Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?

Dovnload 0.66 Mb.

Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?



Pagina4/9
Datum25.10.2017
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9





Artikel 2 De mens als subject


De mens: biologisch uiterst zwak, en toch ….

→ wat is het eigene van de mens tgo dier?


§ 1 Vanuit het gedrag: nieuwe vormen van uitwisseling

1. Instrumenteel gedrag


dier mens

natuurl. instrumenten kunstmatige

voor de hand liggende ver in tijd en ruimte

nauwelijks verfijning technologie

Belang van instrumenten : niveau’s van cultuur:

steentijdperk ….atoomtijdperk, cybernetisch tijdperk



behoefte wordt uitgesteld om eerst instrument te kunnen maken. En daarna kan behoefte pas vervuld worden. Die instrumenten, complexere instrumenten, zijn het eerste loskomen van de natuur.

Cybernetisch, systeem dat zichzelf stuurt. Bij auto heb je motor en stuur. Tot nu toe werd de aandrijfkracht steeds groter, is de mens die de stoomtrein bestuurt, hamer richt etc. bij een cybernetisch systeem neemt het systeem de sturing over, bijvoorbeeld thermostaat.

Het blijft de mens die de stuurfunctie erin moet steken. Computer gaat niet verder dan instinct: die stimulus, die respons, ddat werkt alleen in bepaalde omstandigheden, dieren zijn al anders: duif kan weg vinden, ook in andere omstandigheden. Computer werkt alleen onder 1 soort omstandigheden. Instinct: verander de situatie en het gedrag verandert niet.

Verschil is je kan een dier conditioneren. Dier snapt een teken. Pavlov zegt dat dat hoogontwikkeld instinct is.

Merleau Ponty zegt dat hond wel degelijk het verschil weet tussen geluid en eten, hij begint wel te kwijlen, maar niet te kauwen. Dus hij ziet het als signaal voor wat komen gaat.

Symbol is een teken dat er niet materieel hoeft te zijn. Dit teken verwijst naar een betekenis, symbolisch gedrag is los komen van werkelijkheid om werkelijkheid aan te duiden door een teken. Teken verwijst naar een begrip dat een zekere band heeft met de werkelijkheid.

Mens heeft symbolentaal, dier heeft signaaltaal.

Via onze taal komen we op niveau van betekenis ipv fysische realiteit.

2. Symbolisch gedrag


a. Instinctief : S ---------------> R

aangepast maar niet aanpasbaar

b. Signaalgevoelig : stimulus vervangen door teken (signaal)

2 interpretaties :

- geconditioneerde reflex (cf. instinct)

Pavlov : S ------------------------> R

S’ -------------

- voorbereidend gedrag (in de lijn van symbool)

Merleau-Ponty S -----------------------> R

-----------> R’

S’ -----------

Grenzen : - betekende moet echt komen

- binnen korte tijd

c. Symbolisch gedrag

- afstand tussen teken en betekende kan oneindig zijn

- betekende enkel aanwezig in zijn betekenis

gedrag van de landkaart taal

Besluit : afstand



Taal en begrippen zijn toegang tot werkelijkheid voor ons bewustzijn. Grenzen van onze taal zijn de grenzenvan onze werkelijkheid. Tekens vervangen onze werkelijkheid, werkelijkheid wordt hoe de taal functioneert. Geen onmiddelijke transparantie tussen ons denken, onze taal en de werkelijkheid.

Hoe rijker je woordenschat, hoe rijker je werkelijkheid.

We denken de werkelijkheid zoals die in onze taal tot uitdrukking worden gebracht.

Zn is centraal, niet werkwoord, aristoteles is metafysische vertaling van het zn.

Centraal staat het afstand nemen uit de werkelijkheid.

§ 2 Subjectiviteit: betrokkenheid-vanuit-de-afstand

  1. Mens-zijn = afstandelijkheid

a. Freud

mens = libido

lustprincipe >< realiteitsprincipe

| |

Oedipoes moeder vader

IK

kind



subject-worden = doorbreken van de “Dualunion”

vader aanvaarden

begrenzing “Versagung”

realiteit

andere wordt andere

ik word ik

Eens subject, blijft de spanning binnen het Ik :

es über-ich

ich

Psychose = "La forclusion du nom du père" (Lacan)

dat proces is product van het onbewuste (maître du soupçon)


sartre: verschil tussen object en subject.

Eerste vorm van ik zijn is negatief, ik ben die stoel niet, de tafel niet, ook u niet, maar iets anders. Ik ben ook mezelf niet, ik kan afstand nemen van de stoel en de tafel, ik val er niet mee samen. Ik val niet samen met andere mensen. Maar ik ben ik, niet de ander. Ik kan ook afstand nemen van mezelf. Steen is puur zijn, kan geen afstand nemen van iets anders. Eigene van de mens is dat ie met niets samenvalt, kan afstand nemen van alles. Ik kan loskomen van mijn eigen verleden en context. Ik kan loskomen van mijn loskomen.

Dat is bewustzijn, mogelijkheid om los te komen. Ik ben bewust van mezelf, niet alleen van de wereld. Ik kan mezelf bezig zien in de wereld. De mens kan loskomen van zijn eigen menszijn, kan zelfmoord plegen. Een ding is etre, puur zijn, puur samenvallen met zichzelf. Een mens kan neant. Ik ben niet mijn verleden, ik ben wat los kan komen van mijn verleden.

Ik ben transcenderende beweging. Is vrijheid. Ik kan betere mogelijkheden zien, omdat ik er los van kan komen, dat is vrijheid. Is neant, niet samenvallen met.

Mens is voor zich zijn pour soi niet en soi

Ik ben verantwoordelijk voor wat ik ben, niet mijn verleden. Ik ben verantwoordelijk voor mijn opvoeding en ziekte. Ik bepaal in welke mate siekte/opvoeding mij bepaalt. Dat is absolute vrijheid. Het enige wat je niet kiest is dat je moet kiezen. Verder is alles uw verantwoordelijkheid. Bewustzijn is mogelijkheid, niet een iets, is een transcenderende beweging. Mijn definitie is mijvolledig zlef te bepalen. Bewustzijn=vrijheid=loskomen. Loskomen van mijn identiteit, id is gekozen.

Steen kan niet zeggen dat ie steen is, want hij weet niet wat niet-steen is. Dus is een steen alleen steen voormensen. Bestaat niet opzichzelf.
b. Sartre

L'Être et le Néant (1943)

ding mens

zijn niet-zijn

af niet-af

identiteit geen identiteit

gegevenheid loskomen van gegevenheid



en-soi pour-soi

néantiser = ver-niet-en : ik ben dit niet

ik val daar niet mee samen

= afstand : - van de dingen : ik ben de dingen niet

- van mezelf: ik val ook niet samen met mezelf (mijn gegevenheid)

= transcendentie

= vrijheid

Bewz = vrijh = loskomen van gegevenheid = mogelijkheden

Cf. zoeken

Verwondering

wetenschap: hypothese

Ook loskomen van zz:

ik

ik wereld



menselijk bewustz = zelf-bewustzijn

maar :

mens wil iemand zijn,

identiteit = object worden

beeld van zichzelf

= "mauvaise foi" (kwade trouw)

Ook de andere is object (via "le regard") :

de blik objectiveert

vandaar schaamte = schaamte voor objectivering

leidt naar conflict: "l'enfer, c'est les autres"

Kritiek :

vrijheid als néant is slechts één aspect

vrijheid is de mogelijkheid om zinvol te handelen

d.w.z. vanuit betrokkenheid op gegevene

we kunnen van elkaar de sujectiviteit niet zien, dus intersubjectiviteit bestaat niet. We zijn een object voor elkaar. Schaamte is zich schamen voor het geobjectiveerd worden. Dus enige relatie die mogelijk is is een subject-object relatie. L’enfer c’est les autres. Je bent niet hoe je verschijnt aan de ander. Dat niet samenvallen is wat het subject is. Maar dat valt niet te zien, waar te nemen. R

Relaties zijn objectrelaties, waarin wordt geobjectiveerd. Kunnen loskomen is essentiele component van bewustzijn. Daardoor kunnen we betrokken zijn bij wat we zien. Kan spelen met mogelijkheden. Bevestigen is ontkennen. Het is niets anders dan wat er bevestigd wordt. Ontkennen is dus noodzakelijk om te kunnen bevestigen.

Heidegger: da sein ist in der welt sein. Mens zijn is in de wereld zijn. Een steen is niet in de wereld, want voor een steen is er gen wereld. Alleen voor de mens is er een verschil tussen steen en mens.

Menszijn is niet anders dan openstaan voor de wereld. Kan geen kluizenaar zijn zonder terug te trekken uit de wereld. Er zijn alleen voor de mens is er iets anders dan de mens.

Alleen voor een subject is er een object—mens kan dingen in objectiviteit bekijken.

Menszijn is naar buiten toe staan, ex-istentie.

1 ik ben de rest van de wereld niet

2 ik ben niet anders dan de relatie van mij met de rest vd wereld

Ik ben relatie met de wereld. Vrijheid is mogelijkheid om los te komen en daardoor zin te krijgen.

Wij bepalen zelf wat menszijn betekent.

2. Van afstandelijkheid naar betrokkenheid


Bewustzijn is 'n-iets' en daarom 'alles' :

"zo wijd als alle werkelijkheid"

Vanuit de afstand:

- nieuwe vorm van betrokkenheid :

- instrumenteel gedrag

- symbolisch gedrag

 openheid op betekenis en zin

- betrokken op de dingen zoals ze zijn:

objectiviteit - waarheid – tijd – zin (en onzin)

-> Eigene van het subject is de betrokkenheid

"Dasein ist in-der-Welt-sein" (Heidegger)

Alleen de mens is 'er'

Alleen de mens is 'in de wereld'

Aleen voor de mens zijn de dingen er

zijn ze wat ze zijn

menselijke existentie = ek-sistentie



Besluit

Subject als afstandelijkheid = negatief (ik is niet het andere)

Subject als betrokkenheid = positief :

concrete = het "concrescere" van alle relaties

----

---- IK


----

----


Deze visie is reactie

1. tegen het natuurdenken (Aristoteles)

Oudheid en ME: Alles gedacht naar het model van de natuur

ook de mens:

Mens-zijn is mens-worden. Maar toch via ‘forma’:

 nadruk op gegevenheid (menselijke ‘natuur’)

 nadruk op universaliteit

zelfde voor alle mensen

doorheen de tijd)

Kritiek van Sartre : "l'existence précède l'essence" :

nadruk op originaliteit

op particulariteit

op historiciteit

aristoteles vertrekt van forma, wat steen doet is forma realiseren

Sartre zegt; mens is anders, mens heeft geen forma. Wij moeten zelf uitvinden wat menszijn betekent. Het enige wezen is wat hij geweest is, op het einde, dan heb je identiteit, dan worden we een ding houdt subjectiviteit in.

De existentie gaat aan de essentie vooraf.

Natuurdenken is ding denken en zo maakt hij van de mens een ding. Bij ar is mens deel van natuur, bij sartre iets totaal anders.

Geen menselijke natuur
Sartre: bij Aristoteles is er geen verschil tussen steenzijn en menszijn. Bij ar:

Subst.-eigenschap

Stof-vorm

Potentie-act

Sartre: Mens denk je met andere begrippen als dat je een boom denkt.

Wezen v/d mens is wat de mens geweest is.

Drie verschillende visies op wat menszijn is.


  1. Aristoteles

  2. Descartes

  3. Heidegger/Sartre

2. Tegen gesloten bewustzijn (MT)


§ 3 Moderne Tijd : mens als gesloten bewustzijn


MT : Mens wordt gedacht niet langer in termen van natuur,

maar van bewustzijn : buiten en boven de natuur


1. Descartes: de mens als ‘une chose qui pense”


Moderne tijd is zoeken naar zekerheid. In ME was religie de zekerheid, die valt weg dus er moet iets anders voor in de plaats komen.

Echt weten is zeker weten, pas als je het zeker weet heb je weten. Grote vraag na descartes, is er wel iets buiten het subject?

Mens >< natuur

| |

bewustz machine (mechanisme)



op zoek naar "mathesis universalis".

Hoe zekerheid? via twijfel



-universele twijfel : twijfel aan alles

-methodische twijfel : twijfel als methode (niet echt)

 "je doute" = eerste zekerheid

= vorm van denken

je pense donc je suis”

ik als denkend (twijfelend) ding bestaat.

= als gesloten bewustzijn.

Vertrekken niet van de natuur, maar van het ik ("je pense")

Hoe dan naar buiten-wereld? via God

IK --> GOD ---> wereld

- van ik naar God : via Godsbewijzen

ontologisch Godsbewijs van Anselmus (11e eeuw)

- van God naar wereld : via almacht + goedheid ("veracitas")

God heeft mij goed geschapen

onmogelijk dat ik mij altijd bedrieg

Denken is te vertrouwen als het gaat om


"des idées claires et distinctes"

Idée claire et distincte van buitenwereld is idee van



uitgebreidheid : vorm en beweging

meetk. en mechanica



Bij descartes mediaat realisme: via God naar de wereld.

Ontologisch godsbewijs: god is het meest volmaakte, dus god bestaat want het niet-bestaande is nietvolmaakt, bestaan behoort tot volmaakt zijn.

Paus vs Galilei: waarom vertrouw je de wiskunde boven de bijbel, waarom zou god zich moet verantwoorden aan de menselijke wiskunde? Waarom zou God zich daar aan houden? Descartes zit in die context. Desc: Galilei is groot wiskundige, maar heeft gebouwd zonder fundamenten. Descartes legt die fundamenten (filosofische) voor de wetenschap: God is goed dus is de wereld zoals die aan ons verschijnt ook zoals die is, God zou ons niet bedriegen.

Dus alleen klare en afgebakende ideeën zijn te vertrouwen, anders zou God een malin Genie zijn. Wiskunde biedt absolute zekerheid, dus is wiskunde de toegang tot de werkelijkheid. Het enige wat ik over de werkelijkheid kan weten is wiskundig.

Werkelijkheid is uitgebreidheid, res extensa, de meetbaarheid, van de rest kan ik niet zeker zijn. De werkelijkheid steekt wiskundig in elkaar.

Veracitas Divina: goede god garandeert waarheid van idees claire et distincte.

Werkelijkheid wordt vorm (meetkunde) en beweging (mechanica). Newton.


Buitenwereld kennen we enkel zeker voor zover wiskundig
= mechanisch en mathematisch

Ook lichaam = buitenwereld : "le corps machine"

 radicale scheiding tussen lichaam en bewustzijn

Hoe toch contact? pijnappelklier



Na Descartes : geen aparte ziel nodig : alles is “machine”

- de Lamettrie : "L'homme machine" (1748)

(cf. nu : computer i.p.v. uurwerk)

- Kritiek van Eccles : "The Self and its Brain" (1977)

ik = onafhankelijk van hersenen
(“an independent entity”)

= in interactie met hersenen



Eccles terug naar dualisme, ik iets ander dan hersenen.

Kritiek : gaat het wel om dilemma : ofwel helemaal zelfde

ofwel helemaal anders?

Occasionalisme: overal moet God tussendoor komen. God laat iets gebeuren in de werkelijkheid en God zorgt dat het zo aan mij verschijnt.

Bij Ar is alles organisch, bij Descartes is alles mechanisch, behalve het subject.

Bij descartes ineens mens buiten en boven de natuur (maitre et posseseur)

Mens het centrum, alles vertrekt van het ik (dat niet fysisch is, een gesloten bewustzijn) Bewustzijn kan op zichzelf bestaan.

Scheiding tussen

Kenner-gekende

Subject-objecct

Mens-wereld

Geest-materie

In christendom incarnatie, vleeswording, bij Descartes excarnatie, geest weg uit lichaam, subject is onlichmelijke geest.(Taylor)

Bij Descarte is alleen de mens subject, bij aristoteles is alles substantie. (het onderliggende van alles)

(authenticiteit is dus ook een modern idee)

Smenvatting

Instrumenten en taal afstand nemen – néant, dat is mns zijn in der Welt sein is betrokkenheid dat is allemaal reactie op Aristoteles (mens is essentie, deel van natuur) en op moderniteit (mens is fundamenteel anders dan de natuur: cogito)

Descartes is mediaat realisme, onze kennis is in staat de wereld te bereiken, via God.

Dat wordt problematisch bij Empiristen en Kant.

2. Empirisme

Vooral angelsaksisch : Locke, Berkeley, Hume

Alle kennis is beperkt tot empirische

Op 1e gezicht : tegengestelde van rationalisme

Maar : ook gesloten bewz = nu leeg op zz

John Locke :

complex ideas

simple ideas

uitw. erv. inw. erv.

(sensations) (reflections)

 alles uiteindelijk te herleiden tot sensations

Sensations enkel van kwaliteiten (eigenschappen)

primaire en secundaire kwaliteiten

Substanties zijn : "supposed but unknown support"



Je ziet alleen eigenschappen, geen substanties.

David Hume : radicaler

Alleen "impressions"

"ideas" zijn daarvan minder heldere kopieën

bewz : legt associaties : - tijd + ruimte

- oorzakelijke verbanden

(probleem: wetten?)

- substanties - bijv. 'ik'

Steunt op gewoonte - "belief"  scepticisme


Hume: Ik ervaar geen dingen, maar indrukken van dingen. Het enige wat ik weet is dat ik een indruk heb, en de indruk dat ik die van buiten krijg.

Locke spreekt eigenlijk aristotelisch: we zien eigenschappen, substantie zien we niet.

Sommige eigenschappen zijn echt, andere niet.

Whitehead: bifircation of nature, verschil tussen natuur v/d wetenschap, objectieve natuur en een subjectieve natuur, manier waarop wij werkelijkheid waarnemen. (lijkt idd op Plato, maar wetenschap ipv filosoof)


Wetenschap werkt met schijn en werkelijkheid: moderne wetenschap is heel platoons, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Misschien kunnen we niet zonder. Wat we waarnemen is niet de natuur zoals die is, maar de natuur zoals die ons toeschijnt, maar:

Wetenschap steunt op ervaring, maar als je de ervaring ontkent of tegenspreekt, wat dan?

Empirie valt niet samen met ervaring, empirie is zintuiglijke ervaring.

Hume: Weet je dat de tafel er nog staat als je niet kijkt? Maar voor het dagelijks leven is het noodzakelijk dat je dat gelooft.

Empirisch wetenschap is een contradictio in terminis, ws gaat uit van causale verbanden, en die zijn strikt empirisch niet te bewijzen. Wij verbinden indrukken, geen empirisch bewijs. Oorzakelijke verbanden zie je nooit.

Op louter empirische basis stort de hele wetenschap in mekaar.

Gevolg is dat de wereld weer verdwijnt: alleen indrukken die mij de indruk geven dat die van buiten mij komt. Strikt empirisch maakt empirische wts onmogelijk.

Wittgenstein: mens steunt niet op absolute zekerheid.



Kant: anschauungen ohne begriffe sind blind, Zonder denkwerk, zonder begrip zie ik geen micro, geen tafel.

Kant: zelfs het begrip tafel komt van mij, niet alleen causale verbanden. Het ding zegt niet dat het een stoel is, ik zeg dat het dat is.(en ik kan me vergissen) Kennen is begrippen plakken. Dus moeten die begrippen al a priori in mijn verstand aanwezig zijn: ervaring komt uit begrippen, niet andersom. Ik kan wel begrippen bijleren, maar bijv. het begrip iets, of het om te zijn niet uit te leggen. Die basisbegrippen, kategoriën, moeten uit ons verstand komen.

Kant probeert wetenschap te redden van Hume: kritik der reinen vernunft, gaat over wetenschap.

Das ding an sich ist ein unbekanntes

Kennis begint met empfindungen (indrukken), die gaan wij ordenen, in tijd en ruimte wat wij zien zijn gehelen van indrukken. Dat geordene is de Anschauung (waarneming)

Na de vraag wat zie ik, plak ik daar een begrip op. Alle kennen is zintuiglijkheid en verstand, het samengaan van de twee.

Transcendentale Asthetik: zintuigen. + Begrippen erop plakken door verstand. een kenobject

Als ik daarmee verder ga, dan redeneer ik: Vernunft. Dan bedenk ik, er moet een ding zijn dat aan die eigenschappen beantwoordt. Dat ding an sich moet ik aannemen, anders kan ik mijn ervaringen niet begrijpen.

Dat kan ik alleen door redeneren, dat kan ik niet kennen: duidelijk onderscheid tussen kennen en denken. Onderscheid tussen fenomenale en noumenale (dat waar ik alleen bijkom door redenering, bijv. vrijheid, nooit tegengekomen, dus is het een denkiets. Dat wat aan zintuiglijkheid ontbreekt is onkenbaar)

Ook onderscheid tussen kenbaar en denkbaar, begrip wereld is een noumenaal iets, niet iets wat ik tegenkom. Begrip van het ik ook. Wereld, ziel, God etc. die komen ook niet uit ervaring en kan ik niet kennen.

We construeren de wereld aan de hand van onze begrippen. Hoe de werkelijkheid is buiten ons weten kunnen we niet weten. Alle weten komt uiteindelijk vanuit het subject: kopernikanische revolution.

Objectiviteit is per definitie subjectief, anders bestaat er geen objectiviteit.

(daar Popper: werkelijkheid begint pas te spreken als ik hypotheses heb)

Aandacht verlegd van het object naar het subject, er zijn nog altijd gewaarwoordingen, daar kan je niet zomaar wat mee doen. Kennis is universeel omdat ze subjectief is, niet omdat ze objectief is.

Empirie is het meest individuele wat je kan hebben, ik weet niet of je hetzelfde ziet als ik groen zie, ik weet alleen dat jij ophetzelfde moment dat woord gebruikt. Dat is universeel, dat is belangrijk. We hebben allemaal dezelfde basisbegrippen, daardoor denken we hetzelfde.

Descartes en Kant hebben problemen gesteld waar we nog steeds mee bezig zijn. We kunnen er niet meer naast.

Alle spreken over God, over de wereld, is menselijk spreken, Hoe je het ook draait of keert, het is de mens die zegt God heeft gelijk. Niet God. Jij kunt niet weten of je in naam van God spreekt, jij zegt dat , niet god.

Popper is kant: wetenschap komt niet uit feiten, maar uit mijn verstand. Alles komt uit menselijk verstand. Popper trekt conclusie uit Kant.

Die copernicaanse revolutie zit onbewust in ons denken, in ons hoofd, we zijn die nog altijd aan het verwerken.

Alles wat ik zeg komt uit mijn bewustzijn, “ik ben de wetgever” dat is verlichting. Ik organiseer de werkelijkheid met mijn begrippen, en wat daar niet door georganiseerd kan worden bestaat niet. (zowel op vlak van kennis als op vlak van moraal: het is juist omdat het subjectief is, dat het universeel is. ) Wat niet verschilt is het subject als redelijk wezen. We werken met zelfde begrippen, daardoor universeel. Dus kennis is voor iedereen hetzelfde, niet iedereen zijn eigen waarheid. Voorzover we redelijke wezens zijn, is kennis en moraal universeel.

Bij heidegger wordt subjectiviteit verschillend, bij Kant subjectiviteit universeel. Dat is verlichting, ik ben niet anders an redelijkheid, al het andere moet zich daaraan onderwerpen.

Natuur heeft maar waarde tot zover ze ten dienste staat v/d mens. Mens staat centraal.

Werkelijkheid zegt niet wat ze te zeggen heeft, werkelijkheid antwoordt alleen op onze vragen, kennis begint bij vragen stellen (popper). Ook wts kennis komt dus in eerste plaats van ons, niet van buiten. Werkelijkheid is aanleiding en toetssteen, maar het belangrijke gebeurt bij de mens: hypothesen, theorieën en wetten.

3. Immanuel KANT


- opgevoed in het rationalisme

- door het empirisme (Hume) "wakkergeschud uit


dogmatische slaap"

Doch : wetenschl. kennis is mogelijk (tgo Hume)

zie Newton

Hoe is Newton mogelijk?

= hoe zijn synthetische oordelen a priori mogelijk?

= Kritik der reinen Vernunft : wetenschl. rede

(tgo. Kritik der praktischen Vernunft : morele rede)

analytische en synthetische oordelen

| |

normaal: a priori a posteriori



Maar : er zijn ook synthetische oordelen die a priori zijn

in de wiskunde

in de metafysica (b.v. wereld moet begin hebben)

in de wetenschap (b.v. behoud van energie)

vanwaar die universaliteit en noodzakelijkheid?

niet vanuit de ervaring

wel vanuit de werking van het verstand

Hoe werkt ons verstand?

tijd

Ding Empfindungen Anschauung Begriffe bew. erv. Vernunft



an sich (gewaarw.) (waarneming) categorieën kenobj.

("X") ruimte

zintuiglijkheid verstand rede

redeneren

KENNEN DENKEN

fenomenale noumenale


"Anschauungen ohne Begriffe sind blind

Begriffe ohne Anschauungen sind leer"

Kennis is beperkt tot fenomenale

Wel noumenale (= denken)

ook het metafysische zit op dat vlak

b.v. Vernunftseinheiten : ik (ziel)


wereld
God
Ook postulaten van de "praktischen Vernunft" :

vrijheid onsterfelijkheid Godsbestaan

Zo poogt Kant het metafysische te redden
door het te onttrekken aan de wetenschap

Besluit

1. "Kopernikanische Revolution" :

centraal in het kennen is niet het O

wel het S.

"objecten moeten zich naar ons richten"

2. Verzoening tussen rationalisme en empirisme

3. Maar kenprobleem blijft eigenlijk onopgelost :

buitenwereld wordt onkenbaar



probleem = het gesloten bewustzijn

Hoe de wereld buiten ons is kunnen we niet weten. Alle weten gaat via denken en waarnemen. Weten betekent dat je met begrippen werkt, dus gaat door je hoofd.

Heidegger is 1 van de belangrijkste vertegenwoordigers van de existentiele fenomenologie.

Descartes: gesloten bewustzijn, onafhankelijk vd wereld. Heidegger is reactie daarop:

Dasein ist in der Welt sein.

Husserl is grondlegger fenomenologie. Husserlarchief is in leuven, daardoor is leuven centrum van fenomenologisch onderzoek geworden.

Husserl: terug naar de dingen zelf (zonder allerlei theorieën) terug naar beschrijven wat er gebeurt, niet verklaren. Hoe verschijnen de dingen aan de mens.

Itt kant en desc etc: ik zie een appel (niet ik zie beeldjes van een appel) Ik zie werkelijkheid, of die werkelijkheid bestaat is een andere vraag. Wat ik niet kan ontkennen is (1) dat ik een appel zie, en (2) vertrekpunt is niet ik denk, maar ik denk iets, niet ik neem waar, maar ik neem iets waar.

Ipv vertrekken van vansubject, subject is altijd gericht op object.

Verschil tussen waarneming en droom: als ik huis droom, kan ik nadien niet meer vensters tellen, bij waarneming kan ik wel in herinnering vensters tellen.

Vertrekpunt is subject dat betrokken is op een object, bewustzijn is niet een doosje, maar betrokken zijn op iets, bewustzijn is intentionaliteit.

Bewustzijn is niet doosje, maar pijl.

Dus vertrekken van subject-object structuur, (onafhankelijk van vraag of object buiten het subject bestaat)

Existentie-filosofie

Kierkegaard, wat is mens zijn, wanneer ben ik mens etc. Mens staat centraal.

Heidegger brengt die 2 samen. Vraag van kierkegaard en antwoord van Husserl:

Niet alleen bewustzijn, maar menszijn is betrokkenheid op de wereld: intentionaliteit.

Dasein ist in der welt sein.

Mens is niet anders dan betrokkenheid, altijd bezig met iets. Waar je van moet vertrekken is mens in relatie tot de wereld.

Mens kan je niet definieren zonder wereld. Dus de vraag: ik ben hier, is er daar nog iets? Maar ik ben hier betekent al dat ik betrokken ben op de wereld.

Dus die betrokkenheid op de wereld is er altijd al, voordat de vraag kan opkomen.

Desc. Zet wereld tussen haakjes en wts zet subject tussen haakjes.

Heidegger legt de nadruk op lichamelijkheid, wat bij kant en desc niet belangrijk is. Moest altijd baas zijn over lichaam.

Maar in de wereld zijn is in eerste plaats lichamelijk.

Menszijn is in de wereld zijn, menszijn is existentie.

Alleen de mens ek-sisteert. Dasein ist in der welt sein, dier en steen is maar in de wereld voor de mens.

Eerste relatie met de wereld is niet denkend of waarnemend, eerste contact is bezig zijn met de wereld. Tafel is iets waaraan je eet, water is iets waarin je spartelt

Eerst je peux, dan pas je pense.

Mens als bezigzijn ipv mens als bewustzijn.

Begrip wereld verandert dus ook: wereld=lebenwelt, gaat niet vooraf aan mij, staat niet buiten mij.

Ipv gesloten bewustzijn, menszijn als openheid.

Daar verschijnt de wereld: in ons handelen.

Wereld is datgene wat verscijn in mijn bezigzijn. Vanuit dat verschijnen neem ik de wereld waar.

Leefwereld heeft bij heidegger specifieke betekenis: leefwereld is datgene wat aan mij verschijnt als ik handelend bezig ben.

Boom is iets anders voor iemand in New York als voor iemand uit de bushbush in afrika.

Mens en wereld zijn product van relaties. Zijn afgeleiden van relatie, niet voorafgaand.

Abstractie: object op zich bekijken, subject tussen haakjes (dat is niet negatief, maar handig, iets dat alleen mensen kunnen) Eigenlijke wereld is leefwereld.

Berekenen hoever de afstand is is afhankelijk van intentionaliteit. Km is niet gelijk aan km. Maan is dichterbij gekomen sinds maanlanding. Eigenlijke wereld is de wereld in relatie tot de mens.

DE wereld is een abstractie, de feitelijke wereld is altijd anders. Leefwereld is anders wanneer ik 6 maanden of 60 jaar ben.

Wereld ontstaat in relatie, niet op zich. Dat is een abstractie, dat kan alleen door subject tussen haakjes. Mens en wereld ontstaan na de relatie, niet ervoor. Wereld niet te definieren zonder mens, mens niet zonder wereld. Zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld.

Subect is niet meer weg te denken sinds Kant. Totale ommekeer van Desc.

Merleau Ponty: waarneming is dialoog met werkelijkheid. Wat wij zien is niet weerspiegeling van de werkelijkheid.

Wereld die we zien is lebenswelt, Ik zie niet wat mijn ogen zien, ik zie met mijn ogen. Wij zien niet wat er op mijn ogen valt, wij zien met wat er op mijn ogen valt.

Klassiek: ik zie een representatie van de werkelijkheid (Desc. Kant etc.)

Merleau-Ponty: wat ik zie is niet een representatie: feitelijk zie ik een boom en geen beeldje van een boom. Dat is wat ik feitelijk zien.

Fenomenologie: blijven bij de zaken zelf. Wts aanpassen aan wat ik feitelijk zie, niet wat ik zie aanpassen aan wts.

Het is een dialoog. Ik zie niet wat mijn netvliezen zien. Wij interpreteren altijd. Zowel naar binnen als naar buiten toe.

Als je over de straat loopt, dan zie je huizen, maar je ogen zien geen huizen. We zeggen niet ik zie gevels. Vandaar dat decors werken: we zien meer dan we zien. We zien een leefwereld.

Wij nemen altijd georganiseerde gehelen waar. Waarnemen is nooit op 1 moment, is teruggrijpen en vooruitdenken.

Waarneming is ruimte en tijd gebonden, tijd is er alleen voor de mens. Mens kan sparen voor een toekomst (eekhoorn alleen instinct)

Tijd is vloeiend, niet in stukjes te knippen.

§ 4 De mens als betrokkenheid (‘ek-sistentie’)


Existentiële fenomenologie

fenomeno-logie : Husserl

"Zurück zu den Sachen Selbst"

oorspronkelijk = de betrokkenheid

Ik denk -- > ik denk iets

S --- O

bewustz. = intentionaliteit

betrokkenheid op het andere dan zz

Existentie-filosofie : Kierkegaard

Wat is de mens?



existentiële fenomenologie

Heidegger, Merleau-Ponty, Sartre

Hele mens = betrokkenheid-op-het-andere

mensel. existentie = ek-sistentie

-> vertrekken van relatie tussen mens en wereld

S - O

tgo Descartes S [- O]



tgo wetenschap : [S -] O

Die relatie = praktisch (tgo. waarnemen of denken)

handelen : dingen zijn pragmata (tuigen)

je peux i.p.v. je pense

1) andere opv. over wereld = “Lebenswelt”

wereld niet los van de mens

is wat aan de mens verschijnt

telkens verschillend

Wereld op zz = ab-stract (tgo. pos. wetensch.)

2) andere opv. over waarneming :

niet alleen inbreng van het object

ook van het subject (circulaire causaliteit) :


  1. verschil wereld van de netvliezen tgo wereld die wij zien

"Ik zie niet wat mijn ogen zien, ik zie met mijn ogen”

dialoog


b) waarneming : niet alleen indrukken

indrukken altijd verbonden met achtergrond:

- ruimtelijk (“Abschattungen” - horizon)

- tijdelijk : “Retention” en “Protention”

3) andere opvatting over lichamelijkheid

a. lichaam is niet zomaar een ding ("le corps-objet”)

- het is mijn standpunt

- niet zomaar een ding (hand vastpakken :

sentant - sensible)

- niet zomaar een instrument: door de hand (en


het lichaam zijn er instrumenten)

- mens is niet geest + lichaam (mime, dans … )

 mens is niet : dier + 'iets'

b.v. kwaad worden

sexualiteit

b. "le corps-sujet" :

ontsluit de wereld (zintuigen)

oriënteert mij in de wereld (cf ruimte, sexualiteit …)

 lichamelijke (= primordiale) ek-sistentie


  • Lichamelijkheid = essentieel + funderend

ik - lichaam - wereld

binnen- en buitenkant (“l’envers” en “l’endroit”)



exist. Fenomenologie: het concrete ik is gevolg van relatie.

Heidegger: lichaam is geen object meer, het lichaam is niet zomaar een dinge van de wereld. Als lichamelijk wezen sta ik in dialoog met de wereld. Lichaam zit niet alleen langs de kant van de natuur, ook langs de kant van mij. Ik heb een lichaam, maar ook ik ben een lichaam. Het is mijn standpunt, waar ik sta is waar mijn lichaam is. Tegenover lichaam kan ik geen standpunt innemen. Lichaam is standpunt waar ik niet van kan loskomen. Als lichaam ziek is, dan ben ik ziek.

Lichaam zit tussen mij en de wereld. Lichaam zit meer bij mij dan bij de wereld, maar ik val er niet helemaal mee samen. Ik heb een lichaam en ik ben een lichaam. Mijn lichaam is niet mijn, zoals mijn pen mijn is. Subjectiviteit is lichamelijk. Dingen zijn instrumenten, verwijzen naar ons handelen. Praxis. Vanuit de lichamelijkheid verschijnt de wereld. Lichaam is ook instrument, ik gebruik het. Maar is anders dan pen, is instrument van de instrumenten. Lichaam is instrument dat andere dingen tot instrument gebruikt.

Door lichamelijk bezig zijn verschijnt de wereld. Ik ben geen zuivere geest die het lichaam gebruikt. Uitspreken en denken gaan samen. Niet ik verzin een zin en dan gebruik ik het lichaam om dat te zeggen.

Er is een lichamelijk weten dat aan het bewust weten voorafgaat. Mijn handen kunnen piano spelen.

Ik ben wezenlijk lichamelijk. Ik ben een lichamelijk wezen. Dasein ist in der welt sein. In de wereld zijn is lichamelijk in de wereld zijn.

Lichaam is geen subject, lichaam zit aan de kant van het subject en niet van het object. Subject is wezenlijk lichamelijk.

Mijn lichaam ontsluit de wereld. Er is niks te zien als er geen zien is. Alleen omdat er subjectiviteit is, is er geluid. Lichamelijkheid, ruimte is relatief, want in relatie tot de mens. Het is lichamelijkheid die open staat, daarna pas bewuste openstaan. Voor-bewust. Voorbewuste lichamelijke dialoog met de wereld. Lichamelijke is niet bijkomstig, is vanwaar alle andere dialogen vertrekken.

(niet ik ben een lichaam maar ik ben lichamelijk)

Relatie met de wereld is in 1e plaats handelend. Primordiale existentie.

Waarheid wat is waarheid? traditioneel: veritas est adaequatio rei et intellectus

Alleen een oordeel kan waar zijn, en het is waar wanneer het overeenkomt met de werkelijkheid.

Maar Kant is daartussen gekomen want: Hoe de werkelijkheid is buiten je verstand dat kun je niet weten. Je moet voor eerste definitie verstand kunnen vergelijken met waarheid en dat kan niet.

Dus niet meer correspondentie maar met coherentie. We toetsen onze oordelen met hoe de werkelijkheid aan ons verschijnt. Dus moet coherent zijn binenn ons bewustzijn.

Heidegger: grieks voor waarheid alètheia lethe: rivier van onderwereld: in vergetelheid raken. A is tegenovergestelde. De

on-verborgenheid.

Dus waarheid van kathedraal. Kathedraal is iets anders voor een middeleeuwer dan voor ons. Waarheid vd kathedraal heeft niet te maken met de feiten van de kathedraal, maar met de betekenis ervan.

Leefwereld wordt historisch, dus waarheid ook.

Heidegger: subjectief is niet universeel, want ieders leefwereld is verschillend.

Heidegger bril wordt bepaald door leefwereld (niet door universele kategorieën. )

Waarheid is relatief, ieder zijn waarheid is een contradictio in terminis Zeggen het is waar wil zeggen, het is niet tijd en plaatsgebonden. Waarheid kan nooit voor ieder vor zich zijn, waarheid is claim die plaats, ruimte en ik overstijgt.

Waarheid is relationeel, altijd gebonden aan subjectiviteit.

Dus nooit meer losstaand van iedere verwijzing naar waarheid. Het is subject dat theorieën vormt. Werkelijkheid is niet absolutus, maar daardoor niet subjectief (niet ieder zijn waarheid). Waarheid is relatie van mens met de wereld.

Los van de mens is er geen waarheid. Wij scheppen de waarheid alleen niet zomaar, het is een dialoog, iets krijgt waarheid voor iemand.

Voor ons is kathedraal iets anders als voor middeleeuwer. Bepaalde aspecten verschijnen uit onverborgenheid, maar ander aspecten verdwijnen ook weer. Ontdekken is ook bedekken.

Daarom is belangrijk naar andere tijden te gaan, om te weten wat iets is moeten we niet alleen naar onszelf kijken.

Betekenis verschuift, om te weten wat Plato betekent is belangrijk hoe plato vershceen, we lezen nu andere dingen in plato dan 1000 jaar geleden. Waarheid is niet puur objectief, het verschijnt en verschuift.

Wij zien nu dingen in plato die ze in zijn tijd niet zagen (en die plato zelf ook niet zag.) Vanuit andere contexten zie je iets anders. Maar niet zomaar om het even wat. Het is een dialoog. Komt van twee kanten

4) andere opvatting over waarheid

traditioneel : "veritas est adaequatio rei et intellectus"

waarheid van feiten

waarheid als betekenis : "a-lètheia" (Heidegger)

waarheid is hoe de dingen verschijnen aan de mens

cf. Hermeneutiek

Hermeneutiek oorSPronkelijk voor juristen en bijbel. Door heidegger en Gadamer in nieuw jasje gestoken.

Heidegger: oorspronkelijke betekenis is niet te achterhalen, omdat we vanuit totaal andere achtergrond naar kijken.

H.-G. Gadamer : Wahrheit und Methode (1960)

Tgo Schleiermacher : terug naar oorspronkelijke betekenis

Hegel : niet oorspronkelijke maar uiteindelijke betekenis

Heidegger : ook geen uiteindelijke betekenis

Gadamer : oorspronkelijke betekenis is

1. niet mogelijk (nooit los van leefwereld)

2. niet wenselijk (betekenis voor ons)

- "Vorverständnis" is niet alleen begrenzing maar

ook mogelijkheidsvoorwaarde

voor het begrijpen



Derrida is hermeneutiek verder uitgewerkt via Heidegger. Hermenteutiek is teksten interpreteren, maar alles is tekst, hele cultuur is tekst. Verstehen is hermeneutiek. Dus filosofie gaat dna ook over cultuur, niet over natuur. Methode van filosofie is tegenwoordig hermeneutisch.
Wat is subjectiviteit? Aristoteles denkt de mens vanuit de natuur.
Descartes vertrekt vanuit de mens, mens staat buiten en boven de natuur. Daardoor verliest natuur alle menselijke eigenschappen (doelgerichtheid etc). Kleuren, schoonheid etc. zit volgens moderniteit in onze hoofden. Twee werelden, terwijl bij aristoteles 1 wereld (grieken kosmologisch)
Heidegger: Dasein ist in der Welt sein. Dasein staat midden in de natuur.

Griekse denken sluit aan bij mythen: mens is onderdeel van de natuur. Natuur is ook het principe van het handelen: slecht is tegen de natuur, instrument is tegennatuurlijk, maar ook de hele ethiek, natuur is de norm. Volgende koning=zoon van deze, mens beheerst dat niet, natuur beheerst dat.

Descartes verandert dat, mens boven en buiten natuur, maitre et posesseur de la nature. Mens moet de machine bouwen. Natuur=machine. Ook kant: natuur heeft maar waarde in de mate dat het nurttig is voor de mens. Natuur is buiten mij, niet mijn milieu, milieubewustzijn is pas mogelijk bij in der welt sein.

Heidegger is niet aristoteles, we behoren tot de natuur, maar de natuur is er maar voor de mens. Mens blijft bij heidegger subject, beginpunt. Mens is centraal. Dus duidelijk invloed van Descartes.

Bij aristoteles heeft alles nog een ziel, pas bij Keppler worden krachten dat wat dingen beweegt.
Heidegger: mens is niet de heer van het zijn maar de herder van het zijn. In eerste plaats lichamelijk. Dus cultuur betekent ook iets anders.
Moderniteit: natuur beheersen, vergeestelijken.

Heidegger: cultuur is niet natuur beheersen, maar cultiveren, vermenselijken. Landbouw is cultuur, veld aardappelen vind je niet in natuur.

Cultuur=inbreng van de mens. Een stoel is dus ook cultuur.

Whitehead: 3 redenen voor cultuur: to live, to live well, to live better.

To live, bijv. landbouw

To live well: bijv.

To live better: kunst, niet meer nuttigheid, met natuur omgaan door te spelen. Cultuur in enge betekenis, oorspronkelijk ook wetenschap, louter het plezier om te weten. (hegel: daar beleeft de geest zichzelf: nutteloos, dat is de kracht van kunst en wetenschap) nutteloos, om het leven te verfijnen, alleen de mens kan dat, dat begint al vroeg: in rituele dans etc. Dansen, gewoon omdat het leuk is.
Heidegger vertrekt vanuit relatie mens-wereld. Maar wereld is niet alleen natuur, maar ook de anderen. Wereld is alles wat object is. Anderen zijn dus ook object. Weinig ruimte voor de andere mens, andere is slechts onderdeel van de wereld, die ik via representaties binnenkrijg. Mens-mens relatie is lastig te denken in existentiele fenomenologie. Sartre is daar extreem in: l’enfer c’est l’autre.
Relatie met natuur

Relatie met andere mens

Relatie met gemeenschap

- Interpreteren is vragen stellen

van vragenden tot bevraagden


  • Belang van "Wirkungsgeschichte"

→ Eigenlijke betekenis is :

= tot leven gebrachte oorspronkel betekenis

= open betekenis

Besluit :

Waarheid : altijd historisch

altijd relationeel ( ≠ relatief!)

Maar nooit louter subjectief

("ieder zijn waarheid" = contradictie)

inherent ook altijd dynamiek naar ab-soluutheid

niet alleen voor mij

niet alleen nu


1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • § 2 Subjectiviteit: betrokkenheid-vanuit-de-afstand
  • 2. Van afstandelijkheid naar betrokkenheid
  • § 3 Moderne Tijd : mens als gesloten bewustzijn
  • Hume: Ik ervaar geen dingen, maar indrukken van dingen. Het enige wat ik weet is dat ik een indruk heb, en de indruk dat ik die van buiten krijg.
  • Wittgenstein: mens steunt niet op absolute zekerheid.
  • Kant probeert wetenschap te redden van Hume: kritik der reinen vernunft, gaat over wetenschap. Das ding an sich ist ein unbekanntes
  • Na de vraag wat zie ik, plak ik daar een begrip op. Alle kennen is zintuiglijkheid en verstand, het samengaan van de twee.
  • Objectiviteit is per definitie subjectief, anders bestaat er geen objectiviteit. (daar Popper: werkelijkheid begint pas te spreken als ik hypotheses heb)
  • Descartes en Kant hebben problemen gesteld waar we nog steeds mee bezig zijn. We kunnen er niet meer naast.
  • Popper is kant: wetenschap komt niet uit feiten, maar uit mijn verstand. Alles komt uit menselijk verstand. Popper trekt conclusie uit Kant.
  • Bij heidegger wordt subjectiviteit verschillend, bij Kant subjectiviteit universeel. Dat is verlichting, ik ben niet anders an redelijkheid, al het andere moet zich daaraan onderwerpen.
  • § 4 De mens als betrokkenheid (‘ek-sistentie’)

  • Dovnload 0.66 Mb.