Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Illustraties/ (voor)beelden/ citaten ten dienste van de overdracht van de bijbelse boodschap

Dovnload 301.99 Kb.

Illustraties/ (voor)beelden/ citaten ten dienste van de overdracht van de bijbelse boodschap



Pagina4/10
Datum28.10.2017
Grootte301.99 Kb.

Dovnload 301.99 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

De bruid van Christus (M.Luther)

Maarten Luther gebruikt in zijn verhandeling ‘De vrijheid van een christenmens’ het beeld van een arm veracht meisje dat van slechte zeden is,

maar op een goede dag in het huwelijk treedt met een rijke koning. Al de ellende en schuld van dat meisje wordt als in een ogenblik door deze koning-bruidegom bedekt en weggenomen. Niemand kan één vinger op haar leggen. Zij is vanaf haar trouwdag de vorstin van wie de smaad van haar verleden is verslonden in de majesteit en het gezag van hem die thans haar man is. Dat meisje is het beeld van Christus’ gemeente.
Bedelen om de genade van de moordenaar (G.F.Händel)

Georg Friedrich Händel is de bekende componist van ‘The Messiah’. Dit bijbelse oratorium voltooide hij op zijn 57e in drie weken tijds. Wat echter minder bekend is van Hem, is het slotakkoord van zijn leven. Het slotakkoord van een blinde man. Ik bedoel Zijn laatste woorden, uitgesproken op zijn sterfbed in 1759 te Londen. Deze ‘zwanenzang’ is nooit van noten voorzien. Een trouw dienaar die niet van zijn ziekbed week, verzekerde Händel, dat hij weldra als schrijver van zulke heerlijke muziek, wel een ereplaats onder de hemelse zangers zou krijgen. Händel grimlachte en zei: ‘Och, als de Heere mij slechts in Zijn hemel wil toelaten en mij daar een hoekje aanwijst, waar ik naar de hemelkoren mag luisteren, zou ik zeer tevreden zijn. Ik wens mij volstrekt niet te scharen in de eerste rijen der apostelen en heiligen, als ik maar de genade ontvangen mag, die de Heiland de moordenaar aan het kruis schonk…Als dat ene woordje ‘genade’ werd uitgewist, dan was alle hoop verloren. Maar nu klem ik mij met beide handen daaraan vast, want op u alleen, Heere Jezus, is al mijn hoop gevestigd.’


Kijken met de ogen van de Zoon

Onlangs hoorde ik het verhaal van een prins die verliefd werd op een meisje uit het gewone volk, heel gewoon, niet schoon, onaantrekkelijk zelfs. De vader van die prins was het met de keus van zijn zoon dan ook helemaal niet eens en verstootte hem daarom zelfs. Toen kwam er een dag waarop die vader zijn zoon einde­lijk toestond om dan toch maar eens met zijn geliefde te komen kennis­maken. Dat gebeurde. Ieder­een in het paleis zag haar en nie­mand vond haar eigenlijk een meisje om van te houden. 'Jongen toch', zei de vader van de prins, hoe kun je nu van zo'n meisje houden? Er lopen toch


wel wat lief­talliger meisjes in de wereld rond.' 'Ja, vader,' antwoordde de prins, 'dat zal wel zo zijn, maar om haar mooi en lieftallig te vinden, moet u

met de ogen van mij naar haar kijken.' Om een onaantrekkelijk en onwaardig schepsel als u en mij lief te kunnen hebben, moet de Vader in de hemel naar hem/ haar kijken met de ogen van Zijn Zoon, de gekruisigde en opge­stane Heere Jezus. Die ziet in zo'n zondaar zoveel, dat Hij er zelfs zijn leven voor overhad.


Een wit laken in de boom

Richard Wurmbrand vertelde eens van een jongeman die een mis­daad op zijn geweten had en daar geruime tijd voor in de gevan­genis had gezeten. Voordat hij naar huis ging, schreef hij zijn vader een brief waarin hij vroeg, of hij hem zijn misdaad vergeven wilde. 'Je komt maar met de trein', antwoordde zijn vader, 'die komt langs ons huis; en als je wilt weten, of ik het je vergeef, kijk dan maar, of er een witte zakdoek in een boom in de tuin hangt'.Telkens liep die jongen in de trein richting zijn ouderlijk huis heen en weer. 'Waarom zo zenuwachtig?', vroeg een medereiziger. Toen de jonge man het vertelde, waarom hij zo gespannen was, zei deze: 'Ga maar zitten; ik zal wel voor je kijken.'Even later vloog de trein langs het ouderlijk huis van de jongen. En raad eens. Kijk, daar hing niet maar een witte zakdoek, maar een groot wit laken in de boom. Een bewijs van vaderlijke vergevingsge­zindheid. Of de hemelse Vader van vergeven weet? Kijk door het raam in de trein van uw leven. Kijk naar de kruisheuvel Golgotha. Welkom thuis.


Elie Wiesel/ Simon Wiesenthal

Elie Wiesel, staande bij de gasovens van Auschwitz, bad : ‘O God, vergeef dit nooit.’ Een SS-er die berouw kreeg van wat hij had gedaan, riep Simon Wiesenthal bij zich en vroeg: 'Kun je het mij vergeven?' Wiesenthal antwoordde: 'Al zou ik het willen, ik kan het niet. Dat kunnen alleen de slachtoffers'. Zie Ter Schegget, Menslievendheid Gods, blz.82. Maar weet Wiesenthal dan niet van dat ene Slachtoffer - dat van de Joodse Messias? Hij is het Slachtoffer dat antwoorden kan op de vraag van een benauwd geweten. Want Hij leeft. En Hij weet van vergeven.




Is zelfmoord het beste?

De Duitse oorlogsmisdadiger Ley die kort na de tweede Wereldoorlog in de gevangenis in Neurenberg zat, zei eens tegen een bewaker die hem vroeg, waarom hij niet ging slapen: ‘Slapen, slapen? Ze laten me niet slapen…miljoenen buitenlandse arbeiders, mijn God…miljoenen Joden…allemaal vermoord…allen omgebracht …allen vermoord…hoe kan ik slapen?’ Enige tijd later pleegde hij zelfmoord.


G.F.Händel op zijn sterfbed

Georg Friedrich Händel zei op zijn laatste levens­dag (14 april 1759; ruim 240 jaar geleden): 'Lees mij voor uit 1 Korinthe 15. Ja, dat is het ware Evangelie. Hoe heerlijk van de zalig­heid verzekerd te zijn door het geloof in Jezus Christus, uit genade.'




  • God sprak eens tot Thomas van Aquino: ‘Thomas, u hebt goed van Mij gesproken; vraag wat u wilt en Ik zal het u geven’. Thomas antwoordde: ‘Geef mij niets, Heere; niets dan Uzelf alleen’.

  • H.F.Kohlbrugge: ‘Wat is dat voor een volk dat God zalig maakt? Het is een volk met zonden.’ Kohlbrugge; n.a.v. Matth.1:21.

  • ‘Een arme smekeling behoort men niet uit te leveren’ (Xenocrates).

  • Een spotter met het christendom,Voltaire heeft eens gezegd: ‘Vergeven is Gods beroep’.

  • M.Luther in zijn verklaring van de brief aan de Galaten: ‘Gij, jongeren, zijt in dit opzicht veel gelukkiger dan wij, grijsaards.Want gij zijt niet doortrokken met die besmettelijke dwalingen die ik van jongs af zo ingedronken had, dat ik verbleekte en ontroerde, alleen al bij het horen van de Naam van Christus, omdat ik ervan overtuigd was, dat Hij (alleen) een Rechter was.’


11. GELOOF
Geef mij een punt…(Archimedes)

Δος μοι πού στω… ‘Dos moi poe sto kai kino tèn gèn’ – ‘geef mij een punt (standplaats) en ik kan de aarde bewe­gen’. Deze uitspraak wordt toegeschreven aan de bekende Archimedes, de grootste wiskun­dige van de Griekse oudheid (3e eeuw v.Chr.). Bekend is het verhaal over zijn ont-

­dekking van de zgn. waterverplaatsing, terwijl hij in bad zat en hoe hij daarbij uitriep: ‘Heurèka’ – ‘ik heb het gevonden’. Minder bekend is, dat hij ook de hefboom heeft uitge­vonden. Daaraan herinnert boven genoemde trotse uitspraak. Er moet een punt te vinden zijn, van waaruit men met een hefboom de aarde uit zijn voegen kan tillen.

Zo’n punt is er inderdaad. Ergens anders dan Archimedes vermoedde. Zo’n punt waarmee de aarde bewogen is, is het kruis van Golgotha. Daar heeft onze Heere Jezus Christus ver­zoening tot stand gebracht door Zijn bloed­storting. Het is daardoor, dat de wereld­geschiedenis uit haar voegen is getild. ‘Dos moi poe sto... ‘ Geef mij een punt. Golgotha. Maar ook het geloof in het Woord der verzoening dat in ons is gelegd, is zo’n punt. Immers, dat geloof is het, dat de wereld overwint?! Door het geloof in een Zaligmaker als Jezus, veranderen de dingen. In mijn eigen leven en in de wereld om mij heen. ‘Dos moi poe sto…’Ja en straks is er dan tenslotte weer zo’n punt. ‘Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel’ (Hebr.12:26). Hij komt eraan. Jezus, onze Verlosser. Om het ganse schepsel dat tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe, te bevrijden van de dienstbaarheid der verderfenis (Rom.8:18vv). ‘Komt, reis­genoten, ’t hoofd omhoog.’


De Hogepriester

Wie Israel nooit gezien heeft in die ogenblikken waarin de hogepriester zich achter het voorhangsel (in het heilige der heiligen) bevindt, weet niet wat smart is. En wie Israel nooit gezien heeft in dat ogenblik waarop de hogepriester uit het heiligdom naar buiten komt om het wachtende volk te zegenen, weet niet wat vreugde is. Joodse uitspraak.


Boetvaardigheid en geloof gaan hand in hand

‘Boetvaardigheid en geloof gaan altijd samen’ (J.Calvijn). Oprecht berouw verlangt naar straf houdt ervan (stelling 40 van de 95 stellingen van M.Luther). Sommige christenen hebben meer schaamtegevoel (jezelf beneden de maat achten in de ogen van anderen) dan schuldbesef (weten tegen God gezondigd te hebben). Ware boetvaardigheid bestaat uit het besef misdadiger te zijn. Dat is totaal iets anders dan slachtoffer-gevoel.




Christus kennen (Bugenhagen)

‘Zo gij Christus kent, het is genoeg, al kent gij al het andere niet. Zo gij Christus niet kent, het baat u niet, al kent gij al het andere wel’ (Bugenhagen).


Smaak hebben van het Evangelie

Da Costa vertelt ergens van twee jongens die ieder voor zich een appel kregen. De één sneed zijn appel in acht stukjes en at die vervolgens één voor één op. De ander zette zijn tanden in de appel, zodat het sap langs zijn kin droop. De laatste genoot eigenlijk de volle smaak van die appel. Niet door het te analyseren, maar door het te ‘consumeren’ genieten wij de volle smaak van het Evangelie.


De verloren zoon-ik ben het (Rembrandt)

Rembrandt heeft in zijn schilderwerk van de verloren zoon zijn eigen gezicht getekend in het gezicht van de zoon die terugkeerde tot de vader.


Zoals ik ben….(Charlotte Elliott)

Jaren geleden was er in Engeland een jonge vrouw die op haar 33e invalide werd: Charlotte Elliott (1789-1871). Kort nadat zij gehandicapt was geworden, kwam de bekende Zwitserse réveilpredilant Cesar Malan op bezoek in Londen in de pastorie van haar vader. Die vroeg haar, of zij met al haar leed al naar het Lam van God was gegaan. Boos en opstandig dacht ze: Waar bemoeit die man zich mee? Maar de vraag van ds. Malan bleef haar achtervolgen. Een enkele dag later bood ze haar excuses aan ds, Malan aan en vroeg hem: ‘Maar hoe moet ik dan tot Jezus gaan?’ Zijn antwoord was: ‘Kom tot Hem, zoals je bent’. Twaalf jaar later in een periode van twij-

fel en depressiviteit herinnert zij zich deze woorden. En dan schrijft ze haar lied – met een volle vrede in haar hart -, zes coupletten lang. Een inmiddels wereldberoemd lied geworden, waarvan het eerste couplet luidt:
Zoals ik ben, ‘k heb anders niet

dan ’t offer ook voor mij geschied

en dat U zelf mij roepen liet,

O, Lam van God, ik kom, ik kom.


(uit Ds.C.den Boer, Een vreemd’ling hier beneên; gedachten over Bunyans Christenreis; a.w. p.122v)
Hij roept Zijn schapen bij name

Er stonden eens twee mannen voor de rechter. De één had een schaap gestolen van de ander. Maar elk van hen beweerde, dat het gestolen schaap zijn eigendom was. En wat deed toen de rechter? Hij liet het betwiste schaap zelf halen om de rechtszaak bij te wonen. Daarna stuurde hij één van de beide mannen de rechtszaal uit en zei, dat hij op de gang de naam van het schaap moest noemen. De man deed het. Maar het schaap verroerde zich niet. Daarna kreeg de ander de beurt. En toen het stomme dier in de rechtszaal die man op de gang hoorde roepen, spitste het zijn oren en rende in de richting van de deur. Jezus zei eens: ‘De schapen horen de stem van de herder; en hij roept zijn schapen bij name en leidt ze uit’ (Joh.10,3).


Mijn vader….zo groot

Doe, wanneer u het over onze grote God hebt, maar als dat jongetje dat het over zijn vader had bij zijn vriendje. Hij zei: ‘Mijn vader is …zo groot’. Daarbij hief hij zijn kleine handje op om duidelijk te maken, hoe groot zijn vader wel was. Maar dat jongetje was natuurlijk veel te klein en zijn armpje was veel te kort om de werkelijke grootte van zijn vader uit te meten. Toch had hij gelijk. Hij sprak immers met zijn hart.


Weg met de scholastieke leer van de onzekerheid (J.Calvijn)

J.Calvijn bij Rom.8:34: ‘Zo iemand ons wil veroordelen, maakt hij niet slechts de dood van Christus teniet, maar onderneemt hij ook de krijg tegen Zijn onuitsprekelijke kracht, waarmee de Vader Hem toegerust heeft, toen Hij Hem de opperste heerschappij met zulk een grote kracht verleende. Deze zo grote zekerheid die de duivel,de dood, de zonde en de poorten der hel durft bespotten, moet in alle godzalige harten zijn: want ons geloof bete-

kent niets, tenzij wij ons zeker overtuigd houden, dat Christus de onze is en de Vader ons in Hem genadig is. Daarom kan men geen schadelijker, noch verderfelijker ding verzinnen dan de scholastieke leer van de onzekerheid der zaligheid’. Het laatste wordt door Calvijn op verscheiden andere plaatsen in zijn commentaren betuigd.


Kleingeloof in de ‘Christenreis’

John Bunyan vertelt in zijn Christenreis van Kleingeloof, dat hij overvallen werd door drie boeven: Lafhartig en Wantrouwen die hem zijn buidel met zilvergeld afnemen en Schuld die hem met een knuppel tegen de grond slaat. En dan moet Kleingeloof voortaan door het leven als een arme bedelaar. Hij heeft alleen nog wat diamanten. Maar die moet hij bewaren voor de hemelstad. Bunyan vertelt er in dat verhaal over Kleingeloof echter ook bij, dat zijn berovers voor twee figuren heel erg bang zijn: voor Grote Genade en voor Goed Vertrouwen. Die twee zijn er altijd ook nog. Vergeet het niet.


Zo dom als een ezel?

In de stad Rome is ooit een muurschildering (graffito) gevonden waarop iemand in aanbidding neergeknield ligt voor een kruis waaraan de Heere Christus hangt. Deze aanbidder is afgebeeld met een menselijk lichaam. Maar zijn hoofd is de kop van een ezel. Daaronder een inscriptie: ‘Alexamenos vereert zijn god’. Met andere woorden: dwaas, gebruik je verstand.


Ik kan niet geloven?! (R.Erskine)

R.Erskine schrijft ergens: ‘Indien gij na dit alles zoudt zeggen: ‘Ik kan Hem niet aannemen, ik kan niet geloven, ik kan niet tot Hem komen;’ wel, het is waar, gij kunt niets doen. Maar daar is iets dat ik u vragen moet, of gij het doen kunt. En dat is: Kunt gij Hem weigeren? Kunt gij Hem verwerpen? Kunt gij het tegen Hem blijven uithouden?’


Zijn geweten dopen in Christus’ wonden…(M.Luther)

M.Luther: ‘Daarom – wanneer ik uw angsten en bedreigingen – o wet – gevoel, dan doop ik mijn geweten in de wonden, het bloed, de dood, opstanding en overwinning van Christus. Buiten Hem wil ik totaal niets zien en horen.’ (Luther in zijn verklaring van de brief aan de Galaten).


Op de schouders van Christus (M.Luther)

M.Luther over Fil.2,5-11 (preek op palmzondag 1523): ‘Hij (Christus Jezus) staat u toe, dat gij op Zijn schouders gaat zitten, opdat Hij u uit het moeras drage’.


Ga in de zon zitten (Christus Jezus is uw Zon des heils)

Een zieke die lange tijd in het ziekenhuis of op zijn zieken­kamer thuis op bed heeft gelegen, knapt ervan op, als hij even buiten in de zon kan zitten. Natuurlijk zit hij niet letterlijk in de zon. Maar hij geniet de warmte ervan. Zo is het ook met iemand die 'in Christus' is. Hij geniet van het licht en van de warmte van Zijn genade en liefde. Dat geeft hem nieuwe levens­kracht, uitzicht en hoop. Christus is voor hem een energiebron waardoor hij er zin in krijgt om afscheid te nemen van het leven in de zonde: achter Christus aan wandelen betekent niet langer in de duisternis van het vroegere leven, los van God, verkeren.


Christus onze Pacemaker

Christus is onze Pacemaker. Hij is in de hemel constant bezig om de hartslag van Zijn gemeente op de aarde te regelen. Er gaan door Zijn Geest constant prikkels van Hem uit, waardoor Zijn gemeente opademt.


Komen zoals je bent

Een kunstschilder kreeg ooit eens een uitnodiging van een gemeenteraad om een schilderwerk van hen te maken. Allemaal deftige heren in keurige pakken. Maar – zo dacht de schilder bij zichzelf – daar moest toch eigenlijk ook een figuur op dat schilderij komen, die iedereen kent en aan wie men kan zien, dat het hier gaat om de gemeenteraad van die bepaalde plaats. Wat deed hij? Hij nodigde een straatveger uit; een man met een wilde haardos en

in een vuil werkpakje. Op het afgesproken moment kwam deze man in het atelier van de kunstschilder. Maar hij had zich eerst opgeknapt, zijn haren netjes gekamd, zijn zondagse pak aangetrokken. ‘Nee,’ zei toen de schilder, ‘nee man, zo kan ik je niet gebruiken. Je moet komen zoals je bent; gewoon in je werkpakje; als een onverzorgde man die de straat veegt.’ Inderdaad, dat valt niet mee.
Geenszins uitgeworpen

‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ John Bunyan zei ooit van dit woord, dat de duivel van de ene kant aan dit woord stond te trekken en hij van de andere kant. Totdat tenslotte de genade in hem overwon.


In aanraking met Jezus

Ik trek de stoute schoenen aan,

Ik wil naar Jezus henengaan.

Want zo ik weigeren blijf, dan is

Mijn dood en ondergang gewis.

(C.H. Spurgeon, de Wonderen van de Hei­land; a.w.p. 375 )


In het duister van de nacht

In het boekje Rondom de Enge Poort (a.w. p.45) vertelt C.H. Spurgeon van een man die in een donkere nacht verdwaalde en – naar hij meende – terecht kwam bij de rand van een afgrond. Elk ogenblik dacht hij daarin te vallen. Wat deed hij? Hij greep zich vast aan een tak van een oude boom. En daar hing hij uren lang, bang dat hij, als hij zou loslaten, te pletter zou vallen. Tenslotte kon hij het niet langer volhouden, liet de tak waaraan hij hing los, en viel…Op een paar meter onder hem zich bevindende met mos bedekte glooiing. Hij had zich dus gerust veel eerder kunnen laten vallen. ‘Laat alles los, behalve Christus, en laat u vallen.’


Zich aan God toevertrouwen

Onlangs las ik van iemand die kans zag over een draad te lopen, die hij hoog tussen twee flats had gespannen. Beneden hem op straat: een menigte toeschouwers. ‘Geloven jullie, dat ik ook met een kruiwagen naar de overkant kan lopen’, vroeg de man aan hen. ‘Ja’, zeiden de mensen beneden hem. En waarlijk, de man deed het. Het liep goed af. ‘En geloven jullie nu ook, dat ik dit kan met iemand in de kruiwagen’?, vervolgde de man. ‘Ja zeker’, zeiden de mensen. ‘ Welnu, wie van jullie wil er dan plaatsnemen?’, vroeg de man. Maar niemand diende zich aan. Niemand durfde zich aan hem toe te vertrouwen. Geloven, dat God alles kan, is nog wat anders dan zich gelovig in alles aan Zijn leiding toevertrouwen.


In Gods handpalmen gegraveerd

Ooit sprak ik (in Zeist) een meestergraveur die gewerkt had op een zilverfabriek. Hij lag voor de poorten van de eeuwigheid. 'Ik was meestergraveur', zei hij. Maar het mooiste is voor mij , dat de Heere mij gegraveerd heeft in Zijn beide handpalmen'.


Inleveren, loslaten (Joh.Seb.Bach, Cantate 106)

Enige tijd geleden (begin 1996) waren wij een dag in Eisenach, de plaats waar Johann Sebastiaan Bach is geboren (21 maart 1685). De plaats ook waar Maarten Luther als gevangene van de Wart­burg (1521-1522) het Nieuwe Testament vertaalde. In het Bachhaus onder­in de stad kregen we een muzikale rond­leiding. Wij kwamen daarbij ook in de instrumen­tenzaal met instru­menten uit de tijd van Bach, waarop voor ons de 'sonatina' uit de canta­te 106 van Bach ten gehore werd gebracht. 'Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit'. ‘Actus tragicus’ is die cantate genoemd. Op Gods tijd moeten wij inleveren wat ons lief en dierbaar is. Op Gods tijd moeten wij ook het leven loslaten. Gelukkig, als wij het door het geloof mogen weten: Gods tijd is de allerbeste tijd.


Wedergeboorte

Tertul­lia­nus heeft eens gezegd: 'Wij wor­den niet als chris­tenen gebo­ren, wij worden het gemaakt'. De Bijbel zegt niet: ‘Wij zijn alle­maal – van binnen en van buiten - kinde­ren van God’, maar wel: ‘Wij kunnen het worden’.


Geen simpel aanvaarden wat de kerk leert

George Whitefield vroeg eens aan iemand: Wat gelooft u? De man antwoordde: ‘Ik geloof wat mijn kerk gelooft’. ‘En wat gelooft uw kerk dan?’, vroeg Whitefield. ‘Wat ík geloof’, ant­woordde de man. Onverschrokken probeerde White­field het opnieuw en vroeg: ‘En wat gelooft u dan beiden?’ ‘Wel, wij beiden geloven dezelfde dingen’, was het ontwijkende antwoord. (Warren W.Wiersbe, The Bible Exposition Commen­tary, Volume 2; a.w. p.10­7).



Ik ben dat verloren schaap
In één van de gemeenten die ik mocht dienen (Zeist) was daar ooit een vrouw die sterven moest en niet sterven kon, omdat zij zich niet geborgen wist in Christus Jezus.Toen kwam op een dag haar buurman op bezoek (ook hij leeft nu niet meer). Veel kon hij voor haar niet doen. Hij nam de Bijbel en las voor haar de gelijkenis van het verloren schaap. En - zo vertelde zij mij later - toen hij dat las, toen zag ik het opeens. Ik was dat verloren schaap. Maar ik lag op de schouders van een sterke Heiland. Toen behoefde ik niet meer te lopen. Hij liep onder mij.
Naar Jezus gezwaaid

Doe maar zoals dat kind dat, thuisgekomen uit school, tegen zijn moeder zei: 'Ik heb onderweg naar de Heere Jezus gezwaaid'. 'Kind', zei moeder, ‘maar jij hebt toch de Heere Jezus niet ge­zien?!' 'Nee, moeder, maar de Heere Jezus zag mij wel.'


Geloven is aannemen (‘receive’)

C. H. Spurgeon vertelt (in Rondom de Enge Poort, a.w. p..31vv) van een zondagsschoolonder­wijzer die aan zijn kinderen probeerde duidelijk te maken, dat het geloof graag aanneemt wat de Heere aanbiedt. Wat deed die zondags­schoolonderwijzer? Hij haalde zijn gouden horloge uit zijn zak en zei: 'John, ik wil je dit horloge geven. Wil je het hebben?' John dacht even na. Hij dacht: dat meent de meester natuurlijk niet; wie geeft er nu zijn gouden horloge weg. Daarom gaf John geen antwoord. 'Henri', zei de meester daarna, 'hier is het horlo­ge, wil jij het hebben?' 'Nee, mijnheer’ reageerde de knaap, ‘dank u wel.' Henri was te bescheiden om zomaar een gouden horloge aan te pakken. Nadat de meester het aan verschil­lende kinderen had gevraagd en niemand positief gerea­geerd had, was er ten­slotte toch een knaap die er geen moment over nadacht en onmiddellijk zei: 'Alstublieft mijn­heer.' Hij pakte het horlo­ge aan en stak het in zijn zak. 'Mag hij het echt houden, mijnheer?', vroegen de andere kinderen. 'Natuurlijk' zei de meester, 'ik meende het toch zeker, toen ik vroeg, wie dit gouden horloge wilde heb­ben?' 'O, zeiden de kinderen toen, als wij dat geweten had­den.'

Engelse vertalingen gebruiken voor het woord aannemen wel het woor­d: 'receive'; te vertalen met: ontvangen. Dat is een wat ander woord dan het

Engelse woord 'accept'. Ont­vangen doet men iets dat gegeven wordt. Accepteren kan incasseren zijn, tegen wil en dank.


Geloofsmoed (David/ Goliath)

Sta in het leven als David. Met een slin­ger en een steen. Alleen zo is de reus Goliath te bestrijden. Zoals een kinderversje zingt:

David was heel klein en Golath was groot (ontzet­tend groot)

David was niet bang, samen met zijn God (sterke God)

David nam een steen en Goliath viel om....
Drinken, drinken

Thomas Boston schrijft: ‘Bekleed een dorstige met scharlaken en vul zijn zakken met goud; niets dan drinken kan hem bevredigen. De ziel kan geen rust vinden buiten Christus.’




  • ‘Je kunt in het heilige der heiligen staan en ver van Hem wezen! Je kunt in een schuilhoek in de wijde wereld wonen en toch vlak bij God zijn’ (J.H. Bavinck, Mensen rondom Jezus; p..20).

  • ‘Wij behoeven niet derde klas naar de hemel te reizen’ (C.H.Spurgeon).

  • 'God heeft Zich in Christus aan ons te genieten gegeven' (J.Cal­vijn).

  • 'Wij doen de Heere onrecht aan, wanneer wij ons leven, waarvoor Hij Zich verwaar­digt te zorgen, niet aan Hem toevertrouwen' (J. Calvijn).

  • ‘U hebt nog niet alles genoten wat de Heere voor u bereid heeft’ (C.H.Spurgeon, De Wonderen van den Heiland verklaard en toegepast in leerredenen; p. 165).

  • Christenen zijn gouddelvers en waterputters. Zij zijn gouddel­vers, want zij delven het goud van de genade elke dag op uit de goudmijn, Christus. Zij zijn waterputters, want zij putten dagelijks uit de bron, Christus.

  • Aan Olevianus – een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus - werd op zijn sterfbed gevraagd, of hij nog steeds zeker was van wat hij in zijn leven aan de mensen had geleerd. Zijn antwoord was: ‘Certissimus.’ – volkomen zeker.


  • John Bunyan: ‘Het is een heerlijk ding om voor God op de knieën te liggen met Christus in de armen’.

  • Augustinus: 'Als u niet gelooft, zult u niet begrijpen.' Uit James I.Packer, Fundamentalisme en het woord van God’, a.w. p. 103.

  • H.F.Kohlbrugge: ‘Wat dan te doen? Werpt weg, werpt ver van u weg uw heiligingskrukken! Ge komt er de berg Sion niet mee op. Rukt af die lompen, waarmee uw wonden bedekt zijn en vertoont u aan Hem, die heilig en rechtvaardig is, zoals gij zijt; - laat los alwat van uzelf is, het is zaligheid hier aan zichzelf te wanhopen….Uit: Documenta Reformatoria; teksten uit de geschiedenis van kerk en theologie in de Nederlanden sedert de Hervorming); Deel II (van de 18e eeuw tot 1940); Kampen 1962; p.181 (nr.511. Weerlegging van door Da Costa geopperde bezwaren tegen de preek over Romeinen 7 vers 14; 1834; Hoogst belangrijke briefwisseling…).

1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

  • Bedelen om de genade van de moordenaar (G.F.Händel)
  • Kijken met de ogen van de Zoon
  • Een wit laken in de boom
  • Elie Wiesel/ Simon Wiesenthal
  • G.F.Händel op zijn sterfbed
  • 11. GELOOF Geef mij een punt…(Archimedes)
  • Boetvaardigheid en geloof gaan hand in hand
  • Christus kennen (Bugenhagen)
  • De verloren zoon-ik ben het (Rembrandt)
  • Hij roept Zijn schapen bij name
  • Weg met de scholastieke leer van de onzekerheid (J.Calvijn)
  • Kleingeloof in de ‘Christenreis’
  • Ik kan niet geloven! (R.Erskine)
  • Zijn geweten dopen in Christus’ wonden…(M.Luther)
  • Op de schouders van Christus (M.Luther)
  • In het duister van de nacht
  • Zich aan God toevertrouwen
  • In Gods handpalmen gegraveerd
  • Inleveren, loslaten (Joh.Seb.Bach, Cantate 106)
  • Geen simpel aanvaarden wat de kerk leert
  • Ik ben dat verloren schaap
  • Geloven is aannemen (‘receive’)
  • Geloofsmoed (David/ Goliath)

  • Dovnload 301.99 Kb.