Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?

Dovnload 0.66 Mb.

Hoofdstuk I filosofie en de ontwikkeling van de Westerse rationaliteit Artikel I wat is dat, filosofie?



Pagina7/9
Datum25.10.2017
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Artikel 2 Materie …. en meer


Descartes : in de wereld : res cogitans en res extensa

| | cogito natuur

 metafysische driehoek

God

Ik wereld



| |

subject natuur

bewz uitgebreidh

Hoe samendenken?

- in God : Spinoza

- vanuit materie : materialisme

- vanuit geest : idealisme

zijn alle drie ‘monistisch’

 wat is dan de plaats van andere polen?

Bij descartes drie substanties, geest, materie, God.

Par. 1 Spinoza


kritiek op Descartes : slechts één Substantie

= Causa Sui

oneindige Substantie heeft oneindig aantal attributen

wij kennen er slechts 2 van

"Deus sive Natura"

Substantie



attributen

uitgebreidh denken

| |

modi modi



zijnden zijn modi (zijns-wijzen) van de substantie :

in het attribuut denken

in het attribuut uitgebreidheid

parallellisme tussen beide : ordo rerum = ordo idearum

Alles volgt "uit de noodzaak van de goddelijke natuur"

Vrijheid? = handelen volgens zijn natuur

alleen God is vrij

de mens als hij kijkt "sub specie aeternitatis"

ziet dan de redelijke noodzaak van alles

 beheersing van de affecten

rationaliteit laten overheersen

metaf = basis voor ethiek :



Ethica. More geometrico demonstrata (1677)

pantheïsme? theïsme pan-en-theïsme



God en natuur is dezelfde werkelijkheid, maar dan van 2 kanten bekeken.

Bijvoorbeeld een boek is zowel papier en inkt als ideeën, dus is hetzelfde ding, maar van twee kanten bekeken.

Pas nadat materie en geest uit elkaar zijn gehaald, onstaat het probleem van geest-materie. Dus pas na descartes. Geest die los staat van realiteit is een modern idee. Geest heeft niks met materie, materie niks met geest.

Voor descartes is een dier niet anders dan een machine, dan een steen, natuur heeft niks met geest te maken. De vraag: wat is dan het laatste, materie of geest.

Materialist: vanuit materie kun je alles denken.

Idealist: vanuit geest kun je alles denken.

§ 2 Het materialisme


materialisme : uiteindelijk is alles te herleiden tot materie

eigenlijk pas na Descartes



Grieken :

Niets is volledig immaterieel

'ziel' - als ‘eidolon’ (schim)

- als 'levensadem', als 'pneuma'

cf. ook oud-Joodse denken (nèfesj – ruach)

Stoa: logos = soort 'fijnere' materie die alles doordringt

 2 soorten 'materie':

- een ongekwalificeerde stof, passief substraat

- een soort subtielere stof, actief principe

als principe van rationaliteit

als principe van dynamiek, veelheid,

ook als principe van schoonheid, "pronoia"

 tegelijk: alles is materie

alles is logos (pan-logisme)

Geen enkel materialisme kan buiten een principe van
redelijkheid, dynamiek, veelheid, vernieuwing

2. Vanaf MT : radicaal onderscheid geest en materie

materialisme : geest uiteindelijk te herleiden tot materie

Vele vormen :

- naïef mechanistisch materialisme (cf. de Lamettrie)

- 18e eeuw : meer verfijnde vormen :

Bayle, Diderot …



  • dialectisch materialisme van het marxisme: dialectiek

- als pr. van dynamiek

- als pr. van redelijkheid

(verschil historisch en dialectisch materialisme)

- materie-in-evolutie

emergentie-denken

maar probleem blijft : is alles uiteindelijk materie?

- (bewustzijn, idee ..)

- wat met opgaande lijn

- rationaliteit van de werklh (en van de evolutie)

Besluit

- Geen denken zonder materie = evident (voor ons)

Maar dat is niet zelfde als : denken = materie

- lagen in de werkelijkheid : begrip "emergentie" :

hogere veronderstelt lagere, maar eigen kenmerken

geheel veronderstelt delen, " " "

- wts = uiteenhalen, tot antecedenten herleiden

hogere begrijpen vanuit lagere

filosofie (metaf)

-> Dilemma :

- ofwel materie in de gewone betekenis: onvoldoende

- ofwel materie zo rijk gedacht dat woord 'materialisme'


niet meer adequaat is

Pas na descartes, bij de grieken is eigenlijk alles materieel, zelfs ziel, adem die je uitblaast die na het leven als schim doorleeft. Niet puur immaterieel. Ook bij de joden niet, God die leven in de klei blaast, laatste adem. Bij grieken 2 zielen, bloedziel, als levensprincipe, die verdwijnt bij Descartes, hij houdt de tweede over. Bij de grieken kun je geesten tegenkomen, dus die zijn ook deels materieel.

Bij de stoicijnen heb je ook geen scheiding, er is materie en logos, vonk die in iedereen zit, het goddelijke, fijnere materie die overal inzit. Logos manifesteert zich in rationaliteit. Beweging, bewustzijn. Logos zit ook in dieren, ook in dingen, zijn allemaal doordrongen van goddelijk vuur. Einde der tijden: wereldbrand waarin alles gezuiverd wordt en opnieuw begint. Dus alles is materie, maar ook, alles is geest.

Alles gebeurt op een redelijke manier, dus je moet leren de rationaliteit te zien, zien dat alles moet gebeuren zoals het gebeurt, dus emoties zijn slecht. Alles is doortrokken door redelijkheid.

Geest en materie liggen in elkaars verlengde.

Bij descartes wordt materie dode stof, massa, pure materialiteit.

Bij descartes is het probleem, interactie.

Materialisme is niet: alles steunt op materie, dan zou iedereen materialist zijn, materialisme zegt: het is uiteindelijk niets anders dan materie. Geest en idee zijn te herleiden tot materie.

Mens is uiteindelijk niet anders dan atomen en moleculen, alles is daartoe te herleiden. Denken steunt op hersenprocessen, daar is iedereen mee akkoord, maar materialisme zegt dat materie het enige woord is dat nodig is om alles te denken.

Maar wat is materie dan? Zoals descartes kom je er niet, uit massa in beweging krijg je alleen massa in beweging, nooit een idee, wel hersenprocessen, maar is een idee te herleiden tot hersenprocessen?

Materialisme is belofte, we gaan dat ooit laten zien.

Baile: Als uit materie denken voortkomt, dan moet het er al in het begin ingezeten hebben. Marxisme: materie is niet massa, maar processen, dynamiek in materialiteit die te begrijpen is. Hoe kan je materie zo denken dat er dynamiek en rationaliteit in zit.

Verschil tussen historisch materialisme (marx) en dialectisch materialisme (lenin)

Marx wil de geschiedenis denken, dat wat de geschiedenis drijft is de materie. Geschiedenis is niet ontwikkelen van ideeën, maar van productieprocessen.

Diamat: er is niets anders dan materie, maar materie bestaat uit processen en processen zijn dialectisch. Dynamisch en redelijk.

Principe van dynamiek, natuur die experimenteert, monsters, dat leidt tot evolutie, materialisme dus rijker dan bij descartes, dynamiek in natuur, in materie.

Wij vertrekken niet meer vanuit natuur van Descartes, maar van een natuur die dynamisch is.

Hoe kan het dat er uit hersenen op een bepaald moment gedachten komen? Gedachte heeft zin, hersenproces niet. Ook al heb je geen ideeën zonder hersenprocessen. Hoe kan uit evolutie het mentale ontstaan?

Emergentie, denken in niveaus, het hogere komt uit het lagere voort, maar valt niet tot het lagere helemaal te herleiden. Wereld van het mentale heeft heel andere wetten dan wereld van het materiele. Je beschrijft dat niet zoals de materie. Het steunt op materie, maar is het wel hetzelfde? Hoe kun je het mentale begrijpen in termen van de materie.

Mensen zijn niet geïnteresseerd in hersenprocessen, maar in ideeën, iets totaal anders, maar het bestaat er wel uit. Dat snappen we niet. Mentale vereist materiele, maar dat betekent niet dat het hetzelfde is. Twee totaal andere wereld, waar je anders spreekt, andere begrippen gebruikt, is dat ook uit te leggen met het woordje materie?

Materialisme: het steunt er niet alleen op, het is zelfs het zelfde.

Kracht van de wetenschap is het hogere tot het lagere te herleiden.

We zijn materie steeds ruimer gaan denken, anders kan je er alles niet toe herleiden, maar als je het zo ruim denkt, is het dan nog wel materie? Metaforen, omdat we niet snappen hoe het in elkaar steekt. Een computer heeft nooit een idee, zal nooit iets als zinvol ervaren.

Par. 3 Het idealisme : G.W.F. Hegel


a. “was wirklich ist, ist vernünftig und
was vernünftig ist, ist wirklich”

-> identiteit van werkelijkheid en redelijkheid

alles is Geest

van Substantie (Spinoza) naar Subject

b. nadruk op de geschiedenis

Wd - is redelijk

- wordt geleidelijk meer redelijk

- leert haar eigen redelijkheid kennen

Cf mens - is bewust

- wordt meer bewust

- komt tot zelf-bewustzijn

Phänomenologie des Geistes (1807).

c. Die ontwikkeling is dialectisch

dialectiek : onderscheiden

maar uiteindel. samendenken (Aufhebung)

"Das Wahre ist das Ganze

beeld van driehoek of cirkel

d. Overzicht van het systeem van Hegel

- Logik : studie van de Geest op zich ('an sich')

- Natuurfil : studie van de Geest in zijn veruitw (mat)

- Fil vd Geest : Geest in zijn zelfbew. worden

(tot begrip komen van zz)

omvat: subj. Geest

obj. Geest

absolute Geest

Hoogtepunt is de filosofie :

brengt alles tot begrip

brengt zo de Geest thuis

e. Besluit



  • tegen elk dualisme

  • alles één in de rede?
    Wat met het andere-dan-de-rede?

  • absoluut standpunt mogelijk?

  • wat met de mens?

met geschiedenis? existentiefilosofie

  • -Verlichting : vrijheid door redelijkheid

kritiek v Marx : ‘H gaat goed, maar op zijn kop’
werkelijkheid zo denken dat je hem begrijpt.

Hegel: ding an sich is ook constructie van het denken, contradictio in terminis. Spreken waarover je niet kan spreken.

Werkelijkheid is dat wat via geest tot ons komt, alles is geest. Werkelijkheid en redelijkheid zijn hetzelfde.
Redelijkheid, geen werkelijkheid te denken zonder rede.

Verlichting, licht door redelijkheid. Daarna romantiek, rede en gevoel beklemtoond. Ook het historische bewustzijn wordt daardoor aangewakkerd. “vroeger was beter” oftewel, de tijden veranderen. Gs is essentieel onderdeel van het zijn.

Hegel is evolutie van de geest, soort voorloper van Darwin. Historisch bewustzijn, dat nodig was voor Darwin. Hegel: Zijn is wezenlijk veranderend. Rede historisch maken. Verlichting=rede romantiek=historisch. Er is niets wat niet veranderd, alles verandert. Mens is redelijk, maar wordt steeds redelijker en is volledig redelijk als hij zijn eigen redelijkheid begrijpt.

Economiefaculteit is het zichzelf begrijpen van de economie, rechtswetenschap het zichzelf begrijpen van het recht, filosofie van de werkelijkheid.
Dialectiek= dialoog, heen en weer gaand gesprek.

Hegel gebruikte these-antithese synthese niet, maar:

Affirmatie, negatie, aufhebung.

Begrijpen begint bij onderscheid maken. Inzicht begint bij differentias, wat iets niet is, wat het verschil is. De grenzen van de taal zijn de grenzen van de wereld.

Metafysisch wetne is voor hegel de plaats weten in de ontwikkeling van de geest.

Aufhebung is de negatie van de negatie, de negatie moet genegeerd worden.

Denken is in tweede instantie zien dat alles samenhangt, dat je het ene niet kunt begrijpen zonder het ander. Tegenstelling wordt bewaard. Ze blijft, maar komt tot waarheid. Waarheid van de mens is dat de mens pas zichzelf wordt in de natuur.
Metafysica moet laten zien hoe uiteindelijk alles samenhangt.

Romantiek gaat alles samen zien, dat is wat dialectiek moet doen. Alles is redelijk, redelijkheid is historisch en ontwikkelt zich dialectisch. Phänomenologie de geistes. Leer van het verschijnen van de geest. Niks is opzichzelf kenbaar, pas als je alles begrepen hebt heb je iets begrepen.

Filosofie heeft abstracte theorieën nodig om de feiten te begrijpen, om haar tijd te begrijpen. Filosofie is de tijd in gedachten.

Foucault: alle filosofie na hegel is poging om op hegel te reageren.

Enzyklopädie der filosofischen wissenschaft.



  1. Logik is de studie van hoe denkt de geest. De geest in zijn geestzijn, los van iedere verwijzing naar de werkelijkheid (logica is slechts onderdeel van Logik, logik zoekt ook naar: met welke begrippen werken wij, hoe steekt de geest in elkaar, hoe werkt ons verstand.)

  2. Natuur filosofie vn de natuur. Natuur is negatie van de zuivere geest. Natuur is niet zomaar negatie, maar steekt ook geestelijk in elkaar. Alle begrippen in de natuur zitten ook in onze geest. Natuur is materiele realisatie van de geest. Natuur is veruitwendiging van de geest. Natuur is begrijpbaar, dus de tegenstelling is niet het laatste woord. Wij kunnen de dingen begrijpen, met onze begrippen. Natuur is slapende geestwetenschap brengt die tot bewustzijn, de rationaliteit in de werkelijkheid.

  3. Filosofie van de geest. Moment van zeflbewustzijn. Eerste wezens die kunnen denken: de mens.

    1. Subjectieve geest, de geest van het subject. Studie van subject, voorzover subject redelijk is en vanzichzelf bewust wordt. (heer en slaaf is laatste stuk van subjectieve geest, mens wordt erkend in zichzelf, hoogtepunt)

    2. Objectieve geest: geest zoals die objectief gestalte krijgt vanuit zelfbewuste wezens.

      1. Wetten maken gericht op erkenning, op abstracte manier, erkenning van allen op allen. Abstractie. Recht beknot vrijheid om vrijheid voor iedereen mogelijk te maken. Is objectief, je komt het tegen.

      2. Moraal, kijkt naar concrete mensen. Dus altijd een spanning tussen recht en moraal. Moraal kijkt naar het individu, dus zijn alle grote morele figuren in conflict gekomen met het recht (jezus, socrates) moraal gaat verder dan recht. Het recht komt er pas achteraan.

      3. Wordt aufgehoben in de sittlichkeit, de zedelijkheid. (is niet moraal, maar zeden, ethos), bestaan uit 3:

        1. Familie (individu en geheel gaan onmiddellijk samen, familie is gericht op belang van individu, individu op belang familie, is spontane harmonie)

        2. Burgerliche gesellschaft is spontane conflict, negatie van familie.

        3. Staat, harmonie met tegenstelling, tegenstelling gaat vooraf aan harmonie, maar zorgt dat tegenstellingen niet het laatste woord hebben, maar ze laten aufheben. (marx: staat kan niet het laatste zijn, staat moet afgeschaft, klasseloze maatschappij)

    3. Absolute geest. Geest waarin allemaal tot zelfbewustzijn komt

      1. Kunst kunstenaar begrijpt de werkelijkheid, kunst brengt alles tot zelfbegrip, maar op het vlak van de anschauung, dus altijd uitwendig.

      2. Religie, godsdienst werkt ook met beelden en symbolen, maar op vlak van vorstellung. Zegt iets over mens, door het verhaal, niet door begrip.

      3. Filosofie de filosofie begrijpt, brengt geest tot begrip, natuur, mens, recht, familie, kunst etc. filosofie ziet samenhang tussen recht en moraal. Filosofie denkt na over vooronderstelling van de wetenschap. Dus filosofie moet allesexpliciteren, alles begrijpen, zelfs haar eigen begrijpen. Zichzelf tot zelfbewustzijn brengen. Als je dat hebt begrepen, dan heb je alles begrepen. Filosofie moet zelfbewust begrijpen zijn. Nadenken over … is filosofie, … doen is … als je de filosofie hebt, dan heb je alles.


Absolute weten betekent de pretentie te hebben uiteindelijk alles te begrijpen. Is filosofie niet gewoon die pretentie?

Filosofie is het geloof erachter te kunnen komen wat iets eigenlijk is, het absolute weten.

Foucault: die pretentie van Hegel is het wezen van de filosofie.

Je moet geloven dat er een uiteindelijk begrijpen is, maar dat is een enorme claim: groei van redelijkheid.

Metafysica:

Aristoteles: beweging als probleem

Middeleeuwen: het zijn als probleem

Zijn en zijnden

God en wereld

Zijnden bestaan naast het zijnde.

Descartes: drie substanties, maar welke is de uiteindelijke

God: Spinoza

Materie: materialisme

Denken: Hegel
Logik: verstand snappen, want verstand bepaalt hoe wij de werkelijkheid zien. Waar we geen begrippen voor hebben, dat bestaat niet. Dus alles wat we zeggen of denken gaat via begrippen.
Hegel radicaliseert Griekse ideaal: kosmos is logos.

Geest=subjectiviteit=bewustzijn en rede is daar een onderdeel van.
Foucault: filosofie na Hegel is poging om onder Hegel uit te komen, maar je moet bedenken wat je daar voor over hebt.
Moderniteit: autonomie, je pense, ik denk, niet iets anders denkt voor mij, autonomie door redelijkheid.
Hegel’s filosofie is filosofie van de eenheid, Levinas: totaliteit.

Eenheid door rede. Alle werkelijkheid is datgene wat de rede denkt.

Hegel claimt te weten hoe de werkelijkheid uiteindelijk inmekaar steekt. Want filosofie zit op het standpunt van DE redelijkheid, overal boven.

Existentiele fenomenologie: absolute standpunt bestaat niet, net zoals standpuntloos standpunt. (we kunnen niet uit onze lebenswelt springen)

§ 4 Redelijkheid en machtswil: de radicale kritiek van Nietzsche


“de filosoof met de hamer”

“maître du soupçon” genealogie

“alles is machtswil”

De drie gedaanten van de geest :



  1. De kameel : eerbied voor het overgeleverde

vooral de Griekse cultuur

Toch daarin reeds een gespletenheid

het apollinische

het dionysische



  1. de leeuw: de afwijzing

1) afwijzing van de redelijkheid en het waarheidsideaal

Socrates : redelijke dialoog

“kennis is deugd”

Platonisme

- fil van de ‘ideeën’ (Egypticisme- begripsmummies)

- ideeën zijn de ‘echte’ wereld

= tegen zintuiglijkh (“Hinterweltlerei”)

tegen wording (“Sprachmetaphysik”)

waarheid = machtswil van de zwakke

2) afwijzing van de traditionele moraal

Jenseits vom Gut und Böse

Heren- en slavenmoraal

3) afwijzing van de Joods-christelijke religie

God is dood

(zowel God als dood van God is
product van wil tot waarheid)

= “Jenseitigkeit” weg (‘andere’ wereld)

= wegvallen van vaste fundamenten

in de metafysica

in de moraal

 ‘nihilisme’ (nihil) - eerst negatief - dan positief



  1. het kind : de “Umwertung aller Werte”

schepping : het genie, de kunst

spel : “Ewige Wiederkehr des Gleichens”



De wereld als machtswil

Hegel:

Geest en werkelijkheid zijn omkeerbaar. Alles is redelijk: zelfs het onredelijke is redelijk. Niets wat aan de rede ontsnapt, zelfs het ding an sich is een begrip, dus ligt binnen het redelijke. Als je zegt buiten de geest is er materie, dan zeg je, buiten de geest is er iets wat anders is dan de geest, maar de enige toegang tot dat ding, is geestelijk. Via het begrip, niets wat volkomen buiten het begrip ligt. Met begrippen duid je het aan. Alles is geest betekent dat.

Het principe van alle werkelijkheid is redelijkheid. Hegel is de eerste die geschiedenis introduceert. Hegel: werkelijkheid is geest, werkelijkheid is een subject. Klein kind is redelijk, wordt steeds redelijker, en begrijpt uiteindelijk zijn redelijkheid, volwassenheid, zelfbewustzijn, idem voor werkelijkheid, en voor alles. Overal zit logica in. Maar het groeit, steeds betere logica.

Voorbeeld: het recht. Begint in jungle, dan is er het recht van de sterkste (zit logica in, sterkste wint) maar er zijn betere systemen: als jij van mijn spullen afblijft, dan blijf ik van de jouwe af. Zit betere logica achter, het ontwikkeld. Dan begint recht. Vrijheid begint pas als je een elementair contract hebt, en er een sanctie aan verbind. Je krijgt een hoger niveau van recht, van redelijkheid, van vrijheid. Groei van het recht is groei van redelijkheid, dus redelijker, dus meer vrijheid. Recht wordt steeds redelijker, was altijd al redelijk, maar wordt beter redelijk. Recht is redelijk zodra het eigen redelijkheid begrijpt. Alles is pas geest, wanneer de geest zichzelf in zijn geest-zijn begrijpt. Taak van de filosofie is het tot bewustzijn brengen van de redelijkheid in alles.

Rationaliteit=vrijheid=subject

Nietzsche:

omkering van Hegel” waarom toch die redelijkheid? Typisch hedendaagse vraag: “Wat zit daarachter?”

Marx: Hegel laat zien waar rede zit, maar je moet zien waar het redelijke nog niet ziet.

Nietzsche: geloof in redelijkheid kapotslaan (filosoof van de hamer), maar je kan de rede niet afbreken met de rede. Daarom zijn Nietzsches teksten geen systematische redelijke teksten, enige wat hij kan doen is kapotkloppen (met de hamer), maar met inzicht: overal zit machtswil achter, alles is machtswil.

Maar het gaat niet om macht zoals wij dat verstaan. Boom is ook machtswil.

Ook het geloof in de rede is machtswil.

Actieve en reactieve machtswil, machtswil die de werkelijkheid bevestigt en machtswil die de werkelijkheid ontkent.

Geloof in de rede ontkent de werkelijkheid, is van de slaaf.

Nietzsche gebruikt geen begrippen, maar beelden, kameel, leeuw etc. Filosofie is beelden, beelden die niet meer weten dat ze beelden zijn.

Kameel is het lastdier, dat alles op zijn rug legt en alles aanneemt wat op hem neergelegd wordt. Die alles aanvaardt (is ook metafoor voor Nietzsches leven)

In de griekse cultuur zit een spanning: dionysische en apollinische. Apollo: orde, maat, maar ook schone schijn

Dionysus: geweld, noodlot, natuur, extase

In griekse cultuur worden die twee mooi samen gehouden. (tragedies)

Maar na de eeuw van de tragedies komt de eeuw van de filosofen, rede maakt dionysische kapot. Maakt het leven kapot.

De leeuw is wat kapotslaat, afwijzing van redelijkheid en waarheid.

Komt al van socrates, gaat om begrippen ipv om leven.

Begrippen zijn juist niet het echte. Begrip reduceert de werkelijkheid, herleid veelheid tot eenheid: mummies, ziet er mooi uit, maar zit geen leven in.

Door egypticisme tegen zintuiglijkheid tegen wording. Dus valt nietzsche het geloof in begrippelijkheid aan, en ook geloof in de waarheid. Het is de tegenstelling tussen waar en vals die overwonnen moet worden. Dat is een tegenstelling van de logos. Werkelijkheid is niet goed of vals, werkelijkheid gebeurt. Zwakke mensen zijn daar bang voor, willen vastheid.

En het erge is dat de zwakke daarmee macht krijgt over de sterke, legt zijn ideeën op aan de übermensch.

De leeuw verscheurt alles, geloof in de rede, geloof in het begrip, platonisme. Hinterweltlerei.

Filosofie van aristoteles en plato werkt zoals onze taal werkt. Is spraakmetafysica, gaat over het zijn.

Ook afwijzing van de klassieke moraal, Goed en Kwaad, ook dat is een uitvinding, zeker erg als het een moraal wordt van de onderwerping, dat is een moraal die het leven kapotmaakt, want het leven is wil om macht. Goed en kwaad zijn constructies. Tegenstelling moet overwonnen worden.

Ook afwijzing joods-christelijke godsdienst (dus 3 essentiele componenten bij Nietzsche)

God is dood heeft niets te maken met religie of slechts deels met religie. God is dood: waarheid heeft geen absoluut fundament, moraal heeft geen absoluut fundament, niets heeft fundament. Dat wil dood van God zeggen.

Nihilisme: dat steunt op niks, westerse filosofie en cultuur storten in elkaar. Logos is uitvinding van het westen en is een gevaarlijke uitvinding. Daarna positief nihilisme: zien dat alles schepping is, alles is spel. Het kind doorziet dat. Niets heeft een doel, er is alleen maar het gebeuren, kind dat speelt om te spelen, bouwt op en breekt af, eeuwige terugkeer en eeuwige worden. Kracht tegen kracht, zonder doel en zonder zin, degene die dat doorziet is de übermensch, die doorziet dat alles schepping is.

Zelfde problemen vanuit totaal ander perspectief als bij Hegel. Kunst staat boven begrip, begrip is ook symbool, er zijn alleen maar beelden.

Dus ook doel in gs is weg.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Par. 1 Spinoza
  • § 2 Het materialisme
  • Par. 3 Het idealisme : G.W.F. Hegel
  • § 4 Redelijkheid en machtswil: de radicale kritiek van Nietzsche

  • Dovnload 0.66 Mb.