens amein op antwoordt wanneer men van een beracha reeds de woorden Baroech Ata Hasjem gezegd heeft.

11. Om dezelfde reden moet men ook niet onderbreken tussen Sjema’ Jisraël en Baroech sjem kewod enz. [M.B. 66:11].

12. In de Sjoelchan Aroech en de Misjna Broera worden uitgebreide regels gegeven voor het begroeten. In vroegere tijden werd het niet beant­woor­den van een groet door sommigen als een zeer grove belediging be­schouwd, die tot zeer ernstige gevolgen kon leiden. Dat geldt nu niet meer. Daarom worden die regels door de samensteller van de K.S.A. weggelaten.


Dovnload 35.96 Kb.