Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Immanuel Kant: kritisch idealisme 1 Kants probleem

Dovnload 22.28 Kb.

Immanuel Kant: kritisch idealisme 1 Kants probleem



Datum14.07.2017
Grootte22.28 Kb.

Dovnload 22.28 Kb.

Immanuel Kant: kritisch idealisme

1
Kants probleem

Wij moeten ons niet richten tot objecten voor ware kennis, de objecten moeten zich richten tot ons  Copernicaanse revolutie in de kenleer
Hoe is wetenschap mogelijk?

VB: deze stoel (subject) is zwart (predikät)

      • Analytisch vs. synthetisch

        • Analytisch: Predikät is af te leiden van het subject. Het voegt er geen nieuwe info aan toe. VB: deze cirkel is rond

        • Synthetisch: P voegt wel info toe aan het subject. VB: tafel is wit.

      • A priori vs. a posteriori

        • A priori: oordelen die tot stand komen onafhankelijk van een empirische waarneming. Is niet noodzakelijk geldig.

VB: som van alle hoeken van een driehoek is 180°

        • A posteriori: oordeel dat geldig is. Komt van empirische informatie. VB: het regent

  • Welke oordelen zijn mogelijk?

Synthetisch en a posteriori (heeft betrekking tot wat ik heb gezien)

Synthetisch en a priori (algemeen geldend en toch iets toevoegend)

  • Heeft ook betrekking op gevallen die je nog niet hebt gezien

  • Wiskunde en fysica

  • Metafysica (bovenzintuiglijk)

  • Hoe zijn synthetische, a priori oordelen mogelijk?

 door transcendentaal onderzoek

  • Houdt zich bezig met de mogelijkheidsvoorwaarden voor alle stappen in het kenproces

  • Is het onderzoek van de kennis dat zich niet zozeer met voorwerpen als wel met de wijze van kennen van deze voorwerpen in het algemeen bezighoudt, voor zover deze a priori kenbaar zijn.

  • Kennis is niet enkel inhoud (waarnemingen) maar ook vorm (a priori)

  • Natuurwetenschappen zijn noodzakelijk en algemeen ( = a priori)  je kan het niet zien dus het moet wel uit ervaring komen.

  • Transcendentaal onderzoek bestaat uit 2 fases

  1. Esthetiek: leer van de zintuiglijkheid

  2. Logica: hoe kennis vergaren?

    1. Analytiek: via het verstand

    2. Dialectiek: via de rede


2 Analyse van het kenproces
Transcendentale esthetiek

Alle kennis is ervaringskennis die we vergaren via zintuigen

  • Prikkels (empfindungen) zijn de materie van de zintuigen

  • Vorm van die prikkels (a priori waarneming) = tijd (alles gebeurt op een bepaalde moment) en ruimte (moet altijd ergens zijn)

  • Resultaat: gewaarwordingen (anschauungen)





Verklaart de mogelijkheid van de wiskunde

  • Meetkunde = a priori (in de ruimte)

  • Rekenkunde = a priori (= tellen en dat berust op opeenvolging (tijd))

  • Verschijnen in de werkelijkheid van de wiskunde is a priori op zich

  • We kunnen meten en tellen (= structuur waarmee elk voorwerp op voorhand mee is uitgerust)

      • Transcendentale karakter van ruimte en tijd schept de mogelijkheid tot een a priori geconstrueerd systeem dat toepasbaar is op elk voorwerp dat verschijnt. Daarom kunnen we elk voorwerp meten en tellen.

      • Stellingen van de wiskunde zijn algemeen geldig omdat de structuur van de menselijke waarneming voor elke mens gelijk is.


Transcendentale analytiek

Hoe eenheid brengen in Anschauungen?
Transcendentale analytiek laat toe om begrippen te structureren en categoriseren. Dat brengt eenheid in het denken.
Het verstand = vermogen dat ons in staat stelt oordelen met elkaar te verbinden

  • Input (materie) : Anschauungen

  • Vorm van die input: categorieën (Begriffe)  kennis wordt uitgedrukt in oordelen, dat zijn verbindingen van begrippen (P wordt verbonden met S)

  • 12 types van oordelen

      • Kwantiteit (omvang van de geldigheid)

  1. Algemeen oordeel (alle S zijn P)

VB: alle mensen zijn sterfelijk

  1. Bijzonder oordeel (sommige S zijn P)

VB: sommige mensen zijn filosofen

  1. Singulier oordeel (1 S is P)

VB: Kant is een filosoof

      • Kwaliteit (is het realiteit?)

  1. Bevestigend oordeel (S is P)

VB: de roos is rood

  1. Ontkennend oordeel (S is-niet P)

VB: roos is niet rood

  1. Oneindig oordeel (S is niet-P)

VB: niet alle rozen zijn rood

  • Relatie

  1. Categorisch oordeel (S = P  onvoorwaardelijk)

VB: steen is zwaar, morgen is het mooi weer

  1. Hypothetisch oordeel (als S dan P)

VB: als het de steen een rots is, dan is hij zwaar

  1. Disjunctief oordeel (S of P)

VB: Men is logisch gedwongen om òf het experiment van Fizeau òf dat van Michelson òf beide af te wijzen òf de relativiteitstheorie te aanvaarden.

  • Modaliteit (zijnswijze)

  1. Problematisch oordeel (het is mogelijk dat S is P  twijfelachtig)

  2. Assertorisch (het is inderdaad dat S is P  verzekerend)

  3. Apodictisch (het is noodzakelijk dat S is P  onweerlegbaar)

  1. algemeen oordeel  eenheid

  2. bijzonder  veelheid

  3. singulier  alheid

  4. bevestigend  realiteit

  5. ontkennend  negatie

  6. oneindig  begrenzing

  7. categorisch  substantie en accident

  8. hypothetisch  oorzaak en gevolg

  9. disjunctief  gemeenschap (wisselwerking)

  10. problematisch  (on)mogelijk

  11. assertorisch  (niet-)bestaan

  12. apodictisch  noodzaak / toeval




    • Resultaat: kenobjecten (substanties) + oordelen

      1. Welke categorie op welke ervaringsinhoud?  oordeelsvermogen


Verklaart de mogelijkheid van de fysica

        • Ervaring = a priori  noodzakelijk en algemeen, hebben we aan de werkelijkheid opgelegd

        • Natuurwetten worden dus telkens verondersteld en bevestigd door ervaring

        • Fysica al wetmatige categorisering / ordening van natuur

        • Is een product van ons verstand

        • We gaan volgens eigen categorieën verbanden leggen tussen verschijnselen

        • Natuurwetten liggen dus niet in de natuur, het menselijk verstand legt ze op aan de natuur  copernicaanse revolutie

“ Das Ding an sich ist ein Unbekanntes”
Kennis veronderstelt de combinatie van

  • Zintuiglijkheid (a posteriori)  passief

  • Verstand (a priori)  actief

“Gedanke ohne Inhalt sind leer, Anschauungen ohne Begriffe sind blind”

Enkel zintuiglijke kennis = chaos

Enkel verstand = niets zonder zintuiglijke ondersteuning
Transcendentale dialectiek
Ook bij Plato:


  • Hoogste wetenschap

  • Laat toe begrippen te linken aan elkaar

  • Door interne dialoog


Rede = cognitief vermogen dat betrekking heeft op de ideeën (eenheid creëren)

  • Transcendentale ideeën nemen we niet waar

      • Ik

      • God

      • De Wereld

zijn de 3 klassieke metafysische ideeën

 brengen eenheid omdat ze samenhang benadrukken.



      • Wereld: totaliteit van alle waarnemingen, alles is er een deel van

      • Ik: samenhang van al je emoties en ervaringen

      • God: oorzaak van alles, ook van het ik en de wereld.

 geen enkele zintuiglijke input meer

      • We hebben geen zekerheid van hun bestaan, maar je kan ze ook niet zomaar afwijzen = theoretisch agnosticisme (overtuiging dat er een volstrekte onwetendheid bestaat)

      • Gevaar van transcendentale schijn

= dat de bovennatuurlijke illusie beschouwd wordt als echte kennis
Dialectiek = logica van de schijn
Verklaart de mogelijkheid van de metafysica

  • Onmogelijk als theoretische wetenschap

  • Transcendentale, kritische wetenschap

  • Geloof en kennen zijn niet hetzelfde

  • Die 3 ideeën veronderstellen een praktische rede

      • Doen ons ethisch goed leven

      • Zedelijkheid wordt beloond door “God”


3 Synthese van het kritisch idealisme







  • Hoe is wetenschap mogelijk Wetenschap = geheel van oordelen
  • Transcendentaal onderzoek bestaat uit 2 fases
  • Transcendentale analytiek
  • Categorieën van die oordelen
  • Kennis
  • Transcendentale dialectiek
  • 3 Synthese van het kritisch idealisme

  • Dovnload 22.28 Kb.