Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk 7 De tijd van pruiken en revoluties

Dovnload 185.73 Kb.

Hoofdstuk 7 De tijd van pruiken en revoluties



Datum25.10.2017
Grootte185.73 Kb.

Dovnload 185.73 Kb.

Hoofdstuk 7 De tijd van pruiken en revoluties


Introductievragen

Voor je begint
1 Je eigen antwoord.
2 Adam Smith, Belle van Zuylen, Immanuel Kant, John Locke, Marie Antoinette, Robespierre, Voltaire.
3 a Je eigen kolommen. De begrippen uit dit hoofdstuk zijn:

verlichting, verlichte denken, rationalisme, driemachtenleer, ancien régime, verlicht absolutisme, democratische revoluties, grondwet, grondrechten, staatsburgerschap, transatlantische slavenhandel, plantages, abolitionisten. Wel in begrippenlijst, niet vetgedrukt in tekst (in het kader ‘Bataafse revolutie’): eenheidsstaat.



b Je eigen schema. Bijvoorbeeld:

verlicht denken – Verlichting - rationalisme

democratische revoluties

abolitionisme


rechtsstaat – staatsburger - grondwet

c Je eigen antwoord.
Instapverhaal: Heftige discussies
4 Hij wilde de tijd waarin revolutionaire ideeën – onder meer in dit soort salons – tot ontwikkeling kwamen in beeld brengen, met alle hoofdrolspelers tezamen.
5 Filosofen speelden een belangrijke rol bij de verspreiding van nieuwe ideeën die de kern van de Verlichting en de aanzet tot de democratische revoluties vormden.
Het tijdvak
6 Tot de Nieuwe Tijd (1500-1800).
Kijken op de kaart
7 De Europeanen hadden weinig tot geen invloed op het doen en denken in andere delen van de wereld; zij dreven er wel handel, maar daar ging maar beperkte culturele invloed vanuit.
8 a Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen.

b Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

Engeland was het sterkste land op zee, Frankrijk het machtigste land op het continent, maar daar werd het in toom gehouden door samenwerking tussen Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen (vaak in wisselende coalities).



c Duitsland was geen nationale staat; Duitstaligen leefden verspreid over Pruisen, Oostenrijk, een hele reeks kleine vorstendommen en de rest van Midden-Europa. ‘Duitsland’ bestond dus niet.

Spanje beschikte wel over een groot gekoloniseerd gebied, maar speelde in de Europese machtsverhoudingen geen rol van betekenis meer.

Italië was geen nationale staat, het grondgebied bestond uit kleine en middelgrote koninkrijkjes. ‘Italië’ bestond dus niet.
9 De overeenkomsten. Net als in veel andere Europese staten trok de stadhouder (elders: koning) meer macht naar zich toe, maar kwamen burgers daar in het laatste deel van de eeuw tegen in opstand. Hun eerste opstand, in 1787, mislukte nog, maar in 1795 kwamen zij, met hulp van het Franse (revolutionaire) leger, aan de macht en werd Nederland een ‘echte’ republiek, zonder erfelijk ‘staatshoofd’.
Heden en verleden
10 a Twee van de volgende argumenten:

- De ‘uitkomst’ van deze eeuw was dat in West-Europese landen een grondwet kwam waarin de rechten van burgers werden vastgelegd en een politieke systeem waarin burgers steeds meer invloed kregen – het begin van de democratie zoals we die nu kennen.

- De verlichte denkbeelden die in deze eeuw ontstonden, zijn nog altijd richtinggevend voor hoe we nu tegen allerlei zaken aankijken: het recht op vrijheid, de vanzelfsprekendheid van gelijkheid voor de wet, een burgerlijk bestuur, vertrouwen in wetenschap, de kerk buiten de politiek houden – enzovoort.

- In deze eeuw zette de tot dan toe nog vrij ‘onschuldige’ kolonisatie van de wereld door Europeanen (en Amerikanen, die de VS zelf nog grotendeels moesten koloniseren) door met de vestiging van plantages waar Afrikaanse slaven tewerk werden gesteld. Dit bracht een steeds groter deel van de wereld tot nadrukkelijker onderdeel van een wereldeconomie. Later zouden de Europeanen veel van deze gebieden onder hun bestuur stellen (modern imperialisme) en er een nog veel grotere economische en culturele invloed uitoefenen. Volgens sommigen vormt dit de basis van de huidige ongelijke verdeling van welvaart in de wereld.



7.1 De Verlichting

Verwerkingsvragen


Bevrijding van de mens
1 Je eigen antwoord. In een goed antwoord zitten in elk geval de begrippen ‘rede’ of ‘rationalisme’ en ‘vrijheid’ verwerkt. Belangrijk is ook dat de verlichting optimistisch was: door de rede (het verstand) zou er meer ‘licht’ in het leven komen.
2 De makers van de Encyclopedie probeerden alle beschikbare kennis bij elkaar te brengen. Dat zou de basis kunnen vormen voor verdere vooruitgang van de mensheid. De waarde die werd toegekend aan kennis (het verstand, de rede) en het vooruitgangsgeloof zijn kenmerken va de Verlichting.
3 - De Verlichting begin in Engeland en Nederland, maar verspreidde zich naar Frankrijk en van daaruit naar de elite in heel Europa, tot Pruisen (in het huidige Rusland) aan toe.

- Op afbeelding 7.4 is de verlichtingsfilosoof tafelgast bij de Pruisische absolute vorst Frederik de Grote.


Ecraséz l‘infâme
4 De meeste verlichte denkers waren niet antigodsdienstig; ze probeerden het bestaan van een God of hogere macht te rijmen met het bestaan van natuurwetten. Wel hadden ze een afkeer van godsdienstige fanatisme en onverdraagzaamheid
5 God, of ‘een Godheid’ had de wereld gemaakt zoals zij was en oefende er verder geen invloed meer op uit. Het had dus geen zin je in God of godsdienst te verdiepen, maar wel in de werking van de wereld, inclusief morele zaken als ‘goed en kwaad’.

De algemene wil
6 a Voltaire – Moest niet van democratie hebben: het volk was daar niet toe in staat, het was beter dat een vorst de touwtjes stevig in handen had om (dat wel) te waken over de vrijheid van mensen.

Locke – Een regering bestuurt de samenleving volgens een ongeschreven afspraak dat ze de natuurlijke rechten van burgers garandeert. Schendt ze die afspraak, dan mag het volk de regering verjagen.

Montesquieu – Voor een goed bestuur is een mengvorm nodig van monarchie, aristocratie en democratie, waarin uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht van elkaar gescheiden zijn om machtsmisbruik te voorkomen. Democratie alleen zou dus niet tot verstandig bestuur leiden.

Rousseau – De volksvergadering drukt de algemene wil van het volk uit; alleen een volksvergadering heeft daarom het recht om een land te besturen. Dat is een in essentie democratische gedachte.

b Locke en Rousseau. Zij gingen beiden uit van een ongeschreven afspraak tussen volk en regering en verbonden daaraan het recht van het volk om tegen een ‘slechte’ regering in opstand te komen.

c Voltaire en Rousseau. Volgens Rousseau was het volk soeverein (het had dus het recht zichzelf te besturen, was aan iemand ondergeschikt). Volgens Voltaire moest de soevereiniteit bij een (absolute) vorst liggen
7 a Ieder mens wil zijn eigen economische situatie verbeteren (rijker worden). Als je die natuurlijke neiging zoveel mogelijk ruimte geeft, levert dat het beste resultaat voor iedereen op.

b Bij Rousseau. Volgens Rousseau waren mensen het gelukkigst toen ze nog in volledige vrijheid leefden, in de natuur, zonder bezit, wetten en sociale verschillen. Dat geloof in vrijheid is ook de kern van de denkbeelden van Smith.
Belle van Zuylen
8 a Belle van Zuylen las verlichtingsfilosofen als Voltaire en Rousseau en wisselde – per brief – van gedachten met (intellectueel) interessante mannen; ze verzette zich tegen de standensamenleving, bemoeienissen van de kerk en ongelijkheid.

b Belle van Zuylen was een vrouw die actief deelnam aan het intellectuele debat, ondanks verzet van haar familie en ‘stand’. Dat was in de tijd van de Verlichting ongebruikelijk: vrouwen speelden daar geen vooraanstaande rol in (Gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen was voor de meeste mannelijke verlichters ook geen belangrijk onderwerp.)

Oriëntatiekennis


9 Zij doen onderzoek naar de natuurwetten, ze zijn geïnteresseerd in wetenschap, op zoek naar kennis. Het genootschap was daar speciaal voor opgericht.
10 Frederik II was geïnteresseerd in de denkbeelden van de Verlichting; de Verlichting was een Europees verschijnsel waar vooral onder de elite actief aan deelnam; Frans was in de achttiende eeuw de taal van de Europese elite. Door beroemde filosofen te ontvangen, liet Frederik zien dat hij een moderne, vooruitstrevende vorst was.

Door zich te laten ontvangen op het hof van een Europese vorst liet Voltaire zien dat hij een belangrijk en gewaardeerd filosoof was. Voltaire was geen democraat maar een voorstander van een streng regerend vorst. Dat verklaart zijn aanwezigheid aan het hof van een absolute vorst.


11 a godsdienst Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Pleiten voor godsdienstige verdraagzaamheid.

b politiek Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Het standpunt verkondigen dat het volk soeverein is (zelf mag beslissen door wie het bestuurd wordt)

c economie Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld: De werking van de economie op rationele manier onderzoeken. Of: Het standpunt dat de overheid mensen zoveel mogelijk vrij moet laten om hun eigen (materiële) ge;uk na te streven.

d sociale verhoudingen Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld: Mensen hebben dezelfde natuurrechten, zoals het recht op vrijheid en zelfbeschikking. Of: mensen zijn in beginsel gelijk(waardig), niemand is boven de wet verheven, voorrechten zijn verkeerd.
12 Vrijheid was nodig om je verstand te kunnen en mogen gebruiken, wat een betere wereld zou opleveren. Onderwijs was nodig om kennis te verspreiden en mensen te bevrijden uit hun onwetendheid..
Reflectie
13 Je eigen antwoord.

De stelling is gedeeltelijk waar: de meeste verlichte denkers waren voor een democratischer bestuur. Kanttekening: zij waren niet voor algemeen kiesrecht.

Je kunt dit onderbouwen met de ideeën van bijvoorbeeld Locke en Rousseau (eventueel ook Montesquieu) over natuurrechten en het bestuur van een land.
Samenvatting
14 Je eigen antwoorden.

7.2 Het ancien régime

Verwerkingsvragen


De parasitaire aristocratie
1 Nee. Zij bleven zichzelf wel als absolute vorsten zien, maar de adel wist een deel van zijn oude voorrechten te herstellen - zoals het onderling verdelen van belangrijke functies in leger en bestuur.
2 Door de heerlijke rechten ging het grootste deel van de opbrengst van de landbouw naar de adel, die weinig tot niets deed om de landbouw te moderniseren – terwijl die prikkel voor de boeren zelf ook ontbrak, aangezien eventuele winst toch vrijwel geheel ingeleverd moest worden.
3 Twee redenen:

- Van de handelswinsten profiteerde bijna alleen de gegoede burgerij, die dat geld vooral uitgaven om zelf als een soort edelen te gaan leven.

- Handel en nijverheid vormde maar een bescheiden deel van de economie. Tachtig procent van de Fransen werkte op het land.
Eerste dienaar
4 a Je eigen omschrijving. Kern ervan moet zijn dat deze vorsten hun land wel wilden moderniseren en ook wel wat vrijheid wilden toestaan, maar de bevolking geen invloed op het bestuur toevertrouwden; ze behielden hun absolute macht.

b Overeenkomst: beide hebben onbetwiste, absolute macht die zij niet delen met anderen.

Verschil: Verlichte absolute vorsten wilden hun land moderniseren en voelden zich ‘dienaren’ van de staat en hun bevolking. Absolute vorsten voelden zich helemaal geen dienaren, de staat was er juist om hen te dienen.


5 Halverwege de achttiende eeuw stond de economie er slecht voor. De bevolking stoorde zich aan de regenten, die alleen aan hun eigen belang leken te denken. Daarom riepen velen om de terugkeer van een ‘sterke man’: een Oranje, die als een soort vorst de touwtjes in handen zou nemen. In Friesland, Groningen en Gelderland was de prins van Oranje steeds stadhouder gebleven; ook in de andere gewesten werd hij nu als (erfelijk0 standhouder benoemd.
6 a Twee overeenkomsten:

- Zowel in Frankrijk als in Nederland wonnen de edelen/regenten in de achttiende eeuw aan macht ten opzichte van de koning/stadhouder.

- Zowel in Frankrijk als in Nederland stagneerde in de achttiende eeuw de economie en liep de staatsschuld enorm op.

b In Frankrijk was de macht naast de koning in handen van de adel, in Nederland was die in handen van de gegoede burgerij. De Franse adel was economisch nauwelijks actief; de regenten in Nederland waren dat juist wel.
Marie Antoinette
7 Ze bekommerde zich niet om het lot van de bevolking en leefde zelf een ‘uitbundig’ leven van zorgeloze overvloed. Dat ze een ‘Oostenrijkse’ was, maakte haar er niet geliefder op.
8 Nee, zij had geen belangstelling voor (het moderniseren van) haar land of haar onderdanen en streefde niet naar (absolute) macht.

Oriëntatiekennis


9 Voorbeelden van sociale verhoudingen in de afbeelding:

- De adel en geestelijkheid zijn de baas, zij berijden de boer als een paard

- De adel en geestelijkheid zijn rijk, zij dragen dure kleding; de boer niet.

- De adel en geestelijkheid hoeven niet te werken / dragen niets bij; de boer zwicht onder hun gewicht en doordat hij hun moet dragen eten de vogels zijn zaaigoed en de hazen zijn gewassen op.


10 a De sociale afstand tussen de Franse koning en de bevolking was groter dan die tussen de stadhouder en volk. De Franse koning liet zich met opzet afbeelden in het hofleven om zijn koningschap (verhevenheid) te benadrukken; de stadhouder moest het, in een burgerlijke samenleving, in dat opzucht niet te bont maken.

b Voorbeelden van overeenkomsten:

- Zij waren beide de laatste vorsten voor het uitbreken van een revolutie die hen beiden van hun macht zou beroven (Lodewijk XVI zelfs van zijn hoofd).

- Beide regeerden als vorsten.

- Beide hadden te maken met een groep (adel, regenten) die meer macht naar zich toe probeerde te trekken.

- Beide voerden een geldverslindend bestuur en dreven de staatsschuld op.
11 a Nee. Deze paragraaf gaat over verlicht absolutisme: absolute vorsten die hervormingen proberen door te voeren en op zich het best voor hebben met hun onderdanen. Het verhaal over Marie Antoinette past helemaal niet in dat beeld.

b Marie Antoinette werd gehaat, over haar gingen allerlei wilde verhalen de rondte. De kans is dus aanwezig dat ook dit een verhaal is dat werd verteld om haar zwart te maken.
Reflectie
12 a In de Verlichting waren vrijheid, mondigheid en rationalisme belangrijk. Absolutisme is – vanuit de bevolking gezien – juist het tegendeel van vrijheid, mondigheid en de rede (de absolute macht werd gerechtvaardigd met een beroep op ‘goddelijk recht’).

b Veel vorsten pasten zich aan de veranderende denkbeelden van de achttiende eeuw aan. Veel verlichte denkers volgden Locke in diens redenering dat de vorst er was om zijn volk te dienen. Daarin meegaan was deels een kwestie van lijfsbehoud, maar er waren ook vorsten die zich echt aangesproken voelden en echt een goed, modern bestuur – met meer oog voor het geluk van hun onderdanen - wilden voeren.

Het absolutisme was (kennelijk) sterk genoeg om samen te kunnen gaan met verlichte ideeën – zonder dat in eerste instantie) de monarchie en de absoute macht zelf bedreigd werden.


Samenvatting
13 a Verschillen: in Frankrijk had de adel veel macht en rijkdom, in Nederland had ze weinig macht en (vergeleken met de regenten) bescheiden rijkdom. In Frankrijk leefde veel adel aan of rond het hof van de koning, in Nederland was dat niet zo.

Overeenkomsten: -



b Verschillen: De vorst in Frankrijk had absolute macht, was onmetelijk rijk en kon grond en voorrechten uitdelen om mensen aan zich te binden. De stadhouder in Nederland kon dat allemaal niet.

Overeenkomst: Zowel vorst als stadhouder hadden te maken met een bevoorrechte groep die haar eigen positie wilde versterken (adel, regenten), met een groep die van de politieke macht werd buitengesloten (gegoede burgerij, burgerij), liet de staatsschuld enorm oplopen.



c In Nederland. Daar was de burgerij zelf perioden lang (1650-1672 en 1702-1747) de baas zonder bemoeienis van een stadhouder (althans, in de ‘belangrijkste’ gewesten), bezette een kleine groep (burgerlijke) regenten alle belangrijke functies en was de gegoede burgerij ook met afstand de meest welvarende groep in het land. In Frankrijk verdiende de burgerij ook wel goed, maar zij had geen politieke macht en nauwelijks politieke invloed.

7.3 De democratische revoluties

Verwerkingsvragen


Amerika
1 De Amerikaanse kolonisten wilden geen belastingen betalen zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse parlement.
2 In die verklaring werd gesproken over ‘onvervreemdbare rechten’, natuurrechten dus. En er werd gesteld dat het volk recht had zijn regering af te zetten (het volk is soeverein). Dat waren verlichte denkbeelden, terug te vinden bij onder andere Locke en Rousseau.
3 Twee bijzondere kenmerken van de grondwet:

- In de grondwet was sprake van een scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. dat bestond nog nergens.

- Aan de grondwet werd een bijlage toegevoegd met grondrechten (rechten waar iedere staatsburger aanspraak op kon maken). Ook dat bestond nog nergens.

De Franse crisis
4 Hij kampte met grote financiële problemen en wilde de standenvergadering om (extra) belastingen vragen.
5 Het bijeenkomen van de Staten-Generaal was een bijzondere gebeurtenis, dat was sinds 1614 niet gebeurt. Door de Staten-Generaal bijeen te roepen liet de koning zien dat hij kwetsbaar was: hij had de standen nodig. Bovendien vestigde het verzoek om extra belastingen de aandacht op de bestaande misstanden: adel en geestelijkheid betaalden niets, terwijl ze het in de Staten-Generaal samen wel voor het zeggen hadden. Kortom: de geest was uit de fles en zou er niet meer in terug te krijgen zijn.
Opstand
6 a De Parijse bevolking verwachtte dat de Nationale Vergadering eindelijk iets zou doen aan de uitbuiting door het ancién regime en pikte het niet dat – zo leek het – de koning dit met militair ingrijpen zou verhinderen. Uit angst voor zo’n ingreep (rond Parijs waren tienduizenden soldaten samengetrokken) bestormden zij de Bastille om aan wapens te komen.

b In de steden namen revolutionaire comités de macht over.

Op het platteland werden honderden kastelen, kloosters en landhuizen in brand gestoken.


7 Vier hervormingen:

- Alle feodale rechten (voorrechten) werden afgeschaft.

- De rechten van de mens werden afgekondigd: het volk was soeverein, de staat moest de grondrechten van de burgers beschermen.

- Het bezit van de kerk werd verbeurd verklaard (afgepakt).

- De macht van de koning werd aan banden gelegd, Frankrijk werd een constitutionele monarchie met scheiding der machten.
8 De oorlog tegen Oostenrijk en Pruisen verliep slecht; onder de bevolking heerste angst dat de oude orde zich zou herstellen, vooral toen Pruisen aankondigde dat iedereen die zich tegen het ancién regime verzette, gedood zou worden. Dat was ‘olie op het vuur’, de volkswoede laaide op en stookte de revolutie verder aan.
9 Vier hervormingen:

- Frankrijk werd een republiek

- De koning werd ter door veroordeeld.

- Er werd een nieuwe jaartelling ingevoerd.

- Alle titel werden afgeschaft, iedereen was voortaan citoyen (burger).
10 a Binnen en buiten het parlement werd gevraagd om directe democratie, dus minder macht voor de Nationale Vergadering en meer aan het volk zelf. In mei 1793 verdrong een menigte de gematigde leden uit het parlement. Dat maakte de weg vrij voor Robespierre, die meer democratie wilde en die ook kritiek had op de revoluti(onair)e(n).

b Frankrijk moest democratischer worden bestuurd; de revolutie moest worden ‘gezuiverd’ van onbetrouwbare en corrupte ‘elementen’, desnoods met het massaal veroordelen en executeren van deze ‘elementen’ (‘verraders’).
11 De meeste slachtoffers van de terreur kwamen niet uit de hoek van de ‘echte’ vijand (adel, geestelijkheid, (te) rijke bourgeoisie) maar vielen juist onder de revolutionairen zelf. De revolutionairen raakten dus met elkaar in strijd.
12 De grondwetten die waren ingevoerd, bleven overal bestaan. En de idealen van de democratische revoluties (volkssoevereiniteit, scheiding der machten) verdwenen niet, die bleven verzet tegen de oude orde stimuleren.
Bataafse revolutie
13 a In de eerste fase probeerden patriotten de oude regenten te verdrijven en de macht te grijpen; dat mislukte door ingrijpen van de koning van Pruisen (broer van de echtgenote van de stadhouder).

In de tweede fase keerden de gevluchte patriotten naar Nederland terug met het Franse leger dat Nederland veroverde; zij kwamen aan de macht en riepen de Bataafse republiek uit.



b Daarmee verwezen ze naar de geschiedenis van ‘het Nederlandse volk’, de tijd van de Bataven, die zichzelf nog op een democratische manier bestuurden. Zoiets als een (erfelijke) stadhouder was er toen ook niet geweest.
14 Nederland werd een eenheidsstaat en een rechtsstaat (grondwet); dat is sindsdien niet meer veranderd.

Oriëntatiekennis


15 a De Amerikaanse revolutie (1776; vrijheidsoorlog van 1776 tot 1783); de Franse revolutie (1789); de Bataafse revolutie (1795).

b De ‘oude’ machthebbers werden verdreven, er kwam een democratischer bestuur.

Er werd een grondwet afgekondigd, de grondrechten van de burgers werden vastgelegd.



c De Franse revolutie ging gepaard met veel geweld, ook, uiteindelijk, tussen revolutionairen onderling. In de andere revoluties was dat niet zo.

De Bataafse revolutie werd doorgevoerd met militaire steun van de Fransen. De Franse en Amerikaanse revolutie werden op eigen kracht doorgevoerd.


16 De Amerikaanse revolutie maakte overal in Europa diepe indruk en stimuleerde de onvrede met de monarchie (of stadhouder) en de misstanden in het bestuur.

De Franse revolutie maakte de weg vrij voor de Bataafse revolutie, want die werd doorgevoerd nadat het Franse leger Nederland was binnengetrokken.



De duizenden patriotten die in 1787 Nederland ontvluchtten, zorgden voor extra beroering in Frankrijk waar twee jaar later de revolutie zou uitbreken.
17 In de democratische revoluties stonden verlichte idealen als ‘de onvervreemdbare rechten van alle mensen’ en het recht van het volk om de regering weg te sturen als die haar belangen niet goed behartigde, centraal.
18 a De bijeenkomst van de Staten-Generaal was de eerste fase van (of aanzet tot) de Franse revolutie: hier eiste de derde stand dat zij hun overwicht (er werd per stand gestemd) zouden afstaan (door voortaan per hoofd te stemmen, waardoor de derde stand minimaal evenveel stemmen zou hebben als adel en geestelijkheid samen). Dat werd geweigerd.

b Hier greep de bevolking naar de wapens om de derde stand in haar eisen bij te staan en te voorkomen dat de koning militair zou ingrijpen. Veel geschiedenisboeken laten hier de Franse revolutie echt beginnen: 14 juli (in Frankrijk een nationale feestdag).

c De onthoofding van de afgezette koning markeert het radicaliseren van de revolutie. Mede door de dreiging van Oostenrijk en Pruisen ging er een nieuwe golf van geweld door het land en werden er nieuwe verkiezingen uitgeschreven. De winnaars van die verkiezingen waren een stuk radicaler dan hun voorgangers en lieten de koning (wegens hoogverraad: hij zou hulp uit het buitenland hebben gevraagd) ter dood veroordelen.

d Nee. Op afbeelding 7.12 zitten de drie standen nog bij elkaar in een ‘ouderwetse’ standenvergadering. Dat is van vóór de revolutie. Op afbeelding 7.15 is de derde stand (burgerij) bijeen nadat de revolutie is uitgeroepen.
19 a Die rol was ‘dubbel’. Napoleon draaide de democratische hervormingen terug en vestigde een dictatuur. Maar hij herstelde de adel niet in haar oude voorrechten, respecteerde de grondrechten en zorgde ervoor dat die ook in de rest van Europa verspreid werden.

b De grondrechten bleven overal bestaan; dat durfden de vorsten die hun troon terugkregen niet meer ongedaan te maken. Verder was met de democratische revoluties een drempel gepasseerd: de macht van de koning en adel was niet langer vanzelfsprekend, de verlichte idealen (en de herinnering aan de eerste poging die in praktijk te brengen) gingen niet meer weg – het wachten was op een volgende gelegenheid om ze alsnog te realiseren, langs vreedzame weg of desnoods met een nieuwe revolutie.
Reflectie
20 Je eigen antwoord.
Samenvatting
21 Ingevuld schema:





Amerikaanse vrijheidsoorlog

Franse revolutie

Bataafse revolutie

Wanneer vond de revolutie plaats?

1776

1789

1795

Wie verloren de macht?

Het Britse bestuur.

Koning, adel en geestelijkheid.

Stadhouder en ‘oude’ regenten.

Wie kwamen er aan de macht?

De kolonisten zelf.

De burgerij (eerst de gematigden, later de radicalen).

De burgerij (patriotten)

Was er sprake van veel geweld?

Ja, er was een oorlog nodig om de Britten te verjagen.

Ja, het ancién regime werd met geweld verdreven en de radicale revolutionairen voerden een terreurpolitiek.

Nee.

Kwam er een grondwet?

Ja.

Ja.

Ja.

Kreeg het gewone volk veel invloed?

Nee.

Nee.

Nee.

Waren er (na 1800) blijvende gevolgen?

Ja: grondwet, volkssoevereiniteit.

Ja, grondwet.

Ja, grondwet.

bijzonderheid:

Je eigen antwoord.

Je eigen antwoord.

Je eigen antwoord.

7.4 Kolonialisme en slavernij

Verwerkingsvragen


Gedwongen migratie
1 Las Casas overtuigde de paus en de Spaanse koning ervan dat indianen en blanken gelijkwaardig waren. Om toch aan werkkracht te komen, gingen Spaanse en Portugese kolonisten Afrikanen als slaaf naar hun kolonies vervoeren.
2 Die conclusie zou d voortzetting van de slavenhandel en slavenarbeid in gevaar hebben gebracht. De indianen waren immers ook met wetten beschermd nadat Las Casas ze gelijkwaardig had genoemd.
3 Afrikanen waren sterk en daarmee geschikt voor het zware werk op de plantages in de kolonies.

Veel Europeanen zagen zwarte Afrikanen als minderwaardige wezens. Ze voelden dus geen morele bezwaren om hen als slaven te laten werken.


4 In de driehoek:

Van Europa naar Afrika: vuurwapens, kruit, messen, textiel, ijzer, brandewijn.

Van Afrika naar Amerika: slaven.

Van Amerika naar Europa: plantageproducten als tabak, suiker, koffie, katoen; indigo.


A man and a brother
5 Zes dingen die aantonen dat slaven ‘als beesten’ behandeld werden:

- Ze werden gebrandmerkt, net als vee dat een eigendomsteken kreeg ingebrand.

- Families werden uit elkaar gehaald.

- Ze kregen nauwelijks bewegingsvrijheid.

- Ze kregen nauwelijks medische verzorging: aan ‘zwakke’ slaven had men niets, die gingen ‘gewoon dood’.

- Ze werden onredelijk en wreed gestraft; vrouwen werden vaak verkracht.

- Ze kregen Europese namen, alsof hun eigen naam er niet toe deed.
6 a Verlichte denkers vonden slavernij in strijd met de natuurlijke gelijkheid van mensen. De verlichte denker Adam Smith vond slavenarbeid bovendien niet gunstig: loon prikkelt mensen meer dan dwang, stelde hij.

b Alle mensen zijn geschapen naar Gods evenbeeld; mensen moeten dus niet behandeld worden als dieren of als bezit.

Het christendom predikte mededogen met de armen en zwakken. Zo werden Afrikanen ook gezien: als mensen die geholpen moesten worden (om te beginnen door ze te kerstenen).


7 a Mensen die actie voeren om slavernij af te schaffen. (To abolish betekent ‘afschaffen’.)

b Ze legden dossiers aan met bewijzen van misstanden; ze bespeelden de publieke opinie met pamfletten en lezingen; ze praatten in op parlementsleden; ze gebruikten een ‘logo’ met een tekst die verwees naar de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring.

c Drie successen tussen 1770 en 1840:

- In 1772 werd slavernij in Groot-Brittannië zelf verboden.

- In 1807 werd het Britten verboden slavenhandel te voeren.

- In 1833 werd slavernij afgeschaft in alle Britse koloniën


Nederlands abolitionisme
8 a Factoren die bijdroegen aan afschaffing van slavernij:

- Onder Britse was in 1814 al een verbod op slavenhandel ingevoerd (maar nog niet op bezit van slaven).

- De in 1852 verschenen roman Uncle Tom’s Cabin (De negerhut van oom Tom), waarin het trieste lot van slaven werd beschreven.

b De slaveneigenaren kregen een schadevergoeding van driehonderd gulden per slaaf. Bovendien werden de slaven verplicht om nog tien jaar onder staatstoezicht in loondienst te werken, meestal bij hun vroegere eigenaar.

Oriëntatiekennis


9 Vier oorzaken voor het ontstaan van een transatlantische slavenhandel:

- Op de plantages die Europese kolonisten in Amerika stichtten, was (goedkope) arbeid nodig. De inheemse bevolking (indianen) was daar minder geschikt voor en werd al snel door wetten in bescherming genomen (tegen slavenarbeid).

- Zwarte Afrikanen waren sterk en daarmee geschikt voor het zware werk op de plantages.

- Veel Europeanen zagen zwarte Afrikanen als minderwaardige wezens; ze zagen geen morele bezwaren tegen slavernij.

- In Afrika zelf bestond al een levendige slavenhandel; er was dus ‘aanbod’ van slaven. Daar kon gebruik van worden gemaakt.
10 Het kopen en verkopen van slaven en de inzet van slavenarbeid was onderdeel van een uitgebreid systeem van wereldhandel. De slaven werden gekocht met Europese (en soms koloniale) producten, ze werden voor geld verkocht aan plantage-eigenaren, en met dat geld werden de producten van die plantages gekocht en naar Europa gevoerd.
11 a Dat gebeurde stapsgewijs en op verschillende plaatsen in een andere tempo. In 1772 werd in Groot-Brittannië als eerste slavernij bij wet verboden. In Nederland gebeurde dat (onder Britse druk) in 1814. Slavernij in de Britse koloniën verdween in 1833, in Nederland in 1860 (Nederlands-Indië) en 1863. Tegen die tijd was slavernij wereldwijd uitgebannen, uitgezonderd in de Portugese koloniën.

b De Verlichting zorgde voor protest tegen slavernij onder de blanke (Europese) bevolking. Volgens verlichte denkbeelden hadden alle mensen van nature dezelfde rechten, waaronder het recht op vrijheid.
Reflectie
12 Je eigen antwoord.

Het voortbestaan van slavernij is te verklaren door het superioriteitsgevoel van de blanke, christelijke bevolking, die dacht dat haar beschaving de enig ‘juiste’ was en dat het niet verkeerd was maar juist goed om die beschaving aan anderen op te leggen. Een ander onderdeel van de verklaring is het economisch belang dat met slavernij gediend was: er werd veel geld mee verdiend; het leek in niemands belang (behalve dat van de Afrikanen zelf) om slavernij af te schaffen.


Samenvatting
13 Je eigen antwoord.

Kennisquiz

1 Let op: met goede onderbouwing zijn ook andere antwoorden mogelijk dan die hieronder.

a Robespierre – Was politiek actief in de Franse revolutie; de andere drie waren verlichtingsfilosofen.

b Lodewijk XIV – Hij had als enige niets te maken met de Verlichting; Frederik de Grote en Jozef II waren verlichte absolute vorsten, Napoleon in zekere zin ook (hij verspreidde in elk geval veel verlichte denkbeelden)

c Willem V – Had als enige niets met de Verlichting; de andere drie waren daar ‘onderdeel’ van.

d Robespierre – De andere drie schreven belangrijke verlichte teksten (grondwet, pamflet, boeken). Robespierre was een ‘man van de daad’; hij was ook de enige die zijn rol in de tijd van verlichting en revolutie met de dood moest bekopen.

2 De juiste volgorde, met jaartallen:

H 1690


L 1702-1747

M 1751


B 1776 (tot 1783)

D 1787


N 1789 (mei)

C 1789 (juli)

K 1792

J 1793


F 1795

E 1798


G 1833

A 1863
3 a De meeste verlichters hadden wel kritiek op godsdienstige onverdraagzaamheid, maar ze waren niet antigodsdienstig. Het bestaan van een God paste best in hun verlichte ideeën over de wereld.



b Locke sprake van een ongeschreven contract tussen de bevolking en de regering en stelde dat een slechte regering mocht worden afgezet. Over het zelf kiezen van een regering zei hij niets.

c De driemachtenleer gaat over het scheiden van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht, niet over hoeveel macht de koning en het parlement ieder voor zich moeten hebben.

d Frederik de Grote en Catharina de Grote waren verlichte maar ook absolute vorsten. Zij wilden over hun bevolking regeren als zorgzame ouders over hun (onmondige) kinderen – van een volksvertegenwoordiging was dus geen sprake.

e Engeland had (en heeft) geen grondwet. De koloniën kwamen in opstand tegen de belastingen die zij moesten betalen zonder dat daar politieke zeggenschap tegenover stond.

f De Nationale Vergadering die op de kaatsbaan bijeenkwam, bestond uit leden van de derde stand: burgers. De edelen en geestelijken (met wie zij samen de Staten-Generaal vormden) weigerden zich aan te sluiten.

g De revolutie ging door na de onthoofding van Lodewijk; er werden allerlei vernieuwingen doorgevoerd (zoals een nieuwe jaartelling), en radicale revolutionairen namen in mei de macht over van de relatief gematigden.

h Na de Bataafse revolutie maakten de patriotten van de Republiek juist een eenheidsstaat.

i Nederland vervoerde een half miljoen slaven. Dat is een enorm aantal, maar bij lange na niet de helft van de naar schatting in totaal twaalf miljoen Afrikanen die als slaaf werden verkocht.

j Slavernij werd in (heel) de VS verboden na de burgeroorlog van 1860-1865. IN de grondwet van 1778 werd over slavernij niets gezegd.

k Niet de slaven kregen een schadeloosstelling, maar hun eigenaren, om het verlies van hun slaven te compenseren. (De slaven moesten zelf tien jaar doorwerken om die dure maatregel te kunnen bekostigen!)
4 Het woord is: optimisme

a rationalisme (o)

b plantages (p)

c staatsburger (t)

d Verlichting (i )

e driemachtenleer (m)

f abolitionisme (i )

g absolutisme (s)

h democratie (m)

i eenheidsstaat (e)

Historisch denken

1 t/m 4 Je eigen antwoorden. Bijvoorbeeld:


(1)

(2)

(3)


De verlichting, met zijn rationele ideeën over politiek (4)


C P

I

Na de dood van de Zonnekoning kon de adel een deel van zijn privileges herstellen, zoals het recht op hogere rangen in het bestuur en het leger.


S P

I

Adel en geestelijkheid betaalden vrijwel geen belasting. Daar draaide de rest van de bevolking voor op.


S E

I

Het gewone volk in de steden kampte met armoede en zelfs honger (4).


E

I

Boeren zichtten onder de talloze heerlijke rechten. De druk van deze heerlijke rechten nam toe.


S E

I

De bourgeoisie werd rijker, maar kon daarmee geen macht kopen.


S P

I

De staatsschuld groeide door geldverslindende oorlogen.


P E

I

De Amerikaanse revolutie.


P C

I

In 1788 zag Lodewijk XVI nog maar één uitweg uit de financiële crisis: de Staten-Generaal bijeenroepen.


E P

I

Er barstte nu een heftige publieke discussie los.


P C

I

Lodewijk XVI liet tienduizenden troepen samentrekken rond Parijs.


P

I

De angst voor militair ingrijpen bracht de volkswoede tot uitbarsting.


S P

D


5 Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

- De Nationale Vergadering onteigende het bezit van de kerk

- De onthoofding van Lodewijk XVI.
6 Je eigen antwoord. Bijvoorbeeld:

- De veroveringsoorlogen van Napoleon.

- Na 1815 bleven grondwetten bestaan.

Toepassen

1 a Faith in The Age of Reason betekent: geloof in de tijd van de rede. Met die tijd wordt de eeuw van de verlichting bedoeld, de 18e eeuw. Kenmerk van de Verlichting was het geloof in de rede: als die werd bevorderd (door onderwijs en wetenschap) en de ruimte kreeg (door vrijheid), zou de wereld er op vooruit gaan.

b Te zien is een geleerde, een wetenschapper (onderzoeker). Wetenschap, het (door onderzoek) verzamelen van kennis, was een kenmerk van de tijd van de verlichting.

c Twee redenen om de 18e eeuw de tijd van pruiken en revoluties te noemen:

- De democratische revoluties (vooral geïnspireerd op de verlichting) aan het einde van de 18e eeuw hebben de wereld ingrijpend veranderd, dus het is juist om die in de ‘naam’ van deze eeuw te stoppen.

- Door naast revoluties te verwijzen naar ‘pruiken’, wordt niet alleen naar het nieuwe in deze eeuw gekeken maar ook naar het oude; de pruiken staan voor de macht van de adel en regenten waartegen de democratische revoluties zich keerden.
2 a ‘De kernspreuk van de verlichting is: Sapere aude, durf je verstand te gebruiken.’

Om je eigen verstand te (durven) gebruiken, moet je niet gehoorzamen wat anderen je voorschrijven, je hebt vrijheid nodig: ‘De verlichting eist niets anders dan vrijheid’.



b Gelijkheid – in elk geval het verdwijnen van voorrechten voor bepaalde standen. Volgens Rousseau zijn mensen van nature gelijk; ongelijkheid is een menselijke uitvinding (die weer ongedaan gemaakt zou moeten worden, om weer volgens de wetten van de natuur te kunnen leven).

c Beiden keren zich tegen de ongelijkheid; Kant omdat het mensen onmondig maakt, Rousseau omdat het tegen de wetten van de natuur ingaat.
3 Sinds de Glorious Revolution van 1688 was in Groot-Brittannië de macht van de koning door wetten aan banden gelegd, het parlement had het er voor het zeggen. De koning ondertekende in 1689 zelfs een Declaration of Rights waarin de rechten van de burgers werden vastgelegd. Daarmee hadden de Britten volgens Voltaire hun natuurlijke rechten teruggekregen: de toestand zoals die er was voor de ‘uitvinding’ van voorrechten.

Het stukje tekst over de Glorious Revolution is te vinden in je Handboek op bladzijde 95.


4 a Lodewijk XIV is een mens als alle anderen, hij is niet bijzonder. Het koningschap, met andere woorden, is een vorm van bedrog.

b In (veel) mindere mate. Deze vorsten maakten veel minder gebruik van uiterlijk vertoon dan Lodewijk XIV. Kritiek op deze verlichte absolute vorsten was ook minder scherp omdat zij – zoals verlichte denkbeelden dat voorschreven – hun koningschap beschouwden als iets dat ze in dienst van de bevolking moesten stellen.
5 a Voor Lodewijk XIV. Twee aanwijzingen:

- De koninklijke macht wordt ‘heilig’ genoemd, afkomstig van God: de koninklijke troon is eigenlijk de troon van God op aarde.

- ‘De vorst moet zijn gezag gebruiken om valse godsdiensten in zijn rijk uit te roeien.’ Kennelijk was dit, in de tijd waarin dit advies geschreven werd, een belangrijk punt, Dat past bij de tijd van Lodewijk XIV, die na zeventig jaar het Edict van Nantes (waarin protestanten een zekere godsdienstvrijheid kregen) werd herroepen en de vervolging van protestanten werd hervat.

b Volgens de bisschop is de koning er om het belang van de gemeenschap te dienen. Tekstelementen die daarop wijzen:

- ‘De koningen moeten hun macht uitoefenen in eerbied en uitsluitend in het belang van de gemeenschap’.

- Vorsten moeten niet denken dat ze over de samenleving (gemeenschap) naar willekeur mogen regeren (‘als heren’: zoals heren over hun landgoed!).

- Het is verkeerd als een koning het gezag misbruikt dat God hem heeft verleend.


6 a De prent gaat over de Franse revolutie. Vijf beeldelementen die daarop wijzen:

Een (1) edelman (de adel) en (2) een geestelijke (de geestelijkheid) schrikken van (3) de gewone man die zich van zijn ketens bevrijd (niet langer de voorrechten van die twee standen accepteert) en (5) de wapens grijpt. Op de achtergrond is te zien hoe (6) de Bastille wordt afgebroken.



b De tekenaar lijkt de gebeurtenissen toe te juichen: hij tekent de edele en geestelijke als ‘watjes’ en de burger die zijn ketens losrukt als vastbesloten vent. Had de tekenaar er anders tegenaan gekeken, had hij de burger wel belachelijk gemaakt of gewezen op de gevaren/nadelen van deze gebeurtenissen.

c Volgens verlichte denkbeelden hebben alle mensen van nature gelijke rechten. Het bestaan van afzonderlijke ‘standen’ met erfelijke voorrechten is daarmee in strijd. Verzet tegen het ancién regime komt dus voort uit de verlichting.
7 a De revolutie richtte zich in eerste instantie vooral op (tegen) de voorrechten van adel en geestelijkheid, vooral hun vrijstelling van belastingen en hun onevenredige politieke invloed. Wel werd in de grondwet de macht van de koning aan banden gelegd. Deze hield echter de uitvoerende macht – dus de revolutionairen wilden het koningsschap niet afschaffen.

Ook na de mislukte vluchtpoging van Lodewijk XVI in 1791 werd het koningschap niet afgeschaft. Dat gebeurde pas onder druk van de volkswoede die in de tweede helft van 1792 losbarstte.



b Hij stond terecht op de beschuldiging van landverraad, omdat hij geprobeerd had buitenlandse legers te hulp te roepen om de revolutionairen te verjagen.

Door een proces te voeren tegen de koning, kon iedereen zien dat nu alle mensen gelijk voor de wet waren, dat zelfs een koning niet aan de rechter zou ontkomen, dat de revolutionairen de macht stevig in handen hadden (om dit aan te durven), enzovoort.



c Met de schuldigverklaring en uiteindelijk de doodstraf voor citoyen Lodewijk, die begin 1793 werd voltrokken.

d De druk op Frankrijk nam toe: de omringende landen, waar adel, geestelijkheid en absolute vorsten de dienst uitmaakten, begrepen nu dat zij Frankrijk moesten verslaan om te voorkomen dat bij hen hetzelfde zou kunnen gebeuren. Voor Frankrijk zelf was er geen weg meer terug: om de revolutie te redden moesten de oorlogen gewonnen worden.

e Het proces was het beste bewijs dat voor de wet alle mensen gelijk waren. Zelfs de koning ontsnapte niet aan het oordeel van de rechter.

f De gematigden vonden het uitspreken en uitvoeren van de doodstraf voor de koning onverstandig; het zou nu vrijwel onmogelijk worden om met tegenstanders – in binnen- en buitenland – tot compromissen te komen (om de goede dingen van de revolutie te redden).
8 a De stadhouder wordt afgebeeld als Bacchus, de god van de wijn: hij wordt neergezet als een drinkebroer en een slappe (verwijfde) vent – zie ook het onderschrift ‘den teergeliefde’.

b De kritiek kwam van de patriotten. Zij wilden de macht van de stadhouder beperken (met een grondwet) en de invloed van de burgerij vergroten, zodat meer rekening werd gehouden met (onder meer) de economische belangen van de gewone man.

c De gedachte van het volk ‘soeverein’ is en het recht heeft een slechte regering weg te sturen om een nieuwe te kiezen: de regering is er om het volk te dienen. Deze verlichte gedachte was volledig van toepassing op Willem V, die volgens de patriotten een van de oorzaken van alle problemen was.
9 a Op ‘formele’ argumenten: volgens de geldende wetten waren alle inwoners van Groot-Brittannië recht op vrijheid en mocht hun lichaam niet verhandeld worden. Dat gold dan ook voor de toevallig hier terechtgekomen slaaf, die niet naar Jamaica mocht worden verscheept.

b Het zou betekenen dat elke Afrikaan die Engelse bodem wist te bereiken, vrij zou zijn – het betekende dat er een plek op aarde was waar ‘slaven’ geen slaven mochten zijn, en zette daarmee de bijl aan de wortel van de slavernij. Lord Mansfield begreep dat heel goed.

c Ze waren tevreden met het vonnis (het oordeel), maar niet tevreden met de onderbouwing ervan: zij wilden dat elke vorm van slavernij werd uitgebannen op grond van de natuurlijke gelijkheid van alle mensen – ook als ze niet in Groot-Brittannië waren.

Verdieping

Napoleon
1 a Caesar werd gezien als een van de grootste veldheren uit de geschiedenis. Zo wilde Napoleon ook gezien worden. Door propaganda te maken met zijn militaire successen, hoopte hij de weg naar de macht te plaveiden (net als Caesar dat gedaan had).

b Beiden kwamen door een ‘staatsgreep’ aan de macht.

Beiden regeerden als alleenheerser.

Beiden hadden uitzonderlijke militaire successen.

Beiden verloren ‘onvrijwillig’ de macht (Caesar werd vermoord, Napoleon verslagen en verbannen)


2 a Ook Hannibal slaagde erin om over de Alpen te trekken (de natuurlijke grens tussen Frankrijk en Italië) en boekte in het Romeinse rijk grote militaire successen; Hannibal werd wereldberoemd om zijn kundige, strategisch militair optreden. Daar wilde Napoleon graag mee vergeleken worden.

b De losse militaire overwinningen van Hannibal hadden niet in blijvende veroveringen of politieke successen geleid. In die zin was de beroemde veldtocht van Hannibal eigenlijk een mislukking. Caesar deed blijvende veroveringen.
3 Frankrijk was met een hele reeks Europese landen in oorlog; Napoleon was een uitermate succesvol militair leider, dus een geschikte kandidaat om Frankrijk te leiden. Bovendien waren veel Fransen na jaren van revolutie, terreur en oorlogen toe aan een sterk leider die voor zekerheid en eensgezindheid kon zorgen.
4 Overmoed. Hij beheerste al een groot deel van het Europese continent, maar besloot toch Rusland aan te vallen. Dat was een ‘brug te ver’. Zijn verlies daar was het begin van het einde – voor Frankrijks suprematie en Napoleons keizerschap.
5 Napoleon zorgde voor verbreiding van de denkbeelden van de verlichting en de Franse revolutie; overal waar hij kwam, werd een grondwet ingevoerd en het bestuur gemoderniseerd (gecentraliseerd, einde gemaakt aan de voorrechten).

De welvaart der volkeren
6 a Mensen die vrij waren om hun eigen belang na te streven (zelf veel geld te verdienen bijvoorbeeld), leverden daarmee onbedoeld een bijdrage aan de hele samenleving: van hun successen zouden anderen ook de vruchten plukken.

b Een ondernemer investeert tienduizenden euro’s in zijn bedrijf, omdat hij hoopt zo meer winst te kunnen maken. Dat lukt; de omzet stijgt, het bedrijf moet meer mensen in dienst nemen om al het werk aan te kunnen. Daarmee neemt de rijkdom van de samenleving als geheel toe: minder werklozen, grotere productie, hogere belastingopbrengsten, enzovoort – terwijl het de ondernemers alleen om zijn eigen portemonnee te doen was.

7 Voor arbeidsdeling is niet nodig om onderscheid te maken tussen geschoolde en ongeschoolde arbeid. Uiteindelijk kan elke vorm van arbeid vervangen worden door machines, of zo eenvoudig worden gemaakt dat laaggeschoolden (Ure noemt kinderen en vrouwen) dat werk kunnen doen.
8 De ideeën van Smith zijn nog actueel: ze vormen de kern van het liberalisme, dat verkondigt dat mensen zo vrij mogelijk moeten zijn om hun eigen succes te organiseren en de staat zich zo min mogelijk met de economie moet bemoeien. Andere politieke stromingen hebben minder vertrouwen in de heilzame werking van de ‘onzichtbare hand’; de markt heeft geen moraal en houdt geen rekening met individuen, zeggen zij, dus moet de staat (overheid) hier en daar ingrijpen om al te nadelige gevolgen te voorkomen of te beperken.
Equiano’s reizen
9 a Door bepaalde zaken te verzinnen, werd zijn levensverhaal dramatischer en nog) beter geschikt om te gebruiken las propaganda tegen slavernij.

b Zij stellen dat Equiano goede redenen kon hebben om in 1759 en 1773 zijn echte geboorteplaats te verzwijgen, bijvoorbeeld een betere behandeling als slaaf die al enige tijd in Amerika was (dan een zojuist aangevoerde slaaf).

10 a Het probleem dat er te weinig bronnen zijn om met meer zekerheid te kunnen achterhalen hoe het nu werkelijk zat; het probleem dat bronnen op zichzelf niets ‘vertellen’ maar voor meerdere uitleggen vatbaar zijn.

b Je eigen antwoord.
11 a De plattegrond moest duidelijk maken op welke wijze een grote hoeveelheid slaven op een schip vervoerd konden worden.

b Tegenstanders van slavernij gebruikten dit soort afbeeldingen om duidelijk te maken hoe onmenselijk de behandeling van slaven was. Ze hoefden daarvoor vrijwel niets aan de afbeeldingen toe te voegen: de plattegrond sprak voor zich.

c Caretta stelt dat Equiano in zijn boek allerlei zogenaamde feiten uit zijn leven (zoals zijn transport naar Amerika) door dit soort gedetailleerde informatie op een geloofwaardige manier kon opschrijven.

Keuzeopdrachten

Je eigen uitwerkingen.



Laat je antwoorden bekijken door je docent.

Wolters-Noordhoff bv   Geschiedeniswerkplaats TF Antwoorden Opdrachtenboek vwo hoofdstuk 7

  • Verwerkingsvragen
  • Oriëntatiekennis

  • Dovnload 185.73 Kb.