Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 2: Spellingregels 9 De ‘e/en’ in samenstellingen

Dovnload 91.37 Kb.

Hoofdstuk 2: Spellingregels 9 De ‘e/en’ in samenstellingen



Datum22.05.2018
Grootte91.37 Kb.

Dovnload 91.37 Kb.

Let op: in deze samenvatting is niet alles besproken, alleen dingen die niet overduidelijk, behoorlijk moeilijk of niet ontzettend vaak besproken zijn. Dus voor niet-samengevatte onderwerpen: zie je Vlekkeloos Nederlands-boekje.
Hoofdstuk 2: Spellingregels

2.9 De ‘e/en’ in samenstellingen

De regels gelden alleen voor samenstellingen (hondenhok), niet voor afleidingen (sprakeloos).


-en ertussen gebruiken bij..:

  1. Als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is met een meervoud eindigend op –en, voorbeeld: boekenplank, kippenhok

-e ertussen gebruiken..:

  1. Als het eerste deel in meervoud alleen kan eindigen op –s, voorbeeld: horlogemerk

  2. Als het eerste deel in meervoud kan eindigen op –en en –s, voorbeeld: ladekast, geboortecijfer

  3. Het eerste deel is een bijvoeglijk naamwoord, voorbeeld: platteland, blindedarm

  4. Het eerste deel is een werkwoord, voorbeeld: brekebeen, huilebalk

  5. Het eerste deel verwijst naar persoon/iets waarvan er maar één van is, voorbeeld: zonnestraal, Koninginnedag

  6. Het hele woord is een bijvoeglijk naamwoord en het eerste deel is versterkend, voorbeeld: beresterk, reuzeleuk

  7. Het hele woord is een ‘versteende samenstelling’, voorbeeld: ruggespraak, duimelot, marsepein, hazewind

  8. Het eerste deel is een zelfstandig naamwoord zonder meervoud, voorbeeld: tarwemeel, rijstepap

In afleidingen bijna altijd e: zakelijk, sprakeloos etc., behalve bij eigenlijk, wezenlijk en gezamenlijk.
2.10 De tussenletter ‘s’

  1. Schrijf een s als hij wordt gehoord, voorbeeld: levensgroot, eendagsvlieg

  2. Schrijf ss als dat logisch is, voorbeeld: meisjesafdeling meisjesstemmen

  3. Veel woorden mogen mét of zonder s, voorbeeld: drug(s)beleid, spelling(s)regels


2.14 Leenwoorden




Tegenwoordige tijd

Verleden tijd

Volt. deelwoord

Ik

Jij, hij/zij

Ik, jij, hij/zij

Ik heb, jij hebt, hij/zij heeft

Barbecueën

Barbecue

Barbecuet

Barbecuede

Gebarbecued

Bingoën

Bingo

Bingoot

Bingode

Gebingood

Checken

Check

Checkt

Checkte

Gecheckt

Coachen

Coach

Coacht

Coachte

Gecoacht

Deleten

Delete

Deletet

Deletete

Gedeletet

E-mailen

e-mail

e-mailt

e-mailde

Ge-e-maild

Finishen

Finish

Finisht

Finishte

Gefinisht

Faxen

Fax

Faxt

Faxte

Gefaxt

Managen

Manage

Managet

Managede

Gemanaged

Updaten

Update

Updatet

Updatete

Geüpdatet

Upgraden

Upgrade

Upgradet

Upgradede

Geüpgraded

Volleyballen

Volleybal

Volleybalt

Volleybalde

Gevolleybald


2.15 Het accent cironflexe (dakje)

Bijna alleen op de e, bij deze woorden:

Gênant, gêne, fêteren, enquête, maîtresse.
2.16 Het accent aigu (é) en grave (è)

é: comité, café, employé

mannelijk: introducé  introducés

vrouwelijk: introducee  introducees


è: carrière, barrière, crèche, crème
2.17 Hoofdletters

Hoofdletter gebruiken:

Eerste woord van de zin

Hij liep op straat.

Directe rede

Nadia zei: ‘Ik eet een ijsje.’

Namen

Zuid-Korea, Vaderdag, Jan Duits, Fiat

Bijvoeglijke naamwoorden, afgeleid van naam

Spaanssprekend, Oost-Europese

Bevolkingsgroepen, afgeleid van naam

Brabander, Eskimo, Lap

Sommige titels

Hare Majesteit

Namen van instelligen

Raad van State, Tweede Kamer

Naam voor heilig persoon/begrip

Allah, God, Bijbel, Koran

Bij adressering en aanhef

Geachte mevrouw De Wit, De heer P. de Jong


Kleine letter gebruiken:

Stromingen, overtuigingen, geloofsaanduidingen

indiaan, zigeuner, protestant, socialisme

Tijdsaanduidingen en windrichtingen

middeleeuwen, renaissance, januari, zuidoost

Sommige titels

drs., ir., ing.

Opleidingen

havo, vmbo, hbo

Beoefenaars van godsdiensten

iman, paus, biecht

Afleidingen van persoonsnamen

freudiaans, marxisme

Een naam die tot soortnaam is geworden

moezelwijn, een bourgondisch leven


2.18 Het koppelteken

Koppelteken gebruiken:



  1. In samenstelling met letters, cijfers en andere tekens, voorbeeld: 23-jarige, vwo-diploma

  2. In samenstelling met letters/woorden die uit één of meer hoofdletters bestaan, voorbeeld: VARA-gids, T-shirt

  3. In samenstelling met bijzondere voor-of nabepaling, voorbeeld: ex-.., adjunct-.., non..,

  4. In samenstelling met aardrijkskundige namen, voorbeeld: Zuid-Afrika, Noord-Hollandse

  5. In samenstelling bestaand uit gelijkwaardige delen, voorbeeld: cultureel-maatschappelijk, financieel-economisch (let op, niet omwisselbaar: privaatrechtelijk, sociaalpsychologisch)

  6. In samenstelling die verkeerd gelezen kan worden, voorbeeld: stage-uren

  7. In namen van gehuwde vrouwen, voorbeeld: mw. Schreuder-Steenbeek

  8. In bepaalde plaatsnamen, voorbeeld: ’s-Gravenhage

  9. In samenkoppelingen, voorbeeld: staakt-het-vuren, kant-en-klare maaltijden

  10. In samenstellingen en afleidingen met een naam, voorbeeld: kabinet-Balkenende

Let op: driedelige samenstellingen (voorbeeld: langetermijnplanning, brutominimumloon) aan elkaar vast!


2.20 Het trema

Trema om te voorkomen dat een woord verkeerd wordt uitgesproken:



  1. Officieel – officiële

  2. Variëren – gevarieerd

  3. Naïviteit, reële, reünie, poëzie, egoïsme etc.

Geen trema:



  1. Museum, opticien, luxueus

  2. Samenstellingen met twee klinkers aan elkaar: zee-egel, toe-eigenen (wel: toegeëigend), mee-eten


2.21 De apostrof

Gebruiken bij:



  1. De tweede naamval als woorden op een –s klank eindigen, voorbeeld: Jos’ auto, Lex’ buren

  2. In afleidingen van cijfer- en letterwoorden, voorbeeld: A4’tje, hbo’er



2.22 Afkortingen

m.a.w., m.b.t., jl.

In principe achter ieder woord een punt

dr., drs.

Na titels een punt

cm, kg

Na maten en gewichten geen punt

Ca, pH

Natuurkundige/scheikundige begrippen: geen punt


2.23 Beide of beiden e.d.

Beiden: verwijzen naar personen, voorbeeld: Jan en Koos gaan met de trein. Beiden hebben een kaartje.

Beide: verwijzen niet naar personen, voorbeeld: De treinbanken en –tafels zien er nieuw uit. Beide zijn opnieuw bekleed.
Let op bij samentrekkingen:

Sommige collega’s komen met de trein, andere (collega’s) komen met de bus.



2.24 Meervoud

  1. Woorden die op a, e,i, o, u of y eindigen en verkeerd kunnen worden uitgesproken, krijgen

‘s , voorbeeld: auto’s

  1. Woorden die op een ‘stomme e’ eindigen, krijgen een s, voorbeeld: horloges

  2. Woorden die op ee eindigen, krijgen s of ën, voorbeeld: abonnees, ideeën

  3. Veel woorden die op ie eindigen, krijgen ¨n of ën, voorbeeld: melodieën, poriën

  4. Woorden die op –is of –us eindigen, schrijf je met ss, voorbeeld: kubussen

Let op: monnik  monniken, middel  middelen

Let op: datum  musea/museums, datum  data, datums


2.25 Verkleinwoorden

Let op: sms’je, harinkje, gsm’etje, baby’tje


2.27 Het afbreken van woorden

Woorden afbreken aan het eind van de zin:



  1. Bij het afbreken vervalt de klinkerverdubbeling, voorbeeld: vlaatje vla’-tje, cafeetje cafe-’tje

  2. Niet afbreken bij een lettergreep bestaande uit één klinker, voorbeeld: deuro-pening

  3. De ch komt bij de volgende lettergreep, voorbeeld: la-chen, li-chaam

  4. Bij het afbreken vervalt het trema, voorbeeld: beëindigen be-eindigen


Hoofdstuk 3: Interpunctie

3.1 De komma

De komma plaats je o.a. in de volgende gevallen:



  1. Tussen twee werkwoorden die tot verschillende zinnetjes behoren

  2. Tussen verschillende bijvoeglijke naamwoorden, voorbeeld: Wij houden van klassieke, alternatieve en dubstep muziek.

  3. Voor onderschikkende voegwoorden, voorbeeld: Ik ben boos, omdat hij mij geslagen heeft

  4. Voor een uitbreidende bijvoeglijke bijzin, voorbeeld: Barneveld, dat door vele mensen als ‘refo’ wordt betiteld, is een dorp in Gelderland.Let op: alleen een komma als deze bijzin weggelaten kan worden!

  5. Voor en na een bijstelling, voorbeeld: Onze koningin, Beatrix, zal binnenkort aftreden.


3.4 De puntkomma

De puntkomma plaatsen in de volgende gevallen:



  1. Tussen twee zinnen die zo nauw met elkaar verbonden zijn, dat een punt teveel scheiding geeft, voorbeeld: Ik ging al snel naar huis; ik voelde me niet zo lekker.

  2. Bij opsommingen die voorafgegaan worden door een aankondigende zin met een dubbele punt, voorbeeld: We moeten dit nog regelen:

    1. samenvattingen van Lotte krijgen;

    2. de samenvattingen leren;

    3. een goed cijfer voor de toets halen.


3.5 Aanhalingstekens

Aanhalingstekens gebruiken in o.a. de volgende gevallen:



  1. Bij de directe rede (als iemand iets zegt)

  2. Bij een citaat

  3. Bij woorden in de zelfnoemfunctie, voorbeeld: Het woord ‘hermafrodiet’ is onlangs in een dictee gebruikt.

  4. Je wilt een woord een bepaalde betekenis meegeven/ironisch bedoelen, voorbeeld: Mijn ‘beste vriendin’ heeft me al weken niet ge-sms’t.

  5. Bij het vermelden van een naam, voorbeeld: Het nummer ‘The Eye of the Tiger’ is al veel te vaak in de aula gedraaid.


Hoofdstuk 4: Stijl

4.3.1 Aanwijzende voornaamwoorden

Voorbeelden: die, deze, dat, dit.

Mannelijk en vrouwelijk: deze, die. Voorbeeld: Zij zag hun garage en vond die erg mooi.

Onzijdig: dit, dat. Voorbeeld: Ik heb zijn boek gelezen en ik vond dit vreselijk.


4.3.2 Betrekkelijke voornaamwoorden

Antecedent: woord waarop het voornaamwoord betrekking heeft.



  1. ‘Die’ heeft betrekking op een mannelijke of vrouwelijk zelfstandig naamwoord of op een meervoud. Voorbeeld: De man die daar staat, is dakloos.

  2. ‘Dat’ heeft betrekking op een onzijdig zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: Het koekje dat zij net at, is over de datum.

  3. ‘Wat’ gebruik je in de volgende gevallen:

    1. Als het betrekking heeft op een onbepaald voornaamwoord (alles, iets, niets, veel)

    2. Als het betrekking heeft op een overtreffende trap

    3. Als het betrekking heeft op een hele zin

  4. Betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent. Voorbeeld: Wie (=degene die)direct besteld, heeft 10 euro korting./ Wat (=dat wat) je vind, moet je naar de concierge brengen.

  5. Betrekkelijk voornaamwoordelijk bijwoord: combinatie tussen bijwoord en betrekkelijk voornaamwoord (nooit bij personen!). Voorbeeld: De auto waarin hij rijdt, is een oud barrel.


4.3.5 Verwijswoorden bij zelfstandige naamwoorden

  • Bij onzijdige zelfstandige naamwoorden horen de verwijswoorden ‘het’ en ‘zijn’ (ook altijd bij verkleinwoorden). Voorbeeld: Het bedrijf heeft zijn werknemers ontslagen.

  • Bij mannelijke zelfstandige naamwoorden horen de verwijswoorden ‘hij’, ‘hem’ en ‘zijn’. Voorbeeld: Die auto ziet er met zijn groene kleur nogal vreemd uit.

  • Bij vrouwelijke zelfstandige naamwoorden horen de verwijswoorden ‘zij’, ‘ze’ en ‘haar’. Voorbeeld: De regering heeft haar plannen bekendgemaakt.

In principe zijn alle de-woorden mannelijk, behalve als woorden vrouwelijke personen of dieren aanduiden of bij deze woorden:



  • -heid-nis-schapwaarheidkennisbeterschap;

maar: het dichterschaphet gezelschaphet kampioenschaphet waterschap

  • -de-teliefdediepte;

maar verzameltermen met ge- ervoor zijn onzijdig: het gebergte

  • -ij-erij-arij-enij-ernijvoogdijbakkerijrijmelarijwoestenijrazernij;

maar: het schilderij

  • -ing-st (achter een werkwoordstam): wandelingwinst;

maar: dienst is mannelijk

  • -ie-tie-sie-logie-sofie-agogiefamiliepolitievisiebiologiefilosofiedemagogie;

  • -iek-icamuzieklogica;

maar: het antiekdiptiek (ook het), het elastiekmozaïek (ook het en mannelijk),portiek (ook het), het publiek en automatiek (ook het), elektriek (mannelijk en het), kantiek (ook het), mechaniek (ook het), periodiek (ook het) en reliek (ookhet)

  • -theek-teit-iteitbibliotheekpuberteitstabiliteit;

  • -tuur-suurnatuurcensuur;

maar: het avontuurhet barbituurhet fournituurgarnituur (ook het), montuur(ook het), het postuurcreatuur (ook het)

  • -ade-ide-ode-udetiradeplanetoïdeperiodeattitude;

maar: niet-telbare stofnamen op -ide zijn onzijdig (bijvoorbeeld chloride en bromide)

  • -ine-se-agedisciplineanalysebagage;

maar: bosschage (ook het), het percentagepromillage en voltage (ook het)

  • -sis-tis-xiscrisisbronchitissyntaxis.


4.3.6 Hen of hun

Regels:


  1. ‘Hun’ als het een bezittelijk voornaamwoord is, voorbeeld: Al hun vrienden zijn op hun feest geweest.

  2. ‘Hen’ na een voorzetsel, voorbeeld: Waarom geef je het niet aan hen?

  3. ‘Hen’ als het een lijdend voorwerp is, voorbeeld: Hij belt hen morgen op.

  4. ‘Hun’ als het een meewerkend voorwerp is, voorbeeld: De leraar heeft hun een oefen-examen meegegeven.


4.4 Hoofd- en bijzinnen

Enkelvoudige zin: Wij gaan naar school.

Samengestelde zin: Wij zien wel, hoe het afloopt. (twee of meer persoonsvormen; twee of meer onderwerpen)
Kenmerken hoofdzin:


  1. Persoonsvorm en onderwerp staan (meestal) naast elkaar

  2. Je kunt geen ander woord tussen persoonsvorm en onderwerp zetten

  3. Een hoofdzin kun je niet door één woord vervangen.

Kenmerken bijzin:



  1. Onderwerp en bijzin staan (meestal) niet naast elkaar, als dat wel zo is, kun je er een ander woord tussen zetten

  2. Een bijzin is altijd te vervangen door één woord

Voorbeeld van een zin met hoofd- en bijzin:

Omdat ik geen zin heb om te leren, zeg ik tegen mijn moeder, dat ik morgen de toets niet kan maken.


  • Omdat ik geen zin heb om te leren = bijzin

(want het is te vervangen door ‘daarom’ en pv en ov staan niet naast elkaar)

  • .. zeg ik tegen mijn moeder = hoofdzin

(want pv en ov staan naast elkaar en is niet te vervangen door één woord)

  • .. dat ik morgen de toets niet kan maken = bijzin

(want het is te vervangen door ‘iets’ of ‘dat’ en pv en staan niet naast elkaar)
4.6 Inversie

Hoofdzinnen hebben meestal de volgende volgorde: onderwerp – persoonsvorm (=de normale volgorde). Voorbeeld: Wij haten Nederlands altijd. Het omkeren van deze volgorde heet inversie.


Inversie is in deze gevallen toegestaan:

  1. Als de zin vragend is, voorbeeld: Haten wij Nederlands altijd?

  2. Als de zin niet met het onderwerp, maar met een ander zinsdeel begint: Altijd haten wij Nederlands.

Inversie is zo niet toegestaan:



Gisteren gingen wij naar het bos en vertellen wij morgen dat aan onze vrienden.

In deel 1 van de zin mag het wel: het begint namelijk met ‘gisteren’ (een ander zinsdeel), maar in deel 2 is dit niet het geval. Daarom moet morgen opgeschoven worden vóór ‘vertellen’ (of ‘wij’ en ‘vertellen’ moeten worden omgedraaid).


4.7 Beknopte bijzin

Een bijzin bevat een persoonsvorm en een onderwerp. Een bijzin met een werkwoordsvorm, maar zonder persoonsvorm en onderwerp heet een beknopte bijzin, voorbeeld: Pratend, reed hij een fietser aan.

Foutieve beknopte bijzin: Al etend was het uur snel afgelopen. Het uur eet niet, dus: Terwijl ik at, was het uur snel afgelopen.
4.8 Samentrekking

Om onnodig herhalen te voorkomen, kun je soms woorden of zinsdelen weglaten. Voorwaarden hiervoor zijn:



  1. De betekenis van het samengetrokken woord/zinsdeel moet hetzelfde zijn, dus niet: Hier zet men koffie en over .

  2. De grammaticale functie van het samengetrokken woord/zinsdeel moet hetzelfde zijn, dus niet: De mensen waren hier gisteren al (de mensen = onderwerp) en zullen morgen geholpen worden (de mensen = lijdend voorwerp).

  3. De volgorde onderwerp-persoonsvorm moet hetzelfde zijn, dus niet: Op die site zagen wij wat foto’s en [wij] willen die graag laten afdrukken. (zagen wij <-> wij willen)

  4. Zinnen moeten tot dezelfde rang behoren, alleen binnen twee of meer hoofdzinnen of binnen twee of meer bijzinnen, dus niet: Het is fijn (=hoofdzin), dat we mogen komen (=bijzin), maar zijn die dag al weg (=hoofdzin).


4.13.8 Tangconstructie

Zet in zinnen bij elkaar wat bij elkaar hoort, probeer onderwerp en persoonsvorm zo dicht mogelijk bij elkaar te zetten.



Fout: Het bestuur heeft na lang overleg en na alles nog een keer op een rijtje te hebben gezet, besloten akkoord te gaan met het besluit.

Goed: Na lang overleg en na alles nog een keer op een rijtje te hebben gezet, heeft het bestuur besloten akkoord te gaan met het besluit.

  • 2.10 De tussenletter ‘s’
  • 2.15 Het accent cironflexe (dakje)
  • 2.23 Beide of beiden e.d.
  • 2.25 Verkleinwoorden
  • Hoofdstuk 3: Interpunctie 3.1 De komma
  • Hoofdstuk 4: Stijl 4.3.1 Aanwijzende voornaamwoorden
  • 4.3.2 Betrekkelijke voornaamwoorden
  • 4.3.5 Verwijswoorden bij zelfstandige naamwoorden

  • Dovnload 91.37 Kb.