Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


II. artikelsgewijze toelichting

Dovnload 184.19 Kb.

II. artikelsgewijze toelichting



Pagina1/5
Datum02.01.2019
Grootte184.19 Kb.

Dovnload 184.19 Kb.
  1   2   3   4   5

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I
Artikel I, onderdelen A en B (artikelen 3.42 en 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
De artikelen 3.42, derde lid, en 3.42a, derde lid, van de Wet IB 2001 bepalen het percentage van de energie-investeringsaftrek (EIA), onderscheidenlijk de milieu-investeringsaftrek (MIA), wanneer een ondernemer in een jaar meer dan € 2300 aan energie- respectievelijk milieu-investeringen pleegt. Gelet op de eveneens in dit wetsvoorstel voorgestelde verhoging van het minimuminvesteringsbedrag per energie- en milieu-investering naar € 2500, verliezen de grenzen in voornoemde artikelen hun betekenis en kunnen deze derhalve vervallen.
Artikel I, onderdelen C, D en E (artikelen 3.43, 3.45 en 3.47 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Het minimuminvesteringsbedrag ten aanzien van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) blijft gehandhaafd op € 450. Om het minimuminvesteringsbedrag voor de toepassing van de EIA en de MIA te verhogen, komt de voor alle investeringsaftrekken geldende vermelding hiervan in artikel 3.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 te vervallen, onder verlettering van de onderdelen b tot en met h van dat lid tot onderdelen a tot en met g. Dit is opgenomen in artikel I, onderdeel D, onder 1.

Ingevolge artikel I, onderdeel D, onder 3, wordt het minimuminvesteringsbedrag voor de KIA (€ 450) opgenomen in artikel 3.45, tweede lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 en ingevolge artikel I, onderdeel D, onder 5, wordt het minimuminvesteringsbedrag voor de EIA en de MIA (€ 2500) opgenomen in artikel 3.45, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001. In artikel I, onderdelen C, D, onder 2 en 6, en E, zijn enige technische wijzigingen opgenomen, die voortvloeien uit de wijzigingen in artikel I, onderdeel D,, onder 1 en 5.

Ten slotte wordt in artikel I, onderdeel D, onder 4, voorgesteld artikel 3.45, derde lid, van de Wet IB 2001 zodanig te wijzigen dat de MIA toepassing kan vinden op kwalificerende investeringen in woonhuizen en woonschepen.
Artikel I, onderdeel F (artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Ingevolge het in artikel XIV, onderdeel C, opgenomen artikel 33a, eerste lid, van de Successiewet 1956 (SW 1956) wordt de vrijstelling in de schenkbelasting tijdelijk uitgebreid voor schenkingen die gerelateerd zijn aan de verkrijging van een eigen woning, voor de kosten van verbetering of onderhoud van die woning, ter zake van de afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming met betrekking tot die woning dan wel voor de aflossing van een eigenwoningschuld of voor de aflossing van een restschuld van een vervreemde eigen woning. Artikel 3.119a van de Wet IB 2001 wordt in overeenstemming hiermee aangepast.
Artikel I, onderdeel G (artikel 8.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Met de wijziging van artikel 8.10 van de Wet IB 2001 wordt in de eerste plaats uitvoering gegeven aan de motie Zijlstra/Samsom1 waarin is opgenomen dat de algemene heffingskorting wordt afgebouwd met uiteindelijk 3% van het inkomen uit werk en woning gelegen tussen het begin van de tweede en het einde van de derde schijf. Deze afbouw wordt grotendeels overeenkomstig genoemde motie gefaseerd over drie jaren ingevoerd. In 2014 geldt een afbouw met 2% van het genoemde inkomenstraject.

In afwijking van de genoemde motie vindt de afbouw vanaf 1 januari 2015 zonder begrenzing plaats; de bovengrens van het inkomenstraject waarover de afbouw wordt berekend (het bedrag van het einde van de derde schijf) vervalt. Dit betekent dat de algemene heffingskorting vanaf een bepaald inkomen (uitgaande van de huidige tariefschijven vanaf circa € 120.000 in 2015 en vanaf circa € 90.000 vanaf 2016) nihil bedraagt. In 2015 geldt een afbouw met 2,1% van het genoemde inkomenstraject (artikel II, onderdeel J) en in 2016 een afbouw met – eveneens in afwijking van de genoemde motie - 3,05% van het genoemde inkomenstraject (artikel III, onderdeel C).

Voorts regelt de wijziging van artikel 8.10 van de Wet IB 2001 de verhoging van het maximumbedrag van de algemene heffingskorting voor 2014 met € 138. Doordat in het Belastingplan 2012 reeds een verlaging (met € 39) van het maximumbedrag van de algemene heffingskorting voor het jaar 2014 was opgenomen, wijkt het ingevolge de wijzigingsopdracht per 1 januari 2014 te vervangen bedrag (€ 1962) af van het voor het jaar 2013 geldende maximumbedrag van de algemene heffingskorting (€ 2001).

Het maximumbedrag van de algemene heffingskorting wordt ook in de jaren tot en met 2017 gewijzigd (zie artikel II, onderdeel J, artikel III, onderdeel C, en artikel IV, onderdeel A). In het algemeen deel van deze memorie worden deze maatregelen nader toegelicht.


Artikel I, onderdelen H, J en K, artikel II, onderdeel K, artikel III, onderdeel D, artikel IV, onderdeel B, artikel V, onderdeel F, artikel VI, onderdeel D, artikel VII, onderdeel D, en artikel VIII, onderdeel B (artikelen 8.11, 10.1 en 10.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964)
Met de in artikel I, onderdelen H, J en K, artikel II, onderdeel K, artikel III, onderdeel D, artikel IV, onderdeel B, artikel VI, onderdeel D, artikel VII, onderdeel D, en artikel VIII, onderdeel B, opgenomen wijzigingen van de artikelen 8.11, 10.1 en 10.7 van de Wet IB 2001 en artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) wordt uitvoering gegeven aan het regeerakkoord2, de eerder genoemde motie Zijlstra/Samsom en het aanvullend pakket. Met deze wijzigingen wordt de arbeidskorting voor de lagere inkomens in vier jaarlijkse stappen verhoogd. Voorts wordt, overeenkomstig genoemde motie, de arbeidskorting voor hogere inkomens in twee jaar verder afgebouwd naar nihil. Een en ander is nader toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.
Artikel I, onderdeel I (artikel 9.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Het vervallen van artikel 9.2, vierde lid, van de Wet IB 2001 en de daaruit voortvloeiende aanpassing van de verwijzing in het tot achtste lid te vernummeren negende lid van dat artikel hangen samen met de voorgestelde afschaffing van de zogenoemde stamrechtvrijstelling.
Artikel I, onderdeel J (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In artikel 10.1 van de Wet IB 2001 kan de verwijzing naar artikel 3.42a van die wet vervallen, omdat in dat artikel 3.42a niet langer een bedrag is opgenomen waarop de inflatiecorrectie moet worden toegepast. De andere wijziging in dit artikel hangt samen met de in artikel I, onderdeel H, opgenomen wijziging van artikel 8.11 van de Wet IB 2001.
Artikel I, onderdeel L (artikel 10a.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In het nieuwe artikel 10a.13 van de Wet IB 2001 wordt het bij het vervallen van artikel 9.2, vierde lid, van de Wet IB 2001 behorende overgangsrecht opgenomen.
Artikel I, onderdeel M (artikel 10b.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Met deze wijziging van artikel 10b.1 van de Wet IB 2001 wordt, zoals in het algemeen deel van de memorie is uiteengezet, een horizonbepaling voor de EIA, MIA en willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil) opgenomen.

Artikel II
Artikel II, onderdeel A (artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In beginsel wordt een persoon die geen inwoner is van Nederland voor de Wet IB 2001 niet als partner aangemerkt. Als de persoon echter door gebruikmaking van de keuzeregeling voor buitenlands belastingplichtigen (artikel 2.5 van de Wet IB 2001) kiest voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige, kan die persoon op grond van het huidige artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 wel als partner worden aangemerkt. Het kabinet stelt voor om de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen te laten vervallen. Ter vervanging van de keuzeregeling wordt een regeling voorgesteld voor buitenlandse belastingplichtigen die voldoen aan bepaalde criteria (kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen; zie het nieuwe artikel 7.8 van de Wet IB 2001, opgenomen in artikel II, onderdeel I, en de toelichting daarop). De hoofdregel daarbij is dat een buitenlandse belastingplichtige een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is als zijn inkomen geheel of nagenoeg geheel (ten minste 90%) in Nederland onderworpen is aan de heffing van loon- of inkomstenbelasting. Het partnerbegrip in artikel 1.2 van de Wet IB 2001 wordt op deze transitie aangepast.

Het voorgestelde artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 bepaalt dat een persoon die geen inwoner is van Nederland, niet als partner van de belastingplichtige kan worden aangemerkt. Op deze regel zijn twee uitzonderingen. De eerste uitzondering geldt voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen in de zin van het nieuwe artikel 7.8 van de Wet IB 2001 (artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, onder 1o, van de Wet IB 2001). De tweede uitzondering geldt voor een inwoner van een lidstaat van de EU, een andere staat die partij is bij de EER, Zwitserland of de BES eilanden welke inwoner geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is maar voldoet aan de voorwaarde dat 90% of meer van het gezamenlijke inkomen van hem en de belastingplichtige met wie hij als partner aangemerkt wil worden in Nederland aan de heffing van inkomstenbelasting of loonbelasting is onderworpen. Bij de berekening van dit inkomenscriterium moet worden aangesloten bij het vijfde lid van het hiervoor genoemde artikel 7.8 van de Wet IB 2001. Voornoemde twee groepen buitenlandse belastingplichtigen kunnen wel als partner voor de inkomstenbelasting worden aangemerkt. Hierna volgen enkele voorbeelden ter verduidelijking.


Voorbeeld 1

A woont in België en heeft een inkomen van 1000, waarvan 990 in Nederland is belast. Het in Nederland belaste deel is meer dan 90%, dus A is kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. B is de echtgenoot van A. B woont eveneens in België en heeft alleen een Belgisch inkomen van 500. Op grond van artikel 5a, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt de echtgenoot als partner aangemerkt. In afwijking hiervan bepaalt artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 dat een persoon die geen inwoner is van Nederland niet als partner wordt aangemerkt. De hierop voorziene uitzonderingen in laatstgenoemde bepaling gelden niet voor B. B is namelijk geen kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Evenmin verdienen A en B gezamenlijk meer dan 90% van het inkomen in Nederland. Van het gezamenlijke wereldinkomen van 1500 wordt immers slechts 990 in Nederland verdiend. B wordt voor de Wet IB 2001 dus niet als partner van A aangemerkt.


Voorbeeld 2

Als B, anders dan in voorbeeld 1, een inkomen heeft van 500, waarvan 490 in Nederland, wordt B wel als partner van A aangemerkt. Omdat B in België woont en meer dan 90% van het inkomen in Nederland verdient, is B een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Daarom geldt de uitsluiting voor het partnerschap voor niet-inwoners van Nederland in dit geval niet op grond van het voorgestelde artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, onder 1o, van de Wet IB 2001.


Voorbeeld 3

Als B, anders dan in voorbeeld 1, alleen een Belgisch inkomen heeft van 50, wordt B eveneens als partner van A aangemerkt, ook al is B geen inwoner van Nederland en heeft hij geen Nederlands inkomen. De uitsluiting voor het partnerschap voor niet-inwoners van Nederland geldt in dit geval niet, op grond van het voorgestelde artikel 1.2, vierde lid, onderdeel b, onder 2o, van de Wet IB 2001. A en B verdienen namelijk tezamen meer dan 90% van het gezamenlijk inkomen in Nederland. Van het gezamenlijke wereldinkomen van 1050 wordt immers 990 in Nederland verdiend.


Artikel II, onderdeel B (artikel 2.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Dit wetsvoorstel voorziet in de introductie van een regeling voor buitenlandse belastingplichtigen die aan bepaalde criteria voldoen (kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen). Deze regeling dient ter vervanging van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen zoals opgenomen in artikel 2.5 van de Wet IB 2001. Laatstgenoemd artikel kan dientengevolge vervallen.
Artikel II, onderdeel C (artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Dit wetsvoorstel strekt er mede toe om de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen te laten vervallen. Deze regeling wordt vervangen door een regeling voor buitenlandse belastingplichtigen die aan bepaalde criteria voldoen (kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen). Deze categorie belastingplichtigen wordt ingevoegd in de laatste volzin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet IB 2001. Dit betekent dat kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen recht hebben op de volledige heffingskortingen, als zij het gehele jaar kwalificeren als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Voor zover de hoogte van de heffingskortingen afhankelijk is van het inkomen, wordt voor het bepalen hiervan het inkomen zoals berekend volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen in aanmerking genomen. Hiermee wordt aangesloten bij de berekening die geldt voor binnenlandse belastingplichtigen, zodat geen ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen binnenlandse en kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen.
Artikel II, onderdelen D en E, artikel III, onderdelen A en B, VI, onderdelen A en B, en artikel VII, onderdelen A en B (artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbelasting 1964)
De wijzigingen opgenomen in artikel II, onderdelen D en E, artikel III, onderdelen A en B, VI, onderdelen A en B, en artikel VII, onderdelen A en B, betreffen aanpassing voor de jaren 2015 en 2016 van het tarief van de eerste schijf van de inkomsten- en loonbelasting, zoals dat vanaf 1 januari 2015 is opgenomen in de tarieftabel van de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, van de Wet IB 2001 en in de tarieftabel van de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, van de Wet LB 1964. De aanpassing behelst het verlagen in de inkomsten- en loonbelasting van het tarief van de eerste schijf met 0,29%-punt in het jaar 2015 en het verhogen van het tarief van de eerste schijf met 0,06%-punt in het jaar 2016. Deze wijzigingen maken deel uit van het pakket maatregelen voor de jaren 2015 tot en met 2017 zoals dat is opgenomen in het regeerakkoord, de motie Zijlstra/Samsom en het aanvullend pakket.
Artikel II, onderdeel F (artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat een belastingplichtige die gedurende een deel van het jaar een partner heeft, kan kiezen voor het partnerschap voor het hele jaar. Dit geldt niet als de belastingplichtige of zijn partner als gevolg van emigratie of immigratie niet het gehele kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en niet kiest voor toepassing van artikel 2.5 van de Wet IB 2001 (de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen). Voorgesteld wordt om met ingang van 1 januari 2015 deze keuzeregeling te laten vervallen. Daarom wordt de zinsnede “en niet kiest voor toepassing van artikel 2.5” in de laatste volzin van het zevende lid van artikel 2.17 van de Wet IB 2001 geschrapt. Deze wijziging heeft tot gevolg dat emigrerende en immigrerende binnenlandse belastingplichtigen die gedurende een deel van het kalenderjaar een partner hebben, niet meer via de keuzeregeling kunnen kiezen voor partnerschap gedurende het gehele kalenderjaar.
Artikel II, onderdeel G (artikel 3.119a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Deze wijziging van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 met ingang van 1 januari 2015 hangt samen met de aanpassing van artikel 33a van de SW 1956 per 1 januari 2015 (artikel XV).
Artikel II, onderdeel H (artikel 3.154 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
De huidige middelingsregeling, zoals opgenomen in artikel 3.154 van de Wet IB 2001, geldt ook voor buitenlandse belastingplichtigen van wie het verzamelinkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting, maar die geen inwoner zijn van een lidstaat van de EU, een andere staat die partij is bij de EER, Zwitserland of de BES eilanden. Conform de beperking van de landenkring in dit wetsvoorstel voor de invoering van artikel 7.8 in de Wet IB 2001 wordt ook het recht op middeling met ingang van 1 januari 2015 ingeperkt tot kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, die per definitie in de EU, EER of Zwitserland of op de BES eilanden wonen.
Artikel II, onderdeel I (artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Voorgesteld wordt om met ingang van 1 januari 2015 de in het nieuwe artikel 7.8 van de Wet IB 2001 opgenomen regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen in de plaats te laten komen van de keuzeregeling voor buitenlandse belastingplichtigen (thans opgenomen in artikel 2.5 van de Wet IB 2001). Genoemd artikel 7.8 van de Wet IB 2001 geeft invulling aan het begrip kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en bepaalt voor deze groep belastingplichtigen het belastbare inkomen in Nederland. Hierna wordt per lid van dit artikel een toelichting gegeven.

Het eerste lid bepaalt dat het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland bij kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen wordt aangevuld met de belastbare inkomsten uit eigen woning indien deze negatief zijn, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrekposten. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.110 van de Wet IB 2001). Alleen indien dit saldo negatief is, worden de belastbare inkomsten uit eigen woning in aanmerking genomen. Kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen mogen de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning, de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en de persoonsgebonden aftrek voor 100% in aanmerking nemen, ook al is niet 100% van hun inkomen belast in Nederland. Voor zover de hoogte van deze inkomensbestanddelen afhankelijk is van het inkomen (zie bijvoorbeeld artikel 6.39, eerste lid, van de wet IB 2001), wordt voor het bepalen hiervan het inkomen zoals berekend volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen in aanmerking genomen. Hiermee wordt aangesloten bij de berekening die geldt voor binnenlandse belastingplichtigen, zodat geen ongerechtvaardigde verschillen ontstaan tussen binnenlandse en kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen. Zie ook de toelichting op het derde lid.

Het tweede lid bepaalt dat het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbare inkomen uit sparen en beleggen, worden aangevuld met de persoonsgebonden aftrek. Voor zover de hoogte van de persoonsgebonden aftrek afhankelijk is van het inkomen (zie bijvoorbeeld artikel 6.39, eerste lid, van de wet IB 2001), wordt voor het bepalen hiervan het inkomen zoals berekend volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen in aanmerking genomen. Voor de persoonsgebonden aftrek geldt de normale volgorde van toerekening aan boxen, zoals bepaald in artikel 6.2 van de Wet IB 2001. Samen met het eerste lid zorgt het tweede lid ervoor dat kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen niet zwaarder worden belast dan binnenlandse belastingplichtigen.

Het derde lid is een vangnetbepaling die bepaalt dat voor zover de belastingplichtige, zijn partner of de persoon die zou worden aangemerkt als zijn partner indien beide personen binnenlands belastingplichtig zouden zijn, aftrekposten in het woonland in aanmerking kan nemen, deze niet in Nederland in aanmerking mogen worden genomen, ongeacht of de belastingplichtige, zijn partner of die andere persoon de aftrekpost in het woonland daadwerkelijk in aanmerking neemt.

Het vierde lid definieert de term “kwalificerende buitenlandse belastingplichtige” aan de hand van een aantal criteria. Het eerste criterium is dat de belastingplichtige in een lidstaat van de EU, een andere staat die partij is bij de EER, Zwitserland of op de BES eilanden als inwoner in de belastingheffing wordt betrokken. Het tweede criterium is dat het inkomen van de belastingplichtige voor 90% of meer in Nederland is onderworpen aan loonbelasting of inkomstenbelasting. In het vijfde lid, is opgenomen hoe dit moet worden bepaald. Het derde criterium is dat buitenlandse belastingplichtigen die een beroep doen op de regeling voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen, een verklaring van de belastingautoriteit van hun woonland moeten overleggen die een overzicht bevat van de inkomsten zoals die in het woonland zijn aangegeven. Met een dergelijke verklaring kan worden gewaarborgd dat alleen belastingplichtigen die aan de eisen voldoen voor de regeling in aanmerking komen en kan oneigenlijk gebruik worden voorkomen. In de laatste volzin van het vierde lid is een delegatiebepaling opgenomen. Deze voorziet erin dat bij algemene maatregel van bestuur eisen kunnen worden gesteld aan de verklaring. Daarnaast regelt de delegatiebepaling dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld op grond waarvan om doelmatigheidsredenen de verklaring achterwege kan blijven. Hierbij kan gedacht worden aan het achterwege laten van de verklaring voor buitenlandse belastingplichtigen die reeds meerdere jaren op rij voldoen aan de criteria voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen en waarbij het niet voor de hand ligt dat er wijzigingen in de situatie optreden.

Het vijfde lid bepaalt welke inkomens tegen elkaar moeten worden afgezet om te bepalen of wordt voldaan aan het criterium, gesteld in het vierde lid. Als basis wordt genomen het verzamelinkomen zoals berekend volgens de regels voor binnenlandse belastingplichtigen, verminderd met de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de negatieve persoonsgebonden aftrek en de belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de persoonsgebonden aftrek en de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Voor het bepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt daarbij uitgegaan van de grondslag sparen en beleggen vermeerderd met het heffingvrije vermogen. Daartegenover staat het inkomen dat in Nederland is onderworpen aan de loonbelasting of inkomstenbelasting. Dit is het, zonder de toepassing van onderhavig artikel 7.8 bepaalde, gezamenlijke bedrag van het inkomen uit werk en woning in Nederland, het inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in Nederland, voor zover dat inkomen op grond van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting aan Nederland ter heffing is toegewezen, verminderd met de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen, de negatieve persoonsgebonden aftrek en de belastbare inkomsten uit eigen woning en vermeerderd met de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Indien dit bedrag geheel of nagenoeg geheel gelijk is aan het inkomen dat als basis is genomen (het inkomen als bedoeld in de eerste volzin van het vijfde lid), wordt voldaan aan het criterium, gesteld in het vierde lid.



In het zesde lid is een delegatiebepaling opgenomen op basis waarvan belastingplichtigen die in de EU, de EER, Zwitserland of op de BES eilanden wonen maar van wie het inkomen niet voor meer dan 90% in Nederland aan de loonbelasting of inkomstenbelasting is onderworpen, onder bepaalde voorwaarden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige kunnen worden aangewezen. Deze delegatiebepaling is opgenomen om snel en adequaat te kunnen reageren op ontwikkelingen in de jurisprudentie van het HvJ EU. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de uitspraak van het HvJ EU in de zaak Commissie v. Estland.3 Hierin stond een inwoonster van Finland centraal met een klein pensioeninkomen uit Finland en een klein pensioeninkomen uit Estland. Beide pensioeninkomens waren gering en ongeveer gelijk. Zij was wegens haar geringe wereldinkomen niet belastbaar in haar woonstaat Finland, zodat daar haar draagkracht en persoonlijke- en gezinssituatie, in het bijzonder de weerslag daarop door het belasten van inkomen verworven in een andere lidstaat, niet in aanmerking konden worden genomen. Het HvJ EU heeft uitgemaakt dat in dergelijke omstandigheden de weigering van de werkstaat om de niet-ingezetene gelijk te behandelen aan een ingezetene in een niet te rechtvaardigen schending van het vrije verkeer van werknemers resulteert. Hoe aan deze uitspraak exact invulling moet worden gegeven in de nationale wetgeving, is nog onduidelijk omdat de jurisprudentie van het HvJ EU op dit punt nog in ontwikkeling is.4 Op basis van het zesde lid kunnen verder regels worden gesteld voor de aanwijzing als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige voor een deel van het jaar, waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan migrerende belastingplichtigen.
  1   2   3   4   5


Dovnload 184.19 Kb.