Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


'Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen'

Dovnload 130.88 Kb.

'Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen'



Pagina1/3
Datum26.10.2018
Grootte130.88 Kb.

Dovnload 130.88 Kb.
  1   2   3

'Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen'

Alfred Birney over zijn jeugd, zijn vader, en zijn genomineerde boek



ARTIKELZijn vader vocht voor Nederland in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en botvierde daarna zijn trauma's op zijn gezin. Met het huiveringwekkende, voor de Librisprijs genomineerde De tolk van Java heeft Alfred Birney (65) het boek geschreven dat hij al zijn leven lang moest schrijven.

Door: Sara Berkeljon 6 mei 2017, 02:00

 






Alfred Birney is 65, en als je hem vraagt hoe lang hij aan zijn laatste boek heeft gewerkt, is het antwoord: misschien wel zijn hele leven. Al op zijn achttiende riep Birney dat hij een boek zou gaan schrijven. Hij werd uitgelachen, door zijn vriendjes van het internaat. 'Ik zou beroepsgitarist worden, dat wist ik, maar er moest, dat wist ik ook, één boek worden geschreven.'

Toen hij honderd streepjes op zijn geweerkolf had gezet stopte hij met tellen

Alfred Birney

Alfred Birney werd op 20 augustus 1951 geboren in Den Haag als oudste van vijf kinderen. Vanaf zijn dertiende woonde hij in internaten en tot zijn vijfentwintigste leidde hij een zwervend bestaan, waarbij hij zijn geld verdiende als gitaarleraar en musicus. Hij introduceerde het gecombineerde noten- en tabulatuurschrift voor gitaristen, dat grote navolging kreeg. Door een beschadiging aan zijn hand moest hij zijn carrière als professioneel muzikant opgeven. Hij debuteerde in 1987 met de roman Tamara's lunapark en publiceerde sindsdien vijftien boeken. Van 2002 tot 2005 was hij columnist voor de Haagsche Courant. Met zijn laatste roman, De tolk van Java, won hij de Henriette Roland Holst-prijs en is hij genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs.

Birney schreef eerst dertien andere boeken (romans, novelles, essays) voor hij aan dat ene boek kon beginnen: De tolk van Java, vorig jaar verschenen, door Adriaan van Dis als 'meesterwerk' geprezen ('Léés dat bloody boek!') en nu genomineerd voor de belangrijkste Nederlandse literaire prijs, de Libris, die maandag wordt uitgereikt. De tolk van Java is een huiveringwekkend boek, een autobiografische roman over een door oorlog getekende vader die zijn trauma's botviert op zijn vrouw en vijf kinderen, van wie Birney de oudste is.

Die vader, Adolf Birney, was de niet-erkende zoon van een Indo-Europese vader en een Chinees-Indonesische moeder, en vocht in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog aan de kant van de Nederlanders. Toen hij honderd streepjes op zijn geweerkolf had gezet, één voor elke door hem gedode strijder, stopte hij met tellen. Hij emigreerde naar Nederland voordat hij door de Indonesiërs, die hem als landverrader zagen, kon worden vermoord. Daar trouwde hij met een Helmondse schoenmakersdochter. Het werd een rampzalig huwelijk.

Ik wil dat de mensen van me houden. Ik schreef met mijn hart

Eerder kon hij De tolk van Java niet schrijven, zegt Birney. Hij wilde het ook eigenlijk niet. Slecht voor zijn gezondheid, zijn hart is niet sterk. Maar ja. 'Je schrijft dit, en dat. In 2002 werd ik columnist bij de Haagsche Courant, met als opdracht het verdedigen van de multiculturele samenleving. Nou, dat heb ik geweten. De redactie ontving kogelbrieven, m'n kop werd geëist. Er zijn columnisten die het leuk vinden als ze worden gehaat. Ik niet, ik wil dat de mensen van me houden. Ik schreef met mijn hart. Maar goed, die krant ging over de kop en ik werd met wat geld de laan uitgestuurd. In 2006 kreeg ik een hartaanval, lag ik ineens in het ziekenhuis. O, fuck. Daarna ben ik drie jaar gaan fietsen. Ik hield een blog bij, over de meeuwen aan het strand en de patatbakjes op straat, maakte mijn leven klein, hield me bezig met de dingen die ik zag. Niet met mijn verleden, niet met politiek, niks - het was goed, ik had een rustige state of mind bereikt, hoe heet dat nou, ik kan niet op het woord komen. Het is voor mij nog ochtend.'

Het is half drie 's middags, Birney heeft een pot Chinese groene thee gezet. In zijn Haagse bovenwoning staat aan meubilair alleen het broodnodige: tafel, bank, boekenkast. Hier woont een man alleen, dat is meteen duidelijk.

Dat is nou een neokoloniale houding: wij blanken hebben ons misdragen tegenover die arme bruine mensjes

Hij vervolgt: 'Dat je berust in hoe het leven is, met zo'n gevoel fietste ik de dagen door. Verder deed ik niets, ik wilde geen boeken meer schrijven, ik lag maar op de bank. Maar mijn geld ging op. Ik keek op mijn bankrekening en had nog maar 4.000 euro. O, hel, ik moet iets gaan doen. Ik ging weer gitaarlessen geven. Ik schreef een novelle, dat was net te behappen. En daarna nog een novelle, en nog een. Toen ik weer op krachten was, begon ik me weer eens enorm druk te maken, over zaken als de Nederlandse literaire canon en hoe beperkt die is. Over het literatuur en -geschiedenisonderwijs. Want daar heb ik nogal een mening over. Ik vind: Nederland maakt zichzelf te klein. Wat moet je nou steeds maar weer met die Hoekse en Kabeljauwse twisten? Daar val je toch van in slaap?

'De Nederlandse geschiedenis wordt pas echt interessant in koloniaal perspectief, maar jongeren weten vaak niet eens wat Nederland en Indonesië ook alweer met elkaar te maken hadden, omdat we liever met een grote boog om die geschiedenis heen lopen. En dan bedoel ik dus níét dat de Nederlanders zich schuldig moeten voelen of erkennen dat het allemaal fout was. Zo paternalistisch, die houding. Ik bedoel: Nederland stuurde honderdduizend jongens naar de oost om Nederlands-Indië te behouden, maar verloor. Moeten de Nederlanders vijftig jaar later dan sorry gaan zeggen? Wat een onzin. Vinden de Indonesiërs ook, hoor, die denken: waar hebben ze het over, wíj hebben toch gewonnen? Dat is nou een neokoloniale houding: wij blanken hebben ons misdragen tegenover die arme bruine mensjes. Enfin, ik schreef wat essays waarin ik van leer trok. Maar het werd me steeds duidelijker: ik moest schrijven, écht schrijven. Dit boek.'



WIST JE (BIRNEY WIL NIET MET U WORDEN AANGESPROKEN, 'DAT PAST NIET BIJ ME') TOEN AL DAT HET DIT BOEK GING WORDEN?

Was mijn vader al gek voordat de oorlog begon, of is hij gek geworden door die oorlog?

'Ja. Ik wilde me verdiepen in de gekte van mijn vader. Ik móést hem kunnen begrijpen. Je moet weten: ik ben een verlaten kind. Ik heb mijn vader en moeder altijd vrijgepleit van wat ze hebben gedaan, en ook van wat ze niet hebben gedaan. Over mijn moeder zei ik: ze kon er niets aan doen, ze was ongeschikt voor het moederschap. Over mijn vader zei ik: hij kon er niets aan doen, want hij had een oorlogstrauma. Maar ik had ook vragen. Moest mijn vader echt die oorlog in? Hij was pas 17, te jong om te worden opgeroepen voor het KNIL, maar hij meldde zich vrijwillig aan bij de Engelse troepen, die na de capitulatie van de Japanners orde op zaken kwamen stellen in Indonesië. Mijn hoofdvraag was de volgende: was mijn vader al gek voordat de oorlog begon, of is hij gek geworden door die oorlog?'

WEET JE HET ANTWOORD?

'Daar ben ik niet uitgekomen.'


Ik was doodsbang voor hem. En terecht, want hij was heel gevaarlijk

WAT ZIJN DE EERSTE HERINNERINGEN AAN JE VADER?


Het gezin-Birney. Alfred is de oudste van de vijf kinderen. © Eddo Hartmann

'Ik ben zes jaar oud en lig in bed. Opeens springt het licht aan in de gang, onze slaapkamerdeur gaat open en er verschijnt een schaduw op de muur, een man met een grote dolk, als in een Hitchcock-film. Mijn vader. Wat denk je dan als kind van 6? Je denkt: dat is mijn vader en die komt me hartstikke doodsteken. Je denkt niet: o, dat is mijn vader, die is paranoïde, hij denkt dat de Indonesische vrijheidsstrijders hem in zijn huis in Den Haag komen vermoorden. Ik was doodsbang voor hem. En dat was terecht, want hij was heel gevaarlijk.'



OP JE DERTIENDE WORDEN JIJ EN JE BROERS EN ZUSSEN DOOR DE KINDERBESCHERMING UIT HUIS GEPLAATST. ALS JE JE VADER VIJF JAAR LATER OPZOEKT, ZEGT HIJ: 'WAAROM HEB JE MIJ VERLATEN?' EEN MISPLAATSTE OPMERKING, DIE JE NIETTEMIN LANG ACHTERVOLGT.

Mijn zussen en broers werden opgehaald en we werden onder politiebegeleiding naar een internaat gebracht

'Ja, daar heb ik lang over nagedacht. Ik was zo onzeker dat ik hem gewoon geloofde. Maar natuurlijk had ik hem niet verlaten. Het ging niet meer, thuis. Mijn vader haalde mij en mijn broer uit elkaar na een knokpartijtje op onze kamer. Hij gaf me een uppercut onderin mijn buik, ik ging neer en kreeg twee minuten geen adem. Ik dacht dat ik zou stikken. Mijn broer riep mijn vader na: 'Als je dat nog eens doet, steek ik je overhoop!'

'Mijn moeder vond daarna een mes onder het kussen van mijn broer. Toen was het voor haar duidelijk en heeft ze de Kinderbescherming gebeld. Op een doodgewone dag ben ik uit de klas geplukt, mijn zussen en broers werden opgehaald en we werden onder politiebegeleiding naar een internaat gebracht. Mijn schoolvriendjes en leraren heb ik nooit meer gezien. Mijn leven brak in tweeën. Mijn ouders waren vanaf dat moment gescheiden. Naar het ouderlijk huis, waar mijn moeder bleef wonen, durfde ik niet terug. Zodra ik het betrad, kreeg ik vreselijke paniekaanvallen. Ik vond het wel best in het internaat.'



JE MOEDER KOMT ER IN HET BOEK NIET GOED VANAF. ZE IS GEEN VROUW DIE HAAR KINDEREN BESCHERMT.


  1   2   3


Dovnload 130.88 Kb.