Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Informatieblad salmonella

Dovnload 125 Kb.

Informatieblad salmonella



Pagina2/3
Datum05.12.2018
Grootte125 Kb.

Dovnload 125 Kb.
1   2   3

2.0 Classificatie

Salmonellabacteriën behoren tot de familie der Enterobacteriaceae en kunnen ziekten veroorzaken bij mens en dier. Het geslacht Salmonella bestaat uit twee soorten: S. enterica en S. bongori. Deze soorten zijn onderverdeeld in ondersoorten, die op hun beurt zijn onderverdeeld in serotypen. Sommige serotypen kunnen nog verder worden ingedeeld door faagtypering. Wereldwijd zijn er meer dan 2400 serotypen beschreven. Deze serotypen verschillen qua besmettingsweg, incidentie, symptomen en resistentie tegen antibiotica.

Vanuit epidemiologisch gezichtspunt kunnen salmonella's worden ingedeeld in drie hoofdgroepen:


  • Stammen die alleen mensen besmetten en verantwoordelijk zijn voor buiktyfus met septikemische verspreiding; zij veroorzaken geen ziekten bij dieren.

  • Stammen die specifiek aangepast zijn aan bepaalde gewervelde diersoorten (pluimvee, schapen, enz.); sommige ervan veroorzaken ziekten bij de mens.

  • Stammen die geen specifieke gastheer verkiezen en zowel mensen als dieren besmetten. Tot deze laatste groep behoren de belangrijkste salmonellavarianten die thans worden gevonden.

3.0 Oorsprong


Een aantal factoren verklaart waarom salmonellabacteriën algemeen verspreid zijn in het milieu:


  • Ze worden gedragen door veel gastheren (mensen, zoogdieren, vogels, reptielen en insecten).

  • Ze kunnen voorkomen in de bodem, in het water, in de lucht, op oppervlakken, enz.

  • Ze komen mee met ingevoerde landbouwproducten.

Ze kunnen heel goed overleven in het milieu.



4.0 Veiligheidsrisico's van levensmiddelen en diervoeders

Salmonella kan, bij inname door de mens, salmonellose veroorzaken. Typische symptomen van salmonellose zijn misselijkheid, braken, buikkrampen, diarree, koorts en hoofdpijn. De betekenis voor de volksgezondheid hangt af van het serotype, de besmettingsweg, het vermogen om ziekten te verspreiden en te verwekken bij mens en dier, en de virulentie van het serotype1.


Met salmonella besmet diervoeder kan ziekten veroorzaken bij de dieren die het voeder eten. Of salmonella al dan niet een ziekte verwekt bij een dier hangt onder andere af van het serotype. Salmonellaserotypen die ziekten veroorzaken bij een specifieke diersoort worden pathogeen voor die soort genoemd.
Op basis van de prevalentie van salmonella in diervoeders en de verbruikte hoeveelheden diervoeder wordt geoordeeld dat besmet diervoeder in de meeste gevallen geen infecties veroorzaakt bij voedselproducerende dieren. Het risico dat een salmonellabesmetting in diervoeders wordt overgedragen op dieren, en bijgevolg op mensen, is klein2 3.
Andere factoren die de overdracht van salmonella op dieren of mensen via diervoeders bepalen, zijn de omstandigheden waarin het diervoeder wordt opgeslagen en vervoerd, de prevalentie en concentratie van salmonella in het diervoeder, de gezondheidstoestand van de dieren, de overdracht van dier op dier, en de op de boerderijen toegepaste voederstrategieën en hygiënepraktijken. Ook de behandeling verder in de toeleveringsketen speelt een grote rol, bv. het slachten van de dieren in het slachthuis, de koel- en hygiëneomstandigheden tijdens het vervoer en de opslag van dierlijke producten, de verkoop ervan in de winkel en de bereiding van het voedsel in de keuken door de consument4.
Zoals beschreven in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 178/2002 betreffende de levensmiddelenwetgeving mogen exploitanten van diervoederbedrijven geen diervoeders in de handel brengen die onveilig zijn of nadelige effecten hebben op de dierlijke of menselijke gezondheid. Daarom moeten zij de nodige doeltreffende, evenredige en doelgerichte maatregelen nemen om het risico op salmonellabesmetting continu tot een minimum te beperken en de gezondheid te beschermen (overweging 17).
Het feit dat salmonella wordt gevonden bij een test ter bepaling van de aan- of afwezigheid van de bacterie, betekent niet noodzakelijk dat er een gevaar is voor de menselijke gezondheid5.

5.0 Bestrijding en minimalisering van salmonellabesmetting

Producenten van diervoeders dragen zorg voor de invoering, uitvoering en handhaving van één of meer permanente schriftelijke procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen6, in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 183/2005.


Het doel hiervan moet zijn de incidentie van salmonella in alle fasen van de productie aanzienlijk te verminderen en het risico op (her)besmetting van het eindproduct zoveel mogelijk te beperken door toepassing van het HACCP-systeem. Hoewel salmonella niet volledig kan worden geëlimineerd, is het wel mogelijk de bacterie te bestrijden en het besmettingsniveau continu te reduceren in overeenstemming met de vastgelegde doelstellingen.
Het monitoringplan moet gericht zijn op de controle van zowel het productieproces als het eindproduct, zodat de veiligheid van het product continu wordt gegarandeerd. De microbiologische controle van het eindproduct dient om de veiligheid van de proceslijn en -parameters, en dus van het geproduceerde eiwitschroot, te controleren en te bevestigen. Deze preventieve aanpak biedt een betere controle dan alleen het microbiologisch testen van het eindproduct, want de doeltreffendheid van microbiologisch onderzoek om de veiligheid van levensmiddelen te beoordelen is beperkt7.
De belangrijkste factoren die de microbiële groei en de overleving van salmonella beïnvloeden, zijn pH, aw en temperatuur. Andere belangrijke factoren zijn de concurrerende microflora, het oorspronkelijke aantal salmonellabacteriën en hun fysiologische toestand.
De volgende technologische procedures zullen de salmonellabesmetting van het eindproduct tegengaan en een bactericide of bacteriostatisch effect hebben. Deze bewaartechnieken zijn:


  • Verwarmen (verschillende tijd/temperatuurcombinaties), hoge hydrostatische druk toepassen.




  • pH wijzigen (aanzuring, toevoeging van organische zuren).




  • aw-waarde verlagen door het vochtgehalte te beperken. (Het schroot wordt met stoom en/of indirecte warmte behandeld in de verdamper-toaster (DT) om, onder andere, het risico op microbiologische besmetting te minimaliseren. Vervolgens wordt het schroot gedroogd en gekoeld. Een vochtgehalte van 12-13 %, homogeen verspreid over het schroot, geeft een aw-waarde die ver onder 0,95 ligt.)

Sommige van deze bewaartechnieken hebben geen bactericide effect, maar voorkomen dat organismen zich vermenigvuldigen.


Er dient echter te worden benadrukt dat het eiwitschroot na één of meer eliminatieprocédés nog altijd kan worden (her)besmet.
Besmetting door de omgeving, grote volumes eiwitschroot en technische beperkingen zorgen ervoor dat een besmetting van het plantaardige eiwitschroot niet volledig kan worden uitgesloten. Daarom is het niet zinvol om partijen diervoeder via tests 100 % salmonellavrij te verklaren, want dit kan nooit worden gegarandeerd. Strikte procescontroles, waaronder geïntegreerde monitoring, moeten evenwel leiden tot een aanvaardbaar, minimaal aantal positieve gevallen. Streven naar een aanvaardbaar laag niveau van salmonellabesmetting is een realistische en efficiënte aanpak, waarbij de bereikte risicoreductie in verhouding staat tot de kosten van de genomen maatregelen.




5.1 Ontwikkelingsfactoren



5.2 Controlemaatregelen om de besmetting van eiwitschroot met salmonella te minimaliseren

Om het risico op salmonellabesmetting in plantaardig eiwitschroot te minimaliseren, moeten de volgende elementen worden beoordeeld:




  • Mogelijke introductie of verspreiding van salmonella in het verwerkingsbedrijf.

  • Goede hygiënepraktijken en controles in de zone na de verdamper-toaster (DT), om herbesmetting na de hexaanverwijdering/warmtebehandeling (eliminatiefase) te voorkomen.

  • Hygiënisch ontwerp van gebouwen en installaties.

  • Ontwikkeling van salmonella in het bedrijf.

  • Kwaliteit van de koellucht.

  • Producten die aan het schroot worden toegevoegd na de DT.

  • Watergehalte van het geproduceerde eiwitschroot.

  • Condensatie in de proceslijn en de omgeving, om lokale besmetting van het schroot te voorkomen.

  • Programma ter preventie van plagen.

  • Goedkeuring van bestrijdingsmaatregelen om salmonella onschadelijk te maken.

  • Beschikbaarheid van controleprocedures voor bestrijdende en corrigerende maatregelen tegen salmonella.

De exploitant moet op basis van zijn risicobeoordeling beslissen welke maatregelen of combinatie van maatregelen nodig zijn om het doel te bereiken, nl. de vermindering van salmonella. Sommige van deze maatregelen kunnen gemakkelijk worden toegepast, terwijl andere aanzienlijke investeringen vereisen.


Als hulpmiddel voor de exploitanten hebben EFISC en FEDIOL een "checklist salmonellabestrijding" opgesteld. De nadruk wordt hierbij gelegd op goede productiepraktijken, gevarenanalyse en kritische controlepunten (HACCP), basisvoorwaardenprogramma's en adequate maatregelen voor continue verbetering. De controlelijst vormt een aanvulling op de EFISC Code en het FEDIOL-sectordocument voor plantaardige oliën en eiwitschroot. De checklist is niet bedoeld om alle soorten installaties te omvatten, maar dient veeleer om belangrijke werkwijzen ter bestrijding van salmonella in eiwitschroot onder de aandacht te brengen en de toepassing ervan te controleren.

5.3 Ontsmetting van het eindproduct in geval van besmetting met salmonella

De exploitant moet de nationale wetgeving en/of voorschriften in acht nemen wanneer het eindproduct wordt ontsmet wegens besmetting met salmonella.

De volgende ontsmettingsmaatregelen kunnen worden genomen in geval van besmetting met salmonella:


  • Warmtebehandeling van het besmette schroot is een mogelijkheid om de salmonellabesmetting te verminderen. De doeltreffendheid van de warmtebehandeling hangt af van factoren als aw, pH, blootstellingstijd en type salmonella. De volgende website geeft de D- en z-waarden voor verschillende salmonella's, als hulpmiddel voor de warmtebehandeling: http://www.hs-owl.de/fb4/ldzbase/index.pl.



  • Behandeling met organisch zuur is een andere techniek om de salmonellabesmetting in schroot te verminderen. Het gebruik van organische zuren verschilt van land tot land wegens verschillen in de wetgeving of andere factoren. In sommige EU-landen is het niet toegestaan. De exploitant moet nagaan of het gebruik van organische zuren is toegestaan. Voor een juist gebruik van het organische zuur moet de exploitant de instructies van de leverancier volgen.  


1   2   3

  • 3.0 Oorsprong
  • 4.0 Veiligheidsrisicos van levensmiddelen en diervoeders
  • 5.0 Bestrijding en minimalisering van salmonellabesmetting
  • 5.1 Ontwikkelingsfactoren
  • 5.2 Controlemaatregelen om de besmetting van eiwitschroot met salmonella te minimaliseren
  • 5.3 Ontsmetting van het eindproduct in geval van besmetting met salmonella

  • Dovnload 125 Kb.