Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk I: De Belgische revolutie

Dovnload 305.38 Kb.

Hoofdstuk I: De Belgische revolutie



Pagina1/6
Datum03.10.2017
Grootte305.38 Kb.

Dovnload 305.38 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk I: De Belgische revolutie
§1. Achtergronden, oorzaken en aanleiding
betekenis van Belgische revolutie:

  1. stap in ontmanteling Ancien Regime

  2. reactie op de politiek van Willem I

  3. gebeurtenis met accidenteel karakter




  1. Afbraak AR

    AR: overwicht van landbouw en platteland, grootgrondbezit van adel en kerk, beperkte stedelijke samenleving, ambachtelijke nijverheid, standen met hun privileges, vorstelijk absolutisme, gewestelijk particularisme, corporatisme, verstrengeling godsdienst en openbaar leven
    Vanaf einde 18e E: nieuwe sociale verhoudingen en verstedelijking samenleving door ontwikkeling mechanische grootindustrie
    moderne eenheidsstaat door liberale burgerij voltooid
    Belgische revolutie van 1830 was nieuwe stap in afbraak AR maar voltooide ze niet (cfr. Latere voortdurende spanningen tussen hervorming en traditie)


  2. De politiek van Willem I

    Na val Napoleon (1814): noordelijke en zuidelijke Nederlanden (incl. prinsbisdom Luik) samengevoegd in “Verenigd Koninkrijk der Nederlanden”  nieuwe solide barriere tegen Frankrijk
    - In zgn. “Acht Artikelen” gaven grote mogendheden ook instructies voor interne organisatie van deze staat (noord en zuid moesten op gelijke voet behandeld worden)
    - Willem regeerde in geest van “verlicht absolutisme”  rationele grondslag voor maatschappelijk bestel en staatsbestuur  onderwijs, streven naar Kerk ondergeschikt aan staat, bevorderde handel en nijverheid (oprichting Société Générale)
    Ook absolutistische trekken: vorstelijke soevereiniteit (Staten-Generaal geen inspraak), ruimte voor persoonlijke politiek
    - streefde naar versterkt natiebesef  taalpolitiek in het Zuiden die Nederlands opdrong  hiertegen kwam dubbele oppositie uit het Zuiden door katholieken en liberalen  “unie van opposities” (1828)  verklaring voor tweeslachtigheid Belgische Revolutie
     liberalen wilden moderne staat, Kerk wou herstel van vroegere invloed


  3. Het revolutiejaar 1830

    1830: sociale onrust als gevolg van slechte economische toestand
     overheid gaf subsidies aan fabrieken om werkloosheid tegen te gaan
     ontevredenheid speelde in kaart van Revolutie


§2. Het verloop


A. De revolutie

Belgische revolutie geen uitvoering van vooropgezet plan  Onlusten vanaf 25 augustus 1830 waren onbestemd
- Wettig gezat verloor greep en burgerwacht nam macht over
- Aanvankelijk slechts bestuurlijke scheiding beoogd, maar door onduidelijke houding Willem I (stuurde troepen naar Brussel) radicaliseerde opstand (men wou afscheiding)
- revolutie bezegeld tijdens septemberdagen: Hollandse troepen slaagden er niet in Brussel in te nemen  veralgemeende zich tot het Zuiden (incl. Limburg en G-H Luxemburg)

- 4 beslissende momenten: instelling Voorlopig Bewind, verkiezing Nationaal Congres, aanvaarding grondwet, aanduiding vorst:

- Nationaal Congres stelde grondwet op, aanvaard in 1831
- parlementaire monarchie naar Engels model  Leopold van Saksen-Coburg

- zeer liberaal voor haar tijd



B. De internationale constellatie

België ontstond uit gunstige conjunctie van nationale en internationale factoren: goedkeuring grote mogendheden was nodig aangezien VK opgericht was door hen

 mogendheden verdeeld: Frankrijk (buffer tegen hen verdween, Fransgezinde gevoelens van revolutionairen) en Engelse steun (na aanvankelijke twijfel sympathie voor “liberale” revolutie). Oostenrijk, Pruisen en Rusland (Heilige Alliantie) tegen
 militaire interventie verijdeld door Poolse revolutie

- Conferentie van Londen (1830): riep wapenstilstand uit (erkende de facto België als oorlogsvoerende partij) dra gevolgd door erkenning als toekomstige staat), regelde grenzen en verdeling staatsschuld

 Eeuwige neutraliteit opgelegd (beletting tot verstoring Europees evenwicht en invloed Frankrijk)

 België weigerde grenzen van 1790 en eiste Zeeuw-Vlaanderen, Maastricht, Limburg-over-de-Maas en Luxemburg, koos Franse prins als koning (deze weigerde echter uit vrees voor oorlog)

 Engelse oplossing: Leopold van Saksen-Coburg, eiste meteen aanvaarding XVIII Artikelen die behoud van deze gebieden niet uitsloot

 Willem aanvaardde dit niet en viel op 2 augustus 1831 België binnen: gered door Franse interventie: dit toonde geringe levensvatbaarheid van nieuwe staat aan en versterkte belang van VK als buffer tegen Frankrijk  mogendheden boden Willem I gunstiger regeling aan (XXIV Artikelen, verlies Maastricht, Limburg-over-de-Maas, Duits Luxemburg en scheldetol)  Willem verzette zich ook hiertegen, maar in 1838 toch aanvaard

- op 19 april 1839 eindelijk verdrag getekend dat scheiding bezegelde

C. De uitschakeling van binnenlandse opposanten

Verkiezingen voor Nationaal Congres (1830) speelden belangrijke rol: legitimeerden revolutie en isoleerden aanhangers van Willem. Orangisten bleven echter actief, lieten zich leiden door economische en ideologische belangen, bleven sterk in sommige steden (Gent) tot 1840, maar na tekenen scheiding verdwenen
Binnen revolutionaire beweging 2 groepen:
- republikeinse democraten: patriotten die in revolutie hadden meegevochten, teleurgesteld door compromis van liberalen en aristocratie
- reunionisten: verwachtten niets van zelfstandig België en ijverden voor aanhechting bij Frankrijk, vooral commerciële en industriële burgerij, vnml. Franstaligen


§3 Balans: een liberale en nationale revolutie

Hoewel latere toenemende invloed van de kerk (en dus door liberalen bestempeld als klerikale revolutie) toch ook liberaal.

Socialisten: “gestolen revolutie”, proletarisch in aanzet maar verraden door burgerij (eveneens overdreven)

Eerder dubbelzinnig: verwijzing naar “aloude vrijheden” (Kerk kon zich hierin terugvinden) steunde op reëel Belgisch gevoel gebaseerd op godsdienst, Habsburgse dynastie en oorlogen tegen Hollandse Republiek en Frankrijk, vooral geslaagd dankzij gunstige internationale constellatie.

Hoofdstuk II: Karakteristieken van het politieke systeem in de 19e E
§1. Rechten en vrijheden

Afkondiging van aantal fundamentele rechten en vrijheden in traditie van Verlichting, refererend naar Amerikaanse en Franse Revolutie. Belgische grondwet werd als zeer progressief beschouwd: gelijkheid voor de wet, onschendbaarheid van persoon, woning en eigendom, vrijheid van godsdienst en meningsuiting, onderwijs, drukpers, vergadering, vereniging en taal, erkenning petitierecht.

Toch ook belangrijke restricties: geen rechtspersoonlijkheid voor verenigingen, coalitieverbod, manifeste ongelijkheden wat arbeiders en vrouwen betrof



§2. Monarchie en parlementair regeringssysteem

”Alle macht gaat uit van de natie”: politiek statement: in geval van conflict tussen volk en monarchie krijgt de eerste voorrang in vorm van parlement. Dit kon door ministeriële verantwoordelijkheid (kern van parlementair regeringssysteem).

Hoewel republiek voorkeur genoot in Nationaal Congres, had deze geen kans in toenmalige internationale constellatie  lauwe keuze voor monarchie die sterk aan banden werd gelegd (bvb. Ministerhandtekening nodig voor wet). In praktijk probeerden Leopold I en zijn opvolgers wel leiding van uitvoerende macht te nemen.


Nationaal Congres legde door grondbeginsel van ministriële verantwoordelijkheid het overwicht bij het parlement (in theorie)  bleek ook uit afbakening van bevoegdheden tussen parlement en koning (werden hem slechts uitdrukkelijk toegekend, rest was voor parlement).

Onafhankelijkheid parlement (openbaarheid zittingen, parlementaire onschendbaarheid, geen controle op grondwettigheid van wetten door hoven en rechtbanken)

- tweekamerstelsel: Kamer van Volksvertegenwoordigers en aristocratische Senaat (elitaire samenstelling, niet gelijkberechtigd met Kamer ), in praktijk echter geen zuivere scheiding der machten

§3. Cijnskiesrecht en meerderheidsstelsel
Mandaat van volksvertegenwoordigers duurde 4 jaar, dat van senatoren 8 jaar. Om de 2 jaar verkiezingen voor deze eerste door principe van gedeeltelijke vernieuwing. Kiesrecht beperkt tot mannelijke eigenaars( kiesrecht was een zaak van vrije burgers en vrijheid werd verbonden met eigendom)  adellijke grootgrondbezitters en hogere burgerij zetten politieke leven naar hun hand.

Met differentiële cijns wenste wetgever discriminatie tussen minder welvarend platteland en rijkere steden te vermijden. In 1848 werd cijns voor gans het land op grondwettelijk minimum gebracht  verdubbeling kiezerskorps, bleef echter beperkt in omvang. Door algemene welvaartsstijging op einde 19e E had te maken met algemene welvaartsstijging.


Ook niet-kiezers konden invloed uitoefenen via pers, vergadering, petities, meetings  burgerschap en kiesrecht vielen dus niet samen. Ook straatgeweld was belangrijke politieke factor.

Tot 1899 meerderheidsstelsel: kandidaten die helft +1 geldige stemmen behaalden in 1 vd 41 kiesdistricten, werden verkozen  uitsluiting van minderheden, maar versterkte positie van kleine drukkingsgroepen binnen partijen (enkele stemmen waren immers voldoende om balans te doen overslaan)

basis van het tweepartijenstelsel in de 19e E
Corruptie en manipulatie vaak voorkomend, wortelden in eerste plaats in verkiezingsprocedure zelf, pas in 1877 geheime stemming


§4. De unitaire staat
Moderne natievorming ging gepaard met uitschakelen van regionale particularismen en met sterke centralisatie, ook in België.

Uitholling gewestelijke autonomie was reeds ver gevorderd in 18e E, centralisatie kende eerste hoogtepunt onder Jozef II (1780-1790). “Genadeslag” door aanhechting van zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk: gezag van ambtenaren van het centraal bestuur in Parijs

Grondwet van 1831 verdeelde het grondgebied in 9 provincies, voorzag raden bevoegd voor zaken van “provinciaal belang”, in praktijk zeer beperkte autonomie.

 had weerslag op rol van parlementsleden: werden niet meer geacht hun kiesdistrict te vertegenwoordigen, maar de Belgische staat. In praktijk speelden de territoriale scheidingslijnen nog steeds een rol omdat ze gingen samenvallen met ideologische breuklijnen.

In dit unitaire licht moet men de volgende zaken zien:

- Organisatie kamer: wetsvoorstellen en –ontwerpen eerst besproken in “afdelingen” die elke maand willekeurig uitgeloot werden (pas in interbellum vervangen door vaste comissies met evenredige vertegenwoordiging van elke partij).

- Taalpolitiek: staat moest centraal bestuurd worden1 taal dus aangewezen (Frans), want levenskracht Nederlands aangetast door:

- bekrompenheid intellectuelen in Zuidelijke Nederlanden onder Spaans en Oostenrijks bewind

- uitstraling Franse cultuur had verfransing maatschappelijke elite versneld

- aanhechting bij Frankrijk zorgde voor Frans als bestuurlijke en gerechtelijke taal

 grondwettelijke vrijheid van taal leidde in Vlaamse provincies tot feitelijke verfransing

§.5 Politieke partijen
In politieke cultuur van 1831 geen plaats voor politieke partijen. Ook in de grondwet was er geen enkele verwijzing naar, werden gezien als tegenstrijdig met algemeen belang, ondanks ze in de logica lagen van het representatieve regime: deelname van burgers aan politieke leven impliceerde diversiteit van opvattingen die zich in parlementaire assemblees zou manifesteren.

Gelijkgezinden probeerden debatten in parlement te beheersen  geleidelijk ontstaan van permanente en georganiseerde partijen; was ook nodig omdat dit het enige middel was om regering effectief onder controle te krijgen door structurering in meerderheid vs. oppositie.

Partijvorming verliep langs breuklijnen van tegenstelling tussen burgerij (als drager van nieuwe staatsgedachte) en de Kerk, tussen centrum en periferie, stad en platteland, kapitaal en arbeid; vielen soms samen in 1 partij (bvb. Katholieken vertegenwoordigden Kerk, platteland en Vlaamse beweging).

Tegenstelling tussen liberalen (Linkerzijde) en conservatieven (Rechterzijde) echter eerste grote scheidingslijn: benamingen links en rechts blijven behouden tot aan Schoolpact (1958)

“partij” was aanvankelijk los verband van 3 elementen:

- groep van gelijkgezinde parlementsleden


- gesteund door sympathiserende pers
- gesteund door netwerk van lokale kiesverenigingen (herverkiezing van parlementsleden verzekeren, doelpubliek: notabelen)

§.6 De norm en de realiteit
Nationaal Congres wou grondwet min of meer definitief maken en voorzag stroeve herzieningsprocedure:

    • 3 takken van wetgevende macht (Koning, Kamer, Senaat) duiden artikelen aan

    • Kamers van rechtswege ontbonden

    • Nieuwe verkiezingen (doel: burgers betrekken)

    • Nieuw parlement zetelt als constituante en kan alleen met bijzondere meerderheid de aangeduide artikelen veranderen



Tot 1960: grondwet slechts 2x herzien om de instellingen aan democratisering van openbaar leven aan te passen

Algemene en soepele karakter van grondwet liet ook veranderingen in praktijk toe (was dus slechts formeel kader): bvb. rol vd koning, regering en parlement



Vooral tijdens 2 WO’s vaak loopje genomen met grondwet: besluitwetten; censuur; bijzondere machten,…


Hoofdstuk III: Doorbraak van het parlementaire regeringssysteem (1831-1848)
Aanvankelijk ruimte voor persoonlijke politiek van Leopold I  reactie van liberalen, versnelde hun partijvorming  liberale verkiezingsoverwinning van 1847: echte begin van het parlementaire regeringssysteem.
§1. Unionisme, koning en Kerk


  1. Het unionisme

    De unie van liberalen en katholieken (°1828) hield stand ook na de revolutie: unionisme  afwezigheid van meerderheid en oppositie (zowel op stedelijk als nationaal vlak), in de hand gewerkt door zwakke internationale positie van België.
    Tegenstelling tussen beiden bleven ondergeschikt aan tegenstelling patriotten/orangisten, bovendien in beide partijen scheidingslijn tussen conservatieven en democraten.
     Ontwikkelde zich tot conservatieve regeringsformule die belangen van Kerk, aristocratie en vorst diende
    veranderde oiv interne en externe factoren:
    - Vrede tussen België en Holland (1839) wakkerde politieke tegenstelling aan (extern)
    -
    convergerend streven van koning en kerk naar stabiele conservatieve regeringsmeerderheid  polarisatie tussen ‘partij vd geestelijkheid’ en antiklerikale liberalen
    -
    aangewakkerd door verschillende interpretatie van grondwettelijk vrijheidsbegrip
    - bijkomende spanningen door verhouding parlement-regering



  2. Leopold I

    Afwezigheid van georganiseerde partijen schiep ruimte voor persoonlijke politiek van Leopold; hij vond grondwet absurd en probeerde ze zoveel mogelijk in eigen voordeel te interpreteren, nam effectieve leiding over uitvoerende macht en erkende regering niet als afzonderlijk en collectief optredende instelling (kwam ondermeer tussenbeide bij keuze van ministers, bepaalde regeringsbeleid, ontbond Kamers, voerde persoonlijk bevel over leger tijdens Tiendaagse Veldtocht, nam buitenlandse politiek en diplomatie voor zijn rekening,…)
    Om parlement voor zijn beleid te winnen: gebruik van drukkingsmiddelen zoals regeringsgezinde parlementsleden doen verkiezen, parlementaire besprekingen ten gunste van de regering beïnvloeden, druk uitoefenen op regeringsambtenaren,steun van de Kerk.
    regime aanvankelijk meer monarchaal dan parlementair (koning zou tot 1940 ruime marge voor persoonlijke politiek behouden)



  3. De Rooms-Katholieke Kerk

    Belgische grondwet maakte einde aan voogdij van Staat over de Katholieke Kerk, maar bevestigde voorrang van burgerlijke samenleving + vrijheid van godsdienst; Van echte scheiding tussen Kerk en Staat kan echter moeilijk gesproken worden (bvb. Bisschoppen en pastoors door Staat betaald, gemeentelijke financiële hulp)
    Belgische kerkprovincie kreeg door jaarlijkse vergadering van bisschoppen als eerste in Europa centrale leiding.
    Naast seculiere geestelijkheid ook reguliere, vooral bezig met predikatie, onderwijs, ziekenzorg. Werking van Kerk beperkte zich tot pastorale activiteit in traditionele betekenis., en hoopte op samenwerking met burgerlijke overheid (typisch vb: wet op het openbaar lager onderwijs (1842) verplichtte oprichting van gemeentelijke lagere school met godsdienst als verplicht vak onder toezicht van clerus)  bisschoppen gaven geen prioriteit aan uitbouw van eigen lager onderwijs, wel aan colleges en middelbare scholen (vb. heroprichting KUL (1834)).
    Desondanks verzuilingsdynamiek reeds aanwezig: kerk kon niet uitsluitend op overheid rekenen en maakte gebruik van grondwettelijke vrijheden om eigen netwerk van organisaties op te richten.
    Ook binnen Kerk zelf controverse: minderheid van zgn. ultramontanen wensten terugkeer naar AR  invloedrijke liberaal-katholieke stroming




§2. Vrijmetselarij, liberalisme, partijregering

Liberale reactie tegen monarchaal regeringssysteem en kerkelijke invloed; stelde zich tegenover gewillige regeringsmeerderheid: liberale oppositie (antiklerikaal en parlementair)

Antiklerikalisme was aanvankelijk door de revolutie verzwakt, wel minderheid van liberalen tegen unionisme: fractie die snel aangroeide na consolidatie van Belgische onafhankelijkheid (1839).

Vrijmetselarij, ontstaan in Engeland (18e E): deïstische wereldbeschouwing, filantropisch ideaal, op continent ontpopt als antiklerikale beweging. Vrijmetselarij in zuiden van VK werd door Belgische revolutie gedesorganiseerd door scheiding tussen patriotten en orangisten, maar herpakte zich oiv Theodore Verhaegen (13 nieuwe loges); Brusselse vrijmetselarij richtte ULB op (1834) als reactie op KUL, polarisatie nog versterkt door bisschoppelijke veroordeling van vrijmetselarij.
Richtten mantelorganisaties op  organisatorische vooruitgang die leidde tot eerste liberaal congres te Brussel (1846) dat als stichting van liberale partij wordt bestempeld, hoewel permanente organisatie van liberale partij nog decennia op zich zou laten wachten. Congres sprak zich uit over kieshervorming, onafhankelijkheid van burgerlijke overheid, onderwijs in alle graden, verbetering lot van de werkende klassen.
Echter spanningen tussen antiklerikalen en diegenen die gelijkheids- en vrijheidsideaal aanhingen.

 geleidelijk aan liberale fractie in Kamer (zgn. Linkerzijde): voorstander van ‘partijregering’ (regering met duidelijk politiek programma gesteund op Kamermeerderheid)

- eerste nipte verkiezingsoverwinning in 1847: Charles Rogier als formateur benoemd  België stilaan in echt parlementair regime met meerderheid en oppositie met ministers van een partij en niet van een koning.

§3. De regering-Rogier en het revolutiejaar 1848

- zeer omstreden maar kon zich consolideren dankzij uitzonderlijke omstandigheden (slaagde erin Belgische staat door 1848 te loodsen)

- Politieke en sociale woelingen in verscheidene Europese landen, begonnen bij de februari-revolutie in Parijs waar Louis-Philippe (schoonvader Leopold) aftrad en vluchtte en Tweede Republiek ingesteld werd. Revolutiegolf was radicaler dan alle vorige en had democratisch en sociaal karakter.


- In België vreesden koning en burgerij problemen omdat economische situatie niet rooskleurig was regering voerde onmiddellijk enkele hervormingen door: verlaagde kiescijns tot grondwettelijk minimum (verdubbeling kiezerskorps), afschaffing dagbladzegel, einde cumulatie parlementair mandaat en openbaar ambt, uitwijzing gevaarlijke vreemdelingen (oa Marx)

 hierdoor werd democratische oppositie wind uit de zeilen genomen en versterkte liberale partij haar prestige



Hoofdstuk IV: De klassieke periode van het liberalisme (1848-1884)
1848-1884: dominantie liberale partij, principe van economische vrijheid zegevierde, integratie nieuwe bevolkingsgroepen in politiek systeem, versterking sociaal-progressieve maar anti-godsdienstige radicale vleugel in liberale partij die aan basis lag van schoolstrijd
§1. Sociaal-economische verschuivingen

België kende als eerste Industriële Revolutie  economische en sociale verschuivingen  hielpen positie liberalisme in België verstevigen

IR brak voor het eerst door in textiel, ijzerbewerking en steenkoolnijverheid, kende na 1830 vooral in Wallonië snelle expansie door aanleg van spoorwegen. Vereiste grote investeringen consolideerden kapitalistische structuur van zware nijverheid en versterkten greep van Brussel investeringsbanken (Société Générale, Banque de Belgique) en versnelden de NV als kanaal voor mobilisering van kapitaal. Spoorweg versterkte tevens het natiebesef.

Vlaamse platteland kende daarentegen felle crisis door:


    • ondergang vlasindustrie, die verbonden was met landbouw en dus omschakeling naar gemechaniseerde fabrieksarbeid belette.

    • Misoogsten in jaren ‘40

 overbelasting liefdadigheidsinstellingen

 emigratie naar stad, Wallonië en buitenland

landbouw dominant tot 1850, daarna krachtige ontwikkeling industriële en financiële kapitalisme  onderbouw voor liberalisme + openmaken buitenlandse markten gaf dit nog extra stimulans

Sociale tegenstelling nam echter toe tussen kleine groep ondernemers en kapitalisten, groeiende burgerlijke middenklasse en leger van goedkope arbeidskrachten die lange werkdagen, lage lonen, vrouwen- en kinderarbeid en gevaarlijk en ongezond werk moesten slikken  feitelijke apartheid



§2. Overwicht van de liberale partij

Dominante politici: Rogier (1800-1885), Frère-Orban (1812-1896)
1847-1884: laïciserende politiek van de liberale regering zorgde voor controverse over de rol van de Kerk en godsdienst in openbaar leven  confessionele breuklijn werd basis van partijleven

- oprichting liberale en katholieke kiesverenigingen in jaren ‘40 en ’50 die nationale federaties gingen vormen met echter beperkt belang omdat verkozenen mandaat weigerden


§3. De liberale regeringspolitiek
Taken van regering eerder beperkt, hoogstens 6 klassieke ministeriële departementen, regering trad vooral op als arbiter en niet als initiatiefnemer (was overigens ook zo voor katholieke periode

A. De onderwijspolitiek

Regering Rogier probeerde reeds in 1850 tot laïcisering van onderwijs en armenzorg te komen, omvang bleef oiv doctrinaire liberalen echter beperkt, desondanks toch Kerkelijke tegenkanting. Belangrijkste initiatief: organieke wet op het middelbaar onderwijs (1850) aanzienlijke uitbreiding van het middelbaar onderwijs en beperking klerikale invloed (godsdienst werd vak als een ander, bisschoppen kregen geen controle meer over benoeming leerkrachten)

B. De economische politiek

De regering:

- diende in hoge mate belang van industrie en steden door aangepaste wetgeving en afwijzen van wetgeving

- zorgde voor stabiel monetair systeem

- nationaal en internationaal gezien streefde ze naar afbraak van protectionisme door vrijhandel

 overheid schiep dus kader waarbinnen de ondernemende burger zelf initiatief kon nemen (cfr. spoorwegen: zorgde voor aanleg centrale as en liet de rest over aan maatschappijen)

  1   2   3   4   5   6

  • De politiek van Willem I
  • Het revolutiejaar 1830
  • A. De revolutie
  • B. De internationale constellatie
  • C. De uitschakeling van binnenlandse opposanten
  • Hoofdstuk II: Karakteristieken van het politieke systeem in de 19
  • Hoofdstuk III: Doorbraak van het parlementaire regeringssysteem (1831-1848)
  • Het unionisme
  • Hoofdstuk IV: De klassieke periode van het liberalisme (1848-1884)
  • A. De onderwijspolitiek
  • B. De economische politiek

  • Dovnload 305.38 Kb.