Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent Wijsgerige reflecties over vraaggebed

Dovnload 61.9 Kb.

Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent Wijsgerige reflecties over vraaggebed



Datum25.08.2018
Grootte61.9 Kb.

Dovnload 61.9 Kb.

Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent
Wijsgerige reflecties over vraaggebed
Marcel Sarot (Utrecht)
1 Persoonlijke inleiding
Nood leert bidden. Mijn vrouw en ik hebben dat aan den lijve ervaren. Negen jaar geleden werd ons toen tweejarige zoontje van de ene op de andere dag doodziek. De diagnose, meningococcenscepsis, werd te laat gesteld. Toen ons zoontje eindelijk, te laat, in het ziekenhuis arriveerde, gaven de doctoren ons geen hoop meer. Terwijl een medisch team een poging deed zijn toestand te ‘stabiliseren,’ spraken wij al over Everard in de verleden tijd. Tot wij ons realiseerden dat wij niet op mochten en wilden geven. Het enige wat je dan kunt doen, is bidden. En dat hebben wij gedaan. En toen hij op de IC werd gebracht, heeft een priester hem de ziekenzalving toegediend, en hebben wij aan zijn bed gebeden. Om een lang verhaal kort te maken: een half jaar later was hij volledig hersteld van zijn bacteriële hersenvliesontsteking. Zouden wij God nu niet dankbaar zijn voor zijn genezing?

Enerzijds lijkt het vanzelfsprekend, wanneer je iemand iets heel belangrijks vraagt en je krijgt het gevraagde, om dan inderdaad dankbaar te zijn. Anderzijds kan ons mensen zo gemakkelijk de twijfel bekruipen: was het inderdaad God die de genezing bewerkte? Was onze zoon niet beter geworden als wij niet hadden gebeden? Kan God wel ingrijpen om mensen beter te maken? Wij hebben inderdaad gebeden, en dat was begrijpelijk onder die omstandigheden, maar was het eigenlijk geen primitieve, irrationele reactie op de rampspoed die ons overkwam? Aan alle kanten knaagt het twijfelduiveltje aan een mens die niet alleen gelovig is, maar ook verstandig wil blijven.

Toen de redactie van dit tijdschrift mij vroeg, op dit type vragen in te gaan in een wijsgerige reflectie op vraaggebed, heb ik direct enthousiast gereageerd. Voor mij is dit geen zuiver theoretische aangelegenheid, maar een problematiek die mij existentieel raakt. Het is vanuit die existentiële betrokkenheid dat onderstaande reflecties zijn gedacht.


2 Wat is vraaggebed?

Alvorens in te gaan op de genoemde vragen, wil ik het onderwerp wat duidelijker af te bakenen door de vraag te stellen: wat is eigenlijk vraaggebed? In een vraaggebed stelt de biddende persoon een vraag aan God. Maar wat is eigenlijk een vraag? Dat is een taaldaad, waarin de spreker de hoorder probeert tot iets (een handeling, een houding, enz.) te bewegen. Vragen kunnen binnen allerlei verhoudingen gesteld worden. Wanneer de vrager meent dat de hoorder hem iets verplicht is, kan de vraag een bevelkarakter krijgen; wanneer de vrager meent dat de hoorder hem niets verplicht is, kan het een smeekbede zijn. Wanneer de vrager op de hoorder rekent, zal uit de vraag vertrouwen klinken; maar er kan ook wanhoop in een vraag doorklinken. Al deze registers kunnen in het vraaggebed meeklinken, ook al kan een theoloog bij sommige zo haar bedenkingen hebben. Het ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent’ (Gen. 32:26) uit de titel van dit artikel kan dus voluit als vraaggebed gelden, ook al klinkt er niet bepaald de nederigheid in door die wij met vraaggebed verbinden. Belangrijk is wel dat degene aan wie iets gevraagd wordt, de vrijheid houdt om te weigeren, ook al kan daar een prijskaartje aan hangen: als U weigert, laat ik U niet gaan. Wordt de vrijheid van de Ander niet gerespecteerd, dan hebben wij niet te maken met een vraag(gebed), maar met (een poging tot) manipulatie.

Vragen hoeven niet altijd in woorden uitgesproken te worden: als ik iemand met de hand wenk, is dat ook een vraag (in gebarentaal). Zo kent ook het geloof zijn gebarentaal, bijvoorbeeld in het gebaar van de atlete die zich voor de wedstrijd bekruist. Die vraagt God om bijstand, ook al is het wellicht vaag wat nu precies wel en wat niet als bijstand kan gelden. Vaagheid is een kenmerk van veel gebed. Zelfs wanneer de vraag tamelijk specifiek is (‘laat deze beker Mij voorbijgaan’), houdt de bidder vaak een slag om de arm waar het gaat om de wijze waarop het gebed zou moeten worden beantwoord: ‘doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt’ (Matt. 26:39). Op het moment dat de spreker de hoorder in het geheel niet tot iets probeert te bewegen, hebben wij echter niet langer met een vraag te maken.

Tot wat voor soort reacties kunnen wij proberen, God te bewegen? Allereerst tot een verandering van houding of gezindheid: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’; ‘O God, wees mij zondaar genadig.’ Dit zijn duidelijk vraaggebeden, maar op geen enkele manier is empirisch controleerbaar of God het gebed verhoort of niet. Je zou kunnen zeggen: hier gaat het om veranderingen in de hemel. Veel van onze vraaggebeden hebben echter betrekking op de aarde: zij vragen om meer of minder concrete gebeurtenissen op aarde te bewerkstelligen, gebeurtenissen waarvan empirisch constateerbaar is of deze al dan niet plaatsvinden. ‘God, wilt U mijn zoontje beter laten worden?’ ‘God, wilt U alstublieft geven dat mijn ouders minder ruzie maken?’ ‘Geef vrede in onze dagen….’ Wat voor soort antwoord zouden wij op dit type vragen mogen verwachten?


3 Wat kan gelden als een antwoord op gebed?

Wanneer iemand vraagt om een specifieke gebeurtenis, bijvoorbeeld om genezing, dan zijn er twee mogelijkheden: de persoon zou sowieso genezen zijn, of niet. In het eerste geval wordt van God niet meer gevraagd, dan dat God datgene wat te gebeuren stond, niet verhindert. In het tweede geval wordt van God gevraagd, in te grijpen in de loop der dingen. En dan zijn er opnieuw twee mogelijkheden:1 God grijpt niet in, of God grijpt in. Wanneer God niet ingrijpt, betekent dit niet automatisch dat de gelovige haar gebed als niet verhoord zal ervaren. Het is ook mogelijk, dat zij meent dat haar gebed wel verhoord is, maar op een andere manier, bijvoorbeeld doordat zij rust heeft gevonden. De ongelovige zal hier sceptisch tegenover staan; een dergelijke reactie vraagt een gelovig perspectief ofwel de ‘ogen des geloofs.’

Wanneer God wel ingrijpt in de loop der dingen, dan kan dit gebeuren op een wijze die al of niet miraculeus is. Dit is geen alles-of-niets onderscheid, maar een gradueel onderscheid. Niet miraculeus in een ingrijpen van God wanneer het ingrijpen resulteert in een uitkomst die niet onverwacht is. Iemand die na gebed haar rijexamen haalt, zal dat niet als miraculeus ervaren. Ook niet wanneer hij het zonder ‘hulp van boven’ niet gehaald had. Die ‘hulp van boven’ is immers niet concreet aanwijsbaar. Opnieuw vraagt het ogen des geloofs om in het rijbewijs een gebedsverhoring te zien. Nu zijn er ook gevallen die zich weliswaar op natuurlijke wijze laten verklaren, maar waarin wij te maken hebben met zo’n onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden, dat wij toch de neiging hebben, van een wonder te spreken. Stel: twee boeven beroven een man, binden hem aan armen en voeten vast en laten hem zo op de treinrails achter. In de verte hoort hij een trein aankomen. De man kan zich niet bewegen, en kan alleen maar bidden. En dan stopt de trein op nog geen meter van de man, doordat de machinist in slaap was gevallen en het ‘gaspedaal’ had losgelaten. Ook al gaat dit geval meer in de richting van het miraculeuze dan het vorige, toch gaat het tegen geen enkele natuurwet in. De scepticus zal er een uiterst onwaarschijnlijke coïncidentie in zien, de gelovige een gebedsverhoring. Opnieuw geldt hier dat men ogen des geloofs nodig heeft om de gebedsverhoring waar te nemen.

Bezien wij tenslotte een ‘echt’ wonder. Een zware MS-patiënt gaat naar Lourdes, en wordt door de broeders in het bronwater geholpen voor het rituele bad. Plotseling voelt hij een nieuwe kracht door zich heen stromen, en genezen stapt hij uit het water. De doktoren onderzoeken hem, en geen symptoom van de MS is nog aanwezig. Na terugkeer naar huis wordt hij door zijn eigen doktoren onderzocht; ook die zien, dat de doodzieke man in een kerngezonde kerel is veranderd. Na een half jaar is er nog geen enkel teken van terugval. Dit is geen onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden meer, dit ‘kan niet.’ De doktoren staan voor een raadsel. Zelfs in dit geval is de ongelovige niet gedwongen, in de genezing een gebedsverhoring te zien. De ongelovige ziet hier met een anomalie, een onverklaarbaar feit. Alleen de gelovige zal deze anomalie duiden als een gebedsverhoring.2

Of men een gebeurtenis als gebedsverhoring zal duiden, is dus afhankelijk van een hermeneutisch proces, en daarbinnen speelt met name de horizon van de duidende persoon een grote rol. Hieruit volgen twee dingen. Op de eerste plaats: mensen kunnen zich trainen om in de wereld Gods handelingen te onderkennen. Vincent Brümmer zegt dat als volgt: ‘Het vermogen om Gods handelingen te herkennen door met de ogen van het geloof naar de wereld te kijken vereist oefening, waarin het vraaggebed een belangrijke functie heeft. God iets vragen betekent voor degene die vraagt ook het verwachten van een antwoord. Deze verwachting is er de oorzaak van dat hij uitkijkt naar Gods antwoord, en zo zijn vermogen scherpt om het antwoord te herkennen als het komt.’3 En op de tweede plaats: Gods antwoord, al komt het in de vorm van een wonder, laat altijd de menselijke vrijheid intact. Wij zijn nooit gedwongen om in een bepaalde gebeurtenis een antwoord van God te zien.

Ik heb nu de vraag beantwoord, hoe de gelovige een gebedsverhoring als zodanig zal herkennen. Hierbij moet ik echter eerlijkheidshalve opmerken, dat de gelovige in bepaalde gebeurtenissen gebedsverhoringen zou kunnen zien, ook al zou God daar feitelijk helemaal niets mee te maken hebben. Sommige theologen stellen dat dit is wat gebeurt, telkens wanneer gelovigen menen dat God in reactie op hun gebed in de wereld ingrijpt. Zij stellen, dat God helemaal niet in de wereld in kan grijpen; of in ieder geval, dat het niet redelijk is om in een ingrijpende God te geloven. Het is in discussie met deze positie, dat ik nu de vraag zal onderzoeken: Is het voor een gelovige redelijk om te geloven, dat God gebeden verhoort door in te grijpen in de wereld? De bezwaren tegen een dergelijk ingrijpen zijn meestal van tweeërlei aard: moreel of natuurwetenschappelijk. Op de morele bezwaren zal ik in de volgende sectie kort ingaan.


4 Morele bezwaren tegen gebedsverhoring

Is geloof in gebedsverhoring niet moreel verwerpelijk? De bekende godsdienstfilosoof John Hick meent van wel. Stel, persoon A bidt voor hij op reis gaat om een behouden aankomst. Onderweg krijgt hij een auto-ongeluk. De andere inzittenden komen om, maar A blijft ongedeerd. Na afloop dankt A God, dat Die hem behouden heeft. Dit soort gevallen komt met enige regelmaat voor, en je kunt er de volgende vraag bij stellen: als God ingrijpt om A te behouden, waarom behoudt God dan ook niet de andere betrokkenen? Is dat niet immoreel?4 Meer algemeen: als God regelmatig ingrijpt in de wereld, maakt dat het probleem van het kwaad dat er desondanks is in de wereld, niet nog veel onverteerbaarder?

Een eerste antwoord op deze vraag kunnen wij geven vanuit onze menselijke ervaring. Zelfs iemand die zich aan het bijbelse tiendengebod houdt en een tiende deel van zijn inkomen weggeeft aan goede doelen, zal niet alle goede doelen kunnen bedenken, en zeker niet alle nood kunnen lenigen. Maakt de liefdadigheid die zij wel verricht de nood die overblijft niet nog veel schrijnender? Enerzijds zit daar een kern van waarheid in: wanneer twee mensen nood hebben, en één van beiden wordt geholpen, maakt dat het er voor de ander niet gemakkelijker op. Anderzijds zullen wij in het algemeen toch vinden, dat degene die de nood van één van beide hulpbehoevenden lenigt, beter handelt dan degene die helemaal niet helpt. Het is beter om één mens te redden, dan om er geen te redden.

Toch is het nog maar de vraag, of deze redenering ook voor God opgaat. Immers, wij mensen zijn beperkt, en kunnen daarom ook maar beperkt weldoen. Van God wordt gezegd dat God onbeperkt is. Betekent dit niet dat als God handelend wel kan doen, God onbeperkt wel kan doen? En is het dan niet verwerpelijk, alleen de mensen te helpen die om hulp gebeden hebben? En ook die nog niet eens altijd? Waarom zou een almachtig en alwetend God niet veel frequenter ingrijpen?



Hoewel elk ingrijpen ten goede op zichzelf genomen voor de gelovige een reden tot dankbaarheid zou zijn, is het toch nog maar zeer de vraag of de optelsom van al dat ingrijpen een reden tot dankbaarheid zou zijn. Het is immers juist de regelmaat in de natuur die het mogelijk maakt, voorspellingen te doen en waarschijnlijkheden te berekenen. Het is de regelmaat die ons in staat stelt van onze fouten te leren, en onze wetenschappelijke kennis te vermeerderen.5 Dat God ons een wereld gegeven heeft waarin de natuur zulk een regelmaat vertoont, is een reden tot dankbaarheid. Het zou wel eens kunnen dat wij met een voortdurend ingrijpen van God slechter af zouden zijn dan met een minder frequent ingrijpen, dat orde en regelmaat niet echt ondermijnt. Natuurlijk is dit alles tamelijk speculatief, maar het laat wel zien dat het nog niet zo vanzelfsprekend is dat een goede God of voortdurend of niet ingrijpt. Er zijn goede redenen te bedenken waarom God wel ingrijpt, maar niet voortdurend. De volgende vraag is nu: Kan God wel ingrijpen? Laten de natuurwetenschappen niet zien, dat dit onmogelijk is? Daarover gaat het in de volgende sectie.
5 Natuurwetenschappelijke bezwaren tegen gebedsverhoring

De natuurwetenschappelijke bezwaren tegen een God die ingrijpt in de wereld om gebeden te verhoren komen voort uit het mechanicistische wereldbeeld, dat door Descartes (1596–1650) en Newton (1643–1727) werd geïntroduceerd. Descartes6 trachtte de materiële wereld geheel in de begrippen van geometrie en mathematica te vatten. Daarin ging hij zo ver, dat hij zelfs dieren zag als mechanismen of machines: als een dier een schreeuw geeft omdat het klap krijgt, is dat hetzelfde als wanneer een klok slaat omdat het acht uur is. Newton gaf het mechanicisme een enorme impuls doordat hij wetenschapsgebieden die tot dan toe ver uiteen lagen, samenbracht in een omvattende synthese. Zo formuleerde hij de algemene gravitatiewet, volgens welke het een en dezelfde kracht is die de vallende appel naar de aarde trekt en de planeten in hun baan houdt.7

Descartes en Newton trokken geen atheïstische conclusies uit hun systemen. Voor Descartes was er naast de materiële wereld de wereld van het denken, en die laatste liet zich niet mechanicistisch verklaren. In Descartes’ dualistische systeem krijgt God een ereplaats als de grote Garant, die waarborgt dat de zintuiglijk waargenomen buitenwereld ook werkelijk bestaat. Newton was een vrome christen die ook over theologische vraagstukken publiceerde. Zijn natuurwetenschappelijk werk zag hij niet als in strijd met zijn geloof, omdat het alleen betrekking had op het empirisch waarneembare. Na Newton komende denkers accepteerden deze beperking echter niet langer en interpreteerden de hele werkelijkheid mechanicistisch. Hoe vollediger zij er in slagen, natuurverschijnselen te verklaren uit de werking van natuurkrachten die volgens vaste wetten werken, hoe meer gesloten wordt het wereldbeeld. Voor God blijft dan nog slechts de taak van ‘ingenieur-in-ruste’ over. Newton deed nog wel een poging, in zijn modellen plaats voor God te creëren door God voor te stellen als een soort onderhoudsmonteur, die zich bezig houdt met ‘het voorkomen en herstellen van storingen en onregelmatigheden van de wereldmachinerie, ... maar haalt zich daarmee slechts de spottende vraag van Leibniz op den hals, of de almachtige Schepper dan een onvolmaakte machinerie heeft afgeleverd.’8 Zo wordt God nog slechts gebruikt om de ‘gaten’ in een overigens sluitende verklaring te vullen (‘God of the gaps’).

Het is vanuit dit gesloten wereldbeeld dat Bultmanns bekende vraag – kunnen wij, in een wereld met radio en electrisch licht, nog wel in een handelende God geloven? – urgent is geworden. Wie probeert deze vraag positief te beantwoorden door een nieuw gat in wetenschappelijke verklaringen te vinden, maakt zich kwetsbaar; de kans is groot dat nieuwe natuurwetenschappelijke ontdekkingen ook dit gat dichten. Tenzij ... er gaten zijn waarvan vaststaat dat zij in principe niet te dichten zijn. In de volgende secties zal ik twee ‘gaten’ die in dit verband genoemd worden, nader bezien: indeterminisme op het niveau van de fundamentele deeltjes, en de principiële onvoorspelbaarheid van chaotische systemen.


6 Gebedsverhoring en indeterminisme op het niveau van fundamentele deeltjes

Wanneer de natuur bestaat uit mechanicistische deeltjes die onderworpen zijn aan Newton's natuurwetten, dan bevat de toestand van het universum op elk moment de voldoende materiële voorwaarden om zijn toestand op elk volgend moment te bepalen. Het universum is dan volstrekt deterministisch.9 Dit determinisme is door Newton echter geenszins bewezen. Immers, uit de waargenomen regelmaat van de natuur laat zich op geen enkele manier afleiden dat die regelmaat in de toekomst zal blijven bestaan.10

De Newtoniaanse fysica laat zich derhalve goed rijmen met determinisme, maar sluit indeterminisme niet uit. De quantumfysica daarentegen lijkt determinisme uit te sluiten. Op het niveau van de elementaire deeltjes zijn bij experimenten waarnemingen gedaan die zich slechts laten verklaren met probabilistische natuurwetten: wetten die een kans of waarschijnlijkheid aangeven. Wanneer men bijvoorbeeld in een metalen plaat twee sleufjes aanbrengt en daar electronen doorheen schiet, kan men niet per electron voorspellen waar het terecht zal komen op het scherm achter de metalen plaat. Bij grotere hoeveelheden electronen kan men wel exact voorspellen hoeveel electronen het scherm op een bepaald punt zullen raken; maar van individuele electronen kan men niet met zekerheid zeggen waar zij het scherm zullen raken. Zo lijkt het gedrag van die electronen zelf indeterministisch van aard.11 Dit voorbeeld is karakteristiek voor de quantumfysica, waarbinnen exacte voorspellingen steeds weer problemen lijken op te leveren.

Sommige theologen duiden deze onzekerheid als een ontologische onbepaaldheid, een indeterminisme in de werkelijkheid zelf. Zo interpreteert bijvoorbeeld Vincent Brümmer de gegevens:
Ons onvermogen om onfeilbare voorspellingen te doen in de wetenschap is niet te wijten aan onze onwetendheid met betrekking tot de natuurwetten, die uiteindelijk toch fundamenteel deterministisch zouden kunnen zijn. Volgens de quantumtheorie is dat onvermogen het gevolg van het fundamentele indeterminisme van het universum. ... Het verklaren van het optreden van een bepaalde gebeurtenis bestaat erin, dat men aantoont dat deze gebeurtenis verwacht had kunnen worden omdat het zeer waarschijnlijk was dat zij zou optreden – niet omdat zij noodzakelijk moest optreden. Er blijven altijd enkele noodzakelijke voorwaarden aan kans onderworpen, en die kunnen niet met zekerheid voorspeld worden. We kunnen dus concluderen dat de wetenschappelijke voorspelbaarheid van een gebeurtenis de contingentie van die gebeurtenis niet uitsluit. Ook sluit het feit, dat een gebeurtenis kan worden verklaard in termen van natuurlijke oorzaken, niet de mogelijkheid uit dat die gebeurtenis het resultaat kan zijn van goddelijk handelen in antwoord op een gebed.12
Brümmer ziet dus in de ontdekking van de open aard van het universum een aanwijzing dat het wel degelijk mogelijk is voor God gebeden te verhoren door in de materiële werkelijkheid te handelen.13

Het is echter de vraag in hoeverre de quantumfysica de theoloog soelaas biedt. Ik noem twee problemen. In de eerste plaats staat niet vast dat het indeterminisme in de quantumfysica ontologisch geïnterpreteerd mag worden. Is inderdaad de werkelijkheid zelf indeterministisch? Of hebben wij hier veeleer te maken met een tekort in onze menselijke kennis, dat met het voortschrijden der wetenschap wel zal worden opgeheven? De laatste positie wordt onder meer verdedigd door Albert Einstein, Max Planck en Karl Popper.14 Het is de vraag of theologen er goed aan doen, te proberen de mogelijkheid van Gods handelen theologisch veilig te stellen door zwaar in te zetten op een in de fysica niet onomstreden interpretatie van het bewijsmateriaal.

Een tweede bezwaar tegen indeterminisme op het niveau van de elementaire deeltjes als aangrijpingspunt voor Gods handelen, is de vraag in hoeverre dit indeterminisme op micro-niveau ook leidt tot een indeterminisme op macro-niveau (het niveau van de met het blote oog waarneembare objecten). Het feit dat de rol van toeval op het micro-niveau pas zeer recent ontdekt is, en dat ook degenen die denken dat wij hier met een ontologische werkelijkheid te maken hebben, in het algemeen niet denken dat deze werkelijkheid de Newtoniaanse fysica op macro-niveau ondermijnt, zegt eigenlijk al genoeg. Al zou God op het micro-niveau op de werkelijkheid kunnen inwerken, dan nog lijkt dit religieus gezien onvoldoende, omdat het op macro-niveau geen verschil maakt.15 En dat is het niveau, waarop de gelovige wenst dat God kan handelen.

Daarom concludeer ik voorzichtig dat een beroep op het indeterminisme van de quantumfysica de natuurwetenschappelijke bezwaren tegen de gedachte dat God in deze wereld handelt niet zonder meer wegneemt. Laten wij in de volgende paragraaf bezien of een beroep op de chaostheorie beter vaart.


7 Gebedsverhoring en de chaotische aard van non-lineaire dynamische systemen

Weerkundige voorspellingen voor de korte termijn – bijvoorbeeld de weersverwachting van morgen – hebben tegenwoordig een grote mate van betrouwbaarheid. Verwachtingen voor de langere termijn – over vijf dagen of langer – blijven echter zeer onzeker. Nauwkeuriger computermodellen en krachtiger computers leiden niet tot betere voorspellingen. Waar zit dat in?16 Hedendaagse weerkundigen zoeken een verklaring in wat het vlindereffect van Lorenz genoemd wordt: de vleugelslag van een enkele vlinder brengt maar een kleine luchtverplaatsing met zich mee, en zal op korte termijn weinig gevolgen hebben. Maar op langere termijn kan het effect van dergelijke kleine verstoringen steeds groter worden, en leiden tot feitelijke onvoorspelbaarheid. Die onvoorspelbaarheid laat zich wiskundig zichtbaar maken. Bepaalde natuurkundige verschijnselen laten zich het best beschrijven met wiskundige (differentiaal)vergelijkingen. Wanneer men deze vergelijkingen invoert in een computer, en deze computer de berekening steeds laat herhalen, zodat men de ontwikkeling van het betreffende verschijnsel (bijvoorbeeld het weer) op langere termijn kan voorspellen, dan blijkt dat de uitkomsten van de berekeningen op langere termijn ten zeerste afhankelijk zijn van uiterst minieme veranderingen in de beginwaarden. Op korte termijn gedragen dergelijke systemen zich als lineaire systemen, dat wil zeggen dat de curve waarin de evolutie van het systeem weergegeven kan worden, een regelmatig patroon heeft; na een bepaald omslagpunt wordt dit patroon grillig en wordt duidelijk dat het systeem niet-lineair is. Dit betekent ook dat de evoluties van twee dynamische systemen waarvan de beginwaarden dicht bij elkaar liggen zonder identiek te zijn, na het omslagpunt zullen divergeren zodat zij na verloop van tijd nauwelijks gelijkenis zullen vertonen.17 Dit grillige gedrag van dergelijke systemen wordt aangeduid als chaotisch, en de theorie van dit grillige gedrag noemen wij ‘chaostheorie.’

Waar men in het verleden altijd dacht dat soortgelijke oorzaken soortgelijke effecten teweegbrachten, laat het ‘vlinder-effect’ overduidelijk zien dat dit niet zo is. Kleine verschillen kunnen op termijn grote, praktisch onvoorspelbare, gevolgen hebben. Wordt hier niet het gesloten wereldbeeld van de klassieke natuurwetenschap vervangen door een nieuw, open wereldbeeld, waarbinnen bepaalde zaken principieel onvoorspelbaar zijn?



Het verbaast niet dat theologen hier openingen gezien hebben voor Gods handelen. De meest ingenieuze theorie op dit terrein is die van James Colwell, die quantumfysica en chaostheorie combineert om te laten zien hoe God kan handelen in de werkelijkheid zonder natuurwetten te doorbreken.18 Colwell suggereert dat de gebeurtenissen op het micro-niveau die volgens de quantummechanica door een bepaalde waarschijnlijkheidsverdeling geregeerd worden, in feite door God geregeerd worden. Zo regisseert God minimale veranderingen in de beginwaarden van non-lineaire processen, met substantiële gevolgen op lange termijn die als handelingen van God kunnen gelden. Het voorbeeld dat Colwell zelf gebruikt is dat van Elia (Jakobus 5:17): ‘Hij bad vurig dat het niet zou regenen en drie en een half jaar lang viel er geen regen op het land.’ Dit soort weersverschijnselen zou God, volgens Colwell, kunnen bewerkstelligen door zijn invloed op het subatomaire niveau aan te wenden om daardoor chaotische processen te sturen.

Het aantrekkelijke van Colwells voorstel is, dat Colwell zich rekenschap geeft van het kernprobleem van de inzet van chaostheorie voor een theorie van Gods handelen. Het indeterminisme van de chaotische systemen is een indeterminisme op epistemologisch niveau: wij kunnen de numerieke details van de ontwikkeling van chaotische systemen niet voorspellen. Op ontologisch niveau zijn chaotische systemen echter niet indeterministisch. Het systeem wordt immers geregeerd door de wiskundige vergelijking, waardoor de ontwikkeling volledig vastligt.19

Colwell lost dit probleem op door de chaostheorie te verbinden met wat wel wordt genoemd de ‘orthodoxe interpretatie’ van de quantumfysica: die volgens welke de quantumfysica wel een ontologisch indeterminisme leert. Dat is een creatieve zet, maar brengt ons wel terug bij de problemen die wij boven signaleerden met betrekking tot het gebruik van de chaostheorie als aangrijpingspunt voor een theorie van Gods handelen. De conclusie die zich nu opdringt, is dat noch quantumfysica, noch chaostheorie, noch een combinatie van beide, de gezochte opening van het gesloten wereldbeeld voor Gods handelen geven. Kan God eigenlijk wel ingrijpen?


8 Een God die handelt in reactie op vraagggebed

In het licht van het voorgaande is het niet geheel onbegrijpelijk, dat sommige theologen tot non-interventionisme neigen: een positie die niet noodzakelijkerwijs ontkent dat God handelt, maar wel dat God ingrijpt in de werkelijkheid. Maurice Wiles bijvoorbeeld stelt dat God weliswaar handelt, maar voegt daaraan toe dat de gedachte aan een handelen van God primair gerelateerd moet worden aan de wereld als geheel, niet aan afzonderlijke gebeurtenissen daarbinnen.20 Er is één handeling van God, de voortdurende schepping van deze wereld; en God verricht geen specifieke handelingen binnen het tijd-ruimtelijke historische kader dat met deze wereld gegeven is. Zelfs waar het gaat om de incarnatie en de opstanding van Jezus Christus houdt Wiles dit non-interventionistische standpunt vol: ook die gebeurtenissen moeten non-interventionistsich, niet-miraculeus, geduid worden. Wanneer binnen de christelijke traditie van oudsher van handelingen van God (in het meervoud) gesproken wordt, acht Wiles dat strikt genomen onjuist. Het gaat daar om gebeurtenissen – veelal om handelingen van mensen, zoals bijvoorbeeld Jezus – die in buitengewone mate beantwoorden aan Gods bedoelingen met deze wereld. Dit betekent echter nog niet dat God op een speciale wijze betrokken is in de causale antecedenten van deze gebeurtenissen, en ze als het ware manipuleert.

Dergelijke non-interventionistische standpunten hebben veel weerklank gevonden in de theologie.21 Zij bieden een mogelijkheid om over Gods handelen te blijven spreken, ook binnen een gesloten wereldbeeld. Maar zij maken gebed waarin om een ingrijpen van God in de werkelijkheid wordt gevraagd, zinloos. God kan volgens deze opvatting immers niet ingrijpen. Daarom wil ik hier nogmaals de vraag aan de orde stellen: is een meer traditionele, interventionistische interpretatie van Gods handelen echt niet langer mogelijk? Is het wereldbeeld nu definitief gesloten?

Het antwoord op deze vraag moet negatief luiden. Zelfs wanneer men quantumfysica en chaostheorie zo interpreteert, dat een tamelijk strikt determinisme mogelijk blijft, blijft dat determinisme onbewijsbaar. Die onbewijsbaarheid blijft ook in het licht van de nieuwste fysische gegevens blijft staan. Taede Smedes verwoordt dit naar aanleiding van het vlinder-effect als volgt:


Indien iemand exakte kennis van de beginwaarden van een empirische gebeurtenis wil verkrijgen, [zou] zij ogenblikkelijke en volledige kennis van ieder atoom in ons universum ... moeten hebben, alsmede van positie en snelheid, en van iedere natuurwet. Mensen zijn als eindige en beperkte wezens nooit in staat dit te bereiken. En al zouden wij het kunnen, dan nog hadden wij niet de capaciteit om berekeningen sneller uit te voeren dan het universum evolueert. Hier komen wij dan op een belangrijk punt: hoewel sommige systemen in ons universum, en wellicht ons universum zelf, in principe deterministisch zouden kunnen zijn, kunnen we dit nimmer zeker weten. Ons universum is simpelweg te gecompliceerd.22
Uiteindelijk zijn vragen als ‘is ons universum deterministisch?’ en ‘kan God handelen?’ niet vanuit de natuurwetenschap te beantwoorden. Met een beroep op de natuurwetenschap kan Gods handelen niet uitgesloten worden. Dat is de ene kant van de medaille. De andere kant is, dat de natuurwetenschap ook niet kan laten zien, dat en hoe God in de wereld handelt.

Is dit alles wat er te zeggen valt? Kunnen wij niet verder komen? Wellicht is er een analogie die ons nog één stapje verder kan helpen.23 Als de natuurwetenschappen een volledige, deterministische, verklaring geven van alles wat gebeurt, verklaren zij ook onze menselijke handelingen. Die menselijke handelingen zijn dan eveneens gedetermineerd, dat wil zeggen dat de causale voorgeschiedenis van onze handelingen deze handelingen volledig bepaalt, en wij niet uit alternatieven kunnen kiezen. Wie dit accepteert, zal vermoedelijk ook geen ruimte zien voor een handelende God.

Ook zij die een gesloten wereldbeeld accepteren, willen echter meestal toch vasthouden aan de gedachte dat mensen vrij kunnen handelen, en daarbij kunnen kiezen uit alternatieven. Als dat echter zo is, dan leggen de natuurwetten niet alles vast, en zijn zij dus niet onbeperkt geldig. Zij regeren immers niet onze vrije handelingen. Wij zouden kunnen zeggen dat zij conditioneel geldig zijn: natuurwetten specificeren wat onder bepaalde omstandigheden zal gebeuren wanneer er geen vrije actor is die ingrijpt. Zij sluiten echter niet uit dat er wel een vrije actor is die ingrijpt. Zo zou bijvoorbeeld het gras in de tuin waar ik deze tekst zit te schrijven, binnen enkele weken 15 à 20 centimeter lang worden wanneer er geen vrije actor zou ingrijpen. Deze natuurlijke loop der dingen maakt het ingrijpen van een vrije actor echter geenszins onmogelijk, en staat mij wel degelijk toe, elke week het gras te maaien.

Een doorgewinterde determinist zou natuurlijk zeggen, dat wanneer ik het gras maai, ik gedetermineerd ben om het gras te maaien. Ik denk dat ik een vrije wil heb, maar in feite kan ik niet anders dan het gras maaien (en dan denken dat ik een vrije wil heb). Dit strikte determinisme is moeilijk definitief te weerleggen, maar het is tegelijk ook zeldzaam. Ook de meeste natuurwetenschappers zien menselijk handelen in de praktijk niet als gedetermineerd. Wanneer wij echter op deze wijze geloven dat het ‘gesloten wereldbeeld’ van de natuurwetenschappen vrije handelingen van mensen niet onmogelijk maakt, dan is datzelfde wereldbeeld ook niet langer een obstakel voor het geloof in een vrij handelende God. Immers, als het natuurwetenschappelijk wereldbeeld vrije handelingen toestaat, waarbij ingegrepen wordt in de door natuurwetten geregeerde loop der dingen, dan vervalt het argument dat het gesloten wereldbeeld van de natuurwetenschappen Goddelijk ingrijpen uitsluit.

De analogie die ik hier gebruik om plausibel te maken dat God wel degelijk kan ingrijpen in onze werkelijkheid, is – dat zij toegegeven – niet spijkerhard. Het beroep op deze analogie werkt slechts in het gesprek met hen die geloven in menselijke wilsvrijheid. Dat ‘geloof’ in menselijke wilsvrijheid is niet met knock down bewijzen te staven, hoewel het wel met argumenten ondersteund kan worden. Omdat verreweg de meeste mensen vast geloven in menselijke wilsvrijheid, is dat in dit geval echter niet zo’n groot bezwaar.
9 Conclusies

In onze tijd is het niet gemakkelijk om te geloven dat God gebeden verhoort door in te grijpen in de werkelijkheid, zo hebben wij gezien. Er zijn morele bezwaren: is het wel rechtvaardig dat een almachtige God de één meer helpt dan de ander? Ik heb geprobeerd te laten zien dat er ook voor een almachtige God grenzen moeten zijn aan het ingrijpen – anders komen de orde en de regelmaat in de wereld in gevaar, en zijn we nog verder van huis. Voorts zijn er natuurwetenschappelijke bezwaren tegen een interventionistisch Godsbeeld: laten de natuurwetenschappen ons niet zien, dat de wereld gesloten is? Enerzijds hebben wij gezien, dat ook wanneer de Newtoniaanse fysica een gesloten wereldbeeld suggereert, het dit geenszins bewijst. Anderzijds hebben wij gezien, dat nieuwere ontwikkelingen in de natuurwetenschap (quantumfysica en chaostheorie) niet bewijzen dat de wereld niet gesloten en deterministisch is. De vraag of de wereld gesloten en deterministisch is, is uiteindelijk een metafysische vraag. De gelovige die gelooft dat menselijke handelingen vrij – in de zin van niet door natuurwetten gedetermineerd – zijn, heeft geen wetenschappelijke reden om te twijfelen aan Gods vermogen tot ingrijpen. Het twijfelduiveltje dat ons steeds weer bespringt wanneer het om gebedsverhoring gaat, is niet gegrond in de wetenschap, maar in het algemene culturele klimaat, dat wij zouden kunne typeren als een klimaat van agnosme,24 van Godvergetenheid, een klimaat waarin elke concrete verwijzing naar God vraagtekens oproept. Over dat culturele klimaat zou vanuit de cultuurfilosofie veel meer te zeggen zijn. Dat zal ik hier niet doen. Vanuit de godsdienstfilosofie laat zich concluderen, dat de gelovige die ook verstandig wil blijven, zich niet te snel van haar stuk moet laten brengen. Wetenschappelijk en moreel gezien is er niets op tegen, te geloven dat God in antwoord op gebed daadwerkelijk ingrijpt in Gods schepping.



Nood leert bidden. Als wij dan krijgen waarom wij gevraagd hebben, dan mag dat een aanmoediging zijn tot meer gebed. Zo kunnen wij – met Gods hulp – onszelf trainen, te zien met de ogen van het geloof, niet met die van het agnosme. En wellicht kunnen wij zo doorgroeien tot de vasthoudendheid van Jakob: ‘Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent.’

1 Ik gebruik de term ‘mogelijkheid’ hier in de strikt logische zin: het is logisch mogelijk, en dus denkbaar, dat God ingrijpt. Of het ook feitelijk mogelijk is dat God ingrijpt, wordt in §5–9 besproken.

2 C.S. Lewis, Brieven aan Malcolm, vooral over het gebed (Franeker 1989), 44.

3 Vincent Brümmer, Wat doen wij als wij bidden? Een studie in de wijsgerige theologie (Kampen 1985), 106.

4 John Hick, The Fifth Dimension: An Exploration of the Spiritual Realm (Oxford 1999), 18.

5Vincent Brümmer, ‘Het kwaad en de goedheid van God,’ in: Gijsbert van den Brink, Luco J. van den Brom & Marcel Sarot (red.), Wijsgerige theologie in beweging: Een selectie uit de essays van Vincent Brümmer (Utrecht 1992), 103–125, 113.

6  Over Descartes, zie Philip Clayton, The Problem of God in Modern Thought (Cambridge 2000), 51–114; nog altijd de moeite waard is ook: Eduard J. Dijksterhuis, De mechanisering van ons wereldbeeld (1950; Amsterdam 81998), 444–460. Over de mechanisering van ons wereldbeeld in samenhang met de theologische reacties daarop: Reinholdt Bernhardt, Was heißt ‘Handeln Gottes’? Eine Rekonstruktion der Lehre von der Vorsehung (Gütersloh 1999), 157–270.

7  Over Newton, zie Dijksterhuis, Mechanisering, 509–539.

8  Dijksterhuis, Mechanisering, 538–539.

9  Brümmer, Wat doen wij als wij bidden?, 92–93.

10  Zie bijv. Taede Smedes, ‘Is ons universum deterministisch? Filosofische en theologische bijdragen aan een theologie van Gods handelen,’ Nederlands Theologisch Tijdschrift 55 (2001), 313–327, 317–318.

11  Zie bijv. Ian G. Barbour, Issues in Science and Religion (Englewood Cliffs 1966), 279 ff.; Barbour, Myths, Models and Paradigms: The Nature of Scientific and Religious Language (Londen 1974), 72, en de illustratie in Christopher Southgate e.a., God, Humanity and the Cosmos: A Textbook in Science and Religion (Edinburgh 1999), 111.

12  Brümmer, Wat doen wij als wij bidden?, 93–94.

13  Zo ook Keith ward, Divine Action (London 1990), hfst. 5: ‘The Death of the Closed Universe.’ Voor een goed overzicht van deze tendens in de theologie, zie Bernhardt, Was heißt ‘Handeln Gottes’?, 278–280.

14  M. Born, Natural Philosophy of Cause and Chance (Londen 1949), 122–123; Bernhardt, Was heißt ‘Handeln Gottes’?, 282; Barbour, Issues in Science and Religion, 299–301. Zie ook Smedes, ‘Is ons universum deterministisch?’, 318.

15  Mats J. Hansson, Understanding an Act of God: An Essay in Philoosphical Theology (Uppsala 1991), 99.

16  Voor een goed en relatief toegankelijk overzicht van de chaostheorie, zie Ian Stewart, Does God Play Dice? The Mathematics of Chaos (Londen 1989); vgl. Smedes, `Is ons universum deterministisch?', 318–321.

17  Smedes, ‘Is ons universum deterministisch?’, 319.

18  James Colwell, `Chaos and Providence,' International Journal for Philosophy of Religion 48 (2000), 131–138. Over het gebruik van de chaostheorie door andere theologen, zie Bernhardt, Was heißt ‘Handeln Gottes’?, 296–301.

19  Van der Blij, ‘Wist ik, wiskundige, het maar,’ Praktische Theologie 1993/2, 68; zie ook Smedes, ‘Is ons universum deterministisch?’, 320–321.

20  Maurice Wiles, God’s Action in the World: The Bampton Lectures for 1986 (Londen 1986), 28.

21  Een goed overzicht vindt men in Bernhardt, Was heißt ‘Handeln Gottes’?, 352–370.

22  Smedes, ‘Is ons universum deterministisch?’, 321 (zijn cursivering).

23  Zie voor het volgende Hansson, Understanding an Act of God, 100–103; Gerard Nienhuis, ‘Toeval en voorzienigheid,’ in: A. van de Beek (red.), Lichtgeraakt: Wetenschapsbeoefenaren over de relatie van hun gelovig christen-zijn en hun werk (Nijkerk 1995), 50.

24 Anton Houtepen, God, een open vraag (Zoetermeer 1997), 12–25.


Dovnload 61.9 Kb.