Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hoofdvragen van de Sociologie Theoretische traditie met de hypothesen

Dovnload 40.09 Kb.

Hoofdvragen van de Sociologie Theoretische traditie met de hypothesen



Datum13.11.2017
Grootte40.09 Kb.

Dovnload 40.09 Kb.

Hoofdvragen van de Sociologie

Theoretische traditie met de hypothesen




Historisch materialisme (ongelijkheidsprobleem)

Stelt dat maatschappelijke fenomenen, als zijnde rationalisering, ongelijkheid en cohesie toe te schrijven zijn aan de manier waarop mensen in hun leven voorzien. De loop van de geschiedenis wordt daarbij bepaald door aanpassingen in de materiële basis.


Algemene wet van de kapitalistische accumulatie (Marx en Engels)
In de 19e eeuw ontstaat in de Europese landen een grotere ongelijkheid in rijkdom tussen arbeiders en kapitaalbezitters door de groei van de totale hoeveelheid kapitaal.
Kern historisch materialisme:
Ongeacht de productiewijze van een maatschappij, elke ongelijkheid in die maatschappij steunt op een of andere vorm van dwang; deze dwang zorgt voor een bepaalde vorm van strijd en deze strijd kan leiden tot het opheffen van de oude dwangmiddelen en het vergaan van de oude ongelijkheden en onder bepaalde condities tot de komst van gelijkheid.
Scheefheid
Het revisionistisch historisch materialisme (correctie van Bernstein van de hypothese van Marx en Engels). Clausule c is de scholingshypothese van Bernstein en luidt als volgt:
Doordat arbeid door mechanisering van de productiewijze geschoold raakt vermindert de dwang van kapitaalbezitters en gaan arbeiders er absoluut op vooruit; relatief worden de arbeiders echter armer omdat scholing niet alle dwang van de kapitaalbezitters kan doen laten verdwijnen.
Het orthodox historisch materialisme (ontstond door felle kritiek op Bernstein)
De kolonialismehypothese. Deze hypothese komt van Rosa Luxemburg. Volgens haar ging het revisionisme ervan uit dat de 19e eeuwse Europese staten op zichzelf staande samenlevingen vormden.
Wanneer kapitalistische maatschappijen het moederland van een kolonie vormen, stijgen lonen van arbeiders in het moederland niet relatief maar wel absoluut, terwijl die van arbeiders in koloniën absoluut dalen; omdat kapitaalbezitters meer dwang uitoefenen op arbeiders in koloniën om zodoende met winsten die behaald zijn in koloniën de arbeiders in het moederland af te kopen; het zoeken naar koloniën zal echter leiden tot oorlogen tussen imperia, hetgeen de uiteindelijke ondergang van het kapitalisme zal betekenen.

De wereldsysteemtheorie

Koloniën van Europese landen werden zelfstandig, waardoor het kleed onder Luxemburgs kolonialismehypothese werd weggetrokken. Frank en Wellerstein kwamen vervolgens met de wereldsysteemtheorie:


Kapitalistische maatschappijen worden onderverdeeld in periferie en centrum, waarbij de periferie grondstoffen levert voor eindproducten in het centrum; de lonen in de periferie dalen zowel absoluut als relatief, terwijl de lonen in het centrum zowel absoluut als relatief stijgen, dit doordat er in een periferie meer dwang over arbeiders wordt uitgeoefend dan over arbeiders in het centrum; dit leidt in de periferie tot gewelddadige groeperingen tegen regeringen die multinationals niet bestrijden.

De mondialiseringshypothese

Echter ook op deze Wereldsysteemtheorie was kritiek, hetgeen leidde tot de mondialiseringshypothese van Klein:


In een wereld met vrijhandel toegespitst op merken, stijgt in hogelonenlanden de werkloosheid onder academici, dalen de lonen absoluut voor ongeschoold werk en blijven de arbeidsomstandigheden in lagelonenlanden slecht en de lonen laag; dit doordat mondiale ondernemingen arbeid verplaatsen naar lagelonenlanden en er onderaannemers tegen elkaar uitspelen; tegen deze dwang wordt tijdens meetings van internationale organen gedemonstreerd door studenten uit hogelonenlanden, hoe meer studenten via internet weten van vakbonden in lagelonenlanden en hun kennis met elkaar delen, hoe sneller de mondiale introductie van het verdwijnen van logo’s, ontvangst van minimumloon door werknemers, de afschaffing van kinderarbeid en de intrede van veiligheidseisen rondom productie.


Mobiliteit (waarom geen socialisme in VS rond 1900?)

De open land en mobiliteitshypothese van Sombart:


In kapitalistische samenlevingen zijn alle bewoners met betrekking tot recht op privébezit en vrijheid van arbeid gelijk; in praktijk is het echter voor arbeiders bijna onmogelijk te ondernemen, omdat beginnende ondernemers uit de markt worden geduwd door gevestigde ondernemers.
Dit zorgt volgens Sombart ervoor dat kapitalistische landen wettelijk open, maar feitelijk gesloten zijn. Sombart merkt op dat er verschillende kapitalistische maatschappijen zijn:
In kapitalistische maatschappijen met onontgonnen land die nog niet in privébezit is en zonder feodeel verleden, stijgen arbeiders in sociaal aanzien, doordat ze een eigen onderneming beginnen; dit kan doordat de dwang van kapitaalbezitters over arbeiders zwakker is in landen met vrije grond; wanneer de sociale stijging van arbeiders aanzienlijker is, zal de onderlinge strijd tussen arbeiders en kapitaalbezitters geringer en vreedzamer worden.
In de VS was er nog vrije grond en het land kende ook geen feodale historie, hetgeen betekent dat zij zowel wettelijk als feitelijk open was.

Vraag kan ook worden beantwoord door de boeren- en slavenhypothese van Wiley. Hij stelde dat de VS door aanhoudende slavernij en ongelijkheid gekenmerkt werd.


Wanneer de grond in kapitalistische maatschappijen ontgonnen raakt, nemen de schulden van de boeren toe, evenals de rentebedragen van schuldeisers, omdat boeren tegen steeds onvoordeligere condities leningen aangaan; zullen boeren stemmen op partijen die voor hoge graanprijs en lage rente staan.
In kapitalistische maatschappijen die slavernij gekend hebben, verbetert het leven van ex-slaven en hun nakomelingen maar weinig, omdat ex-slavenhouders hen van het genot van goederen en diensten uitsluiten; dit zorgt voor het ontstaan van rassenrellen en beroeringen doordat nakomelingen van slaven deelnemen aan ondermeer betogingen, marsen en boycots.
De lynchingshopothese van Billy Holiday met het lied ‘Strange Fruits’. De manier waarop de zwarte bevolking in Amerika werd behandeld.
In kapitalistische samenlevingen die slavernij hebben gekend, verbetert de levensstandaard van de voormalige slaven en hun nakomelingen maar weinig, en wel doordat de voormalige slavenhouders en hun nakomelingen die anderen op hun plaats houden door openbare lynchingen. Dit leidt ertoe dat de nakomelingen van de slaven politiek en economisch passief worden.

Structureel functionalisme (cohesieprobleem)




Kern structureel functionalisme

Elke maatschappij laat een bepaalde samenhang zien, wanneer deze uit intermediaire groepen bestaat (structuur), en algemeen gedeelde normen en waarden kent (cultuur), zullen leden hechter geïntegreerd zijn in een maatschappij, en als gevolg daarvan de normen en waarden meer naleven, hetgeen zorgt voor meer samenhang.


Integratietheorie
Durkheim (zelfdoding)
Naarmate personen sterker zijn geïntegreerd in om het even welke intermediaire groepering van een samenleving, is de kans groter dat zij de norm van deze groepering over zelfdoding naleven.
Hirshi’s integratietheorie (kleine criminaliteit)
Deze theorie stelt dat hoe hechter jongeren in intermediaire groepen van een maatschappij geïntegreerd zijn, hoe groter de kans dat ze de norm over kleine criminaliteit van de groep naleven.
Meest algemene hypothese van Hirschi:
Naarmate jongeren sterker zijn geïntegreerd in de intermediaire groeperingen van een samenleving, vernielen ze in mindere mate openbare eigendommen en dergelijke (begaan ze minder criminaliteit).

Lazarsfeld integratiehypothese mbt stemgedrag


Naarmate mensen sterker zijn geïntegreerd in de intermediaire groeperingen van een samenleving, leven ze de norm over stemgedrag van deze groepering sterker na.
Anomiehypothese
Durkheim spreekt van anomie wanneer er een gebrek is aan waarden en normen die normaliter middelen en doelen laten overeenkomen. Hierdoor zullen de doelen aanmerkelijk verder reiken dan de middelen, hetgeen volgens Durkheim leidt tot het volgende alternatief voor deel d van de kern van het structureel functionalisme:
Naarmate de normen en waarden van een samenleving de doelen en middelen van de leden van die samenleving nauwer op elkaar afstemmen, houden meer mensen zich aan het verbod van deze samenleving op zelfdoding.
Mertons anomiehypothese
In aanvulling op Durkheim is Merton gekomen met een verbetering van diens anomietheorie. Merton stelt dat er in maatschappijen weldegelijk normen en waarden zijn maar dat het gat tussen middelen en doelen van leden in maatschappijen onoverkomelijk groot is. Merton geeft dan ook de volgende invulling aan deel d van het structureel functionalisme:
Wanneer waarden en normen van een maatschappij betreffende na te streven doelen en daarbij komende middelen lastiger verenigbaar zijn, wordt de kans groter dat leden van maatschappijen opgestelde voorschriften met betrekking tot de bescherming van anderen schenden.
Mertons anomietheorie is op één belangrijk punt aangevuld. Het verschijnsel ‘witteboordencriminaliteit’, criminaliteit begaan door mensen met een hoge sociale status, is verwerkt in deel b van het structureel functionalisme:
Deze structuur bestaat uit ongelijk verdeelde toegangsmogelijkheden tot legitieme middelen en uit ongelijk verdeelde toegangsmogelijkheden tot illegitieme middelen, waarbij leden uit de bovenlagen van een samenleving zowel meer toegangsmogelijkheden tot legitieme als tot illegitieme middelen hebben.
Anomietheorie van Engbersen

De Nederlandse socioloog Engbersen toetste in de jaren tachtig van de twintigste eeuw nieuwe afleidingen uit Mertons hypothesen over de manieren waarop mensen zich aanpassen aan moeilijk met elkaar te rijmen normen en waarden. Hij deed dat door deze hypothesen toe te passen op Nederland. Volgens Engbersen zijn in dit land arbeid en consumptie centrale culturele doelen. Engbersen onderscheidt aan de hand van Mertons hypothesen verschillende vormen van aanpassing bij werklozen:




  • Ritualisten (hoop op arbeid opgegeven, toch solliciteren)

  • Retraitisten (streven niet naar arbeid, proberen niks)

  • Ondernemenden (scharrelen in zwarte circuit)

  • Calculerenden (misbruik sociale zekerheid stelsel)

  • Autonomen (doen waar ze zelf zin in hebben, beschouwen uitkering als basisinkomen)

Interpretatief individualisme (rationaliseringsprobleem)
De opkomst van het Westen is toe te schrijven aan de Industriële Revolutie en verregaande rationalisering van verscheidene domeinen in de maatschappij, te denken valt aan wetenschap, techniek, bedrijfsvoering en staatsvorming. Complete rationalisering leidde tot een sterke stijging van de levensstandaard. Het rationaliseringsprobleem wordt door Weber behandeld. Zijn antwoord op dit probleem wordt omschreven als het interpretatief individualisme.
Kern:
Ieder hoogontwikkelde voor- en vroegmoderne samenleving, heeft een bepaalde godsdienst, met een of ander wereldbeeld; dit wereldbeeld legt voor de leden van deze samenleving binnen zekere grenzen een bepaald heilsdoel vast, en spoort hen aan dit heil met bepaalde heilsmiddelen te bereiken (legt binnen zekere grenzen een of andere levenswijze als de juiste vast), en hoe activistischer dit wereldbeeld is, des te meer hebben de leden van deze samenleving een praktisch-rationele levenswijze en des te meer benutten ze mogelijkheden om goederen efficiënter voort te brengen. (= wereldbeeldenhypothese). De wereldbeeldenhypothese van Weber maakt de oorzaak voor het verschil in technologische ontwikkelingen tussen China en het Westen duidelijk. Aangezien het Westen tot minimaal 1500 een lager technologisch peil had dan China, kan men concluderen dat het confucianistische Chinese wereldbeeld activistischer is dan het katholicisme in het Westen.
Zelfbeeldenhypothese (etiketteringstheorie)
Iemand leeft (on)bewust een wetsregel niet na. Anderen nemen dit gedrag waar en beschouwen de overtreder als afwijkend. Dit stempel wordt gegeneraliseerd en de overtreder wordt gestigmatiseerd, dat wil zeggen er ontstaat een algeheel ongunstig beeld over die persoon. De als afwijkend bestempelde persoon wordt behandeld in overeenstemming met de verwachtingen die bij dit ongunstige beeld passen. De als afwijkend bestempelde persoon gaat in overeenstemming met deze verwachtingen handelen en maakt zich het ongunstige beeld eigen dat anderen van haar of hem hebben. De groepen waartoe de geëtiketteerde en gestigmatiseerde persoon behoorde, sluiten zich voor haar of hem af en daardoor wordt hij of zij gedreven naar degenen die op soortgelijke wijze zijn geëtiketteerd en gestigmatiseerd. Deze soortgelijke geëtiketteerden vormen nieuwe groepen met een eigen subcultuur die regelovertredende gedragingen herdefiniëren tot gedrag dat in overeenstemming is met de normen van de subcultuur. Er ontstaat een nieuwe identiteit, het afwijken wordt als positief ervaren.
Scheff onderscheidt een restcategorie van informele regels waarvoor binnen een cultuur geen duidelijk etiket bestaat. Mensen die deze regels overtreden, kregen in de West-Europese akkerbouwsamenlevingen uit de Middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd bijvoorbeeld het etiket ‘heks’ of ‘door de duivel bezeten’ opgeplakt; ze worden in de uit die samenlevingen voortgekomen industrielanden tegenwoordig als ‘geestelijk gestoord’ bestempeld. De vraag die Scheff beantwoordt, is hoe deze ‘residuale irregulariteit’, die vaak voorkomt en gewoonlijk van voorbijgaande aard is, bij een betrekkelijk klein deel van de regelovertreders tot duurzame overtreding leidt, tot ‘psychische gestoordheid’. Er kan hier sprake zijn, afhankelijk van de reacties uit de omgeving, van het doorlopen van een afwijkende loopbaan.

Staatsbeeldenhypothese van Lenski


?


Technologisch-ideologisch evolutionisme
Lenski: Ieder samenleving kent zowel een natuurlijke omgeving als een sociale omgeving. Ze bestaat uit een aantal individuen die hun eigenbelang nastreven en daartoe hulpbronnen aanwenden. Iedere samenleving heeft een cultuur, niet alleen bestaand uit ideologieën (wereldbeelden en andere voorstellingen, waarden en normen) maar ook uit technologieën (praktische kennis). Hoe verder ontwikkeld de technologieën en ideologieën zijn, des te minder afhankelijk is haar bevolking, des te efficiënter is de productie van materiële goederen en des te groter is de hoeveelheid materiële producten per hoofd van de bevolking en des te groter zijn de ongelijkheden en des te vijandiger zijn de betrekkingen tussen haar klassen.

Technologiehypothese van Lenski:
Naarmate de voedselvoorzieningstechnieken in samenlevingen verder zijn ontwikkeld, zal de verdeling van consumptiegoederen in die samenlevingen schever zijn.
In volgorde van toenemend technologisch peil zijn de volgende maatschappijtypen te onderscheiden:

  • Jacht en verzamelen;

  • Eenvoudige tuinbouw;

  • Ontwikkelde tuinbouw;

  • Eenvoudige akkerbouw;

  • Ontwikkelde akkerbouw;

  • Industrie.


(Techniekentheorie: Naarmate de voedselvoorzieningstechnieken in samenlevingen verder zijn ontwikkeld, zal de verdeling van consumptiegoederen in die samenlevingen schever zijn. Jacht en verzamelen is een minder ontwikkelde techniek van voedselvoorziening dan grondbewerking met de hak of graafstok. Technieken van voedselvoorziening waarin van metalen voorwerpen gebruik wordt gemaakt, zijn verder ontwikkeld dan technieken die benen, houten of stenen voorwerpen benutten. Grondbewerking met een ploeg is een meer ontwikkelde techniek van voedselvoorziening dan bewerking met een hak of graafstok.)
Machtsmiddelenhypothese (hulpbronnentheorie)
Naarmate in een samenleving hulpbronnen ongelijker zijn verdeeld, zijn ook de consumptiegoederen in die samenleving schever verdeeld, waarbij de meeste consumptiegoederen naar de mensen met de meeste hulpbronnen gaan.
Weerlegd door de cumulatiehypothese:
De cumulatiehypothese stelt dat degenen die tijdens hun schoolcarrière meer civiele vaardigheden verwierven, daarna ook meer kansen krijgen om deze vaardigheden te benutten en aldus aan te scherpen. Deze lijkt niet te spelen in religieuze, werkgevers/werknemers-, vrouwen- en helpende verenigingen. Deze verenigingen slagen er blijkbaar wel in om zowel de laag- als hooggeschoolden aan te spreken??????????????????????????????????
Ideologiehypothese
Hoe activistischer het staatsbeeld is van de politieke ideologieën die in een industrieland opgang maken, des te kleiner zijn de inkomensverschillen in die samenleving.

Hypothesen over compenserende strategieën
Hoe schever het bezit van een bepaalde hulpbron in een samenleving is, hoe ongelijker is het gebruik van die hulpbron.
Bordieu onderscheidt vier compenserende strategieën:

  1. Onderwijs: Indien enkel een hoger diploma voor meer inkomen zorgt, zullen leden uit de bovenlagen een groter deel van hun liggende gelden en jaarlijkse inkomens besteden aan het onderwijs van hun kinderen.

  2. Cultuurdeelname: Door uiterlijk vertoon onderscheiden leden van de bovenlagen in een industrieland zichzelf van mensen uit de lagere milieus. Men zal relatief meer vermogen in cultuurdeelname stoppen indien vermogensongelijkheden afnemen.

  3. Cultuuroverdracht: Indien de regering gelijke kansen in het onderwijs wil verwezenlijken door een stelsel van studiebeurzen in te voeren, zullen ouders uit de bovenlagen meer cultuur overdragen aan hun kinderen om zodoende het leren van hun kinderen te bevorderen. Bijkomend gevolg is dat de mobiliteit amper toeneemt.

  4. Onderwijsendogamie: Indien vermogen minder- en onderwijs belangrijker wordt als dimensie van stratificatie, zullen jongeren hun (huwelijks-)partner meer op basis van onderwijs van deze persoon kiezen. Wanneer de sociale mobiliteit in een industrieland toeneemt, neemt onderwijsendogamie eveneens toe.

Afleidingen:


Gebruik van hulpbronnen is ongelijker indien deze schever zijn verdeeld.

Wanneer in een industrieland de inkomstenbelasting progressiever is, zullen verschillen in cultuurdeelname groter zijn, en zullen kleinere vermogensongelijkheden worden gecompenseerd.

Indien in een industrieland meer successierechten worden geheven, zullen kinderen van vermogende ouders een grotere kans hebben op het behalen van een hoger diploma, en zal door hogere successierechten toegenomen intergenerationele beroepsmobiliteit teniet worden gedaan.

Wanneer in een industrieland het stelsel van studiebeurzen uitgebreider is, zullen ouders meer cultuur overdragen aan hun kinderen, en zal door de uitgebreidere studiebeurzen onderwijsmobiliteit tenietgedaan worden.

Indien in een industrieland de inkomstenbelasting progressiever is, de successierechten groter en het stelsel van studiebeurzen uitgebreider, zal de intergenerationele beroepsmobiliteit groter zijn en de onderwijsexogamie kleiner.


Utilitaristisch individualisme
Kern:
Elke maatschappij bevat een bepaald aantal individuen,

En elk maatschappelijk kenmerk is de uitkomst van individuele acties;

De individuen bezitten bepaalde doelen,

En beschikken over bepaalde schaarse middelen,

Met zo weinig mogelijk middelen probeert men de doelen te maximaliseren;

Omstandigheden waarin middelen worden gebruikt beïnvloeden de effectiviteit en efficiëntie van de uitkomst,

Sommige omstandigheden zorgen ervoor dat mensen niet alleen hun eigen doelen maximaliseren, maar ook anderen in staat stellen minder middelen te gebruiken.
Vrijemarkthypothese van Smith
Als de markten van een samenleving vrijer worden, de productie en het levenspeil er stijgen.
De welvaart van een land is een samenlevingskenmerk. Mensen proberen allereerst in hun levensonderhoud te voorzien en daarna komen de gemakken des levens en ten slotte luxe zaken de middelen waar­over men­sen be­schik­ken zijn productiemiddelen, na­tuur­lijke hulp­bron­nen en ar­beids­kracht en ze kiezen een zodanige inzet van mid­delen dat ze met zo wei­nig mogelijk middelen hun doelen zo­veel mogelijk verwe­zen­lijken (nutsmaxi­mali­satie) wanneer de wetsre­gels van een vrije markt gelden, heeft nuts­maxi­ma­li­satie niet alleen als gevolg dat een persoon diens doe­len zo goed en goed­koop moge­lijk ver­we­zenlijkt maar ook als onbe­doeld gevolg dat andere perso­nen hun doelen beter en spaar­zamer realise­ren

Kritiek van Marx:

Smiths voorwaarde is een vrije markt. Deze kunnen echter niet lang bestaan. Kapitaal komt bij steeds minder mensen -> kenmerk "veel onafhankelijke produ­centen" van vrije markt weg, rijken worden rijker en de armen armer. Vrije markt is ruil op basis van gelijkheid, maar dan monopolies: basis van ongelijkheid, gedwongen ruil.
Staatsdwanghypothese De Swaan
Het dilemma der gevangenen
Stelt dat de vrije markt opdraagt dat personen onafhankelijk van elkaar beslissingen maken. Individuele rationaliteit zal bij de productie van een collectief goed niet leiden tot collectieve rationaliteit. Indien overleg mogelijk is tussen individuen wil dit niet zeggen dat collectieve rationaliteit verworven zal worden.
Zie ook: Het dillemma van de hamburgerrestaurants, het dilemma van de maandverbandfabrikanten
Robin Hoodhypothese van Downs
Naarmate de hulpbronnen in een industrieland minder ongelijk zijn verdeeld, zal de inkomensverdeling er minder scheef zijn.

Politieke machtsmiddelen zijn hulpbronnen.

Hoe kleiner de politieke machtsverschillen in industriële samenlevingen zijn, des te minder scheef zal de inkomensverdeling van die samenlevingen zijn.

Met de afschaffing van censuskiesrecht en de invoering van het algemeen kiesrecht verminderen de politieke machtsverschillen, en wel zodanig dat het zwaartepunt van de politieke macht bij de minder bedeelden komt te liggen.

Met de overgang van census- naar algemeen kiesrecht in een industrieland neemt het inkomensaandeel van de rijksten af en dat van elke minder bedeelde categorie toe, waarbij de toename bij de armsten groter is dan die bij de middengroepen.
De hypothese van het strategische midden van Tullock
Hoe minder ongelijk de hulpbronnen in een industrieland zijn verdeeld, hoe minder scheef de inkomensverdeling zal zijn.

De invoering van het algemeen kiesrecht vermindert de politieke machtsverschillen, zodanig dat het accent van de politieke macht bij de middengroepen te liggen komt.



Met de overgang naar algemeen kiesrecht in een geïndustrialiseerde maatschappij neemt het inkomensaandeel van de rijksten af en dat van de armsten toe, de inkomensstijging bij de armsten is kleiner dan die bij de middengroepen.
Stemmenruilhypothese van Coleman
De vraag welke gevolgen het bestaan van een wetgevende macht heeft voor de orde in een maatschappij is beantwoord door Coleman. Coleman stelt dat naarmate er meer vraagstukken zijn waarover leden van maatschappijen verschillende meningen hebben, des te makkelijker is dit door zogenaamde meerderheidsbeslissingen op te lossen. Hierbij wordt het principe van stemmenruil gehanteerd. Dit is uit te leggen aan de hand van het volgende voorbeeld. Wanneer groep 1 vrij onderwijs wil en groep 2 niet, maar groep 2 wel kiesrecht voor vrouwen wil en groep 1 niet, zal groep 2 groep 1 helpen bij het eerste vraagstuk en groep 1 zal groep 2 helpen bij het tweede vraagstuk. Meerderheidsbeslissingen zullen ordeverstoringen in de wetgevende macht daarom doen verminderen.

  • De wereldsysteemtheorie
  • De mondialiseringshypothese
  • Mobiliteit (waarom geen socialisme in VS rond 1900)
  • Structureel functionalisme (cohesieprobleem)

  • Dovnload 40.09 Kb.