Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Iedereen is een astronaut

Dovnload 28.93 Kb.

Iedereen is een astronaut



Datum27.11.2017
Grootte28.93 Kb.

Dovnload 28.93 Kb.

Jan van den Dobbelsteen

“Iedereen is een astronaut” luidt de titel in glimmend paars op de kaft van een boekje dat niet groter is dan een zakagenda. Of iedereen zich daar mee kan identificeren valt te betwisten, maar het is in ieder geval een terechte noemer voor ‘ruimteverkenner’ en maker van het boek; Jan van den Dobbelsteen. Een ‘ruimte’ die ontstaat, ondervraagd wordt en vorm krijgt, door middel van muziek, schilderkunst, geluidsexperimenten en videokunst. Hij laat zich door geen enkele techniek of discipline weerhouden om zijn eigen universum te creëren.

Van ‘dimensie naar dimensie’ vond plaats op 28 september 1954, toen Van den Dobbelsteen geboren werd in Waalre, Noord-Brabant.


Hij koos in 1973 voor een opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten St-Joost in Breda en volgde daar lessen op de afdeling tekenen, schilderen en monumentale vormgeving. Een combinatie die goed aansloot bij de wensen van Van den Dobbelsteen; “Mijn interesse lag al vroeg bij architectuur, ik ben daar nog steeds veel mee bezig.” Daarna, in 1978, startte hij na wat wikken en wegen, maar vooral met een ontevreden gevoel over de afgelopen jaren, aan een 2 jarige postacademische opleiding aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Een plek waar veel gebeurde én waar ze als een van de eerste videostudio’s en camera’s hadden; iets wat doorslaggevend was in zijn keuze.
Als beginnend kunstenaar stond Van den Dobbelsteen nog nét op de rand van de rumoerige jaren 80 om vervolgens zijn eerste stappen te zetten in een tijd waarin kunstenaars zich voorzagen van nieuwe visies en nieuwe mogelijkheden die geen aansluiting meer vonden bij het daarvoor heersende modernisme. Deze tijd wordt door Van den Dobbelsteen omschreven als een BOM van energie. Na zijn afstuderen rolde hij gemakkelijk door naar organisaties en plekken waar tentoonstellingen werden gehouden. Er waren genoeg mensen die een samenwerking met Van den Dobbelsteen wel zagen zitten. “Door ontmoetingen en contacten is mijn praktijk verlopen. De ene tentoonstelling liep weer uit op een volgend project of tentoonstelling en dat is nog steeds een ‘un-going’ thing”.
Er was ook écht wel sprake van conflicten en bezuinigingen, net als nu eigenlijk, maar het waren ook de hoogtijdagen van de kunstwereld. Van den Dobbelsteen heeft in 1984 een tijdje in New York gewoond waar op dat moment het galeriewezen en de kunsthandel ‘booming’ waren. Er gebeurde ontzettend veel in die tijd zoals bijvoorbeeld de opkomst van organisaties en kunstenaarsinitiatieven en de opkomst van de kraakbeweging. Met veel van deze organisaties heeft Van den Dobbelsteen samengewerkt. Hij maakte toentertijd voornamelijk grote installaties. “Ik nam alles aan wat me beviel en de ruimte gaf om op mijn manier kunst te maken”, bovendien was het ook een bron van inkomsten. Opdrachten waar Van den Dobbelsteen vaak voor solliciteerde, waren opdrachten voor kunst in de openbare ruimte; monumentale vormgeving. “Fantastisch om kunst te maken voor een specifieke plek, maar wel vanuit mijn eigen ideeën en filosofieën over een werk en de zaken waar ik me mee bezig wil houden.”
Kunstenaars namen in de jaren 80 het heft in eigen handen en bewogen zich steeds meer tussen de officiële museum- en galeriewereld. Op deze manier ontstonden er ateliers en nieuwe ruimtes om te exposeren. Het was een levendige en bewegende toestand.

Het steeds groter groeiende ‘universum’ van Van den Dobbelsteen, is samen te vatten in een complex geheel dat een behoorlijk aantal disciplines omarmt, zoals muziek, schilderkunst, geluidsexperimenten, architectuur en videokunst. Bij het zoeken naar een relatie tussen zijn werken en de tijd waarin ze gemaakt zijn, valt het op dat de tekeningen en schilderijen de abstracte beeldtaal van minimal art en de fundamentele schilderkunst bevatten; stromingen die hun glorietijden al eerder hadden genoten en in de jaren 80 voornamelijk onbeantwoord bleven. Er vond toentertijd een verandering in denkwijze en mentaliteit plaats, die geen aansluiting meer vond bij het modernisme. Men geloofde niet meer in een maakbare wereld opgebouwd uit en verklaard door regels en wetten.



Op het gebied van kunst ontstond er aandacht voor ontwikkelingen die eerder in de kunstgeschiedenis plaatsvonden; in tegenstelling tot de modernisten die vonden dat ontwikkeling alleen mogelijk was wanneer men afstand deed van het verleden.
Zo was er bijvoorbeeld een opleving van de schilderkunst, onder de naam De Nieuwe Wilden, waarbij het ging om een nieuwe vorm van expressionisme.
Wat ik dus over het hoofd zag, is het gegeven dat Van den Dobbelsteen een ‘kind’ van de jaren 70 is en hier dus ook bagage uit meegenomen heeft. “Mijn beeldtaal is minimalistisch en abstract. Ik heb wel eens ooit figuratie gebruikt, maar nooit letterlijk. Een mensfiguur bijvoorbeeld, alleen dan geabstraheerd als een symbool.”

Het ‘eindexamen’ op het St-Joost van Van den Dobbelsteen bestond uit sculpturen en schilderijen waarin het onderzoek en spel, van en mét de ruimte heel belangrijk waren; “in dat geval was/ben ik een echte installatiekunstenaar.” Heel veel werk ging en gaat over kijken, perspectief, tweedimensionaal versus driedimensionaal en hoe verhouden deze dimensies zich met elkaar. Zo ook in het werk wat te zien is in de catalogus, maar ook de twee werken in de tentoonstelling: Ellips I en Ellips II uit 1981.
De naamloze tekeningen die alleen in de catalogus staan, zijn gemaakt naar aanleiding van houten kruizen met een specifieke maat. De zijdes van het kruis werden beplakt met een strook papier waar met aquarel stippen en strepen opgezet werden. In eerste instantie zie je ‘plat’, maar een kruis van hout heeft een lengte, breedte en diepte en daarmee wordt de tweedimensionale ervaring ondervraagd. De kruizen werden weer op papier gelegd en met potlood omlijnd. Hier gaat het dus wederom om het spel tussen tweedimensionaal en driedimensionaal.
De twee grote werken die naast de catalogus ook in de tentoonstelling te vinden zijn, hebben met de tekeningen, eerder in deze tekst beschreven, grote overeenkomsten. Het zijn twee grote ingelijste papieren vellen, waar met houtskool op ieder blad een ellips-vorm is getekend. De een is egaal zwart, de ander bestaat uit twee parallel lopende ringen in zwarte lijnen waardoor er een tussenruimte ontstaat die niet gekleurd is. Een minimalistisch beeld dus.
Van den Dobbelsteen heeft toentertijd gewerkt op papier wat hij vond op locatie, daarom zijn ze van verschillende grote en kleur. Ellips I is 100cm x 159cm en Ellips II is 100cm x 140cm.
Helaas zijn deze werken onderdeel van een groter geheel, wat niet meer ‘bestaat’ en de locatie van de andere 14 tekeningen is momenteel onbekend.
In een galerie in Nijmegen, waar toentertijd zijn oud-docent Geert-Jan van Oostende een expositie had, heeft Van den Dobbelsteen een ruimte ter beschikking gekregen. Op de vloer, langs de wanden, tekende hij een ellips-vorm en aan de muur hing hij 16 tekeningen van verschillend formaat met op 'gevonden' papier hetzelfde gebaar in houtskool. Het gaat hier om een onderzoek naar vorm en verhouding, tweedimensionaal aan de wand en tweedimensionaal op de vloer. Zou je je focussen op een van de twee, bijvoorbeeld alleen op de vloer, dan zie je alleen de vorm en het 'platte', kijk je verder dan dat en neem je de vloer ook mee in je zicht, zie je dat het totaal een driedimensionaal beeld vormt. Er zijn meerdere interpretaties van vorm en ruimte mogelijk.
Deze combinatie van dimensies maar ook ruimte-gebonden aspecten komen duidelijk naar voren in de monumentale vormgeving, waarbij het ook nog gaat om textuur, licht en architectuur; hoe verhouden ze zich tot elkaar en tot de omgeving. Dit wordt, later vaak in combinatie met geluid, gevangen in complexe installaties.
Deze laatste beschrijving staat in grote overeenstemming met het oeuvre van Van den Dobbelsteen: “Bezoekers zien een tentoonstelling van mij als een groot geheel, een groot universum.” Alle elementen verhouden zich tot elkaar, waardoor het soms lastig lijkt daar één object uit te halen.

Het interessegebied en de onderzoeksdrang van Van den Dobbelsteen is groot. Belangrijke aspecten uit het werk met betrekking tot de jaren 70 blijven aanwezig (nadruk op vorm, monochromatisch, kleur, lijn en de verhoudingen daartussen), maar worden met de jaren steeds meer gecombineerd met andere belangstellingen en invloeden.


Een voorbeeld daarvan is muziek, een interesse die ver teruggaat, maar zich lange tijd afzijdig hield. In 1973 worden er talloze opnames gemaakt die nooit zijn uitgebracht. Muziek was voor Van den Dobbelsteen niet iets om geld mee te verdienen, dat werd verdiend met andere projecten. In 1978 ontstaat het label Cosmic Volume, wat vrij snel daarna opgedoekt wordt om het in 1990 weer nieuw leven in te blazen. Steeds meer vormt geluid een terugkerend element in zijn installaties. Hij brengt onder dit label experimentele geluidswerken en muziek uit; soms onafhankelijk, soms in het kader van een installatie. “ Ik vind dat muziek best kan functioneren zonder installatie.” Onlangs kwam er een nieuwe single uit, die niet alleen auditief de geest voedt, maar ook visueel. Want zowel de platen als de covers zijn met zorg vormgegeven.

Ook heeft de kunstenaar zich in de afgelopen jaren uitgebreid verdiept in bepaalde filosofische en religieuze bewegingen, zonder dat dat in het beeld expliciet naar voren komt. Dit komt tot uiting in de abstractie die in het werk zo sterk aanwezig is.


Het gaat Van den Dobbelsteen hier ook niet om de schildertechniek, of alleen om de vorm, lijn en kleur. Het gaat om een bepaalde essentie, ‘het fundament’, dat zich verder uitstrekt dan de grenzen van het visuele. “Het gaat altijd verder dan je in eerste instantie ziet.” Hij gaat opzoek naar de metafysische ideeën en verborgen krachten die in alle materie besloten ligt en daarmee vinden zijn ideeën aansluiting bij de fundamentele schilderkunst.
Een voorbeeld daarvan is kleur, wat in het werk van Van den Dobbelsteen niet alleen het visuele gegeven is; er zit een bepaalde symboliek achter. Van den Dobbelsteen ging onder andere op onderzoek in andere culturen en legt de verschillende bevindingen over een kleur naast elkaar. De antwoorden/conclusies worden uiteindelijk weer verwerkt in een nieuw beeld. Deze werkwijze strekt zich ook uit over andere disciplines. Later worden de uiteenlopende betekenissen en antwoorden van verschillende onderzoeksvragen steeds meer in combinatie toegepast in beelden en installaties. Het is te vergelijken met een archief, in dit geval eentje met een heleboel tabbladen, waarin alle kennis wordt opgeslagen en waar je naar hartenlust in kan bladeren. Echter is er maar één iemand die toegang heeft tot dit archief en dat is de ‘boekhouder’ zelf.
Ik hoef niets te verantwoorden want ik ben geen wetenschapper. Ik hoef niet te bewijzen dat die kleur iets te betekenen heeft, dat hoef ik alleen maar voor mezelf te weten. Als jij er een bepaalde schoonheid in ziet, dan ben je zo vrij om daar een mening over te hebben.”

Samen met vrouw en ‘collega’ Danielle Lemaire werkt hij al 20 jaar aan gezamenlijke projecten onder de noemer JaDaLand. Toch is Van den Dobbelsteen iemand die voornamelijk solo opereert. In een levenslang onderzoek vormt Jan van den Dobbelsteen zijn eigen wereld.
“Het is menselijk om vragen te stellen over het leven. Waar komt het vandaan en wat is dan die planeet? Uiteindelijk komen mijn vragen daar vandaan. Iedereen zoekt antwoorden op zijn eigen manier.”
De werkwijze van Van den Dobbelsteen wordt gekenmerkt door nieuwsgierigheid en grenzeloze uitdagingen, waarin hij zich door geen enkele techniek of discipline laat weerhouden. Toch worden er wel keuzes gemaakt : “Ik heb maar vierentwintig uur per dag, zeven dagen in de week waarin alles moet gebeuren”.



Onderwijs

Vanuit zijn ‘Einzelgänger’ bestaan besloot Van den Dobbelsteen toch 27 jaar geleden, op verzoek van Chris Manders, om naast het autonoom kunstenaarschap een dag in de week te gaan doceren aan de academie in Tilburg. Dit was in eerste instantie een vrij praktische overweging. Ondertussen hadden vier kinderen een plek gevonden in het leven van Van den Dobbelsteen en werd de BKR-regeling steeds verder teruggedraaid. Er moest meer inkomen verworven worden uit je kunsten om daarvan te kunnen leven. Daarnaast vormde het een uitdaging om de confrontatie aan te gaan met de niet veel jongere beginnend kunstenaars.


“Wat heb ik hun te vertellen? Wat sta ik hier te doen!”
Ondanks dat Van den Dobbelsteen nooit gedacht had in de rol van docent te passen, heeft het zich ontwikkeld tot een positieve ervaring. “Ik heb nooit overwogen om ermee op te houden.” Naast het docentschap in Tilburg, start hij twee jaar later ook aan het St-Joost in Breda om een master-opleiding beeldende kunst op te zetten.
De kennis die Van den Dobbelsteen tot op heden doorgeeft is voornamelijk op gebied van 2D, zowel binnen ArtCoDe als de docentenopleiding. Met het vak tekenen is het toentertijd begonnen. “Ik tekende zelf ook veel. Tekenen is de bron van al het andere werk. Of je nu games maakt of schildert.”
Het vertrekpunt binnen zijn lessen waren altijd tekeningen, tekeningen die later ook uitgebreid besproken werden. Het ging dan voornamelijk over de inhoud van het beeld.
“Het interesseert me niet of de student een anatomisch correct poppetje in elkaar kan zetten, maar wel waarom? Waarom wil je die anatomie zo exact? Punten als de inhoud van je beeld, welke beslissingen je genomen hebt en welke basis deze hebben, waren belangrijk om het over te hebben. Deze basis hoeft overigens echt niet altijd gebaseerd te zijn op lange studies in de bibliotheek, een onderzoek kan ook heel intuïtief van aard zijn.

Met de inhoud heeft Van den Dobbelsteen geen idee voor ogen. Hij houdt zijn eigen praktijk dan ook volkomen gescheiden van de lessen aan zijn studenten.


De wisselwerking die plaatsvindt tussen de twee partijen zit hem in de kunstenaar-student verhouding.
“Ik ben totaal niet geïnteresseerd om studenten af te leveren die kleine Jan van den Dobbelsteentjes maken.”
Hoe meer klassikaal het onderwijs, hoe minder het passend is voor de manier waarop Van den Dobbelsteen les wil geven. Hij pleit voor gelijkwaardigheid in gesprekken met studenten over het werk wat ze maken. Zijn voorkeur gaat daarom ook uit naar de 4e jaars, omdat de vorm van lesgeven veel vrijer is en studenten ‘weten wat ze willen’. Toch was het het verbale aspect aan docentschap , wat het begin zo lastig maakte. Hij startte als docent vanuit een soort kluizenaarpositie, wél midden in de wereld, maar alles gebeurde vanuit een soort eenlingen opvatting over hoe dingen tot stand moesten komen. Als docent verwachten studenten iets van je, je staat daar blijkbaar omdat je iets weet. Om de processen en kennis in het hoofd verbaal te maken, ging niet zonder slag of stoot. "Ik heb er ook niet voor geleerd, ik heb het me echt zelf moeten leren. Het ging verder wel goed hoor." Wat vanzelfsprekend lijkt als je al 27 jaar voor de klas staat.

Het onderwijs aan de academie onder leiding van Chris Manders was volgens Van den Dobbelsteeen revolutionair. Er werden op dat moment hele andere docenten naar de academie gehaald, dan de oude-garde die voorheen had lesgegeven. Overigens hebben deze toentertijd wel de academie op de kaart weten te zetten. Manders was op zoek naar jong talent als Marlene Dumas en Rene Daniels waarvan de laatste volgens Van den Dobbelsteen een kenmerkende invloed heeft gehad op de studenten. "Dan heb ik het over het literaire, het denken en doen en de manier van schilderen die het werk van Daniels zo kenmerkte"



Uit de openheid die er toen heerste op de academie zijn goede vriendschappen ontstaan. Deze oud-studenten en huidige vrienden die toentertijd de docentenopleiding volgden, zijn opmerkelijk genoeg niet werkzaam binnen het onderwijs. Velen daarvan hebben een baan op een ander vlak binnen de kunstwereld.
Het 'aanbod' van de academie zag er halverwege de jaren 80 ook anders uit. Van den Dobbelsteen heeft de tijd nog gekend dat studenten konden kiezen tussen een autonome- of docentenopleiding. Maar ook bij de docentenopleiding bleef het beeldende gedeelte niet achter op het theoretische deel. Je was dus kunstenaar en docent, niet een combinatie van beiden; dat was de filosofie van Manders.
De positie en kwaliteit van de docentenopleiding toen, was en is nog steeds een gevoelig onderwerp binnen de academie. Niet iedereen bevestigt dan ook de kwaliteit van het onderwijs in de jaren 80.
Later werd de toestemming voor een autonome opleiding ontnomen. Studenten die autonoom wilde werken moesten naar ArtCoDe of naar een andere academie. " De veranderingen politiek gezien en hoe het onderwijs daar afhankelijk van is, heb ik allemaal meegemaakt." 1





bronnen

literatuur

Dobbelsteen, Jan van den,.[1993]. Iedereen is een astronaut. Nijmeegs museum "Commanderie van St. Jan" Nijmegen.

Dobbelsteen, Gerard van den, & Riemsduk-Zandee, Trudy van,.[1990]. De bron: een tentoonstelling van Gerard van den Dobbelsteen en Jan van den Dobbelsteen, Artis ' S Hertogenbosch

Bax, Marty, & Trappeniers, Maureen. [1994]. De eigen tijd. Noord-Brabants Museum 'S Hertogenbosch

De Visser, Ad. [2005]. De tweede helft. Beeldende kunst na 1945. Uitgeverij SUN Amsterdam

Artikelen

Jonker, Leonor. [2010,december]. Jan van den Dobbelsteen. Schepper van een eigen universum. blz. 66 t/m 69. GONZO # 100
Website

Dobbelsteen, Jan. Jan van den Dobbelsteen.



Interview

Baars, Dagmar,[2012, 13 november]. Interview met Jan van den Dobbelsteen. Fontys Academie voor Beeldende Vorming Tilburg








1 Citaten en informatie n.a.v. interview met Jan van den Dobbelsteen op 13 november 2012


Dovnload 28.93 Kb.