Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk I eigenheid van geschiedenis als wetenschap

Dovnload 4.92 Mb.

Hoofdstuk I eigenheid van geschiedenis als wetenschap



Pagina1/7
Datum25.09.2018
Grootte4.92 Mb.

Dovnload 4.92 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7

Vermeylen Sascha 1ba-SEW

Geschiedenis

Hedendaagse economische en politieke geschiedenis



Hoofdstuk I


  1. Eigenheid van geschiedenis als wetenschap




  1. Gebruik en nut van geschiedenis

  1. Gebruik van geschiedenis

  • Geschiedenis (mis)bruiken voor eigentijdse politieke, ideologische, religieuze motieven

Vb; artikel in De Morgen: “Het nazispook van De Wever en Moureaux maakt

van de geschiedenis opnieuw een hoer en huurling”  De Wever beweert

dat de moslimterreur het ergste is sinds Hitler (klopt niet !! => ironisch:

het zijn historici)


  • Geschiedenis gebruiken voor bepaalde, belangrijke herinneringen ‘levend’ te houden.

 via monumenten, beelden, …

 Via films, romans,…

 via wetenschappelijk onderzoeken, musea

Vb; - toren en “Belle-fleur” van de mijn van “Bois du Cazier” als herinnering


van het drama van Marcinelle op 8 augustus 1956 (afbeelding ppp)

- standbeeld op Marnixplein in Antwerpen als herinnering van afkoop van


Scheldetol in 1863

- Pieter Daens was belangrijk voor gelijkheid binnen sociale klassan =>


boek + film

- documentatiecentrum over holocaust en mensenrechten => museum

Kazerne Dossin

- Lezingsreeks over 50 jaar migratie: afsluiting bilaterale akkoorden


tussen België-Marokko en Turkije => wetenschappelijk onderzoek

  • Gebruik van geschiedenis voor ‘identiteitsopbouw’

 van gemeenschappen, groepen, klassen, …

Vb; groepsidentiteit: 1 mei viering => strijden om 8 uren werkdag

(arbeiders) => sociale strijd einde 19de eeuw

 van bedrijven, merken, …

Vb: bedrijfsidentiteit: bedrijven gebruiken hun geschiedenis als

marketingstrategieën

 herinnering als machtsstrijd

Vb; het Palast der Republik was een symbool van het communisme =>

het werd afgebroken en er werd een winkelcentrum (overwinning van

kapitalisme) gebouwd in een stijl uit eind 19de eeuw (hoogtepunt in

Duitse ontwikkeling)


  1. Nut van de geschiedenis (de waarom-vraag)

  • Founding Fathers van SEW

 Weber, Durkheim, Marx, Compte, Matlhus, … => sociologen

 Smith => econoom



  • Historiografische inbedding

Methodenstreit

Deductieve aanpak

Inductieve aanpak

  • Theoretische axioma’s

  • Kwantificering & analyse




  • Geloof in maakbaarheid van de maatschappij

  • Positivistisch

  • Belang van historische context

  • Descriptief & empirisch kwalitatief

  • Minder sociaal-reformatorisch



  • Complexiteit

 theorie vs. empirie

 recurrentie en wetmatigheid vs. uniciteit en contingentie

 …


  • Crisis van 1929 is vergelijkbaar met huidige crisis van 2008 ?

 kredietcrisis 2008:

- start: crisis in vastgoedmarkt => te veel leningen + complexe


financiële producten die verhandeld worden op beurs die
systematisch verdeeld worden op wereld, wat leidt tot
onzekerheid bij consument = verkoop = beurscrash

- vertrouwen in banken daalt => bankrun  overheid steunt

- staatsschuld stijgt enorm => besparingen + hoge rente
(rentesneeuwbal)

 crisis 1929:

- Black Thursday: beurscrash

- Overproductie door gouden periodes => geen afzetmarkt meer



Crisis jaren ‘30

Crisis 2008

  • Industrial output: -25% tot -30%

  • First year: -8 %

  • GDP: -5% tot -10%

  • GDP first year: -5%

  • World trade: -25%

  • World trade first year: -7%

  • Unemployment: 15-25%

  • Industrial output: -10 tot -15%

  • First year: -10% tot -15%

  • GDP: -5%

  • GDP first year: -5%

  • World trade: -38%

  • World trade first year: -38%

  • Unemployment: 8-12%

(ZIE PPP)

  • Golven, cycli en conjunctuur

(ZIE PPP)


  1. Hedendaagse geschiedenis in vogelvlucht

  1. De geschiedschrijving van structuur en proces

  • Proces  Vb; de vergrijzing => niet een enkeling die 80jaar wordt

  • Structuur  Vb; arbeidsmarkt => stijging van werkloosheid

  • Tijd is opgedeeld in 3 lagen:

 le temps individuel

 le temps sociale



 le temps géographique


= Annales-beweging Interbellum (Lucien Febvre & Marc Bloch)

  • Ze schreven een tijdschrift ‘Annales d’histoire économique et sociale” (1929)

  • Ze gaan pleiten voor een studie van samenhang van historische processen

  • Ze breken met evenementiële geschiedenis (politieke, militaire geschiedenis)

  • Ze streven naar interdisciplinaire en brede, niet-gespecifieerde opzet

  • Methodologische vernieuwing II

= Annales-beweging na WOII (Broudel, Le Goff, Le Roy Ladurie)

  • Richten school op: VIe Section Ecole Pratique des Hautes etudes (1947): sciences économique et sociales

  • Interdisciplinaire ‘histoire totale’ (vb ; toenadering tot demografie, geografie)

  • Focus op sociaal-economische structuren en processen (longue durée & moyenne durée) via studie van seriële bronnen. Vb: hoeveel werd een bakker betaald in ME

  • Methodologische vernieuwing III

= methodenstreit, maar gevoerd vanuit Angelsaksische landen

  • Wiskundige-statistische benadering van becijferbaar bronnenmateriaal

  • New Economic History, econometrie, cliologica (invloed van Simon Kuznets)

  • Quote “The habit of asking (…): how large? How long? How often? How representative?” – J.H. Clapham, 1949

  • Methodologische vernieuwing IV

= opmars van de sociale geschiedenis als afzonderlijke discipline

  • Geen geschiedenis van het kapitalisme, maar van de ‘gewone man’, ‘people without history’, ‘history from below’

  • E.P. Thompson, The making of the English working class (1963) => vanuit Karl Marx zijn gedachtegang over de arbeidersklasse

  • Verdere evolutie: ‘wat is het sociale’? Studie van sociale relaties, stratificatie, mobiliteit, … => evolutie van intermenselijke relaties onderzoeken

  • Omslag vanaf midden ’70

= cultural & linguistic turn (Michel Fuceau, P. Boerdieu)

  • Keert zich af statistische benadering van de geschiedenis

  • Geschiedschrijving van structuur en proces in de verdrukking

  • Aandacht voor mentaliteiten en culturen (Vb; godsdienst, mentaliteitsgeschiedenis, hoe nadenken over verdeling welvaart …)

  • Aandacht voor ideologie en macht

==> gaat leiden tot interne herbronning binnen de
geschiedschrijving van structuur en proces

  • Spanningsvelden

  • Welvaart

  • Klassieke uitgangspunt van de economische geschiedenis

  • Macht

  • Klassieke uitgangspunt van de politieke geschiedenis

  • Risico’s

  • Klassieke uitgangspunt van de sociale geschiedenis

  • VB; hoe bestaansrisico’s opvangen? (ziekte, beperking)



  1. Indeling van geschiedenis in periodes

  • Problemen bij tijdsindeling (aanbrengen van breuk/cesuur)

= een periode waarin zich op relatief korte termijn (50 jaar) zeer veel

veranderingen voordoen op macroniveau

  • Geografische ongelijktijdigheid

  • Evolutie van GDP per hoofd in verschillende landen

  • Temporiële ongelijktijdigheid

  • Bevolking blijft groeien (demografie)

  • Voedselvoorraden blijven constant stijgen

  • Er zal punt komen waarbij niet iedereen gevoed kan worden

  • Binnen eenzelfde periode is er een temporeel verschil tussen beide

  • Padafhankelijkheden (path dependence, locked in)

  • Wetenschappelijk gezichtspunt

  • Aandacht van historicus voor: politieke, economische, sociale,

culturele,… omwentelingen / breuken

  • Bovenbouw (cultuur, ideeën, ideologieën,…) vs. onderbouwd (arbeidsrelaties, kapitaalaccumulatie,…)

  • Europacentrisme => onderverdeling volgens ontwikkelingen die

Europa heeft doorgemaakt in de wereldgeschiedenis.

Vb; verwijzing n.Chr

  • Lineariteit (teleologische visie) vs. contingentie

  • De nieuwste tijd (periode van 1750 – 1850)

  • Politieke breuk

  • Van immobiele “standenmaatschappij” naar een moderne liberale natiestaat, gebaseerd op individuele vrijheden

  • Burgers ontworstelen zich van oude structuren (kerk, standen) en verwerven gaandeweg inspraak in het politieke leven via uitbreiding van het stemrecht

  • Groeiende rol van de staat in het maatschappelijke leven

  • Economische breuk

  • Industrialisering: van kleine wareneconomie (gilden, ambachten/handelskapitalisme) naar industrieel kapitalisme (fabrieken)

  • Van economische stagnatie/nulgroei naar economische groei en verhoging output per capita

  • Van agrarische naar industriële samenleving

  • Stijging van arbeidsproductiviteit en veranderingen in arbeidsomstandigheden

  • Sociale breuk

  • Van demografische nulgroei naar demografische groei (niet langer gevolgd door structurele sterfte)

  • Toename verstedelijking en migratie, versterkt door toename van transport- en communicatiemiddelen

  • Overgang van (sterk?) gemeenschapsleven (gemeinschaft) naar meer fragmentatie en individualisme (gesellschaft)

  • Ontstaan van modern gezinsleven

  • Culturele breuk

  • Toename van scholingsgraad en alfabetisme: geletterdheid bij groeiend deel van bevolking

  • Rationalisering: toenemend belang van wetenschap en techniek

  • Nieuwe vormen van culturele expressie: ‘modernisme’ in architectuur en kunsten

  • Secularisering en bevrijding van normen en moraal




  1. Hedendaagse periode binnen het perspectief van de tijd

  • Geschiedenis is enorm uitgebreid => slechts klein deeltje bekend

  • Klimaatscycli ontstaan van mens, doorgeven van kennis, …

  • Demografische revolutie => verstedelijking

  • Wereldeconomie => buiten de USO-economieën halen in

  • Global warming => einde van het kapitalisme? groene kapitalistische wereldeconomie ?


Hoofdstuk II


  1. De eerste industriële revolutie

  1. Wat is een Industriële Revolutie?

  • Voornamelijk in UK & België

  • Problemen moeten leiden tot efficiënte oplossingen
    Vb; Water in mijnen. => oplossing: stoommachine die water wegpompt

complexe technologische veranderingen/vernieuwingen definiëren
de IR die leiden tot nieuw soort van produceren.


  • Volgens tijdgenoten:

  • It is impossible to contemplate the progress of manufactures in Great Britain within the last thirty years without wonder and astonishment. Its rapidity, particularly since the commencement of the French revolutionary war, exceeds all credibility” (Patrick Colquhoun, 1814)



  • It is not more than seventy or eighty years since, that a few humble Mechanics, in Lanarkshire (Lancashire), distinguished by anything scarcely more than mechanical ingenuity and perseverance of character succeeded in forming a few, but important mechanical combinations, the effect of which has been to revolutionise the whole of British society, and to influence, in a marked degree, the progress of civilisation in every quarter of the globe (Leon Faucher, 1840s)

  • Het begrip ‘Industriële Revolutie’

  • Arnold Toynbee, Brits historicus (1852-1883) gespecialiseerd in economische geschiedenis

  • « Lectures on the Industrial Revolution in England » begrip krijgt ruimere betekenis => verwijzen naar technologische veranderingen, maar ook naar maatschappelijke doorbraak die fundamentele gevolgen had op vele gebieden

  • Maatschappelijke doorbraak: greep op natuur (technologie) en mens (kapitalisme)

  • Snelle technologische evolutie van 60 jaar (ca. 1760- ca. 1820)

  • Pejoratieve betekenis (armoede, kinderarbeid), idealisering van levensomstandigheden in de 18e eeuw
    =>
    Toynbee was wetenschappelijk innovatief maar richtte zich ook
    op zijn politieke agenda door betere levensomstandigheden af
    te dwingen voor arbeiders,…


  • Kritiek op Toynbee: hij stelde de 19de eeuw te rooskleurig voor

  • IR als “take off” volgens Walt Rostow

  • Revolutie als « take off » (tussen 1783-1802)

  • Walt Rostow: « The stages of economic growth: a non-Comunist manifesto », 1960 => hij was een kapitalistisch-denkend persoon

  • Vijf ‘stages’ / ontwikkelingsfasen van economische groei

1° traditional society

2° transitional stage

take off into self-sustained growth

drive to maturity

5° the age of high mass consumption

  • Westen vs. communistische denken (koude oorlog) was volop aan de gang in de rest van Europa (wereld?) => Rostow zet zich achter het westerse, kapitalistische denken hij wil een model rol spelen voor de ontwikkelingslanden die zich aan het ontwikkelen zijn.



  • Kritiek op Rostow:

  • Is het groeimodel van de Industriële Revolutie absoluut wenselijk en positief? => moet iedereen naar massaproductie gaan, is het ideaal?

  • Mechanistisch model: wat drijft economische groei? => waarom is in Westen de welvaart verspreid geraakt? Enkel dankzij IR?

  • Lineaire geschiedenisvisie: wat met geografische en temporiële ongelijktijdigheid, padafhankelijkheid, etc. => Vb; China is op heel andere wijze industrieel groot geworden als het westerse model. Westen is gebaseerd op vrij-handel (grenzen open) terwijl Japen, China, Zuid-Korea eerst hun binnenlandse economie op punt hebben gesteld, alvorens de grenzen naar internationale handel te openen.

  • Europacentrisme

MAAR: stimuleert concreet empirisch historisch onderzoek naar de Industriële Revolutie!

  • Industrious of industrial revolution?

  • Debat onder historici duurt voort: Industriële Revolutie graduele overgang sedert eeuwen? Of ultieme breuk?

  • Revisionisten: breuk niet zo groot tussen pre-industriële en industriële maatschappij

bv. landbouwrevolutie in 2e helft 17e eeuw

bv. aanwezigheid van commercieel marktsysteem al van in ME

  • Jan De Vries zegt industrious revolution: graduele vermarkting van de behoeftebevrediging en re-allocatie van arbeid huishoudens

  • Is er dus sprake van een Revolutie ? Ja, maar ..

  • Niet alleen een ontwikkeling IN DE SCHOOT VAN (within) de economie, maar een ontwikkeling VAN iets (landbouweconomie met proto-industrie) NAAR iets anders (industriële economie)

  • Breder kijken dan economische groei alleen, ook kijken naar impact op politieke, sociale en culturele omwentelingen (holistische visie)

  • Cesuur (ommekeer) is grondig en onomkeerbaar, maar met regionale en temporiële verschillen



  1. Proto-industrie: industrialisering voor industrialisering?

  • Van Proto-industrie naar IR

  • Franklin Mendels, ‘Proto-industrialization: The first phase of the industrialization process’, in: Journal of Economic History 32 (1972), 241-261 vanuit beperkingen in Proto-industrie verklaar je de IR

  • Continuïteitsthese: proto-industrie bereikt hoogtepunt in 18de eeuw. Botst op beperkingen en wordt omgevormd tot fabrieksarbeid (graduele overgang).

  • Proto-industie = systeem van arbeidsorganisatie waarbij stad zorgt voor organisatie, coördinatie en afwerking. Platteland zorgt voor arbeid.ggggggggg

  • Zeer arbeidsintensief systeem = handenarbeid !

  • Gedecentraliseerde bedrijfsstructuur met handelaar-ondernemer of rijke ambachtsmeester aan het hoofd: levert grondstof en soms productiemateriaal (werktuigen). Krijgt afgemaakt product.

  • Ambachtelijke nijverheid op (eigen) werktuig; vakmanschap thuis of in klein ambachtelijk atelier. Krijgt stukloon.

  • Arbeidsverdeling en -specialisatie volgens ketens van onderaanneming (subcontracting)

  • Textiel (vlas, linnen, wol), luxe (tapijten, zijde, kant), ijzerproductie (wapens, potten en pannen, …)

  • Gebruikelijk op platteland (regio’s als Noord-Frankrijk, Lyon, Ulster, Lancashire, Elzas, Silezië, Nederlanden…)

  • Maar ook in de steden (Gent, Ieper, Oudenaarde, Brussel, Verviers, Luik, Antwerpen, …)



  • ‘Putting out’ of ‘verlagsysteem’ :



  • Proto-industrie in de stad

  • Gilden:
    corporatieve organisatie (vertegenwoordigen de werkgevers)
    produceren kwalitatief hoogstaande producten

  • Netwerk thuiswerkers naast gilden
    ontspannen aan strenge reglementering gilden
    blijft bestaan na IR
    confectie (sweat shops)

  • Andere vorm: de manufacture (letterlijk: met de hand vervaardigd); grote ateliers met zekere vorm van gecentraliseerde arbeidsverdeling en –specialisatie, maar geen machines
    => breekt moeilijk door in de stad vanwege regelgeving




  • Proto-industrie op het platteland

  • Eerst in dode seizoen als bijverdienste (aanvullend op hun inkomen) Vb; spinnen en weven

  • Huishouden (gezin) is economische basiseenheid: arbeidsdeling ! => man weeft, vrouw spint, kinderen helpen

  • Evolutie naar lange werkdagen van 14 – 15 uur en steeds grotere arbeidsinzet => er moest harder gewerkt worden

  • Met groeiende concurrentie van manufacturen en later fabrieken (stoommachine,…) ook degradatie van arbeid: toenemende arbeidsdeling en –specialisatie

  • Effecten en beperkingen van proto-industrialisering

  • Effecten:

  • massaproductie voor anonieme markt

  • breuk met ambachtelijk corporatisme

  • geen dagdagelijks contact met producenten

  • organisatorische vernieuwingen (manufactuur)

  • primair gericht op winst

  • extra-inkomen: stijging vraag consumptieproducten

  • Beperkingen:

  • geen continue inzet voor productie (seizoenen)

  • controle-problemen door geografische spreiding

  • geen mechanisering mogelijk




  1. Fabrieksproductie

  • Wat?

Geheel van organisatorische en technologische veranderingen:

    • Centraal geleide arbeidsdeling en specialisatie

    • Vervanging van menselijke vaardigheid door machines

    • Vervanging van spierkracht van mens en dier en van drijfkracht van water en wind door andere vormen van drijfkracht, vooral stoommachines

    • Verbetering technieken winning en bewerking van grondstoffen (steenkool!)

  • Welke sectoren?

Sectoren waar zich “bottlenecks” voordoen:
=> gestegen vraag kan niet worden beantwoord door bestaande
arbeidsorganisatie


    • Mijnbouw: steenkoolproductie. Van houtskool naar steenkool: energie voor machines.

    • IJzer en staalproductie. Bouw van machines en spoorwegen.

    • Textielproductie: katoen. Tegemoetkomen aan stijgende vraag (bevolking groeit!)

    • Transport: flessenhals in pre-industriële economie.

voorbeelden:

  • Mijnbouw:

-Steenkool gekend als “zwarte goud”

-Bekend als brandstof maar flessenhals in exploitatie

(kwelwater en transport)

-Energie-crisis (tekort aan hout)

-Vuurpomp van Thomas Newcomen (1712)

-Stoommachine van James Watt (1769)

  • Ijzer- en gietijzerindustrie:

-flessenhals in energie

-cokesprocédé van Darby (1709)

-puddel- en walsprocédé van Henri Cort (1783)

-later staal (Bessemer-procedé)

  • Katoenindustrie:

-vraag-gebonden groei; flessenhals in arbeid

-schietspoel van John Kay (1733) > productiviteit van weven verdubbelde

-spinning jenny van James Hargreaves (1765): spinnen van meerdere draden tegelijkertijd; te gebruiken in huisnijverheid

-water frame van Richard Arkwright (1769): sterkere draad spinnen; enkel te gebruiken in fabriek

-spinning mule van Samuel Crompton

(1774) > combinatie van beide machines > in 1785: mule jenny aangedreven door stoomkracht

-door stoomkracht aangedreven mechanische weefstoel van Edmund Cartwright (1787)

-mechanisering compleet omstreeks 1830

  • Transport:

-flessenhals in distributie=duur

-aanleg van kanalen (17de-18de eeuw)

-aanleg van steenwegen (onder Oostenrijks bewind)

-ontwikkeling van spoorwegen in 19de eeuw.

-belang van backward linkages => afgeleide vraag meer
vraag naar spoorwegen is onrechtstreeks meer vraag naar
ijzer, hout,…


  • Waar?

  • Eerst in Engeland einde 18e eeuw (ca. 1760)

  • In België begin 19e eeuw (eerste mule jenny van Lieven Bauwens in Gent in 1799). Ongelijkmatige geografische spreiding

  • Luik-Verviers (wol en metaal, ruw ijzer spoorwegen, zink, eind 19e eeuw machinebouw, landbouwmachines…)

  • Bergen-Charleroi (steenkool, eind 19e eeuw glas)

  • Gent-Lier (katoen)

  • Brussel en Antwerpen (diensten, financiën en overzeese handel, eind 19e eeuw investeringsbanken)

  • Landen als Nederland, Frankrijk, Duitsland, VS, Japan: vooral sterke groeiversnelling tijdens tweede industriële revolutie.

  • Waarom?

Vier algemene verklaringen:

    1. Aanwezigheid van arbeid (overschot op platteland>zie les 7)

    2. Aanwezigheid van grondstoffen (productieve landbouw, aardappel, steenkool>zie gedeeltelijk ook les 7)

    3. Aanwezigheid van kapitaal (rol van financiële markten>zie gedeeltelijk ook les 5 en 6)

    4. Aanwezigheid van industrieel ondernemerschap

  • Rest van Europa

  • In het Oosten, grote domeinen met lijfeigenen (ook Spanje en delen van Italië)

  • In het Westen: veel kleine pachters, een paar grote, versnippering areaal

Kleine boeren: geen surplussen, soms autarkie, vaak ook
bijverdiensten nodig


Grotere boeren worden rijk via handel in surplussen

  • Betere landbouwtechnieken

  • Verbeterd 3-slagstelsel (intensieve landbouw)

  • Betere ploeg

  • Intensieve bemesting (chemisch vanaf 1860)

  • Mechanisering pas na 1900 (tractor na 1950 algemeen)

  • Aanwezigheid van grondstoffen en proto-industrie

  • Traditie Steenkool- en ijzerertsproductie in as Luik-Charleroi-Bergen alsook metaalbewerking

  • Paradox van de vlassector, bloeiende proto-industrie hinderpaal voor vroege mechanisering

  • Katoen wordt motor van industriële revolutie, dank zij Gentse textielbazen en Lieven Bauwens (huidevetters) zoals in Engeland (Lancashire)

  • De financiering

  • Stijgende kapitaalbehoefte voor zware en risicovolle investeringen

  • Netwerk van handelsbanken, echter slechts krediet op KT

  • Eigen middelen uit proto-industrie (Gentse katoen), bij laagconjunctuur velen failliet

  • Gemengde bank: de Société Générale de Belgique (Willem I Hollandse periode 1822) krediet op LT (later de Generale Bank>Fortis>BNP Parisbas)



  1. Economische gevolgen van IR

  • Toename van productievolume en de arbeidsproductiviteit
    werkorganisatie veranderd
    machinaal

  • Verstedelijking
    agglomeratievoordelen voor industrie gevestigd in verstedelijkte
    gebieden => voordelen voor werkgevers: mobiliteit en
    infrastructuur, afzetmarkt, werkgelegenheid, kennis, aanwezigheid
    van toeleveringsbedrijven, kapitaal (banken, investeerders), …
    gewijzigde volgorde in rangorde van steden
    wildgroei in de stad > proletarisering => ontstaan van
    krottenwijken (sociale evolutie)


  • Proletarisering
    proces waarbij arbeiders in toenemende maten afhankelijk worden
    van een loon
    arbeidsmarkt met veel overschot aan mensen => lonen blijven laag
    want wie protesteert wordt vervangen + ondernemers krijgen vrije
    hand van overheid (wet ‘le chappelier’)
    Friedrich Engels (midden 19de eeuw, ondernemer)
    ontstaan van arbeidersklasse => herschikking sociale verhoudingen
    (Karl Marx) => nieuwe klasse van rijke burgers, ontstaan
    arbeidende klasse


  • Effecten van mechanisering op arbeid
    vrijmaken van markt
    arbeiders uitbetaald in loon
    concentratie arbeid in fabriek
    verkleining zeggenschap over productie & arbeidstijd
    verhoging arbeidstempo en –ritme
    => arbeiders moeten in tempo werken van machines


Paternalisme
* Company towns => kleine stadjes die zich rond 1 fabriek vestigen
(ondernemers controleren arbeiders, geven hen onderdak,…)
* truckstelsel => loon in natura (fabrieken openen winkels waar
arbeiders moeten winkelen, voorzien ontspanning,…)


opstand, revolutie => men ging de katoenmachines kapot maken
(ze waren slecht voor economie, milieu,…)



  1. De tweede Industriële Revolutie

  1. Techniek en wetenschap

  • Einde 19de eeuw:
    - nieuwe energiebronnen
    gas, elektriciteit, petroleum
    - doorbraak chemie
    fotografie, textiel, plastic => Leo Baekeland
    - nieuwe producten en diensten
    gloeilamp, telegraaf, automobiel,…

  • Afbeelding op PPP




  1. De industrie groeit

  • Veralgemening van de fabrieksproductie

  • Tewerkstelling in secundaire sector groeit en overstijgt primaire sector

  • Schaal bedrijven neemt toe (stijgende vaste kosten)
    verticale (alles binnen 1 bedrijf) en horizontale integratie
    “konzerns”, fusies, kartels

  • Mechanisering vordert in de lichte industrie (elektriciteitsmotor)

  • Begin industriële productie van consumptiegoederen en van marketingtechnieken (voedselconserven, zeep,…)






  1. Taylorisme

  • Arbeidsdeling Adam Smith (18e eeuw)
    speldenfabriek
    Verhoogde productiviteit door opsplitsing handelingen / specialisatie

  • “Taylorisme”
    Frederick Taylor (1856-1915)
    Principles of scientific management (1912)
    Scheiden denken en uitvoeren
    Rationele organisatie
    Wetenschappelijke benadering

  • Henry Ford (T-Ford 1908)
    combinatie van lopende band, goedkope auto en efficiëntielonen

  1. Het kapitaal groeit

  • Het financiekapitaal
    groeiend aantal gemengde banken
    - 1913: 65 banken
    - Société Générale veruit de grootste
    - “Participeren” in de industrie


  • Het industriekapitaal
    Groep Empain (Edouard Empain): elektriciteits- en tranpsortsector
    Groep Solvay (Ernest Solvay) en Mutuelle Solay (chemie)
    Leo Bekaert (prikkeldraad, staaldraad)
    Lieven Gevaert (fotografisch materiaal)




  1. De Europese industrie verovert de wereld (wereldhandel)

  • Van mercantilisme naar liberalisering

  • Export van grondstoffen en import van afgewerkte producten wordt vrijgemaakt via nieuwe dounatarieven en afschaffing van handelsbelemmeringen (vb; afschaffing Scheldetol in 1863)

  • Groeiende vervlechting van Westerse economieën in kielzog van industriële revolutie (vb; internationale fusies, filialen, maar ook crisis van 1870)

  • Opkomst van de “Gouden Standaard” en muntunies

  • Modern imperialisme: aantal investeringen van westerse landen in niet-westerse landen stijgt => creëren nieuwe arbeidsmarkten, goedkope ontginning grondstoffen,… => kolonisatie
    - landen verliezen zelfbestuur
    soevereiniteit
    - Belgisch Congo (grondstoffen, goedkope arbeidskracht, afzetmarkt)
    - dekolonisatie na 1945 op gang



  1   2   3   4   5   6   7

  • Hedendaagse geschiedenis in vogelvlucht
  • Hoofdstuk II
  • Ijzer- en gietijzerindustrie
  • Katoenindustrie
  • De tweede Industriële Revolutie

  • Dovnload 4.92 Mb.