Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?

Dovnload 0.66 Mb.

Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?



Pagina5/9
Datum25.10.2017
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Artikel 3 Mens in relatie met natuur en met andere(n)


§ 1 Mens en natuur

1.Een veelzijdige relatie


3 visies op de mens

3 visies op relatie mens – wereld

3 visies op ethiek

mensb rel mens-natuur ethiek

Oudheid :

natuurdenken mens deel vd nat natuur = norm



MT :

gesl bewstz buiten en boven mens = norm

natuur
natuur beheersen

vergeestelijken



HT :

ek-sistentie mens IN natuur vermenselijken

ook instincten

milieu natuur beheer

Oudheid en ME : zeer nauwe band :

- “Moeder Aarde”

- cf. Grieken : natuur is bepalend

- op vlak van het denken: (band natuur – wezen)

- op vlak van handelen: natuur is norm voor goed

en kwaad (cf natuur – kunst)

gaat uit van een gegeven (goddel) orde -> nederigheid

MT : - “Entzauberung” : goddel orde meer en meer weg

- mens wordt “maître et possesseur de la nature”

- aarde wordt ‘bol’ + machine

- objectieve tgo subjectieve natuur (“bifurcatie”)

- natuur heeft geen waarde in zich : te beheersen domein

Eerste reactie : romantiek : terug naar de natuur

“le bon sauvage” (J.J. Rousseau)

maar : natuur is wereld van conflict



Hedend. Tijd : mens ook natuurlijk -> natuur wordt ‘milieu’

natuur cultiveren : is niet beheersen (of


onderdrukken)

maar vermenselijken (verheffen)

mens is niet beheerser maar beheerder

- natuur in mij (moraal) : plaats van instincten,

sexualiteit, lichamelijkheid

- natuur buiten mij (milieu)

be-schaving is bij-schaving van de natuur via rede

op 3 niveau’s:

“to live, to live well, to live better” (Whitehead)

| | |


vitale materiële cultuur–in-enge-zin

in omvormen van de natuur, vormt de mens ook zz


2. De dialectiek van heer en knecht (Hegel)


Mens is begeerte méér dan de dingen

begeerte verder dan behoefte : zelf-bevestiging

geldingsdrang

= eindeloos

Botst op ander eindeloos begeren : conflict

= conflict op leven en dood (één moet inbinden)

zo figuren van ‘heer’ en ‘knecht’

Op eerste gezicht : heer is de winnaar

slaaf verliezer : dierlijke (angst)

ding


Maar uiteindelijk is heer de verliezer

is slaaf de winnaar :


door arbeid (= veruitwendiging)

nieuwe relatie – tot de dingen (worden echt ob-ject)

- tot zz (wordt echt sub-ject)



- tot anderen : erkenning

Hegel: mens begint in de natuur. Nog geen evolutietheorie. Mens begint als natuurlijk wezen, mens heeft honger, en daarin zit het eerste gevoel van ik. IK heb honger. Hegel probeert al mens en natuur samen te brengen.

Je moet de synthese hebben.

Mens begint als dierlijk wezen, in behoeften rijst het eerste zelfbewustzijn op. Maar als behoefte voldaan is, dan is het ik gevoel weg. Mens: ik-gevoel gaat niet weg na behoefte.

Als iemand kwaad is gaat hij kapotslaan: ik ben de baas over dingen.

Dan laat hij zien dat hij geen dier is, mens stopt niet met eten als hij genoeg heeft. Dat is een vorm van subjectiviteit. Die vorm is eindeloos. Het hebben is idem. Het is eindeloos, wil altijd meer, kapotslaan, meer eten, meer bezitten, eindeloos baas spelen over dingen.

Maar ik ben niet als enige eindeloos begeren. Elke ander ook. De andere mens verschijnt in de eerste plaats als begrenzing. Je kan alles kapotslaan, maar de ander zegt: “van mij blijf je af”. De ander is eerst degene die iets heeft wat ik wil hebben. Je kunt of strijd aangaan, of inbinden. Dat is heer en slaaf. Heer is diegene die gevecht aangaat. Gevecht is eindeloos: 1 van de twee moet inbinden. Het gevecht aangaan is hogere vorm van subjectiviteit. Wat de heer doet is op hoger niveau van subjectiviteit komen, da bindt de slaaf in, uit angst voor de dood, dat is wat een dier zou doen, hij wordt dier en ding, in de handen van de heer.

Hegel: Op het eerste gezicht is heer de winnaar en slaaf de verliezer. Andere mensen onderwerpen zich aan de heer, slaaf wordt object voor de heer. Maar uiteindelijk is het omgekeerd: eigenlijk is de heer de slaaf, van zijn slaaf. De heer is maar heer zolang de slaaf hem heer laat zijn, totdat de slaaf in opstand komt. Stoel kan niet in opstand komen, mens wel.

Ten tweede: slaaf gaat arbeiden en het is die arbeid die de slaaf op een hoger niveau brengt dan de heer (daar gaat marx op door) Arbeid brengt op hoger niveau, door arbeid komt slaaf tot nieuwe relatie tot de dingen, nieuwe relatie tot zichzelf, nieuwe relatie met de anderen.

Met de dingen: als ik dingen kapotsla maakt het niet uit of het een stoel of vaas is. Als ik wil arbeiden moet ik rekening houden met wat wat is, ik leer de dingen in hun objectiviteit kennen. Hout moet anders bewerkt dan metaal. Object is tegenwerping. Het is de diamant die dicteert wat ik moet doen. Als ik kapotsla bied het geen weerstand. Ik leer dingen in eigenheid kennen, en ik moet eigenheid gebruiken. Maar omdat ik het kan bewerken laat ik zien dat ik meester ben van het object: subject wordt meer subject, object wordt meer object. Arbeid totaal nieuwe relatie tot dingen, bewerken ipv kapotslaan en opeten. Daarvoor moet de onmiddelijkheid ingetoomd worden. Arbeid is geremde begeerte. Slaaf komt tot zelfbewustzijn, op de manier waarop de heer het nooit kan. Hij leert wat hij eigenlijk is, door de toets te doorstaan. Arbeid is veruitwendiging. Het is door mij te veruitwendigen dat ik leer wat ik concreet kan.

Heer denkt dat hij goed kan koken, is abstract, slaaf heeft dat veruitwendigd, hij kan ook goed koken. Zelfbewustzijn moet door veruitwendiging.

Subject moet zichzelf objectiveren in de werkelijkheid: kleren zijn de veruitwendiging van de kleermaker, objectificatie van de kleermaker, hij heeft zichzelf erin gelegd. Vandaar krijgt hij een beeld terug van zichzelf. Kleren zijn uitwendige gestalte van de kleermaker, dat is hij, en dat is hij niet.

Werkelijkheid is bepaald en dus beperkt, in je hoofd is het anders. Wereld van ik in onbewustzijn is onber=perkt. Vervreemding.

Schrijver valt niet samen met boek, maar ook wel. Veruitwendiging is niet het andere dan ik, maar het andere van ik. Dat ben ik in mijn objectiviteit, het is dat wat de ander ziet. Veruitwendiging is dus niet onschuldig. Oplossing is niet geen boek schrijven, maar een goed boek schrijven. Het beeld dat je terugkrijgt van jezelf door je veruitwendiging bepaalt je zelfbeeld. Daarom is veruitwendiging zo belangrijk. Kan alleen subject worden via objectiviteit. Nieuwe relatie met dingen, nieuwe relatie met zelf. Je krijgt een beoordeling van anderen, veruitwendiging is jezelf uit handen geven, en dan heb je niks meer te zeggen. Het zijn de anderen die bepalen hoe jouw veruitwendiging is, en dus hoe jij bent.

We willen een bevestiging: erkenning. We worden pas subject als we erkend worden door andere subjecten. We proberen ander te manipuleren zo dat hij een zo goed mogelijk beeld terugstuurt, want het beeld dat de ander terugstuurt is van levensbelang, dat creeërt zelfbewustzijn. Stoel geeft geen erkenning, natuur ook niet. Maar het moet via de natuur, via veruitwendiging, daarmee een beeld uitsturen: “zie wat ik ben” en dan hopen dat de ander het daar mee eens is en je erkenning krijgt. Erkenning is niet af te dwingen, dan heeft het geen waarde. Als de slaaf niet hoeft te buigen, maar toch buigt, dan is de heer pas echt.

Het gaat om: wat gaan de anderen denken.

Heer blijft steken op lager niveau van subjectiviteit, hij probeert zijn zelfbeeld op te leggen aan anderen, maar omdat het verplicht is werkt dat niet.

Wie wij zelf zijn, hangt af van andere zelven, die ons in ons zelfzijn bevestigen.

Arbeid is weg naar erkenning, alles bij de mens draait om erkenning. Lacan: we verlangen niet naar de ander, maar dat de ander naar ons verlangt. Mens is begeerte naar de begeerte van de ander.

Hegel: Erkenning van iedereen door iedereen is het recht.

Dialectiek heer en slaaf: relatie met natuur staat niet los van relatie met de ander.

Zo zie je de ander alleen in functie van het ik: ik heb de ander nodig
Levinas: dan ben je nog niet bij de ander. Heel westerse filosofie is egologisch=filosofie van het ik je pense of je peux, het is altijd JE, ik.

Concentratiekampen zijn logisch gevolg van westerse filosofie en filosofie van heidegger. Niet toevallig dat Heidegger nazi was. Dat is omdat de westeerse filosofie het anders zijn van de ander nooit een plaats heeft gegeven. Het draait altijd om het ik. Je moet in westerse filosofie hard zoeken om een tekst te zoeken over intersubjectiviteit. Gaat altijd over de mens en zijn wereld. Subject-subjectrelatie, daar weet het westen geen weg mee. Levinas: westerse filosofie is totaliteitsfilosofie, filosofie van het alomvattende: ik en mijn leefwerled, maar als je vetrekt van het ik, dan kom je niet tot bij de ander. Wat ik waarneem neem ik waar, andere wordt mijn ander. Zolang je de relatie vanuit de blik ziet, blijf je in de objectiviteit zitten. Ik denk niet de ander, maar mijn constructie van de ander. Ik kan de andersheid van de ander niet denken. Via denken en waarnemen kom ik bij het object uit.

Ander manifesteert zichzelf, is epifanie, niet ik ga naar de ander, maar het is de ander die naar mij komt. Daarom de taal. De ander spreekt tot mij. Dan bepaal ik het niet meer, de ander kan mijn interpretatie tegenspreken. De ander zegt: jij zult niet doden, de ander is inbreker, als hij niet inbreekt, dan is er geen plaats voor de andere, zolang ik naar de andere ga, kom ik bij mijn constructie van de ander, niet bij de ander.

Epifanie openbaring: de andere openbaart zichzelf, hij zegt hoe hij is. Als ik over ander spreek, dan spreek ik over mij.

Levinas: 3 niveau’s van ik-worden

  1. le moi juisance, Het genieten ik ga op in het ander, maar ik wil dat genieten veiligstellen. Dat is

  2. Le moi economique economie=je goederen zo efficient mogelijk beheren. Mens gaat zich vestigen en wordt het middelpunt van zijn wereld, totalitair. Geen plaats voor de ander. De ander speelt maar mee in mate waarin hij belang heeft, wereld van economie is wereld van de objectiviteit. Economie is niet met ethiek, want ander telt niet in zijn anders-zijn.

  3. ?Naaktheid van het gelaat: wanneer de ander zich toont in zijn naaktheid: wees, weduwe en vreemdeling. Wereld wordt opengetrokken, dan pas komt de ander. Ander komt op mij af als eis: gij zult mij erkennen. Grootste eis komt van kind dat ligt te sterven, pure gelaat is een eis, eis van menselijkheid, van gij zult niet doden. Ethiek heeft niets te maken met goede bedoelingen, maar begint met eis. Geen fysische eis, hoe zwakker, hoe sterker de eis. Eis is zodanig dat hij je niet meer loslaat.


Alterniteit begint van buiten.

Levinas: totalité et infinie, wereld van totaliteit is wereld van subject-object, geen plaats voor alterniteit, wereld van concentratiekampen. Hekel aan heidegger, westerse beheersingsdenken dat van het ik begint.

De ander trekt die wereld open en laat zien dat er iets anders is, oneindigheid.

Het is totaliteit en oneindigheid. Totaliteit is goed, als daar de ander bijkomt. Ethiek komt pas kijken als er andere mensen bij komen kijken.

Ik wordt niet ethisch uit mezelf, ik wordt maar ethisch vanuit appel van de ander. Ander brengt mij op hoger niveau, waar ik uit mezelf niet zou kunnen komen. Ander maakt me ethisch, maar ook:

Metafysisch, hij opent ons de andere werkelijkheid, verder dan mijn werkelijkheid.

Ander maakt mij religieus. Religie en ethiek hangen bij hem samen.

Levinas: mens is van nature atheistisch. Religie trekt open, dat moet van buiten komen. Het goddelijke manifesteert zich in het gelaat van de andere mens.

Religie=gerechtigheid, dat is joods, niet christelijk, geen godsdienst van liefde, maar van rechtvaardigheid. Probleem: liefde heeft neiging de rechtvaardigheid te ondergraven. Liefde gaat uit van het ik, rechtvaardigheid komt op mij af, dan spreekt de ander.

2 vormen van liefde, liefde voor de rechtvaardigheid: goede bedoelingen. Dat is de perversheid van het westen, je moet beginnen de rechten van de ander te respecteren.

Gevaar van christendom: liefde belangrijker dan rechtvaardigheid.
Maar, kritiek: ook een liefde na rechtvaardigheid. Eerst moeten rechten van ander gerespecteerd worden, dan pas echte liefde.
Rechtvaardigheid is universeel, maar je kunt niet vragen dat ik iedereen liefheb. Rechtvaardigheid kan je afdwingen, liefhebben niet. Liefhebben van allen is ideaal, geen eis. Liefde komt na de rechtvaardigheid. Is een stap verder. Christendom heeft de neiging rechtvaardigheid over te slaan. Rechtvaardigheid is af te dwingen.

Eerste manier om dat te doen is het recht.

Probleem: rechtvaardigheid gaat niet tussen 2 mensen, maar er komt altijd een derde bij kijken. Rechtvaardig ben je maar als je rechtvaardig bent tegenover iedereen.

Recht is eerste abstracte manier om te zorgen dat iedereen rechten heeft, dat is het minimum.

Nog geen rechtvaardigheid. Recht zorgt dat ieder erkenning krijgt waar hij als een mens recht op heeft. In de liefde gaat het om deze mens, in het recht juist niet (daarom blinddoek) Als een mens heb je rechten. Als rechtspersoon allemaal gelijk. Recht moet universeel zijn, moet abstract zijn.


Bij heer slaaf alles rond erkenning, maar levinas: het gaat erom wat ik geef, niet wat ik krijg. Echte Erkenning gaat om erkenning van allen door allen gemeenschap. Erkenning op gemeenschapsniveau is in eerste plaats recht.


§ 2 Op zoek naar erkenning

1. De vraag naar erkenning


“Le désir de l’homme, c’est le désir de l’autre”

verlangen naar verlangen : verlangd worden

mens is maar een ‘zelf’ door en voor de anderen

2. Van erkenning naar gerechtigheid : Emmanuel LEVINAS


Vraag naar erkenning : draait nog rond het 'ik'

Levinas : héél Westerse fil. is ego-logisch en totalitair :

"je pense" (Descartes)

"je peux" (exist. fen.)

cf. Sartre : andere is object ("le regard")

Levinas : niet vertrekken van ‘blik’ maar van het ‘woord’ :

niet : ik kijk naar de andere

wel : andere spreekt mij aan

Ethiek begint met erkenning van de andere door mij

a. "le moi de la jouissance" :

de mens is genieten 'in zijn element'

nog geen scheiding S / O

b. "Totalité"

"om genieten veilig te stellen : de dingen toe-eigenen

ik - het andere

S O


"le moi économique" huis-houdkunde totalitair
("oikos" - "nomos")

Ethiek begint wanneer de andere aanklopt aan de deur,

"in de naaktheid van zijn gelaat" (“le face-à-face”)

c. "L'infini"

"weduwe, wees en vreemdeling" (cf. Oude Testament)

Zij kloppen aan de deur en eisen erkenning

"gij zult niet doden"

Het gelaat is een "épiphanie". Andere is altijd "extérieur" :

niet ik ga naar de andere (dan “le même”)

andere komt naar mij (alter-iteit van “l'autre”)

-> Andere maakt mij tot - ethisch (geweten)

- metafysisch (dé wklh. >< mijn wklh)

- religieus (cf. Abraham)



3.Van gerechtigheid naar inter-subjectiviteit


Fil. van Levinas = fil. van de gerechtigheid
("la justice” - cf. O.T.)

Echte intersubjectiviteit

- veronderstelt 'la justice' : geen liefde zonder rechtvh

- gaat nog verder : gericht op de eigenheid van de ander

Liefde tgo rechtvaardigheid :


  1. rechtvh is universeel

geldt voor alle anderen (cf. Levinas : “le tiers”)

enkel als andere (gelijk)

liefde is particulier

gericht op deze andere


in zijn individualiteit (als verschillend)

  1. rechtvh = afdwingbaar (cf. het recht)

liefde niet (= ideaal).

Rechtvh verwijst naar de gemeenschap en naar het recht :

erkenning van allen door allen.

Recht moet alle situaties gelijkmaken. Daar is misschien wel wat onrecht, maar anders zou het alleen maar onrecht zijn.

Gemeenschap zijn alle harmonisch verbanden, maatschappij is abstracte, daarin speel ik een rol, worden er dingen verwacht. En we hebben allemaal verschillende rollen, meerdere rollen per persoon.

Verschillende rollen kunnen met elkaar in conflictkomen. Zelfs non-conformist speelt een rol. Begint de mens waar de rol stopt? Maar ik ben ook die rollenspeler, en ik ben ook mijn rol, ook al val ik er niet mee samen. Ik zit erachter, ik ben het en ik ben het niet, maar door ze af te zweren wordt ik niet echt oid.



§ 3 Mens en gemeenschap

1. “Gemeinschaft” en “Gesellschaft”


boek van Tönnies (1887)

gemeenschap en maatschappij : vooral laatste problematisch

de mens en zijn rol(len)

2. Dat onderscheid gaat terug op Hegel


- familie (min of meer natuur-lijke harmonie) cultuur, maar

Gesellschaft, familie is bedoeld om uiteen te vallen, kinderen moeten hun eigen weg gaan. Dan komt:

- Bürgerliche Gesellchaft (econ - conflict) bij hegel is kern van



economie nog de familie. Familievermogen, maar belangen kinderen zijn niet per se belangen van ouders, dus ipv spontane harmonie: spontaan conflict, daar zijn mensen concurrenten.

- staat (verzoening) synthese: recht beheerst economische



Conflicten, zodat iedereen mee kan doen. Dat is recht, maar de staat moet veel meer doen: ervoor zorgen dat er een bürgerliche gemeinschaft ontstaat. Mensen opvoeden zodat ze inzien dat het algemeen belang in het belang van het individu is.

Dus taak van onderwijs is niet alleen kennis doorgeven, maar ook goede burgers maken, bildungsideaal. Uni moet niet zijn fabriek waar kennis en specialisten geproduceerd worden, maar er moet ook bijgedragen worden tot vorming van burgers die voorbij het eigen belang naar het algemeen belang moeten kijken.

3. Marx


verzoening feitelijk niet meer mogelijk

ideële bovenbouw : denken cultuur

Reale Unterlage : materiële onderbouw (soc-econ)

kapitalisme contradictorisch :



privé – bezit van sociale productie-middelen

burgerij proletariaat

-> vervreemding

Vele vormen van vervreemding :

- gereduceerd tot arbeidskracht

- produceert méér waarde dan hij als loon krijgt

- geen zinvolle veruitwendiging meer

- product van arbeid ontnomen

- ideologische vervreemding

Ideologie = vervalst bewustzijn

dat contradicties toedekt

ten voordele van heersende klasse

ideologie - van proletariaat

- van burgerij

Nu breder ideologie-begrip

Oplossing? revolutie = afschaffing van privé-eigendom

 vervreemding weg

= klassen-loze maatschappij

zal volgen uit innerl logica van het kapitalisme



Er is geen verzoening meer mogelijk tussen klassen. Dus enige oplossing is om bürgerliche gesellschaft omver te gooien. Staat kan het niet meer aan.

Productie is sociaal geworden: arbeidsverdeling, markt, fabrieken. Maar de productiemiddelen zijn privé gebleven. Dus dat is contradictorisch, niet consumptiemiddelen, maar productiemiddelen, dat wat nodig is om te produceren.

Marx: mens is in eerste instantie een arbeidend wezen, identiteit van de mens hangt af van zijn arbeiden, het gaat om meer dan het beheersen van goederen, het gaat om eigen subjectiviteit.

Alles begint vij het sociaal-economische, mens is in eerste plaats economisch wezen. Onze maatschappij was nog grieks, voor hegel, arbeiden was voor de slaven, hoofdwerk was geen werk, dat was scholae, vrije tijd. Alleen wie tijd en geld had, kon zich wijden aan nutteloze dingen, studie, schoonheid etc. Dat was voor grieken theoretisch bezig zijn. Praxis is voor slaven, theorie is voor heersers. Pas bij hegel en marx wordt handenarbeid belangrijk.

Sociaal-economisch: het is de economie die de maatschappij beheerst. Sociaal-economische praxis bepaalt de theorie, denken is ideële bovenbouw, reële onderbouw is arbeid. Als er problemen zijn in onderbouw, dan problemen in het denken, dat is ideologie: problemen in het denken.

In de derde stand zit een radicale tegenstelling: burgers die wel, en burgers die niet de productiemiddelen bezitten: burgerij en proletariaat.

Het enige wat proletariaat inbrengt in het systeem, dat is hun lichaamskracht en hun kinderen. Die zal dus geen belasting betalen, en niets te zeggen hebben. Derde stand is radicaal conflictueuze stand.

Verschillende vormen van vervreemding: arbeider wordt herleid tot arbeidskracht, gaat er alleen om hoe hard hij kan werken. Die arbeidskracht wordt gekocht en verkocht. Bij veel arbeidskracht, dan prijs laag, andersom hoog. Arbeid wordt koopwaar. Arbeidsmarkt, vraag en aanbod. Alles bepaald door de markt. Als je werknemer bent, dan ga je produceren, dat betekent: je voegt ergens iets aan toe, zodat het op de markt meer opbrengt. Produceren betekent marktwaarde toevoegen (niet gebruikswaarde), meerwaarde. Meerwaarde gaat niet naar arbeider, maar naar de fabriek. Een deel van de meerwaarde krijg je als loon, de rest is winst. Dus loon zo laag als mogelijk, dan winst zo hoog mogelijk. Zo laag mogelijk, maar niet te laag, loon is juist genoeg om te overleven en niet meer dan dat.

Veruitwendiging is in kapitalisme totaal anders dan vroeger, hij doet alleen maar een klein iets, lopende band. Ook erkenning is geblokkeerd, want lof gaat nar fabriek, daarom krijgt arbeider alleen erkenning in vorm van laag loon. problemen in bovenlaag.

Alle bovenbouw is uitdrukking van sociaal-economische werkelijkheid. Bourgeois denkt anders dan een proletariër, niet uit kwade wil, maar is bepaald door iets anders dan denken. We denken allemaal ideologisch, maar verschillend. Ideologie van burgerij is bijvoorbeeld Hegel, alleen maar interpreteren: taak filosofie is wereld begrijpen, dus feitelijkheid rechtvaardigen. Marx: je moet juist veranderen.

Andere burgerlijke ideologie: vrije-marktdenken. Rechtvaardiging.

Ideologie van het proletariaat is de godsdienst. Opium van het volk (niet voor het volk) daar maakt de burgerij goed gebruik van. Proletariër heeft geen greep op systeem, omdat geen greep op economie dan maar een imaginaire oplossing. “je moet hier je hemel verdienen” Godsdienst rechtvaardigt toestand door imaginaire wereld te creëeren. Dus is het opium, opium die het volk zelf maakt. Daar ligt de oplossing, bij het proletariaat, wanneer je de bloemen wegpakt van de ketens, dan ziet men de ketens. Proletariër is degene die niet-ideologisch kan denken. Proletariaat is enige groep die werkelijkheid kan zien, die oplossing en probleem ziet. Probleem is privé-bezit van productiemiddelen: gemeenschap moet eigenaar zijn van productiemiddelen. Dan is de vervreemding weg. Dan is ook de klassentegenstelling weg. En als economische tegenstelling wegvalt, dan vallen andere tegenstellingen ook weg. Dus in eerste plaats kritiek op godsdienst. Revolutie moet de productiemiddelen communaliseren.

Het is de logica van de gs, dat gaat zoiezo gebeuren, kapitalisme gaat aan eigen contradicties ten onder. Burgerij gaat steeds kleiner worden, proletariaat groter. Dan zal de revolutie vanzelf komen. Spanning wordt steeds groter.

100 jaar later: neo-marxisten: helemaal anders uitgedraaid. Hoe komt dat? Habermas, het is omgekeerd gekomen. Marx: revolutie zal uitbreken waar industrie het grootst is. Revolutie is wel gekomen waar er nog geen proletariaat was. Boerenlanden. Hoe komt dat? Waarom in west-europa de kans op revolutie steeds kleiner? Mei ’68: wie wil er revolutie: niet de proletariërs, maar de rijkeluiszoontjes. Die vragen de arbeiders om mee te doen.

Herbert Marcuse:

Marx heeft systeem onderschat en arbeiders overschat. Systeem is erin geslaagd de nood aan revolutie weg te nemen. Arbeiders hadden het nog nooit zo goed gehad als in ’68. Arbeider hoeft minder te werken, en heeft meer. Systeem is niet vriendelijker geworden, maar heeft geleerd dat het slimmer is de arbeider meer te betalen, en ervoor te zorgen dat hij uw producten koopt. Je moet zorgen dat zij geld spenderen aan wat jij aanbeidt.

Het systeem manipuleert niet alleen de goederen, ook de arbeiders. Systeem bepaalt wat behoeften zijn. Daarvoor dient reclame. We worden gemanipuleerd in onze verlangens: van welzijn naar welvaart. Als je welvaar hebt dan zou alles goed zijn. Dus ze creëren 2 dingen, een afzetmarkt en het ondermijnen van revolutie. Arbeider wordt opgenomen in het systeem. Niet meer duidelijk wie goede en slechte waren. Directeuren lijken ook werknemers. Baas zijn aandeelhouders, aandeelhouders zijn banken, banken zijn jij en ik. Door revolutie te maken snij je je in je vel. Niet meer eigendom van familie, maar N.V. systeem is erin geslaagd onderscheiden weg te werken. Cirkel heeft niets meer te maken met welzijn, alleen productie.

repressieve tolerantie” vrijheid op vlak van seksualiteit, lijkt alsof je vrij bent, maar het is een uitlaatklep. Het zorgt voor repressie die niemand meer voelt.

Oplossing is daardoor veel verder weg dan ooit. Enige oplossing is uit het systeem stappen. Grote weigering. Systeem wordt zo groot dat likt alsof je er toch niet tegen opkunt. Jaren 80…

Wat nog mogelijk is is hopen op mentaliteitsverandering, utopisch socialisme.

Daarna structualistische, antihumanistische opvatting. Geschiedenis boven de mens, is gs iets waarin we wat te zeggen hebben, of kunnen we er niets aan doen.

4. De maatschappij-kritiek van Herbert Marcuse


revolutie niet gekomen

zelfs nood aan revolutie weg (mei ’68)

Waarom?

- verarming is er niet gekomen : “Das Ende der Utopie”



- bewustzijn van vervreemding weg

vraag naar welvaart ipv welzijn

manipulatiekapitalisme : manipuleert dingen + mensen :

behoeften + voldoening

Huidige maatschappij is :


  1. technologisch en technocratisch :

beheerst door productieproces (ipv behoeften)

= anoniem

in dienst van zz


  1. oppressief en egaliserend

zelfde verlangens

zelfde voldoening

"repressieve tolerantie"


  1. één-dimensionaal (“The One-dimensional Man”)

méér van hetzelfde

Oplossing? - grote weigering

- mentaliteitsverandering (utopisch socialisme)

Besluit hoofdstuk 2

1. Originaliteit en gegevenheid


mens-zijn = mens-worden

aan het en aan de andere

concrete = concrescere

vele vormen van gegevenheid -> eindige vrijheid



vrijheid = mogelijkheid om zich te laten aanspreken

mogelijkheid om zinvol te handelen

zin is niet louter objectief

niet louter subjectief :

“en me choississant, je choissis l’homme”

2 Vervreemding en identiteit


vele niveau’s van vervulling

evenveel niveau’s van mogelijke vervreemding

Bij Marx : vervreemding dubbele reductie

mens is verlangen = eindeloos

mens is wezen van ‘tekort’

 wat heeft het laatste woord : zin of onzin?

 Hoe de werkelijkheid uiteindelijk denken?

We hebben allemaal een verschillende relatie met de wereld en de anderen, we bouwen onszelf op uit de relaties.

Vrijheid betekent rekening houden met de realiteit.

Vervreemding zit in de menselijkheid, mens is ziek dier (nietzsche). Mens valt met niets samen, ook al valt de ander samen met uitwendigheid, de ander is het vraagteken. Elke vervulling is een vraagteken. Mens-zijn heeft te maken met zoeken naar zin.

Het gaat bij werkelijkheid om wie zijn wij, wie is de mens. Vraag die mythe, religie en filosofie stellen, maar filosofie probeert met het verstand, met de rede die vraag te beantwoorden.

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • 2. De dialectiek van heer en knecht (Hegel)
  • § 2 Op zoek naar erkenning
  • 3.Van gerechtigheid naar inter-subjectiviteit
  • § 3 Mens en gemeenschap
  • 4. De maatschappij-kritiek van Herbert Marcuse
  • 1. Originaliteit en gegevenheid
  • 2 Vervreemding en identiteit

  • Dovnload 0.66 Mb.