Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 2 Basisbegrippen en communicatietheorie

Dovnload 328.72 Kb.

Hoofdstuk 2 Basisbegrippen en communicatietheorie



Pagina1/6
Datum30.05.2017
Grootte328.72 Kb.

Dovnload 328.72 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 2 Basisbegrippen en communicatietheorie
Communiceren zonder middel of medium is het gesprek tussen twee mensen. Daarin zijn vier situaties te onderscheiden:

  • een persoon A die een begin maakt met communicatie.

  • een persoon B die reageert op de communicatie van persoon A

  • het gespreksonderwerp X

  • de onderlinge relatie tussen persoon A en B.

Dit is het communicatiemodel van Van Doorn.

Een persoon A die een begin maakt met communicatie. Waarom communiceren mensen? :



  • Intentioneel handelen; bewust handelen om een bedoeld resultaten te bereiken.

  • Zelfreflectie; nadenken over zichzelf in relatie tot de situatie waarin de persoon zich verkeert of verkeerde. René Descartes: ik denk, dus ik ben. Omdat communicatie intentioneel wordt opgevat hebben communicatieacties altijd het doel een situatie te veranderen.

  • Innerlijk gesprek [Habermas] een innerlijk gesprek vindt plaats binnen één persoon, ieder mens gaat te rade bij zichzelf. Archer beschrijft het innerlijk gesprek als het fundament van al het bewuste handelen. Mensen maken inschattingen over het innerlijk gesprek van anderen. Communicatie mislukt vaak, omdat de één het innerlijk gesprek van de ander verkeerd interpreteert.

  • De behoeftepiramide van Maslow heeft 5 categorieën, 1 behoefte aan eten, drinken, aandacht, 2. de behoefte aan veiligheid en bescherming, vrede en kleding, 3. behoeften aan een sociale groep waar je bij kunt horen, liefde, genegenheid, 4. de behoefte aan erkenning van anderen, succes, status en prestige, 5. de behoefte aan ontplooiing. Schutz voegt hieraan toe, de behoefte om invloed uit te oefenen op anderen. Het model van Schultz erkent dat mensen voor hun eigen ontwikkeling soms anderen nodig hebben.

  • Festinger wordt gezien als de grondlegger van de balanstheorieën. Hij gaat ervan uit dat mensen streven naar een situatie die overeenkomt met wat ze weten, voelen en verwachten van zichzelf. Van hem is de term cognitieve dissonantie afkomstig, dit houdt in dat ieder mens tegenstrijdige elementen wil vermijden.

  • Fisbein en Ajzen hebben een model ontwikkeld voor hun theorie van het beredeneerd gedrag. Hierin laten zij zien dat mensen niet alleen reageren op prikkels en innerlijke factoren, maar ook een inschatting maken van reacties die zij van anderen kunnen verwachten [bijv. ouders]. Communicatie moet zich dus niet alleen richten op het individu, maar moet ook rekening houden met de sociale omgeving van de personen in de doelgroep.

Een persoon B die reageert op de communicatie van persoon A, Communicatieverwerkingsmodellen:

  • Elaboration Likelyhood Model [ELM]; ontwikkeld door Petti en Cacioppo, gaan uit van bewust en onbewust informatie verwerken. Onbewust is de perifere route, bewust de centrale route. Reclamemakers proberen gebruik te maken van onbewuste verwerking, omdat ze zo onbewust beïnvloed kunnen worden. Wanneer voor een koopbeslissing info van belang is wordt de info goed en helder aangeboden. De ene keer gaat het om gevoel, de andere keer om de info goed cognitief te kunnen verwerken.

  • AIDA Formule; Attention, Interest, Desire en Action.

  • Boender heeft 3-12-E variant op Basis van het AIDA model ontwikkeld. Binnen 3 sec persoonlijk contact en eerste ja, binnen 12 sec verder overtuigen, lukt dat volgt eeuwigheid.

  • Selectieprocessen; mensen nemen maar met halve aandacht waar, plakken hun eigen gedachten vast, vormen een mening en praten op een andere manier erover met derden als het überhaupt al waargenomen wordt. De verschillende selectiemechanismen; selectieve blootstelling; wel of niet een medium gebruiken, selectieve perceptie; wel of niet kennis nemen van de mediuminhoud, selectieve interpretatie; welke betekenis de mediagebruiker aan de inhoud geeft, selectieve acceptatie; accepteert of verwerpt de mediagebruiker de inhoud, selectieve retentie; wat wordt onthouden?.

Het gespreksonderwerp X, de inhoud. Het onderwerp heeft invloed op de wijze waarop mensen er met elkaar over praten, sommige onderwerpen zullen voorzichtiger besproken worden. het is belangrijk kennis te hebben van het onderwerp, maar ook inzicht in de achtergronden van iemands meningen. Een gesprek kan zo sneller zinvol worden, omdat de ene persoon zich beter kan aansluiten bij het kennisniveau van de ander.

  • Co-orientatiemodel; de gesprekspartners moeten zich zo goed mogelijk op elkaar oriënteren en zo goed mogelijk in elkaar verplaatsen, de gesprekspartners moeten duidelijk weten waarover ze praten.

De onderlinge relatie tussen persoon A en B, elk gesprek is de basis voor het volgende gesprek. Een communicatieproces is niet te beperken tot één enkel proces, maar is als communicatieactie een stap in een langlopende gezamenlijke vormgeving van een wederzijdse relatie.

- Communicatie tussen twee of meer mensen speelt zich af op verschillende niveaus. Oomkes onderscheid; inhoudelijk niveau en het betrekkingsniveau; het regelen van de onderlinge relatie tussen mensen. Deze wordt door tal van verschillende aspecten beïnvloed zoals, sympathie, afkeer, dominantie, spanning enz. Non-verbale [zonder woorden] communicatie speelt een rol.

Functies non-verbale communicatie: kan aangeven of de inhoud waar is, vult de inhoud aan, benadrukt de verbale communicatie, kan gesproken woorden vervangen, regelt het gesprek en kan als terugkoppeling fungeren. Communicatie op het niveau van betrekkingen komt ook terug in de inrichting van de menselijke omgeving. Daarmee tonen mensen status, macht en ruimte.


  • Groepsdynamiek; het gedrag dat een persoon vertoont wordt ook beïnvloed door de verschillende sociale contexten waarvan een persoon uitmaakt. Ieder persoon maakt deel uit van een primaire groep, meestal gezin en vrienden. De manier waarop sociale vaardigheden worden ontwikkelt wordt in hoge mate bepaald door de primaire en secundaire groepen waarvan zij deel uit maken. Daarnaast zijn de normen en waarden van de samenleving essentieel.

Communiceren via middelen of media

Een medium is een communicatiemiddel dat door derden wordt gexploiteerd. Een middel wordt door de organisatie zelf gemaakt. ZBMO model;

Z; Zender

Br; Bron, het brein van de zender

B; Boodschap

E; Encoderen, het op communicatiehoogte brengen van de bewustzijnsinhoud en deze verwerken tot tekens en signalen.

O; Ontvanger

Be: Bestemming, het brein van de ontvangen

D; Decoderen; het verwerken en interpreteren van signaleren symbolen, informatie en boodschappen.

M; Medium, ook wel kanaal genoemd

FB; feedback, de informatie die de zender ontvangt over het resultaat van de communicatie

FF; feedforward, de zender stelt zich vooraf op de hoogte van de ontvanger om de effectiviteit van de communicatie te vergroten.

Tk; terugkoppeling, de reactie van de zender op de acties van de ontvanger.

Het coderen en het decoderen zijn onderdeel van een communicatieproces waarbij veel mis kan gaan. Er wordt dan wel gezegd dat er ruis onstaat.


  • Interne ruis; de verstoringen die optreden bij de elementen van het communicatieproces zelf. Dit komt voor bij de zender, de boodschap, de ontvanger of het medium [bijv krakende telefoonlijn].

  • Externe ruis; verstoringen van buiten het communicatieproces [bijv verkeerslawaai].

  • Feedback; de reactie van de ontvangen op communicatieve uitingen. Het begrip vergelijkt de reactie met de bedoeling die de zender oorspronkelijk had en gaat na of de bedoeling gerealiseerd wordt.

  • Redundantie; informatie die meer is da het minimaal vereiste. Veel communicatie is redundant ten aard, omdat het gaat om het overbrengen van een boodschap en niet om het overbrengen van het minimaal vereiste. Redundantie is vereist om aan de communicatie een goede betekenis toe te kunnen kennen.

  • Boodschap; datgene wat iemand wil dat een ander gaat weten, denken voelen of doen. De zender tracht de ontvanger hiermee te beïnvloeden. Volgens Schulz von Thun moet men op 4 zaken letten; 1. zakelijk-referentieel; dit betreft de werkelijke kern van elke boodschap of mededeling, 2. Expressief; de zelfonthullende aspecten van de zender, waardoor de ontvanger een bepaalde indruk van de zender krijgt, 3. relationeel; de wijze waarop de zender de relatie met de ontvanger waardeert, 4. Appelerend; de zender doet een beroep op de ontvanger om iets te doen of te laten, denk aan bevelen of instructies.

Taal; een belangrijk voertuig van communicatie. Tekens en symbolen zijn de elementaire dragers van informatie. Codes zijn sterk cultuurgebonden. Het is van belang gedegen kennis te hebben van de relatie tussen tekens enerzijds en culturen anderzijds om blunders te voorkomen.

Tekens kunnen worden ingedeeld op basis van vijf menselijke zintuigen



  • visueel, geschreven en getekend

  • auditief; gesproken woorden, klanken

  • tactiel; tast, voelen

  • olfactorisch; reuk, geur

  • gustatorisch; smaak, proeven.

Aan informatie kent de ontvangen een bepaalde betekenis toe. Dit kan op drie niveaus

  • syntactisch, het niveau waarop volgens de grammaticale regels woorden en zinnen worden opgebouwd en gestructureerd om betekenisvol te kunnen zijn.

  • Semantisch, op dit niveau staat de betekenis van woorden binnen een bepaalde context centraal. Een woord kan meerdere dingen betekenen. 3 typen, denotatie; de betekenis van het woord koe = een dier, vaste connotatie; de bijbetekenis de gevoelsmatig inhoud van een teken koe = een dikke vrouw, variabele connotatie; de betekenis die één mens aan een wordt kan geven koe = een eng beest.

  • Pragmatisch, op dit niveau gaat het om het handelen in de praktijk, welke effecten brengt het teweeg.

Misstanden ontstaan doordat mensen verschillende betekenissen toekennen aan wat zij waarnemen. Een goede semantische strategie [taal en betekenis aansluitend bij oorspronkelijke boodschap zender] kan voor een organisatie goud waard zijn.

Massacommunicatie [grootschalig]

Van Osch en van Doorn samenvatting van inzichten in theorieën;

Effecten van massacommunicatie zijn nauwelijks te voorspellen, maar soms hebben media echt wel een effect. Wanneer het publiek kennis heeft genomen van misstanden is het vrijwel onmogelijk de publieke opinie te keren. De publieke opinie heeft een eigen dynamiek die wordt veroorzaakt door een grote hoeveelheid mensen die actief zijn in de sfeer van de publieke opinie bijv., journalisten, bloggers politici.

Theorievorming over massamedia is begonnen met het onderzoek naar de macht van de media. De eeste stelling was dat een boodschap in de krant effect zou hebben op de lezer. Geen onderzoek heeft deze stelling overtuigend bevestigd. Tegelijkertijd weet men dat de omzet stijgt als iets in de aanbieding gaat en dit wordt via massamedia gecommuniceerd. Het effect hangt samen met de inhoud van de boodschap. Het medium fungeert hoofdzakelijk als dragen van de informatie.

One-step-flow theorie; onstaan in de jaren twintig, massamedia oefent in slechts één stap invloed uit op de lezer. Wordt ook wel injectienaald, magic-bullet of transportbandtheorie genoemd.

Two-step-flow theorie; houdt in dat de media-invloed verloopt via de actieve mediagebruiker. De activie gebruiker beïnvloed mensen die de media niet of nauwelijks gebruiken.

Multi-step-flow theorie; gaat ervan uit dat de boodschappen vanuit de massamedia via meer persoonlijke contacten uiteindelijk bij personen aankomen [bijv. via twitter].

Adoptiecyclus[Rogers]; de eerste twee groepen die een nieuw meduim accepteren noemt hij innovaters en early adopters. De minder innovatieve mensen die aanzienlijk later volgen zijn de late majority en de laggerds.

Intermedierende factoren[Klapper]: selectieve blootstelling; de neiging om alleen datgene te lezen wat past bij bepaalde opvattingen, selectieve perceptie en selectief onthouden; mensen vervormen info zodat het gaat passen bij eigen referentiekader, Groepen en groepsnormen;mensen consumeren alleen info van belang voor de groepen waar ze bij horen, inter-persoonlijke verspreiding van boodschapinhouden; niet het meduim heeft invloed maar de doorvertellende persoon en het commerciële karakter van de massamedia; commerciële media zijn minder geloofwaardig.

Agendasettingtheorie: gaat ervan uit dat de massamedia grote invloed hebben op het niveau van het onderwerp waar mensen met elkaar over in gesprek raken. Het is echter onvoorspelbaar op welke wijze zij over het onderwerp zullen spreken.

Wright heeft de media vier functies toegekend; 1. nieuws, 2. meningen, 3. kennis en 4. amusement. Deze indeling gaat uit van de relatie tussen de media en het enkele individu. Het individu gebruikt de media echter in een sociale omgeving. Dit komt tot uitdrukking in drie functies; de informatieve functie; kent de behoefte aan informatie, educatie en hulp bij opinie en meningsvorming, de socialiserende functie; de behoefte om mee te kunnen praten, de amuserende functie; de behoefte aan afleiding, gezelligheid, tijdverdrijf.

Information seeking approach; de informatiezoekbenadering zoekt motieven voor het gebruik van media. 3 motieven; streven naar consistentie; iemand krijgt behoefte aan informatie wanneer hij inconsistenties op dit vlak wil opheffen, economisch voordeel; rationele kosten-batenafwegingen staat centraal en sociale co-oriëntatie; de sociale bruikbaarheid van de informatie.

Sence making approach; centraal staat hoe mensen betekenissen construerend en ze ‘zin geven’ aan het eigen leven.

Kenniskloofhypothese; stelt dat naar mate er meer media zijn en er meer informatie in een samenleving beschikbaar is de kloof tussen mensen met lagere en hoger sociaal economische status steeds groter worden, omdat de mensen met een hogere sociaaleconomische status de informatie sneller zullen verwerken.

De zwijgspiraaltheorie; gaat ervan uit dat, mensen durven voor hun mening in het openbaar niet uit te komen als het stookt met iets wat op dat moment erg in is. Het gedrag kan afwijken van wat zij in het openbaar zeggen [sociaal wenselijk gedrag].

Conclusies;


  • een enkele boodschap op een enkel medium zal op een enkele individu invloed hebben

  • mensen laten zich meer door persoonlijke gesprekken beïnvloeden dan door een meduim

  • in sommige opzichten hebben media grote invloed op de samenleving

  • voornaamste effect van massacommunicatie is dat bestaande meningen versterkt worden

  • radicale veranderingen in houdingen zijn uiterst zeldzaam

  • vrij belangrijke effecten om mensen zonder mening

  • nieuwe media zijn effectief omdat ze extra aandacht trekken omdat ze nieuw zijn.


Hoofdstuk 3 Middelen en Media
Middel; middelen die in eigen beheer en onder controle van de organisatie zijn gemaakt.

Media; comm.middelen die door andere organisaties worden geëxploiteerd en dus niet direct worden gecontroleerd door de desbetreffende organisatie.

Forrester Research typologie;

Owned media; alle middelen waarvan een organisatie zelf de content kan bepalen en controleren

Paid media; alle media die een organisatie bij een bedrijf inkoopt; ook hier kan een organisatie zelf de content bepalen; de kosten zijn meestal hoog.

Earned media [viraal]; free publicity; dat door internet en sociale media een vergrote dimensie heeft gekregen; wordt er over een organisatie gepraat. Een geslaagde campagne levert meer exposure op dan bij owned en pais media, maar er is een groter afbreukrisico.

3.2 communicatiemiddelen

Mondelinge communicatie; de essentie van mondeling comm. is dat zender en ontvangen voortdurend van rol wisselen. Kenmerken zijn tweerichtingsverkeer, persoonlijk contact, afstemming boodschap op, en aanpassing ervan aan, de doelgroep, niet geschikt voor complexe onderwerpen, bijstelling informatie direct mogelijk, ruis doorgaans gering, steun van non verbale elementen van comm, aan tijd gebonden, vertekening van de boodschap relatief gemakkelijk, traag in relatie van het bereiken van de totale doelgroep, relatief eenvoudige manier om gedrag te beïnvloeden, niet na te slaan, geschikt voor met name bottum-up en horizontale comm., selectieve interpretatie door de ontvangers en motivatie voor kennisneming moet als aanwezig zijn.

Schriftelijke communicatie; kenmerken; eenrichtingsverkeer [monoloog], geen persoonlijk contact, moeizamere afstemming boodschap op doelgroep, achtergrondinformatie geven is mogelijk, geschikt voor complexere onderwerpen, geschikt voor tabellen, grafieken en schema’s, bevestiging en ondersteuning mondelinge comm., bijstelling info niet direct mogelijk, kans op ruis is groter, vergt veel creativiteit, steun van opmaak koppen lay out e.d., niet aan tijd gebonden, vertekening boodschap relatief gemakkelijk, snel, relatief goedkoop, geschikt voor top-down comm, selectieve interpretatie door de ontvanger, te bewaren, na te slaan, en te herlezen, motivatie voor kennisneming moet al aanwezig zijn. Belangrijke criteria op grond waarvan schriftelijke comm. kan worden ingezet; de verschijningsfrequentie, de impact c.q. autoriteit ervan, de strekking van de boodschap en de belangen voor zowel de zender als de ontvanger. Voorbeelden; brieven en e-mails, folders brochures e.d., buitenreclame [borden, lichtkranten], de media en intern op mededelingsborden.

[Audio]visuele comm.; een verzamelnaam voor drie middelen, auditieve visuele en audiovisuele middelen. Door een combinatie hiervan wordt de boodschap doorgaans beter onthouden. Uit onderzoek van Wharton school of business is gebleken dat mensen; 10% onthouden van wat ze lezen, 20% onthouden van wat ze horen, 30% onthouden van wat ze zien en 70% onthouden van wat ze zien en horen. Kenmerken; ; eenrichtingsverkeer [monoloog], geen persoonlijk contact, moeizamere afstemming boodschap op doelgroep, achtergrondinformatie geven is nauwelijks mogelijk, maken info aanschouwelijker en begrijpelijker, grote impact door beeld en geluid, bijstelling info niet direct mogelijk, manipulatie van de boodschap is relatief gemakkelijk, inhoud is gemakkelijker te onthouden, interpretatie in eigen tempo vaak niet mogelijk., niet aan tijd gebonden, vertekening boodschap relatief gemakkelijk, traag, relatief kostbaar, geschikt voor top-down comm, selectieve interpretatie door de ontvanger, moeilijker na te zien, uitstekende demonstratiemedia.

Digitale comm.middelen; audiovisuele middelen worden digitaal vervaardigd. Belangrijkste kenmerken; interactiviteit, snel en gemakkelijk actueel te houden, gemakkelijk te vermenigvuldigen en te verscpreiden en een enorme opslagcapiciteit.

Internet; één corporate website volstaat niet meer alleen, er moeten aanvullende merken-, producten-, of actiesites worden gemaakt. Het is belangrijk websites te linken aan andere belangrijke websites en sociale media. Zoekmachinemarketing en zoekmachineoptimaliatie zijn instrumenten om de website te optimaliseren en zodoende beter vindbaar te maken om op deze wijze [meer] bezoek naar de eigen website te creëren.

Mobile websites; omdat alle smartfones tegenwoordig gewone sites in hun browser aankunnen is een mobiele website in wezen niet echt nodig. Er is wel sprake van meer bij gebruikersgemak een mobile website. Een nadeel van een mobile site boven een app is dat er nog geen gebruik gemaakt kan worden van de functionaliteiten van een smartphone zoals GPS en de camera.

Mogelijkheden op internet;



  • besloten websites voor bepaalde groepen stakeholders

  • publiceren van weblogs

  • het versturen van nieuwsbrieven

  • rss-feeds [abonnement wijzigen op websites]

  • het beschikbaar stellen van widgets

  • het digitaal communiceren met stakeholders dmv chatten enz.

  • user generated content; de lezer voegt zelf content toe, bijv op wiki’s

  • het opzetten van communities en forums

  • wiki’s

Mobiele telefonie; niet alleen interessant voor de individuele gebruiker, maar zeker ook voor de organisaties, ondernemingen en overheden. Het is een middel om op uiteenlopende manieren in contact te komen met de doelgroep.

Apps; door apps beschikbaar te stellen, kunnen bedrijven consumenten van dienst zijn en tegelijkertijd ze continu op hun bedrijfsnaam of merk attenderen. Voor succes is het noodzakelijk dat de app een toegevoegde waarde heeft voor de consument.

Gaming; in de eerste plaats kan een bedrijf games ontwikkelen die reclameactiviteiten ondersteunen. Steeds vaker worden games ingezet om persoonlijke gegevens te verzamelen, een community op te bouwen en om een bezoek te genereren naar product- of merksites, met als doel merkbewustzijn te creëren of andere soorten interacties tot stand te brengen. De laatste ontwikkeling is social gaming, hierbij worden sociale netwerken ingezet.

5 essentiële aandachtspunten om serieus werk te maken van digitale comm;

1. zelf aanwezig zijn in de digitale wereld

2. informatie beschikbaar stellen waar behoefte aan is op de plaatsen waar verwacht wordt het aan te treffen

3. stakeholders opzoeken op internet op relevante sociale media

4. deelnemen aan discussies die daar worden gevoerd

5. zo nodig zelf platforms creëren met voldoende interessante content.

3.3 Media

De belangrijkste kenmerken van media is dat deze geëxploiteerd worden door een derde p[artij en dat bedrijven daarop geen [directe] invloed hebben. Organisaties kunnen media op 2 manieren inzetten;


  • door betaalde communicatie, vooral in de vorm van advertenties en op sociale media

  • door free publicity, denk hierbij aan het onderhouden van perscontacten.

Crossmedia [Reynaert]; er is sprake van crossmedia als er ten behoeve van een communicatiedoelstelling kruisbestuiving bestaat van verschillende media. De verschillende media communiceren medium specifieke betekenissen die uitmaken van een synergetisch geheel. Vijf elementen spelen een rol; storytelling, mediumspecifiteit, usability, relevantie en co-creatie.

3.4 gedrukte media

Kranten; een periodiek verschijnend meduim dat de lezers actuele informatie en achtergronden biedt. Het brengt het nieuws en plaatst het in een bepaalde content. Onderverdeeld in’


  • dagbladen; een krant die keer per week verschijnt met een zelfstandige redactie die niet wordt beïnvloed door commerciële belangen. Landelijke dagbladen, gespecialiseerde dagbladen, regionale dagbladen, een kopblad [een editie van een regionaal dagblad met de titel van de plaats waarop zij betrekking heeft] en gratis dagbladen.

  • Nieuwsbladen; een medium dat minder dan keer in de week verschijnt, meestal in een kleiner geografisch gebied met veel regionaal nieuws.

  • Huis-aan-huis bladen; een volledig uit advertenties gefinancierd medium dat één of tweemaal per week verschijnt binnen een beperkt verzorgingsgebied.

Tijdschriften; voortgekomen uit het dagblad, verschijnt periodiek met een interval van tenminste één week. Tijdschrift journalistiek wordt ook wel service-journalistiek genoemd. Tijdschriften zijn verstrooiend, ze laten lezers wegdromen en bieden de mogelijkheid tot identificatie met een bepaalde levensstijl. Onderverdeeld in;

  • publiekstijdschriften

  • opinietijdschriften

  • omroepbladen

  • van- en beroepsbladen

3.5 omroep

Twee andere belangrijke bronnen van informatie zijn radio en tv. De omroepregelgeving in Nederland is sinds 1 jan 2009 geregeld in de mediawet. Deze wet regelt het toelating tot het omroepbestel en stelt eisen aan de publieke omroep wat betreft de pluriformiteit van hun programma-aanbod. De wet bevordert onder meer de samenwerking de coördinatie tussen landelijke media-instellingen. De wet maakt onderscheid tussen publieke en commerciële omroepen, voor beide gelden aparte regels.

De publieke omroep heeft zowel voor radio en tv landelijke, regionale en lokale omroepen

Landelijk; NOS, NTR, omroepverenigingen [tros, vara enz], overige gezendmachtigen [kerken, politieke partijen], STER.

Regionaal; dertien publieke omroepen die actief zijn op radio, tv en internet. Deze worden bekostigd door de provincie. Nederland kent ruim 400 lokale omroepen in bij 90 procent van alle gemeenten. Onder de naam Nederland 24 hebben ook een groot aantal digitale kanalen.

Commerciële omroep; sinds jan. 1995, deze valt onder de mediawet en is gebaseerd op de Europese richtlijn, televisie zonder grenzen. Een deel van de reclame-inkomsten moeten jaarlijs worden afgedragen ten behoeve van het Bedrijfsfonds voor de pers.

Digitale media: op internet is het traditionele aanbod te vinden, maar door de interactieve mogelijkheden van internet is het aanbod van producten en diensten veel groter. Bijv. Uitzending gemist.

3.6 Sociale media

Social media: digitale platformen waar mensen met tekst of film met elkaar kunnen communiceren. Dit kan via een computer, maar ook via mobieltjes of tv. Netwerkdeskundige Van Dijk gaat een stap verder, hij noemt ze; een reeks van netwerktoepassingen die mensen in staat stelt dingen te delen.

Sociale media zijn gericht op interactie, verbinding en gemeenschapsvorming. Alles draait bij sociale media om wederzijds vertrouwen.

Sociale media worden in verschillende verbanden voor diverse doelstellingen ingezet. Zowel zakelijk en particuliere netwerken. Kenmerken; de gebruiker levert creëert de inhoud van het sociale medium door de informatie die hij aanlevert, de info is altijd actueel, de info is decentraal; het onderscheid tussen zender en ontvanger vervaagd, de info kan snel en breed worden verspreid, er kan snel en door iedereen op de info worden gereageerd, veel info is sterk persoonsgebonden en subjectief, niet plaats en tijd gebonden, creëren een groepsgevoel, vormen relatief eenvoudig en goedkoop middel om info te vergaren en te verspreiden, vormen platforms voor zakelijke act, kunnen overheden, organisaties, ondernemingen en personen positief of negatief beïnvloeden, staan hoog in de ranglijst van zoekmachines.

3.7 Overige media

Teletekst, de kabelkrant en de bioscoop.

  1   2   3   4   5   6

  • Hoofdstuk 3 Middelen en Media

  • Dovnload 328.72 Kb.