Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


In vijftig jaar tijd waren er 61 bekroningen voor 46 auteurs

Dovnload 119.09 Kb.

In vijftig jaar tijd waren er 61 bekroningen voor 46 auteurs



Datum29.06.2018
Grootte119.09 Kb.

Dovnload 119.09 Kb.

www.cpnb.nl

In vijftig jaar tijd waren er 61 bekroningen voor 46 auteurs.

1954 An Rutgers van der Loeff, Lawines razen. Kinderboek van het jaar


De eerste onderscheiding was voor een boek dat An Rutgers van der Loeff niet had willen schrijven, omdat ze bergen en lawines nu eenmaal akelige dingen vond. Maar haar uitgever, Han Brinkman, stuurde haar naar Zwitserland. Daar deed ze zoveel indrukken op dat het verhaal over dapperheid, opoffering en verbroedering als vanzelf uit haar vingers rolde. En daarmee doet Lawines razen precies wat An Rutgers van der Loeff zo belangrijk vond: het daagt kinderen uit in andermans schoenen te gaan staan.

1955 Cor Bruijn, Lasse Länta. Kinderboek van het jaar


Lasse Länta van Cor Bruijn dat een vergelijkbare sociale betrokkenheid uitstraalt als de boeken van Rutgers van der Loeff, is volstrekt in de vergetelheid geraakt. Maar het kan verkeren. Sinds zijn werk deze zomer op verschillende locaties aan de Zaan ten tonele wordt gevoerd, is de belangstelling voor deze verhalenverteller enorm toegenomen.

1956 Miep Diekmann, De boten van de Brakkeput. Kinderboek van het jaar


Vanwege haar niet aflatende en compromisloze inzet voor het volwaardige kinderboek (volwaardig in literaire zin, vakmatige aanpak en thematiek) kreeg Miep Diekmann de eretitel ‘Cassandra van de jeugdliteratuur’. Het bijzondere van De boten van de Brakkeput, gesitueerd op Curaçao, zit in de sfeer en het perspectief van de twaalfjarige Mattijs. De lezer volgt hem van binnenuit, dus zonder tussenkomst van de verteller. De dilemma’s die hij op moet lossen zijn niet gering. Om een vluchteling te helpen besluit hij hem geven wat het allerbelangrijkste voor hem is: de boot die hij net voor zijn verjaardag heeft gekregen.

1957 Annie M.G. Schmidt, Wiplala. Kinderboek van het jaar


Wiplala begint eigenlijk drie keer. Eerst worden meneer Blom, Johannes, Nella Della en het huis waarin ze wonen aan de lezer voorgesteld.

Dan begint het verhaal:

Meneer Blom zat te tikken op zijn schrijfmachine. Het was een heel oude, heel hoge schrijfmachine, die verschrikkelijk veel lawaai maakte. Meneer Blom was een geleerde en hij was bezig een boek te schrijven dat heette: ‘Politieke Spanningen in de Middeleeuwen’. Een heel geleerd boek dus.’

Drie pagina’s later pas komt de figuur te voorschijn waarom het allemaal draait: een gek klein mannetje met borstelige haartjes, boze oogjes, een zwart broekje, een klein bettel-dresje en een wollen sjaaltje om zijn halsje. Een wiplala, geen kabouter!!, die ook nog eens Wiplala heet. En dat nu was een gegeven dat Dick Laan al helemaal had uitgemolken.

1958 Harriet Laurey, Sinterklaas en de struikrovers. Kinderboek van het jaar
Ook Harriet Laurey die twee keer in de prijzen viel – de tweede keer met Verhalen van de spinnende kater 1970 – is in de vergetelheid geraakt. Samen met Hans Andreus excelleerde zij in vrolijke, ontspannen, luchtige fantasietjes met sprekende dieren, spinnende katers en struikrovers die tot inkeer komen. Haar versjes die in alle belangrijke verzamelbundels terecht kwamen, zijn wonderlijk genoeg nooit onderscheiden.

1959 C.E. Pothast-Gimberg, Corso, het ezeltje. Kinderboek van het jaar


Corso, het ezeltje zou in het huidige tijdsgewricht niet veel kans meer maken op een bekroning, omdat de goede bedoelingen er wel erg dik bovenop liggen. Hoewel… Ook in 1959 was daar al discussie over. Miep Diekmann bij voorbeeld die de strekking van het verhaal nog wel kon waarderen, ergerde zich aan het feit dat het niet goed en fris geschreven was….

1961 Jan Blokker, Op zoek naar een oom. Kinderboek van het jaar


Op zoek naar een oom is een kolderiek verhaal, barstensvol literaire motieven en kritiek op de samenleving dat alleen de deskundigen nog kennen. Hoewel Blokker zijn verleden als kinderboekenauteur – hij schreef er vijf! – bij voorkeur verloochent, heeft hij menige bijdrage geleverd aan de discussie over wat een goed kinderboek is. Zo poneerde hij in 1974: ‘Vast staat dat het autonome kinderboek niet bestaat…. Er zijn geen eigen genres, thema’s, literaire gezichtspunten ontwikkeld die niet al lang of in ieder geval al eerder bestonden in de literatuur voor de zogenaamde volwassenen.’ Veertien jaar later, bij de uitreiking van de eerste Woutertje Pieterse Prijs aan Imme Dros (1988), voegde hij daar aan toe: ‘Alle boeken maken, als ze goed zijn, gelijkelijk deel uit van wat we literatuur noemen.’ Een mooiere beginselverklaring had de Woutertje Pieterse Prijs zich niet kunnen wensen.

1962 Jean Dulieu, Paulus de hulpsinterklaas. Kinderboek van het jaar


Verhalen en figuren die uit verveling ontstaan, brengen het niet vaak tot wereldroem, behalve als ze van een echte kunstenaar komen. Jan Dulieu, een van de eerste dubbeltalenten van na de Tweede Wereldoorlog, creëerde zijn Paulus in de jaren dat hij ondergedoken zat. En Van der Peet, een uitgever bij wie kinderboek en literatuur hetzelfde waren, zag dat het goed was. De (on)handige, verstandige en soms opstandige kaalhoofdige kabouter die met iedereen goede maatjes is, maar ook Oehoeboeroe, Priegeltje en de sigaren rokende Eucalypta zijn tot op de dag van vandaag ´helendal nogal wel zo tamelijk buitengemeen duidelijk´.

1963 Tonke Dragt, De brief voor de koning. Kinderboek van het jaar


De brief voor de koning heeft alles wat je van een goed boek kan verwachten: spanning, avontuur, romantiek, poëzie, sfeer, ruimte, een volmaakte structuur, beeldende taal, overtuigende helden en een wezenlijke inhoud. Tiuri wordt geconfronteerd met de vraag wie en wat hij wil zijn: een brave schildknaap of iemand die eigen keuzes durft te maken.

Tiuri lag geknield op de stenen vloer van de kapel en staarde naar de bleke vlam van de kaars die voor hem stond. Hoe laat zou het zijn? Hij moest ernstig denken over de plichten die hij zou hebben als hij eenmaal ridder was, maar zijn gedachten dwaalden steeds af. Soms dacht hij zelfs helemaal niet. Hij vroeg zich af of zijn vrienden hetzelfde voelden.



[…]

De vijf jongelieden mochten niet met elkaar praten, geen woord mochten ze zeggen, de hele nacht. En met de buitenwereld mochten ze helemaal geen verbinding hebben. Ze hadden zelf de deur van de kapel op slot gedaan en morgenochtend, om zeven uur, zouden ze hem weer openen, als de ridders van Koning Dagonaut hen kwamen halen.’

1964 W.F.H. Visser, Niku de koerier. Kinderboek van het jaar


Aan de bekroning van W.F.H. Visser ergerde men zich al in 1964. Annie Schmidt vond de opstand in Warschau geen onderwerp voor een kinderboek; Hella Haasse had bezwaar tegen de oppervlakkige verwerking van de stof, terwijl Jannie Daane het artistieke én literaire niveau beneden peil vond. Maar het is nóg erger. Op de lijst van bekroonde boeken prijkt al jaren de verkeerde titel: Niku de zigeunerjongen. Maar niet het eerste deel van Vissers trilogie werd Kinderboek van het Jaar, het tweede: Niku de koerier.

1965 Paul Biegel, Het sleutelkruid. Kinderboek van het jaar


Drie auteurs kregen de begeerde prijs drie keer: Paul Biegel, Guus Kuijer en Els Pelgrom. Biegels eerste, in 1965, was voor Het sleutelkruid, een raamvertelling. De koning der dieren, Mansolein, is al meer dan duizend jaar oud en zal naar verwachting spoedig sterven, tenzij de wonderdokter op tijd het wonderkruid kan vinden. In afwachting daarvan proberen de dieren het hart van hun koning kloppend te houden door hem elke dag een verhaal te vertellen. Het boek sluit af met het verhaal van de dokter die zijn avontuurlijke zoektocht naar het wonderkruid uit de doeken doet. Prachtig van taal en van sfeer. Ernstig, grappig, fantasierijk en spannend tegelijk.
De twee andere boeken van Biegel die bekroond werden – ik spring even vooruit in de tijd – hebben eveneens het grondpatroon van de zoektocht. In De kleine kapitein (Gouden Griffel 1972) is de hoofdpersoon ‘wijdbeens en met zijn ogen op de kim’ onderweg naar het eiland Groot en Groei, samen met Bange Toontje die het dek zwabbert, Dikke Druif die de vuren stookt en Marinka die voortdurend beslag roert (hachelijke zaak voor de jaren zeventig).
In Nachtverhaal (Gouden Griffel 1993) onderzocht Biegel vooral de dimensies van tijd. Een huiskabouter vergeet alles wat er in zijn hoofd zit als de wind een feetje in zijn leven waait. Het feevolk, zo had hij gehoord, zit vol toverkunsten, listen en zwebbelarijen. Feeën zijn schimmig en zonder houvast. Ze verwisselen rechts en links als een spiegel. En als dat feetje vertelt hoe ze zingen en springen en dansen en jansen, de hele nacht door, nacht na nacht na nacht, vergeet de Kabouter nog veel meer.

1966 Mies Bouhuys, Kinderverhalen. Kinderboek van het jaar

Toos Blom, Loeloedji, kleine rode bloem. Jeugdboek van het jaar
Voor het eerst werden er twee prijzen toegekend en op allebei valt het nodige af te dingen. Bouhuys’Kinderverhalen is minder geestig en minder goed opgewassen tegen de tand des tijds dan haar Pim en Pom­-verhalen; terwijl Loeloedji, kleine rode bloem heftige discussies losmaakte over de niet bedoelde maar door de beschreven bevolkingsgroep – zigeuners – wel als zodanig ervaren discriminatie.

1967 Geen bekroningen


Over 1967 kunnen we kort zijn omdat de jury van dat jaar niet tot een keuze kon komen. Wie er inzaten? Guido van Deth, pater Henricus Helmer, Marijke van Raephorst, Hanny Wolff, Hans Everts en Harriet Laurey.

1968 Hans Werner, Mattijs Mooimuziek. Kinderboek van het jaar

Siny van Iterson, De adjudant van de vrachtwagen. Jeugdboek van het jaar
Mattijs Mooimuziek is een eigentijds sprookje waarin de muziek bedreigd wordt door de valse noten van heks Klor. De nogal woordspelerige fantasieën bevatten veel verwijzingen naar misstanden in de maatschappij en figuren in de muziekgeschiedenis.
De adjudant van de vrachtwagen van Siny van Iterson berust op de realiteit van een arm jongetje uit de sloppenwijken van Bogota die het hulpje wordt van een vrachtwagenchauffeur. Op de gevaarlijke tochten door de Andes leert hij zichzelf en zijn land kennen. Met het geld dat hij verdient, kan hij zijn familie en zijn misvormde broertje een beter leven bezorgen.

1969 Hans Andreus, Meester Pompelmoes en de Mompelpoes. Kinderboek van het jaar

Henk van Kerkwijk, Komplot op volle zee. Jeugdboek van het jaar
Of Andreus als kinderauteur ten onrechte uit onze belangstelling verdween, valt het best te beoordelen aan de hand van een citaat:

Goedenavond,’ zei Joachim beleefd. ‘Ik heb U hier nooit eerder gezien. Bent U hier nieuw?’



De poes keek hem dromerig aan en mompelde wat.

Wat zegt U?’ vroeg Joachim. ‘Ik vroeg of U hier pas bent komen wonen. Ze hadden hier geen poes, voor zover ik weet.’

Mompelemompelemom,’ mompelde de poes.

Het spijt me, maar ik kan u écht niet verstaan,’ zei Joachim weer. ‘Het zou misschien prettiger zijn als U iets duidelijker wilde praten. Maar laat ik mij eerst even voorstellen, ik ben Joachim de Geleerde Kater.’

Mompelemompelemom.’

Vreemd dacht Joachim. Die poes kan alleen maar mompelen. Nu, ik heb mijn best gedaan om een beleefd gesprek aan te knopen, meer kan er niet van mij worden verwacht.

En hij maakte een buiginkje voor de poes en zei: ‘Ons gesprek kwam een weinig van één kant maar we hebben toch heel gezellig gepraat. Goedenavond.´
Lang voor het griezelboek zijn intrede deed, was Van Kerkwijk de meester van spanning en sensatie. Komplot op volle zee waarin de twee hoofdfiguren een muiterij verijdelen en ook nog een diefstal oplossen, is in alle opzichten een geslaagde historische roman. Even waar is dat De tuinen van Dorr van Biegel dat dat jaar Zilver kreeg, rijker is aan glanzende woorden, ritme en beelden.

1970 Harriet Laurey, Verhalen van de spinnende kater. Kinderboek van het jaar

Frank Herzen, De zoon van de woordbouwer. Jeugdboek van het jaar
De twee bekroningen van 1970 riepen discussie op vanwege het onderscheid naar beoogde doelgroep. De poëtische sprookjes van Laurey waren niet geschikt voor kinderen tussen de zes en tien, zo vond men. Terwijl De zoon van de woordbouwer te zwaar van symboliek werd bevonden. In dit boek stuurt Herzen zijn hoofdfiguur, Kleine Woord, op pad met een kistje met elf letters. Iedere letter levert een avontuur op en/of een belangrijke ontdekking. Na zeven jaar achterhaalt Kleine Woord dat de elf letters in zijn kistje het woord Levenskunst vormen.

1971 Leonie Kooiker, Het malle ding van bobbistiek. ­Gouden Griffel

Alet Schouten, De mare van de witte toren. ­Gouden Griffel
Het malle ding van bobbistiek zit ergens tussen Roggeveens Bram Vingerling en Rowlings Potter in, een vakkundige fusie van fantasie en werkelijkheid waarin een paar jongens van klei, zeep en chemicaliën een soort helicopter weten te maken. Met dat vliegei gaan ze naar een eilandje waar de natuur nog ongerept is en ze geen last hebben van hun bezorgde ouders.
Ook het werk van Alet Schouten is inmiddels uit ons geheugen verdwenen. Toch kreeg zij in die roerige jaren zeventig liefs twee keer Goud. Eenmaal voor De mare van de witte toren, een historische roman over de tijd dat de Romeinen in ons land waren. Vier jaar later viel zij opnieuw in de prijzen met Iolo komt niet spelen, waarvoor illustrator Paul Hulshof een Gouden Penseel ontving. Iolo komt niet spelen is gesitueerd in Wales. Het laat zien hoe familiezaken - wapensmokkel voor de IRA - de vriendschap tussen een Hollands en Welsh jongetje bedreigen.

1972 Paul Biegel, De kleine kapitein. ­Gouden Griffel

Jan Terlouw, Koning van Katoren. ­Gouden Griffel
1972 is wederom een historisch jaar omdat De kleine kapitein van Paul Biegel en Koning van Katoren van Jan Terlouw in de ogen van de jury beter waren dan Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidt.

Overigens is de bekroning van Koning van Katoren in het licht van het maatschappelijke debat van die tijd goed te begrijpen. Terlouw stelde actuele zaken op een prettige, lichte en originele wijze aan de orde. Kwade geesten fluisterden dat het hele toenmalige partijprogramma van D66 er in was verwerkt, maar zulks valt buiten mijn competentie. Wel weet ik dat de standvastige Stach kwesties als geluidsoverlast, wapenhandel, luchtvervuiling en schuifelende kerken tot een goed einde brengt.

1973 Jan Terlouw, Oorlogswinter. ­Gouden Griffel

Henk Barnard, De Marokkaan en de kat van tante Da. ­Gouden Griffel


Opnieuw twee politiek correcte bekroningen. In Oorlogswinter presenteert Terlouw ook de minder romantische kanten van oorlog, en stelt hij kritische vragen over vriend en vijand.
In De Marokkaan en de kat van tante Da komt het lot van gastarbeiders in Nederland aan de orde. Vier jaar later kwam Barnard met een variatie op dat thema, de moeizame integratie van Surinaamse kinderen in Nederland. Ook dat boek, kon hesi baka, een tweeluik over het warme maar arme Suriname tegenover het rijke, koude Nederland, kreeg een Gouden Griffel (in 1977). Beide boeken, geïllustreerd door zijn vrouw Reintje Venema, getuigen van een betrokkenheid bij medelanders die inmiddels helemaal verdwenen is.

1974 Jaap ter Haar, Het wereldje van Beer Ligthart. ­Gouden Griffel



Thea Beckman, Kruistocht in spijkerbroek. ­Gouden Griffel

Hoewel Het wereldje van Beer Ligthart op grond van de structurele analyse die toen erg populair was, maar een simpel verhaaltje bleek te zijn, weekten de lotgevallen van de blinde Beer veel tranen los. In de categorie ‘zielige’ en ‘vlot geschreven’ boeken scoorde het hoog.


Over Kruistocht in spijkerbroek van de onlangs overleden Thea Beckman, hoef ik weinig te melden. Dat boek kent iedereen. Het is een van de eerste kinderboeken waar ook een volwassen markt voor bleek te zijn. Hoewel er altijd veel kritiek is geweest op de taal en stijl van Beckman, is Kruistocht in spijkerbroek in maar liefst veertien verschillende talen vertaald. Luister en huiver:

Traag trok het reusachtige kinderleger langs de oever van de Rijn, over een oude heerweg in de richting van Bazel. Marieke en Dolf bevonden zich in de achterhoede. Ofschoon ze zich fit genoeg voelden en best in de voorhoede hadden kunnen meekomen, verdacht Dolf de student er van dat hij met opzet talmde, om hier en daar uitgeputte en neergezonken kinderen te kunnen oppikken en voor een paar uur een lift op de ezel te kunnen geven. Ze hadden het dier ontlast van de bagage en die op hun eigen rug gehesen. Het kwam niet zelden voor dat de trouwe ezel, die niet half zo koppig bleek als Dolf zelf, voortstapte met drie of vier kindertjes op zijn rug.’

1975 Alet Schouten, Iolo komt niet spelen. ­Gouden Griffel

Simone Schell, De nacht van de heksenketelkandij. ­Gouden Griffel
Over Iolo komt niet spelen van Alet Schouten hadden we het al even en daarom gaan we meteen door naar Simone Schell, evenals Schouten tweevoudig winnares van de Gouden Griffel. De nacht van de hekselketelkandij is een speels en avontuurlijk verhaal waarin de spanningen tussen een geadopteerd kind en twee pleegkinderen onnadrukkelijk worden opgelost. Een tweede Gouden Griffel kreeg Schell voor Zeezicht (1980), een impressionistische coming-of-age roman gesitueerd in het Noordwijk van de jaren vijftig waarin het thema afscheid van het oude en aanpassen aan het nieuwe op allerlei niveaus is uitgediept.

1976 Guus Kuijer, Met de poppen gooien. ­Gouden Griffel


In helderheid van stijl en directheid van toon is Kuijer Biegels evenknie, met dat verschil dat Kuijer zijn stof het liefst uit de realiteit haalt. Ook Kuijer is driemaal gelauwerd met Goud De eerste keer voor het eerste deel over de eigenzinnige Madelief, Met de poppen gooien. De tweede keer voor het ontroerende Krassen in het tafelblad (1979), het vierde deel in de Madeliefreeks dat een brug slaat tussen generaties. De derde keer voor het sprankelende Voor altijd samen amen (2000) waarin we Polleke tegenkomen. Er zijn maar weinig auteurs die zaken als liefde, dood, geloof, eenzaamheid, vrijheid en verbondenheid, cultuur en identiteit op zo’n vanzelfsprekende en overtuigende manier aan de orde weten te stellen.

1977 Henk Barnard, kon hesi baka (kom gauw terug). ­Gouden Griffel



Zie 1973

1978 Miep Diekmann, Wiele wiele stap. ­Gouden Griffel



Els Pelgrom, De kinderen van het achtste woud. ­Gouden Griffel
Met versjes als prrt! zegt de kat - ik lust wel wat introduceerde Diekmann een soort kinderrijm waarvan klank en ritme dicht tegen dat van het bakerrijm aan liggen.
In De kinderen van het Achtste Woud zette Pelgrom, de derde drievoudige winnaar, een volgende stap in de ontmythologisering van de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal van de achtjarige Noortje die op een boerderij in de Achterhoek moet onderduiken en zelfs moet helpen bij de geboorte van een baby, heeft niets van clichématig heroïsme of vaderlandsliefde.

Over haar Kleine Sofie en lange Wapper kom ik nog te spreken in 1985. Over Eikelvreters (1990) kan ik hier alvast opmerken dat het zowel in verhaallijn als emotie een echte klassieker is. Het perspectief van de arme dorpsjongen die een beter leven probeert te krijgen dan zijn voorouders, is even overtuigend als ontroerend. Met haar sobere, indringende maakt Pelgrom de tegenstelling tussen arm en rijk en het machtsmisbruik van kerk en staat inzichtelijk.

1979 Guus Kuijer, Krassen in het tafelblad. ­Gouden Griffel
Zie 1976

1980 Simone Schell, Zeezicht. ­Gouden Griffel


Zie 1975

1981 Annie M.G. Schmidt, Otje. ­Gouden Griffel


Met Otje had Annie Schmidt een thema te pakken dat haar nauw aan het hart lag, dat van de moeizame relatie tussen vader en dochter. Voor het overige voldoet het verhaal in alle opzichten aan Schmidts unieke formule: sprookjesachtige ingrediënten, realistische situaties, sprankelende dialogen en een briljante openingszin. ‘In de buurt van Hollebroek, aan een groen weggetje, midden in de bossen ligt een klein hotel, De Koperwiek.’

1982 Nannie Kuiper, De eend op de pot. ­Gouden Griffel

Veronica Hazelhoff, Nou moe! ­Gouden Griffel
In het kader van keuzes maken en criteria is 1982 weer een uitermate interessant jaar. De eend op de pot is als rijmverhaal over potproblemen beslist heel aardig:

Marijke is gek

op honden en katten.

Marijke houdt veel

van haar kleine marmot.

Maar mijn lievelingsdier,’ zegt Marijke,

staat hier!

En dat is de eend op mijn pot.’

Maar of deze rijmpjes in originaliteit, poëzie of structuur nu echt uitsteken boven De metro van Magnus van Joke van Leeuwen, Nou moe! van Veronica Hazelhoff of Haas-voorjaar van Paul Biegel die dat jaar Zilver kregen, durf ik toch wel te betwijfelen.

1983 Anton Quintana, De bavianenkoning. ­Gouden Griffel
De bekroning van De bavianenkoning van Anton Quintana was verrassend, omdat het boek bij verschijning nauwelijks was opgemerkt. Met de heftigheid van de geschetste problematiek - een zoektocht naar de zin van het bestaan – wist men geen raad. In de botsing van eenling tegenover massa, en die van natuur met cultuur ontpopt Morengároe zich tot even sterke als wankelmoedige persoonlijkheid die de moeilijkheden op zijn pad op volstrekt eigen wijze overwint. De taal van Quintana is als een beeldhouwwerk van Michelangelo: krachtig, ontroerend en overtuigend.

1984 Veronica Hazelhoff, AUWW! ­Gouden Griffel



Karel Eykman, Liefdesverdriet. ­Gouden Griffel
AUWW! van Veronica Hazelhoff is het derde deel van een trilogie gebaseerd op haar eigen ervaringen. Met dat verschil dat de hoofdpersoon, Maartje, een stuk dapperder is dan zij zelf, zo bekende de schrijfster eens. Het verhaal over ziek zijn en beter worden munt uit door een lichtheid van toon die vrij zeldzaam is in de Nederlandse kinderliteratuur
De tweede Gouden Griffel ging naar een boek dat nogal verrassend begint: ‘Ontiegenlijke klootzak, dacht ze. Als je nog eens wat weet! Maar de deur was al dicht.’ De taal van Liefdesverdriet zou in het normen en waardendebat van de 21ste eeuw waarschijnlijk zoveel vragen opgeroepen hebben dat het niet bekroond had kunnen worden. Helemaal terecht is die benadering overigens niet want Eykmans onvoorwaardelijk partij kiezen voor de 13-jarige Monica die door haar vriend aan de dijk wordt gezet, is authentiek en hartverwarmend.

1985 Els Pelgrom, Kleine Sofie en lange Wapper. ­Gouden Griffel


Volgens de ene soort critici is het verhaal over de doodzieke Sofie die wil weten Wat Er In Het Leven Te Koop is, een absoluut hoogtepunt in de naoorlogse kinderliteratuur. Een klassieker, vanwege de mengeling van droom en werkelijkheid, de perfecte combinatie van poëtische taal en intrigerende tekeningen. Andere critici, meer gericht op de lezer dan op de tekst, menen dat deze bekroning een dieptepunt is omdat op geen enkele rekening is gehouden met de beoogde lezer. Interessant in dit verband is een artikel van Harry Bekkering en Helma van Lierop in Literatuur zonder leeftijd (herfst 1997) waarin wordt aangetoond dat de verschillende oordelen niet zozeer berusten op verschillende criteria maar op het verschillend interpreteren van dezelfde criteria. Maar oordeelt u zelf over de mate van complexiteit.

De kleine Sofie was altijd heel nieuwsgierig. Niet dat ze zich met allerlei bemoeide wat haar niet aanging. Zo was ze niet. Ze wilde wéten, ze wilde alles weten van wat er op de wereld en daar buiten is.

Haar vader en moeder waren vaak ten einde raad.

Waar komt het water vandaan?’

Ja, maar voordat het in de kraan zat?’

Kan een bloedzuiger het bloed ook weer terugsturen door je vel?’

Is er wel eens een vogel buiten de dampkring terechtgekomen?’

Allemaal vragen waarop het moeilijk is een antwoord te geven.

Omdat Sofie al heel lang ziek was en van de dokter in bed moest blijven, kwam er een onderwijzer bij haar aan huis. Meester Jeroen heette hij; hij had vriendelijke blauwe ogen en wat plukjes haar om zijn mond. Die arme man werd van Sofie soms hoorndol.

Meester Jeroen, hoe komt het dat het gras groen is?’


1986 Joke van Leeuwen, Deesje. ­Gouden Griffel



Willem Wilmink, Waar het hart vol van is. ­Gouden Griffel
De opening van Van Leeuwens boek is misschien wel een van de geslaagdste uit de hele kinderliteratuur. ‘Dit boek gaat over Deesje. Het had ook over iemand anders kunnen gaan. Er zijn er zoveel die in een verhaal willen.’

Deesje is een dromer met een hoofd vol luikjes waar verhalen en filmpjes uitkomen die haar van alles opleveren: avonturen, ontmoetingen in de trein, een optreden voor de televisie én nieuwe vriendjes.


Waar het hart vol van is, is het tweede deel van de schriftelijke cursus dichten waarmee Wilmink de schoonheid en de mogelijkheden van de poëzie duidelijk wist te maken. Toen hij hoorde dat zijn boek een Gouden Griffel had gekregen was hij ‘verrekte blij’. En nadat hij het in de daarop volgende slapeloze nacht nog eens had ingekeken, kon hij niet anders dan vaststellen dat die Gouden Griffel ´hartstikke verdiend´ was.

Een van zijn scherpe bevindingen over poëzie begint als volgt:

Moet je gedichten interpreten?’ vroeg iemand me laatst. ‘Kun je ze niet gewoon aanvoelen?’ Ik wist daar zo gauw geen antwoord op, maar nu weet ik het wel. Het antwoord is dat we gewoonweg niet anders kunnen dan interpreteren, dat wil zeggen: betekenis geven. We doen dat zelfs met dingen waarvan we weten dat ze geen betekenis hebben: een schaduw op het behang, figuren in het gordijn.’

1987 Harriët van Reek, De avonturen van Lena Lena. ­Gouden Griffel


De Gouden Griffel van 1987 bracht de pennen opnieuw in beweging. Niet omdat het winnende boek De avonturen van Lena Lena, evenals de maker ervan Harriët van Reek, zo onbekend waren, maar omdat de kinderlijke, perspectiefloze tekeningen belangrijker leken te zijn dan de tekst. Wat de jury zo waardeerde – de absurde en onverwachte associaties van Lena ena, de allure, de eigen stijl en de uitwerking van ideeën – vonden anderen juist aanstellerig.

1988 Toon Tellegen, Toen niemand iets te doen had. ­Gouden Griffel


De tweede bundel eigenzinnige dierenverhalen, Toen niemand iets te doen had, leverde Tellegen zijn eerste officiële erkenning op als schepper van een nieuw soort cross over literatuur, dwz literatuur die interessant is voor kinderen en voor volwassenen.

In het bos van Mier en Eekhoorn wordt veel gemijmerd, gedacht, geschreven en taartjes gegeten natuurlijk. Het gaat Tellegen nooit om de gebeurtenissen zelf maar om de verwondering daarachter.

‘Elk commentaar, elke beschouwing om de literaire waarde van deze dierenverhalen aan te geven schiet te kort,’ schreef de jury naar aanleiding van een tweede Gouden Griffel voor Bijna iedereen kon omvallen (1994). ‘Omdat die in een andere, per definitie, mindere taal geformuleerd moet worden.’ En dus eindig ik met een proeve van Tellegens eigen deeg:

Denk je dat we ooit afgelopen zijn, eekhoorn?’ vroeg de mier op een keer.



De eekhoorn keek hem verbaasd aan.

Nou, zoals een feest afgelopen is,’ zei de mier. ‘Of een reis.’



De eekhoorn kon zich dat niet voorstellen.

Maar de mier keek uit het raam naar de verte tussen de bomen en zei: ‘Ik weet het niet, ik weet het niet…’ Er verschenen rimpels in zijn voorhoofd.

Maar hoe zouden we dan moeten aflopen?’ vroeg de eekhoorn.



Dat wist de mier niet.

Als een feest is afgelopen gaat iedereen naar huis,’ zei de eekhoorn. ‘En als een reis is afgelopen wrijf je in je handen en kijk je of er nog een potje honing in je kast staat. Maar als wíj zijn afgelopen…’

1989 Wim Hofman, Het vlot. ­Gouden Griffel
In Het vlot, op zich al een symbool voor zoeken en dwalen, laat Wim Hofman zien hoe een jongen in het door bommen vernielde Vlissingen zijn weg moet vinden. De ontmoetingen met Luitwieler zijn een regelrechte ramp, die met de smoezelige Pia een troost. Ontvluchten op een vlot zoals zijn held Mark Twain dat deed, lukt niet. Bijzonder is dat we de hoofdfiguur gedurende tien jaar volgen.
In 1998 kreeg Hofman voor de tweede keer Goud, voor Zwart als inkt. Zijn portret van Sneeuwwitje is fascinerend, diepgaand, aanstekelijk, tragisch en intrigerend tegelijk. De verveling waaronder ze leed, in de tijd dat ze bij de dwergen zat, heeft hij op grootse wijze in kleine briefjes gevangen.
Briefje aan een spijker in de muur
Hoi, spijker in de muur.

Je bent roestig en je bent krom.

Heb je op je kop gekregen?

Hoe lang zit je daar al?

Was het zo erg?

Blijf je zo zitten?

Dan moet je het zelf maar weten.

Zal ik iets aan je hangen?

Dit briefje?

Nee?

Ook goed.

Je moet het zelf maar weten,

Kniesoor.
S.

1991 Tine van Buul en Bianca Stigter,



Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is. ­Gouden Griffel
De bekroning van Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is is misschien wel de vreemdste bekroning in vijftig jaar. Dat ligt niet aan de door Bianca Stigter en Tine van Buul geselecteerde gedichten – die zijn voortreffelijk en waren voordien ook al vaak opgemerkt – nee, het vreemde zit in het feit dat niet de scheppers van al dat moois maar de samenstellers werden bekroond.

1992 Max Velthuijs, Kikker en het vogeltje. ­Gouden Griffel


Kikker en het vogeltje is een van de ontroerendste en tegelijk soberste verhalen over de dood. Het heeft Velthuijs altijd verwonderd en ook enigszins beangstigd dat met dit prentenboek de schrijver in hem werd bekroond. Hij is immers in de eerste plaats tekenaar. Maar wie zo’n complexe emotie zo eenvoudig en raak neer weet te zetten, is meer dan tekenaar of schrijver. Zo iemand is een schrijvenaar.

1995 Ted van Lieshout, Begin een torentje van niks. ­Gouden Griffel


Bij de bekroning van Begin een torentje van niks is het hanteren van literaire criteria al zo vanzelfsprekend geworden dat de jury Van Lieshout zonder enige schroom in de traditie van Slauerhoff en Nijhoff kan plaatsen.

Ik geef u de eerste strofe van ‘Een mooi jongetje’:



Ik kijk naar het water en denk dat ik

het kabbelen van het kanaal kan lezen.

Ik zit op mijn hurken en mors een woord,

buig te ver voorover om het te vinden

en glibber van de oever af.

1996 Guus Middag, Ik maak nooit iets mee. ­Gouden Griffel


Maar nu even wel, kon Guus Middag zeggen toen hij hoorde dat zijn opstellen over poëzie bekroond waren. Bij het schrijven ervan had hij nooit aan kinderen gedacht. De media wisten zeker dat er sprake was van een nieuwe poëtische trend. Maar als het overzicht van vijftig jaar gouden griffels iets heeft aangetoond, dan is het wel dat poëzie voor kinderen geen ondergeschoven kindje is geweest.

1997 Sjoerd Kuyper, Robin en God. ­Gouden Griffel


Zelden zal zo’n bescheiden verguld staafje een auteur zo gelukkig gemaakt hebben. ‘Eindelijk erkenning’, verzuchtte Kuyper duizendvoudig. Dat die erkenning kwam voor zijn Robinverhalen en met name die waarin Robin met zijn grootvader de vragen naar het Godsbestaan doorneemt, is meer dan terecht. Ze zijn van een grote frisheid.

1999 Annie Makkink, Helden op sokken. ­Gouden Griffel


De bekroning van Helden op sokken dankt Annie Makkink enerzijds aan het feit dat zij leerstof tot literatuur wist te verheffen en anderzijds aan het feit dat ze kinderen die net leren lezen serieus nam, zowel in hun worsteling met de taal als in hun omgaan met emoties en verbeelding.

2000 Guus Kuijer, Voor altijd samen amen. ­Gouden Griffel


Uit Voor altijd samen, amen een gedicht van Polleke:
Voor wie het kindzijn moe is

Is het beter dat zij een koe is

Want zij kan al na twee, drie jaren

Haar eigen meisje baren.
(Op jongetjes wordt niet gewacht,

die worden netjes afgeslacht.)

2001 Ingrid Godon & André Sollie, Wachten op matroos. ­Gouden Griffel


Bij de Gouden Griffel voor Wachten op matroos is nooit helemaal duidelijk geworden voor wie of wat die Griffel nu eigenlijk bestemd was, voor het verhaal in de tekeningen van Ingrid Godon of voor de woorden van André Sollie die van die tekeningen een verhaal wist te maken.

2002 Peter van Gestel, Winterijs. ­Gouden Griffel


Winterijs is nog maar pas uit en al meteen een klassieker. Kan dat? Naar geest en letter niet maar structuur, psychologische verfijning, sfeertekening, plaats en verteltrant maken het wel tot een feest der herkenning. Daar konden de bezwaren van de bond tegen het vloeken verder ook niets meer aan doen.

2003 Daan Remmerts de Vries, Godje. ­Gouden Griffel


Met Godje van Daan Remmerts de Vries, een bijzonder verhaal over een bijzonder vraagstuk, namelijk of en hoe een eigenzinnige jongeman zichzelf tot God verheft, werd de kloof tussen zij die menen te weten wat kinderen willen en kunnen en zij die menen te weten wat literatuur is, nog groter en dieper. De vraag is of die kloof ooit overbrugd zal kunnen worden.

2004 Hans Hagen, De dans van de drummers. ­Gouden Griffel


Want als zelfs De dans van de drummers van Hans Hagen, een geraffineerde raamvertelling over donker Afrika, aanleiding kan zijn voor gemopper over toegankelijkheid, is het zaak voor eens en altijd vast te stellen dat de criteria voor het toekennen van een Gouden Griffel voortvloeien uit de aard van het beestje: literatuur voor kinderen. Dat wil zeggen dat het gaat om taal, stijl, thematiek en structuur die wil communiceren met kinderen. De dans van de drummers is daarin volledig geslaagd; het is een mooi, aangenaam, verrassend, kleurrijk en informatief verhaal.


De bekroonde boeken van de afgelopen 50 jaar, door Joke Linders.

Ter gelegenheid van de jury-reünie voor de Griffel der Griffels, op dinsdag 29 juni 2004




Dovnload 119.09 Kb.