Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Ik moet niets hebben van dat ‘ge-je’

Dovnload 263.55 Kb.

Ik moet niets hebben van dat ‘ge-je’



Pagina1/3
Datum01.08.2017
Grootte263.55 Kb.

Dovnload 263.55 Kb.
  1   2   3


Ik moet niets hebben van dat ‘ge-je’.




28/01/2008
Ellen Sluis - 3025853
Communicatie en Informatie Wetenschappen
Bachelor eindwerkstuk
Begeleider: Daniël Janssen

Samenvatting


In dit onderzoek wordt onderzocht wat de relatie is tussen het oordeel van derden over schrijvers in een conversatie via de email en de door hen gebruikte aanspreekvorm (u of je). Aan de hand van een geprinte emailconversatie tussen een dansschool (email 1) en een potentieel lid (email 2) wordt aan proefpersonen hun oordeel gevraagd over de schrijvers. Hierbij zijn vier versies van de conversatie gebruikt. In de eerste versie spraken beide schrijvers elkaar met je aan, in de tweede versie sprak de dansschool met u aan en het potentiele lid met je, in de derde versie sprak de dansschool met je en het potentiele lid met u en in de vierde versie spraken beide schrijvers elkaar met u aan.
Er was geen duidelijk verschil tussen de oordelen op beide schrijvers in de vier verschillende versies. Wisselende aanspreekvormen hadden weinig effect. Opvallend was dat jongeren de emaiil van het potentiele hoger waardeerden wanneer deze dezelfde aanspreekvorm gebruikte dan de dansschool terwijl ouderen het potentiele lid juist hoger waardeerden wanneer deze een andere aanspreekvorm gebruikte.
Kennelijk waren andere factoren verantwoordelijk voor de verschillen die zijn gevonden, zoals het onderwerp van de emails, de (machts)verhouding tussen de schrijvers en de lengte van de vragenlijst.

Inhoudsopgave



  1. Inleiding 3

  2. Theoretisch kader 4

    2.1 Functie van u versus je 4


    2.2 Aanspreken in eenzijdige communicatie 4
    2.3 Interactie in email 4

  3. Procedure 5

    3.1 Materiaal 5


    3.1.1 De conversatie 5
    3.1.2 De vragenlijst 6
    3.1.2.1. De vorm 6
    3.1.2.2. De clusters 7
    3.1.2.3. Roos van Leary
    8
    3.2 Variabelen 11
    3.2.1. Onafhankelijke variabele 11
    3.2.2. Afhankelijke variabele 11
    3.3 Proefpersonen 11
    3.4 Instructie 12

  4. Resultaten 13

4.1 Betrouwbaarheid 13
4.2 Oordeel schrijvers per versie 14


4.3 U-zeggers vs. Je-zeggers 16

    1. Leeftijd 17

4.5 De volgorde van de emails 18
  1. Conclusie 19

  2. Discussie 21

  3. Bibliografie 22

  4. Bijlagen 23

8.1 Versie je-je 23
8.2 Versie je-u 24
8.3 Versie u-je 25
8.4 Versie u-u 26
8.5 De vragenlijst 27

1. Inleiding


Toen ik een onderwerp moest kiezen voordat ik begon aan dit eindwerkstuk, leek mij het onderwerp aanspreekvormen het meest interessant. Ik denk zelf namelijk vaak na over aanspreekvormen en bedacht me dat ik zelf heel inconsequent ben in het aanspreken van mensen. Zo zeg ik soms tegen een zelfde persoon de ene keer u en de andere keer je. Ik merk ook heel sterk dat ik tegenwoordig tegen veel minder mensen u zeg dan vroeger. Tantes en ooms zijn een goed voorbeeld. Als klein meisje was mij geleerd om tegen iedereen u te zeggen. Nu zie ik ooms en tantes veel meer als gelijken en zeg ik vaak je. Want daar zijn aanspreekvormen immers voor: om duidelijk te maken wat de relatie is tussen jezelf en de ander. Of is dat tegenwoordig niet meer zo?

Ik begon om me heen te kijken en vroeg wat rond bij verschillende mensen. Zo had ik een sollicitatie bij een bedrijf dat mij ontzettend informeel benaderde, zodat ik er zelf ongemakkelijk van werd. Ik wist niet meer hoe ik op hun emails moest reageren, want zelf durfde ik niet zo informeel te zijn. Daarnaast sprak ik ook iemand die haast verontwaardigd riep: “Nou, noem mij maar u, ik moet niets hebben van dat ‘ge-je’!”

Om deze reden dacht ik dat dit onderzoek een stuk zou ophelderen voor mij. Ik dacht dat, wanneer ik me meer zou bezighouden met de verschillende manieren van aanspreken, ik wel zou ontdekken wat nu de juiste manier van aanspreken is en ik welk geval.

Nu blijkt dat allerminst het geval te zijn. Ik pieker me suf als ik een e-mailtje moet tikken aan een docent en ik weet niet meer wat ik tegen ooms en tantes moet zeggen. Moet ik nu beleefd zijn, of creëer ik juist te veel afstand als ik u tegen ze zeg? Door er zoveel over na te denken weet ik helemaal niet meer wanneer ik nu u of je moet zeggen. Zou dit betekenen dat de betekenis van u en je steeds dichterbij elkaar komt te liggen? Zal u op een gegeven moment een zeldzame aanspreekvorm worden of zal het zelfs verdwijnen?


In de eerste helft van de vorige eeuw was het onderscheid tussen u en je duidelijker. Toen werden gezagsdragers altijd met u aangesproken (De Pater, 2007). Door u te gebruiken werd respect getoond en werd duidelijk dat er een verschil in status bestond tussen de twee personen. Na de jaren ’60 van de vorige eeuw ontstond hierin een verschuiving. Men hechtte minder waarde aan het benadrukken van machtsverschillen en daardoor nam je als aanspreekvorm in steeds meer contexten de rol van u over. Voorbeelden hiervan zijn overal om ons heen te vinden. Vroeger werden studenten nog met u aangesproken in de collegezaal terwijl dat nu haast nooit meer gebeurt. En daarnaast spreken studenten hun docenten steeds vaker aan met je.

Bovenstaand verklaart Vermaas (2002) aan de hand van de begrippen status en solidariteit van Brown en Gilman. Volgens Vermaas stellen Brown en Gilman dat het gebruik van een bepaalde aanspreekvorm afhangt van status en van solidariteit. Bij verschil in status denken we aan onderdanigheid, respect en beleefdheid. Bij solidariteit gaat het om gelijkwaardigheid, vertrouwdheid en intimiteit. Waar men vroeger meer waarde hechtte aan de statusdimensie, lijkt men nu de solidariteitsdimensie belangrijker te vinden (Vermaas, 2002).

De Pater sluit zich hierbij aan. Volgens haar wordt u tegenwoordig gebruikt om afstand te creëren. Het wordt dan ook het distantiepronomen genoemd. Daarnaast zorgt je, het solidariteitspronomen, juist voor verbondenheid (De Pater, 2007). Zo is te verklaren waarom men tegenwoordig meer je gebruikt dan vroeger.

Dat we een verschuiving van aanspreekvormen zien is duidelijk, maar wat vinden mensen zelf van deze verandering? Geven mensen tegenwoordig ook de voorkeur aan de aanspreekvorm je? Of willen ze, ondanks deze verschuiving, nog liever met u worden aangesproken? Er is al veel onderzoek gedaan naar het effect van aanspreekvormen op de waardering van mensen. Daar ging het voornamelijk om situaties waarin mensen direct worden aangesproken door bijvoorbeeld een schrijver van een tekst.

In het beschreven onderzoek wordt onderzocht hoe de gebruikte aanspreekvorm een bepaald oordeel over iemand kan beïnvloeden. Daarbij gaat het om twee personen die een conversatie voeren per email. Er wordt gekeken hoe het oordeel van een buitenstaander wordt beïnvloed door de aanspreekvormen die twee schrijvers in een conversatie gebruiken. De onderzoeksvraag in dit onderzoek luidt:
Op welke manier beïnvloedt de gebruikte aanspreekvorm in een emailconversatie het oordeel over de schrijvers?

2. Theoretisch kader

2.1 De functie van u versus je

Dat je het tegenwoordig steeds vaker overneemt van u wekt ieders nieuwsgierigheid en is een aanleiding tot ontzettend veel onderzoek naar dit verschijnsel. Zo blijkt dat aanspreekvormen een duidelijk functie hebben. Volgens Vermaas (2002) weerspiegelen de maatschappelijke verhoudingen zich in de Nederlandse aanspreekvormen. Zo kan de bewuste keuze voor het gebruik van een bepaalde aanspreekvorm aangeven hoe mensen met elkaar omgaan of hoe men zich richt tot een ander. Men kan aanduiden of er sprake is van gelijkwaardigheid, vertrouwelijkheid, onderdanigheid of zakelijkheid (Vermaas, 2002). Doordat de functie van u tegenwoordig is verschoven tot distantiepronomen, zoals Van den Toorn beweert in Vermaas (2002) beweert, wordt deze voornamelijk gebruikt bij mensen die een hoog aanzien hebben. In Nederland is het verschil in machtsverhoudingen veel kleiner dan in andere landen (Hofstede, 1992,93). Deze verschillen in machtsverhoudingen zijn afgenomen door democratisering, informatisering en communicatiemogelijkheden wordt steeds minder u gebruikt (Vermaas, 2002). Door je te gebruiken geeft men juist aan solidair en gelijkwaardig te zijn met de ander.




    1. Aanspreken in eenzijdige communicatie

Zo ondervond Van Zalk (2002) dat ouderen liever met je worden aangesproken en dat jongeren het gebruik van u waarderen. Zij deed een onderzoek in het kader van haar doctoraalscriptie naar aanspreekvormen op websites. Het ging daarbij om een persuasieve tekst over wandelen in Ierland op de website van een reisbureau. De tekst probeerde de lezer over te halen voor een actieve wandelvakantie in Ierland. In verschillende versies werd ofwel u of wel je gebruikt. Een aantal proefpersonen werd hun mening gevraagd over de tekst en hieruit bleek dat het je-gebruik door ouderen hoger werd gewaardeerd dan het u-gebruik, terwijl dit bij jongeren precies andersom was.

Huigen (2004) onderzocht de waardering van het gebruik van u of je in personeelsadvertenties. Twee leeftijdsgroepen, één groep van 35 jaar of jonger en een groep ouder dan 35 jaar, gaven hun oordeel over de personeelsadvertenties. Zij vond geen verschil in waardering. Wel werd door alle proefpersonen de u-versie als formeler en traditioneler beschouwd (Huigen, 2004).

De Vries (2004) heeft onderzocht welke manier van aanspreken in voorlichtingsbrochures van Postbus-51 door ouderen en jongeren werd het meest werd gewaardeerd. Zij vond geen effect van aanspreekvormen en leeftijd.

Brand (2005) ging hier nog verder op in door naar teksten te kijken die al dan niet een duidelijk appèl doen op de lezer. Zij concludeerde dat ouderen, in tegenstelling tot het onderzoek van Van Zalk en De Vries, juist wel de voorkeur gaven voor de teksten waarin u de aanspreekvorm was ten opzichte van jongeren. Daarnaast concludeerde zij dat in teksten waarin een duidelijk appèl werd gedaan op de lezer het gebruik van u door zowel ouderen als jongeren hoger werd gewaardeerd en het gebruik van je. In niet commerciële teksten, waarin geen duidelijk appèl werd gedaan, was er geen verschil in waardering van de aanspreekvorm. Ten slotte ondervond zij nog dat ouderen de aanspreekvorm u altijd hoger waarderen dan je, waarbij het niet uit maakt of de tekst juist wel of juist geen appél doet op de lezer. Dit tegengestelde resultaat is verwonderlijk en laat zien dat de voorkeur van mensen nogal instabiel is (Brand, 2005).

Jansen en Janssen (2005) zochten een verklaring voor het verschil in resultaat in verschillende onderzoeken naar de waardering van aanspreekvormen. In hoeverre zou leeftijd verbonden zijn met de waarderingseffecten? Als alternatieve verklaring hebben zij medium en verhouding tot het onderwerp onderzocht (Jansen en Janssen, 2005, 226). Het ging daarbij om een gedrukte folder van Postbus-51 die de lezer op papier dan wel op scherm te lezen kreeg.

Het bleek dat het medium geen effect had op de waardering voor u- of je-gebruik, maar ze vonden wel verschil in waardering voor aanspreekvorm wanneer de lezers, ongeacht hun leeftijd, de informatie en adviezen die zij lazen relevant vonden. De waardering voor het gebruik van u was hoger wanneer de lezer instemde met de adviezen in de tekst. Maar hoe kunnen we dan de resultaten uit het onderzoek van Van Zalk (2002) verklaren waarin ouderen je boven u waarderen?

Jansen en Janssen stellen dat de lezers van de Postbus-51 teksten de informatie wel relevant vonden, maar zich niet konden identificeren met de schrijver. De resultaten uit het onderzoek van Van Zalk (2002) kunnen dan verklaard worden in de mate van interactie met het onderwerp. Omdat ouderen eerder enthousiast zullen raken over een wandelvakantie in Ierland dan jongeren zullen ze zich meer met de schrijver verbonden voelen. Ze worden daardoor, in tegenstelling tot jongeren, liever met je aangesproken (Jansen en Janssen, 2005).


In tegenstelling tot de onderzoeken die worden beschreven in het grote aanbod van literatuur naar aanspreekvormen in éénzijdige communicatie, richt dit onderzoek zich meer op het gebruik van u of je in tweezijdige communicatie; in communicatie over en weer. Daarbij wordt toegespitst op het medium email. Twee personen die een interactie voeren via de email kunnen dezelfde of juist verschillende aanspreekvormen gebruiken. In bovenstaande onderzoeken werd onderzocht wat de gewenste aanspreekvorm was wanneer de proefpersonen direct door de schrijver werden aangesproken. In dit onderzoek daarentegen wordt gekeken wat het oordeel van de proefpersoon is over twee personen in een conversatie die bepaalde aanspreekvormen gebruiken.


    1. Interactie in email

Nog geen dertig jaar geleden werd de eerste email verstuurd, en vandaag de dag groeit het aantal emailgebruikers en de manieren waarvoor email gebruikt nemen nog steeds. Het begon met het sturen van kleine tekstjes over en weer, tegenwoordig worden er willekeurige, vaak grote, zakelijke of privé-berichten via de mail verstuurd en vindt de communicatie voor de bedrijfswereld voor een groot deel via email plaats. (Galesic & Stepanic, 2003). Het medium heeft andere eigenschappen dan een geschreven brief. Zo bestaan er formele en informele gebruiksregels binnen het emailgebruik. Onder deze informele gebruiksregels wordt de opmaak verstaan en de manieren om emoties te uiten. Dit kan bijvoorbeeld doormiddel van smiley’s. (Galesic & Stepanic, 2003).

Een nieuw medium heeft ook nieuwe eigenschappen. Zo is email gratis, snel en flexibel omdat de ontvanger zelf kan bepalen wanneer hij de email leest. Daarnaast is het minder opdringerig dan een telefoontje (Reid Goldsborough,2000)

In een literatuuronderzoek naar nieuwe geletterdheid wordt beschreven hoe nieuwe media de jongeren van nu tot een net-generatie maken waarbij Internet een onmisbaar deel uit maakt van hun leven. Ze communiceren via Internet, houden een groot deel van hun sociale leven bij door te chatten, te email en te gamen met anderen. Interactiviteit vormt dan ook de kern van het leven in de net-generatie (Veen en Jacobs, 2005).

In dit onderzoek wordt gekeken wat de invloed is van aanspreekvormen op het oordeel over de schrijver. Wanneer mensen toeschouwer zijn van een conversatie, wat voor effect heeft een bepaalde aanspreekvorm dan op deze persoon? Met wat voor gedrag wordt een persoon die een bepaalde aanspreekvorm gebruikt bestempeld? Dat is wat hier aan de hand van vier verschillende versies wordt onderzocht. Zo verwacht ik dat het oordeel over de schrijvers die elkaar met dezelfde aanspreekvorm aanspreken niet van elkaar verschilt. Wanneer de aanspreekvormen wisselen, de conversatie wordt bijvoorbeeld begonnen met je en de ander antwoordt met u of andersom, dan verwacht ik wel een verschil in het oordeel over de schrijvers. Uitgaande van het solidariteitsprincipe van Brown en Gilman, aangehaald in Vermaas (2005), is het gebruik van je meer vriendschappelijk en creëert het gebruik van u juist afstand. Zodoende is het bijvoorbeeld mogelijk dat een persoon een schrijver die u gebruikt afstandelijker vindt dan de schrijver die je zegt.


  1   2   3

  • Samenvatting
  • Inhoudsopgave Inleiding 3
  • Resultaten 13 4.1 Betrouwbaarheid 13 4.2 Oordeel schrijvers per versie 14
  • 1. Inleiding
  • 2.1 De functie van u versus je

  • Dovnload 263.55 Kb.