Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Hr 20 oktober 2006, Rek nr. R06/042hr (kja viersen), RvdW 2006, 968, red nr. 4381, hierna aangeduid als nj, 2007, 001 hr 20 oktober 2006, Rek.,nr. R06/096hr (Van Amstel)

Dovnload 35.99 Kb.

Hr 20 oktober 2006, Rek nr. R06/042hr (kja viersen), RvdW 2006, 968, red nr. 4381, hierna aangeduid als nj, 2007, 001 hr 20 oktober 2006, Rek.,nr. R06/096hr (Van Amstel)



Datum10.10.2017
Grootte35.99 Kb.

Dovnload 35.99 Kb.

Noot


HR 20 oktober 2006, Rek.nr. R06/042HR (KJA Viersen), RvdW 2006, 968, red.nr. 4381, hierna aangeduid als NJ, 2007, 001
HR 20 oktober 2006, Rek.,nr. R06/096HR (Van Amstel), RvdW 2006, 969, red.nr. 4383, hierna aangeduid als NJ, 2007, 002
HR 1 december 2006, Rek.nr. R06/092HR (Theodorakis) , RvdW 2006, 1136, red.nr. 4447, hierna aangeduid als NJ, 2007, 003
1. Hoe het komt weet ik ook niet, maar het aantal (gepubliceerde) uitspraken over internationale kinderontvoering is sinds 2005 enorm gestegen. In het tijdschrift NIPR telde ik er vijftien in 2005 en zestien in 2006, tegenover een gemiddelde van vier uitspraken per jaar in de jaargangen 1983-2004. Deze explosieve groei wordt niet alleen bevestigd door de jaarcijfers die ik distilleerde uit de gegevens op www.rechtspraak.nl, maar ook door het aantal in de NJ gepubliceerde uitspraken van de Hoge Raad. Tussen 2000 en 2005 ligt het gemiddelde op één beschikking per jaar, terwijl er in 2006 op maar liefst vijf cassatieberoepen moest worden beslist. Of deze publicatiecijfers zich laten verklaren door een drastische toename van het aantal kinderontvoeringen naar Nederland, zou ik niet met stelligheid durven beweren, maar andere verklaringen – toeval? gewijzigd publicatiebeleid? – lijken mij toch minder waarschijnlijk. Op de website van de Centrale Autoriteit heb ik jammer genoeg geen statistische gegevens kunnen vinden over de aantallen kinderontvoeringszaken die de Nederlandse rechter van jaar tot jaar te verwerken heeft. Vooralsnog houd ik het er dus maar op dat het aantal ontvoeringen naar Nederland recentelijk nogal is toegenomen. Dat zou in de eerste plaats betekenen dat er van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (HKOV) minder preventieve werking uitgaat dan verwacht, en in de tweede plaats dat de roep om concentratie van rechtspraak in kinderontvoeringszaken – op grond van het argument dat die slechts sporadisch zouden voorkomen – minder overtuigend is geworden.
2. Opvallend is voorts dat in negen van de tien zaken die de Hoge Raad tot dusver heeft beslist (NJ 2001, 450 en 451; NJ 2003, 345; NJ 2005, 563; NJ 2006, 232 en 545 plus de drie hierboven afgedrukte beschikkingen) een Nederlandse moeder haar kind(eren) naar Nederland had ontvoerd; in het tiende geval (NJ 2001, 452) had de moeder het kind vanuit Nederland naar Denemarken meegenomen. Gevallen waarin de vader een kind zonder toestemming van de moeder naar Nederland had overgebracht, komen in de lagere rechtspraak wel voor (zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2006, NIPR 2006, 113, LJN AZ6543), maar toch beduidend minder vaak. Geen daarvan heeft tot dusver tot een beroep in cassatie geleid.

Uit die negen cassatiebeschikkingen – het tiende geval (NJ 2001, 452) betrof in wezen een bevoegdheidskwestie in het kader van een ondertoezichtstelling, geen verzoek tot teruggeleiding – blijkt voorts dat een procedure tot in hoogste instantie slechts in twee gevallen gunstig uitpakte voor de moeder: NJ 2001, 451, tenzij het hof na verwijzing alsnog tot toewijzing van het verzoek tot teruggeleiding zou hebben besloten, en NJ 2005, 563. In alle andere gevallen werd het cassatieberoep van de moeder verworpen of kreeg zij – na verwijzing – bij het hof toch nog nul op het rekest. In zeven van de negen gevallen vond de rechtbank dat het kind terug moest naar het land van waaruit het was ontvoerd, een beslissing die in drie van die zeven gevallen door het hof werd vernietigd. Die beslissing bleef in twee gevallen in cassatie overeind (NJ 2001, 451 en NJ 2005, 563), maar niet in het derde geval (NJ 2007, 0649). In één geval oordeelden zowel rechtbank als hof dat het kind in Nederland mocht blijven, maar ook daar dacht de Hoge Raad anders over (NJ 2006, 545).


3. Ik heb ook eens uitgerekend hoe lang ouders en kind in onzekerheid verkeren omtrent de juridische afloop van een ontvoering. Die vraag interesseerde mij omdat de indruk bestaat dat een procedure tot teruggeleiding, inclusief hoger beroep en cassatie, zoveel tijd in beslag neemt dat het belang van het kind geschaad dreigt te worden als het opnieuw zou worden weggehaald uit een omgeving waarin het zich intussen thuis is gaan voelen. Uit de negen door de Hoge Raad behandelde gevallen blijkt dat tussen een ontvoering naar Nederland en de indiening van een verzoek tot teruggeleiding gemiddeld ruim vier maanden verstrijken. In alle negen gevallen was de vader op de hoogte van de verblijfplaats van moeder en kind, dus aan detectivewerk hoefde deze tijd niet te worden besteed. In die vier maanden zullen er ongetwijfeld pogingen gedaan zijn, in ieder geval door de Centrale Autoriteit, om tot een minnelijke oplossing te komen; vgl. art. 10 HKOV en zie Rb. Utrecht 13 april 2005, LJN AT3895.

De rechtbank doet gemiddeld binnen twee maanden uitspraak (met een opvallende uitschieter naar boven in HR 1 december 2006, NJ 2007, 0649), terwijl tussen de eindbeschikking van de rechtbank en de beslissing in hoger beroep gemiddeld ruim negen weken liggen. Deze termijnen zijn uiteraard langer als er getuigen zijn gehoord (zoals de rechtbank deed in HR 1 december 2006, NJ 2007, 0649) of als een van partijen in de gelegenheid wordt gesteld nader bewijs te leveren (zoals toegestaan door het hof in HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 0544). Dat impliceert dat in eerste instantie en in appèl de rechtsgang binnen enkele maanden kan worden afgerond als er geen tussenbeschikkingen worden gegeven.



Het traject tussen hoger beroep en de beslissing in cassatie neemt gemiddeld 33 weken in beslag, met uitschieters naar boven (ruim een jaar in HR 14 april 2000, NJ 2001, 450) en naar beneden (vier maanden in HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 0544). In totaal verstrijken er dus gemiddeld 68 weken tussen de ontvoering en het moment waarop de Hoge Raad beslist; de procedure zelf neemt gemiddeld bijna een jaar in beslag. Daarmee is overigens niet gezegd dat alle betrokkenen binnen een jaar na de indiening van het verzoekschrift definitief weten waar zij aan toe zijn. In de eerste plaats kan de moeder zich nog tegen de executie van een bevel tot teruggeleiding verzetten, zoals gebeurde in Hof ’s-Gravenhage 29 maart 2006, NIPR 2006, 104, LJN AV7796 en Hof ’s-Gravenhage 25 oktober 2006, LJN AZ3843. Daarmee wordt een nieuwe rechtsgang gestart die wederom geruime tijd kan gaan kosten. In de tweede plaats zal na vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad een procedure nog geruime tijd kunnen vergen, zeker als de in het ongelijk gestelde partij geen genoegen neemt met de beslissing van het hof na verwijzing. Illustratief is het verdere verloop van de Italiaanse kinderontvoering, waarin de Hoge Raad de beschikking van Hof Amsterdam vernietigde en de zaak verwees naar Hof ’s-Gravenhage (HR 20 januari 2006, NJ 2006, 545, nt. ThMdB). De mondelinge behandeling door het Haagse hof vond eerst plaats op 6 september 2006. Na een tussenbeschikking, waarin het hof aangaf dat het de minderjarige – inmiddels zeseneenhalf jaar oud (!) – zelf wilde horen, volgde de eindbeschikking op 17 januari 2007 (LJN ZA7099). Tussen de ontvoering en de uitspraak in cassatie waren zeventien maanden verlopen, maar daar kwamen dus nog eens twaalf maanden bij. Op de dag waarop het hof besliste dat het kind toch terug moest naar Italië, verbleef het al tweeëneenhalf jaar in Nederland. Naar verluidt is er inmiddels opnieuw beroep in cassatie ingesteld. Hoe ‘het belang van het kind’ in de zin van het HKOV ook maar moet worden uitgelegd (vgl. mijn noot onder de beschikking van de Hoge Raad in deze zaak, NJ 2006, 545), dat belang wordt beslist niet gediend als het kind na zoveel jaren juridisch touwtrekken alsnog wordt teruggestuurd naar het land van herkomst.
4. Wellicht interessanter dan cijfers over de duur van het procesverloop zijn de rechtsvragen die in deze zaken aan de orde kwamen. Afgezien van procedurele kwesties – bewijslastverdeling, mogelijkheid van getuigenverhoor, devolutieve werking van het appel, etc. – staat in de meeste cassatiemiddelen de uitleg van een bepaling van het HKOV centraal. De meest gebruikte argumenten richten zich op de betekenis van art. 3 en 13 lid 1 onder a enerzijds en op de uitleg van art. 13 lid 1 onder b anderzijds. Tot de eerstgenoemde categorie behoort de stelling dat de vader toestemming had gegeven voor de overbrenging van het kind naar Nederland dan wel dat hij daarin heeft berust (NJ 2000, 450 en 451; NJ 2003, 345; NJ 2007, 0649). Ook wordt nogal eens aangevoerd dat het gezagsrecht uitsluitend aan de moeder toekwam (NJ 2005, 563) of dat de verzoeker het niet daadwerkelijk uitoefende (NJ 2000, 450; NJ 2007, 0542). In twee gevallen (NJ 2006, 545; NJ 2007, 0649) werd betoogd dat de vader had ingestemd met een (voorlopige) terugkeer naar Nederland, waardoor het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland zou hebben gekregen. Van internationale kinderontvoering kan slechts sprake zijn als het kind uit het land van zijn gewone verblijfplaats is meegenomen naar een ander land (vgl. Hof Amsterdam 18 augustus 2005, NIPR 2006, 177: ontvoering vanuit Curaçao naar Nederland; HKOV niet van toepassing).

Argumenten van het tweede type zijn doorgaans gebaseerd op de stelling dat de moeder niet samen met het kind kan terugkeren naar het land van herkomst en dat een scheiding van de moeder het kind in een ondraaglijke toestand zal brengen (NJ 2001, 450; NJ 2006, 232 en 545; en de drie hierboven afgedrukte beschikkingen). Veelal wordt dit argument gekoppeld aan de stelling dat het kind na terugkeer zal worden blootgesteld aan een ernstig lichamelijk of geestelijk gevaar, met name omdat de vader niet in staat geacht wordt de verzorging van het kind op zich te nemen. Mishandeling of seksueel misbruik door de vader werd overigens in geen van de door de Hoge Raad behandelde zaken als argument voor een beroep op art. 13 lid 1b aangevoerd. Wel wordt een enkele keer (NJ 2000, 450 en NJ 2006, 232) het EVRM of het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind in stelling gebracht, in beide gevallen zonder succes. Tot dusver heeft de Hoge Raad geen enkel beroep op de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 onder b gehonoreerd, in weerwil van de beslissingen van het hof (NJ 2006, 545; NJ 2007, 0544) en de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming of andere deskundigen (NJ 2000, 450; NJ 2006, 545; NJ 2007, 0544).


5. Na dit overzicht kan ik kort zijn over de hierboven afgedrukte beslissingen. Zij hebben met elkaar gemeen dat de moeder uiteindelijk in het ongelijk werd gesteld. Voorts was in alle drie de gevallen in appèl betoogd dat het kind door teruggeleiding in een ondraaglijke toestand zou worden gebracht. Dat was echter alleen in de tweede zaak (NJ 2007, 0544) de kern van het cassatieberoep.

In HR 20 oktober 2006 (NJ 2007, 0542) ging het in wezen om de vraag of een voogdij-instelling die de dagelijkse verzorging van het kind aan de moeder overlaat, geacht kan worden haar gezagsrecht daadwerkelijk uit te oefenen in de zin van art. 3 lid 1 onder b en art. 13 lid 1 onder a HKOV. Rechtbank, hof en Hoge Raad waren het hier volkomen eens. Anders dan de moeder had betoogd, mag de ‘daadwerkelijke uitoefening van het gezagsrecht’ niet gelijkgesteld worden aan ‘dagelijkse verzorging en opvoeding’. De Hoge Raad acht beslissend dat de met het gezag belaste persoon of instelling, in casu een Kreisjugendamt in het rayon Düsseldorf, zich – in overeenstemming met de inhoud van het daaraan toegekende gezagsrecht – de belangen van het kind aantrekt, met name door met de feitelijke verzorger van het kind afspraken te maken over diens verzorging en opvoeding en door op de naleving daarvan toe te zien. Het beroep op art. 13 lid 1 onder b kwam in cassatie niet meer aan de orde. Omdat het Jugendamt bereid was de verzorging van de kinderen aan de moeder over te laten mits zij zou meewerken aan een omgangsregeling, oordeelde het hof dat de moeder het zelf in de hand had of zij al dan niet van de kinderen zou worden gescheiden. Overigens heeft de Hoge Raad al meermalen laten blijken niet erg gevoelig te zijn voor het argument dat het kind door een scheiding van de moeder in een ondraaglijke toestand wordt gebracht; vgl. NJ 2001, 450; NJ 2006, 545, alsmede de beide hierna te bespreken beslissingen. Dat hangt samen met het uitgangspunt van het HKOV: het oordeel over gezag en omgang moet worden overgelaten aan de rechter van het land van herkomst; bij de behandeling van een verzoek tot teruggeleiding moet die kwestie buiten beschouwing blijven.


6. In de volgende zaak (NJ 2007, 0649), waarin de moeder weigerde mee te werken aan een teruggeleiding naar Australië, worden in het cassatiemiddel allerlei processuele stofwolken opgeworpen. Maar waar het in de kern om gaat, is de vraag of de vader had ingestemd met een definitief verblijf van het kind in Nederland. Een lastig punt in deze zaak was de bewering van de moeder dat het gezin het plan had zich blijvend in Nederland te vestigen en dat zij hier al meer dan een half jaar met het kind woonde toen zij aankondigde te willen scheiden en in Nederland te willen blijven wonen. Daaruit volgt, aldus de moeder, dat de vader had ingestemd met een definitieve verplaatsing van het gewoon verblijf van het kind naar Nederland. Na het horen van getuigen oordeelde de rechtbank dat de moeder er weliswaar niet in geslaagd was die stelling te bewijzen, maar dat zij desalniettemin op de instemming van de vader had mogen ‘vertrouwen’. Het hof concludeert daaruit dat niet is komen vast te staan dat de vader uitdrukkelijk had ingestemd met een permanent verblijf van het kind in Nederland, zodat hooguit sprake kan zijn van berusting achteraf. Daarbij is niet beslissend, aldus het hof, hoe anderen de gedragingen van de vader hebben opgevat. Er mag alleen gelet worden op ‘objectieve omstandigheden [waaruit] kan worden afgeleid dat de vader – gelet op diens actieve en passieve gedragingen – heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van [het kind] voortaan bij de moeder in Nederland zou zijn’.

In het licht van die omstandigheden – waaronder het feit dat partijen de echtelijke woning in Australië hadden aangehouden, dat er retourtickets waren geboekt, dat het kind vanuit Nederland was aangemeld voor een kleuterschool in Australië – moest worden aangenomen dat de vader slechts had ingestemd met een tijdelijk verblijf in Nederland. De weigering van de moeder het kind naar Australië te laten terugkeren, was dus ongeoorloofd in de zin van art. 3 HKOV. De volgende vraag is dan of de vader zich bij het ‘ongeoorloofd niet doen terugkeren’ had neergelegd, de weigeringsgrond van art. 13 lid 1 onder a. Aangezien de vader, na een vergeefse poging de moeder op andere gedachten te brengen, kort daarna in Australië een procedure omtrent het gezag en het hoofdverblijf van het kind had aangespannen, kan er geen sprake zijn van berusting, aldus het hof. Deze uitleg van het begrip ‘berusting’ is geheel in overeenstemming met het toelichtend rapport op het HKOV, de daarop betrekking hebbende literatuur en de rechtspraak in de kring van de verdragsluitende staten (vgl. conclusie A-G, nr. 36 en 37). De daartegen gerichte rechtsklacht wordt dan ook op die grond verworpen.

Blijft over het beroep op art. 13 lid 1 onder b. De moeder had gesteld dat zij niet samen met het kind naar Australië kon terugkeren omdat zij daar geen inkomen, geen woonruimte en geen sociaal vangnet meer zou hebben. Door scheiding van de moeder zou het kind in een ondraaglijke toestand worden gebracht. Onder verwijzing naar HR 20 januari 2006, NJ 2006, 545 maakt de A-G (nr. 49) korte metten met dit argument: naar heersende opvatting is een eventuele scheiding tussen moeder en kind onvoldoende grond voor een beroep op art. 13 lid 1 onder b. De Hoge Raad zegt het wat vriendelijker – dat de moeder van het kind wordt gescheiden kan bij het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden wellicht wel een weigeringsgrond opleveren – maar de in casu gestelde omstandigheden zijn daartoe niet toereikend.
7. In de zaak betreffende de ontvoering uit Hawaï (NJ 2007, 0544) richtte het cassatiemiddel zich uitsluitend op de uitleg van art. 13 lid 1 onder b. Deze zaak verschilt in zoverre van de twee vorige dat het hof hier, anders dan de rechtbank, had beslist dat het kind in Nederland mocht blijven. Dit oordeel werd gemotiveerd met twee argumenten. In de eerste plaats was niet komen vast te staan dat de moeder bij terugkeer in de Verenigde Staten niet zou worden gearresteerd wegens kinderontvoering, zodat het kind mogelijk langdurig van de moeder zou worden gescheiden. In de tweede plaats nam het hof het de vader bijzonder kwalijk dat hij zowel in Oostenrijk als in Nederland aangifte had gedaan van kinderontvoering, wat niet alleen geleid had tot een traumatische visitatie van moeder en kind aan de Oostenrijkse grens maar ook tot een (nog net door het hof verijdeld) optreden van een arrestatieteam in Amsterdam, notabene na afloop van de behandeling ter zitting. Het hof trok daaruit de conclusie dat de vader zijn eigen belang zozeer boven dat van zijn dochtertje laat prevaleren, dat ernstig gevreesd moet worden dat het kind, als gevolg van gelijksoortig handelen van de vader in de Verenigde Staten, in een ondraaglijke toestand wordt gebracht.

In dit laatste argument leest de Hoge Raad – met de AG –­ een oordeel over de (on)geschiktheid van de vader om met het gezag over het kind belast te blijven. Dat oordeel is echter voorbehouden aan de rechter die over gezag en omgang beslist en mag niet meewegen bij de toepassing van het HKOV. Met betrekking tot het eerste argument oordeelde de Hoge Raad dat degene die een beroep doet op een weigeringsgrond, aannemelijk moet maken dat bijzondere omstandigheden zich tegen de teruggeleiding van het kind verzetten. Volgens het hof had de Centrale Autoriteit onvoldoende aangetoond dat de moeder ongehinderd naar Hawaï kon terugkeren, maar daarmee wordt de bewijslast ten onrechte op de verzoeker gelegd, zo parafraseer ik r.o. 3.6. Het ging hier met name om de verkrijgbaarheid van een zgn. Significant Public Benefit Parole (SPBP), een Amerikaanse uitvinding die het ongewenste vreemdelingen (behalve terroristen en minvermogenden) mogelijk maakt om zonder visum de Verenigde Staten te bezoeken, mits daarmee een Amerikaans belang wordt gediend. Volgens diverse rapporten over de toepassing van het HKOV in de Verenigde Staten wordt een SPBP, mits aangevraagd door een Centrale Autoriteit, vrijwel altijd en binnen een betrekkelijk korte termijn verstrekt. De geldigheidsduur is in beginsel beperkt tot een jaar, hetgeen voldoende zou moeten zijn de ‘child abductor’ in de gelegenheid te stellen te worden gehoord tijdens ‘custody proceedings’ in Amerika. Over immuniteit van strafvervolging heb ik in deze rapporten niets kunnen vinden, maar het woord ‘parole’ suggereert dat voor gevangenneming niet hoeft te worden gevreesd.



Maar ook als de moeder in de onderhavige casus, voorzien van een SBPB, met een gerust hart naar Hawaï had kunnen terugkeren, zou een langdurige scheiding van haar kind niet te voorkomen zijn. Al bij de echtscheiding had de Hawaïaanse rechter bepaald dat het kind niet zonder zijn toestemming buiten Hawaï gebracht mocht worden en dat de ouder die Hawaï definitief zou verlaten nog slechts aanspraak kon maken op een omgangsregeling. En inderdaad, vrijwel onmiddellijk na de ontvoering besliste de Hawaiiaanse family court dat het gezagsrecht voortaan uitsluitend aan de vader toekwam (vgl. Vzgnr. Amsterdam 14 december 2006, LJN AZ4480, waarin werd overwogen dat de moeder zich niet kon verzetten tegen opsporing van het kind met behulp van foto’s op een website, omdat zij niet langer als wettelijk vertegenwoordiger van het kind kon worden beschouwd en de foto’s met toestemming van de vader waren gepubliceerd). Omdat de moeder de Verenigde Staten hooguit nog kan bezoeken om daar een procedure tot wijziging van het gezag te voeren – waarschijnlijk een kansloze zaak – en omdat ook een omgangsregeling buiten Hawaï wel niet tot de mogelijkheden zal behoren, zullen moeder en kind elkaar waarschijnlijk niet meer terugzien voor het kind meerderjarig is geworden.
8. Ik ben bang dat een ontvoering veel vaker zal leiden tot een definitieve scheiding tussen de ontvoerder en zijn of (meestal) haar kind dan we op grond van het HKOV zouden willen geloven. Het verdrag is immers gebaseerd op het uitgangspunt ‘eerst terug, dan praten’, ofwel: de vraag wie het beste voor het kind kan zorgen, moet worden voorgelegd aan de rechter van het land van waaruit het kind ontvoerd is. In de praktijk blijkt dat die rechter veelal al gesproken hééft, zodat er na de teruggeleiding niet veel meer te praten valt. Bovendien zal een rechter die het gezagsrecht al heeft toegekend aan de achtergebleven ouder (vgl. NJ 2004, 345; NJ 2006, 232 en 545; NJ 2007, 0544) of aan een voogdij-instelling (NJ 2007, 0542), niet gauw geneigd zijn daarin verandering te brengen ten gunste van de ontvoerende ouder. Ik vraag mij dan ook af – zeker gelet op de langdurige periode waarin over teruggeleiding kan worden geprocedeerd – of het wel zo vanzelfsprekend is dat de rechter van het land van herkomst van het kind altijd het laatste woord heeft inzake gezag en omgang, zoals art. 10 jo. 11 lid 8 van de Verordening Brussel II-bis uitdrukkelijk bepaalt. De weigeringsgrond van art. 12 lid 2 HKOV (geen teruggeleiding als er na de ontvoering meer dan een jaar is verstreken en het kind intussen in zijn nieuwe omgeving is geworteld) bewijst dat er op de regel ‘eerst terug, dan praten’ wel degelijk een uitzondering kan worden gemaakt. Zo’n uitzondering is wellicht óók gerechtvaardigd als er sinds de ontvoering meer dan een jaar verstreken is, ongeacht de datum waarop het teruggeleidingsverzoek is ingediend, en als mag worden aangenomen dat de ontvoerende ouder in het buitenland geen kans maakt op een gezagswijziging en een eventuele omgangsregeling praktisch onuitvoerbaar is.

Ik besef maar al te goed dat deze suggestie indruist tegen de uitgangspunten van het HKOV en van de Brussel II-bis verordening. Daar staat tegenover dat diezelfde uitgangspunten eigenlijk geen ruimte bieden voor een gezagswijziging ten gunste van de achtergebleven ouder voordat er op het teruggeleidingsverzoek is beslist – want dan valt er na terugkeer van het kind over het gezag niet meer te ‘praten’ – en ook niet voor een voortgezette bevoegdheid van de rechter van het land van herkomst van het kind als het de facto al (veel) langer dan een jaar in een ander land verblijft – want dan is er geen sprake meer van een onmiddellijk herstel van de status quo ante. Het eerste probleem zou kunnen worden opgelost door een verplichting tot aanhouding van verzoeken tot gezagswijziging totdat er elders over de teruggeleiding is beslist. Voor het tijdsprobleem zou ik de oplossing eerder zoeken in een beperking van de tot nu toe beschikbare rechtsmiddelen dan in een (verdere) verkorting van de door partijen en rechter in acht te nemen termijnen. Maar gelet op de zelfvoldane reacties op de werking van het HKOV (zie o.a. de rapporten van de Special Commission on Child Abduction van de Haagse Conferentie, www.hcch.net, laatstelijk doc. préliminaire no. 19, Maart 2007) valt er op internationaal of Europees niveau waarschijnlijk niet over dit soort suggesties te praten. Dat hoeft ons echter niet te beletten nog eens na te denken over mogelijkheden tot verbetering die in ons eigen procesrecht besloten liggen.


Dovnload 35.99 Kb.