Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdstuk1 De elementen van het zenuwstelsel

Dovnload 444.15 Kb.

Hoofdstuk1 De elementen van het zenuwstelsel



Pagina1/23
Datum01.08.2017
Grootte444.15 Kb.

Dovnload 444.15 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

NEUROLOGIE STRUCTUUR, FUNCTIE EN DYSFUNCTIE V AN HET ZENUWSTELSEL 2e druk (2001)
DEEL I: OPBOUW EN ORGANISATIE VAN HET ZENUWSTELSEL

HOOFDSTUK1 De elementen van het zenuwstelsel


Doelstelling: Beschrijving van de karakteristieke eigenschappen van zenuwcellen en gliacellen. Dit hoofdstuk is voornamelijk een herhaling uit het blok 'Cel en Weefsel' (Ie studiejaar).
1.1 Welke twee typen uitlopers heeft een neuron en wat zijn hun respectievelijke functies?

Dendrieten en axonen. Dendrieten ontvangen informatie van andere zenuwcellen via synapsen. Elke zenuwcel kan meerdere dendrieten hebben. Axonen geleiden informatie van de zenuwcel naar een synaps waar de informatie overgedragen wordt. Elke zenuwcel heeft slechts een axon.


1.2 Hoe worden axonen geïsoleerd van hun omgeving? Hoe gebeurt dit in het centrale zenuwstelsel en hoe in het perifere zenuwstelsel?

Axonen worden geïsoleerd dmv myeline. In het CZS zorgen de oligodendrocyten hiervoor en in het PZS de cellen van Schwann. Dit zijn gespecialiseerde typen gliacellen.


1.3 Wat zijn knopen van Ranvier en wat is hun functie?

De knopen van Ranvier zijn onderbrekingen van de myelineschede van ongeveer 1μm. Hierdoor geschiedt de inpulsgeleiding saltatoir (sprongsgewijs) en sneller.


1.4 Wat is het "trofische" centrum van een neuron?

Het trofische centrum is het perikaryon. Hierin worden eiwitten en andere macromoleculaire producten die noodzakelijk zijn voor het functioneren en instand houden van het axon geproduceerd en vanhieruit getransporteerd naar het axon via anterograad axonaal transport.


1.5 Geef een klinische consequentie van het feit dat in axonen een retrograad transport van materiaal

plaatsvindt.

Dmv retrograad transport wordt niet alleen informatie en celorganellen vanuit het axon naar het perikaryon vervoerd maar via deze weg kunnen ook neurotoxische stoffen of micro-organismen vanuit de periferie het CZS bereiken.


1.6 Noem twee typen synaps die de basis vormen voor de communicatie tussen neuronen.

Chemische en elektische synapsen. Elektrische synapsen worden ookwel gapjunctions genoemd.


1.7 Wat is de belangrijkste functie van de oligodendrocyt?

Vorming van myeline scheden (meerdere segmenten van meerdere myeline scheden itt cellen van Schwann die slechts een segment van een myelineschede aanmaken).


1.8 Welke zijn de verschillende typen gliacellen in het centrale zenuwstelsel en in het perifere zenuwstelsel?

  • Astrocyten,

    • Typen

      • Protoplasmatische astrocyt: vnl in grijze stof rondom zenuwcellen en hun uitlopers.

      • Fibreuze astrocyt: vnl in witte stof rondom axonen.

    • Functies:

      • Isolatie van neuroen tov elkaar en buffervorming tegen veranderingen in ionenconcentraties,

      • Herstel dmv littekenvorming,

      • Fagocytose,

      • Geleiding van migratie van neuronen en hun uitlopers tijdens de ontwikkeling van het ZS.

  • Oligondendrocyten,

  • Microgliacellen,

    • Fagocytotische functies,

    • Immunologische afweer binnen ZS,

    • Migratie en deling op plaats van weefselschade.

  • Ependymcellen.

    • Epitheelcellen die de wand van de ventrikels bekleden.

    • Trilharen: bevorderen liquorcirculatie.

Perifere ZS: cellen van Schwan en satelietcellen.


1.9 Wat zijn groeifactoren?

1.10 Kent u vormen van non-synaptische communicatie in het zenuwstelsel?

Ja via Gap-junctions: electrisch.

Ook via neurotransmittors/neuromodulators:


  • diffunderen via de intercellulaire ruimte en beïnvloeden zo receptoren op grotere afstand van de plaats van afgifte (volume transmissie),

  • worden in de liquor cerebrospinalis uitgescheiden en via de ventrikels en arachnoïdale ruimten verspreid  effect op afstand.


HOOFDSTUK 2 De communicatie binnen het zenuwstelsel: prikkelbaarheid en signaalgeleiding Doelstelling: De beschrijving van enkele basale fysiologische eigenschappen van neuronen.
2.1 Wat is een essentiële eigenschap van de celmembraan van een neuron en via welke (functionele)

structuren komt deze eigenschap tot stand?

Selectieve permeabiliteit die tot stand komt door selectieve ionkanalen en ionpompen.
2.2 Wat is het verschil tussen ionkanalen en ionpompen?

Een ionkanaal is selectief voor een bepaald type ion en vervoerd deze passief, dwz het kost geen energie.

Ionkanalen werken ook twee kanten op afhankelijk van de iongradiënt en de ladingsgradiënt.

Ionpompen zijn eiwitmoleculen in de membraan die actief ionen naar het cytoplasma of naar de extracellulaire ruimte kunnen transporteren. Actief betekend dat het proces energie kost itt het transport dmv ionkanalen. De richting waarin de ionpompen transporteren is niet afhankelijk van concentratie- of ladingsgradiënt.


2.3 Hoe komt de membraanpotentiaal tot stand?

De resultante van de selectieve permeabiliteit en iongradiënt (ionkanalen en ionpompen) is dat er een over de neuronale membraan een electrische spanning ontstaat: De membraanpotentiaal.

In rusttoestand is de permeabiliteit voor K relatief hoog en heeft de K-gradiënt een grote invloed op de membraanpotentiaal. Tijdens depolarisatie, wanneer de Na-kanalen massaal geopend worden, wordt de membraanpotentiaal in de richting van de positieve Na-evenwichtspotentiaal getrokken.
2.4 Welke membraanprocessen spelen een rol bij de depolarisatie van het neuron?

Openen Na-kanalen en K-kanalen.


2.5 Welke twee membraanprocessen zijn van essentieel belang bij het genereren van een actiepotentiaal?

Openen Na-kanalen en K-kanalen met influx van Na en efflux van K.


2.6 Van welke voorwaarden is de snelle geleiding van actiepotentialen over een axon afhankelijk?

Van actieve en passieve geleiding van stroom.

De actieve eigenschappen worden bepaald door de spanningsafhankelijke eigenschappen van de ionkanalen.
2.7 Wat is het belang van myelinisatie van axonen voor de voortgeleiding van actiepotentialen?

Door myelinisatie is de geleidingssnelheid van axonen zeer hoog. De schede werkt als het ware als een elektrische isolator. Instroom van Na blijft beperkt tot de knoop van Ranvier. Het naburige gemyeliniseerde stuk is ontoegankelijk voor ionen waardoor de elektrische stroom zich passief in longitudinale richting door het axon verspreidt totdat de volgende knoop van Ranvier wordt bereikt. De winst komt doordat de passieve voortgeleiding veel sneller is.


2.8 Welke twee typen synapsen vormen de basis voor de signaaloverdracht in het zenuwste1se1?

  • Elektrische synapsen: gapjunctions (signalen doorgegeven dmv passieve ionstromen  snel),

  • Chemische synapsen.


2.9 Beschrijfkort de processen die plaatsvinden ten tijde van de signaaloverdracht in een chemische

synaps.

Een actiepotentiaal die bij een axonuiteinde (presynaptische membraan) uitkomt zorgt daar voor afgifte van neurotransmitter. De neurotransmitter komt in de synaptische spleet en diffundeert vanhieruit naar de postsynaptische membraan waar het aan specifieke receptoren bindt. De aard van de receptoren bepaald het effect van de neurotransmitter in de postsynaptische cel.


2.10 Wat zijn neurotransmitters?

Neurotransmitters zijn overdrachtsstoffen die werkzaam zijn in het zenuwstelsel.


2.11 Wat zijn co-transmitters?

Dit zijn een of meer transmitters die binnen hetzelfde neuron gecolocaliseerd zijn.


2.12 Welke twee klassen (typen) receptoren voor neurotransmitters kent u en wat is het verschil tussen

beide? Geef van beide typen enkele voorbeelden.

  • Ionotrope receptoren: Ionkanaal + extracellulair domein.

    • Acetylcholine-receptor: nicotine-type

      • Myasthenia Gravis: antilichamen tegen nicotinereceptoren  verzwakt contractie vermogen spieren.

    • GABA-receptoren: GABAA

      • belangrijkste inhibitoire transmitter in ZS

      • Remmend effect op spike-generatie in de postsynaptische cel omdat het bijbehorende ionkanaal permeabel is voor Cl-. Hierdoor ontstaat hyperpolarisatie: Inhibitoire Postsynaptische Potentiaal (IPSP).

    • Glutamaat-receptoren:

      • Excitatoire transmitter

      • Twee typen:

        • NMDA-receptoren

          • Ionkanaal gaat alleenopen als er glutamaat wordt afgegeven èn de postsynaptische cel gedepolariseerd is: Spanningsafhankelijk doordat een Mg2+ion het kanaal in rust blokkeerd maar verwijderd wordt bij depolarisatie.

          • Zorgt voor Ca2+influx  cascade  consequenties synaptische plasticiteit (zie verder).

        • AMPA/kainaar-receptoren:

          • Niet spanningsafhankelijk,

          • Doorlaatbaar voor Na+ en K+ ionen

          • Excitatoire postsynaptische potentiaal (EPSP).

          • Werkpaarden van snelle excitatoire transmissie omdat ze steevast reageren op glutamaatafgifte ongeacht de toestand van de postsynaptische cel.Hierdoor

  • Metabotrope receptoren: beïnvloeden metabool proces wat uiteindelijk ook leidt tot modulatie van ionkanalen.



2.13 Welke zijn de bijzondere eigenschappen van NMDA receptoren?

Zie vraag 2.12.


2.14 Waartoe kan een overmaat aan glutamaat (en asparaat) in het hersenweefsel leiden?

Een extracellulaire ophoping van glutamaat leidt tot langdurige Ca2+influx via NMDA-receptoren  biochemische cascade  manifestaties excitotoxiciteit en uiteindelijk celdood. Dit speelt wsch een belangrijke rol bij ischeamie, epilepsie en traumatische beschadiging van het zenuwstelsel.


2.15 Waarom is temporele summatie van actiepotentialen van belang voor de signaaloverdracht in het

zenuwstelsel?

Om een spike te genereren moeten verscheidene glutamaterge inputs tegelijk actief worden zodat de resulterende EPSP’s bij elkaar opgeteld kunnen worden: temporele summatie. Dit is dus nodig om een actiepotentiaal te bewerkstelligen. Een enkele EPSP is te zwak hiervoor en verzwakt tevens tijdens passieve voortgeleiding.


2.16 Wat is langetermijnpotentiatie en hoe komt dit fenomeen tot stand?

LTP is een persistente, stimulusafhankelijke verhoging van de synaptische sterkte die opgewekt kan worden door synapsen te stimuleren met hoogfrequente serie actipotentialen en heeft een duur variërend van uren tot weken.

Eigenschappen van LTP zijn: specificiteit en associativiteit. De rol van de glutamaterge NMDA-receptor is hierbij cruciaal (Ca2+influx versterkte postsynaptische respons op presynaptisch signaal).
2.17 Welke vormen van synaptische plasticiteit kent u?


  • Lange Termijn Potentiëring (LTP),

  • Lange Termijn Depressie (LTD).


2.18 Voor welke hersenfuncties is synaptische plasticiteit van essentieel belang?

  • Fysiologische, adptieve procesesn,

  • Neurologische processen,

  • Neuropsychiatrische aandoeningen: epilepsie, angststoornissen, verslaving en obsessief-compulsieve stoornissen.



  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

  • 1.1 Welke twee typen uitlopers heeft een neuron en wat zijn hun respectievelijke functies
  • 1.2 Hoe worden axonen geïsoleerd van hun omgeving Hoe gebeurt dit in het centrale zenuwstelsel en hoe in het
  • 1.3 Wat zijn knopen van Ranvier en wat is hun functie
  • 1.5 Geef een klinische consequentie van het feit dat in axonen een retrograad transport van materiaal plaatsvindt.
  • 1.6 Noem twee typen synaps die de basis vormen voor de communicatie tussen neuronen.
  • 1.8 Welke zijn de verschillende typen gliacellen in het centrale zenuwstelsel en in het perifere zenuwstelsel
  • 1.10 Kent u vormen van non-synaptische communicatie in het zenuwstelsel
  • HOOFDSTUK 2 De communicatie binnen het zenuwstelsel: prikkelbaarheid en signaalgeleiding
  • 2.2 Wat is het verschil tussen ionkanalen en ionpompen
  • 2.3 Hoe komt de membraanpotentiaal tot stand
  • 2.4 Welke membraanprocessen spelen een rol bij de depolarisatie van het neuron
  • 2.6 Van welke voorwaarden is de snelle geleiding van actiepotentialen over een axon afhankelijk
  • 2.8 Welke twee typen synapsen vormen de basis voor de signaaloverdracht in het zenuwste1se1
  • 2.10 Wat zijn neurotransmitters
  • 2.13 Welke zijn de bijzondere eigenschappen van NMDA receptoren
  • 2.15 Waarom is temporele summatie van actiepotentialen van belang voor de signaaloverdracht in het zenuwstelsel
  • 2.16 Wat is langetermijnpotentiatie en hoe komt dit fenomeen tot stand
  • 2.17 Welke vormen van synaptische plasticiteit kent u

  • Dovnload 444.15 Kb.