Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoud: De aankomst 1

Dovnload 239.8 Kb.

Inhoud: De aankomst 1



Pagina1/5
Datum03.10.2017
Grootte239.8 Kb.

Dovnload 239.8 Kb.
  1   2   3   4   5


1



GAMBELA, een dorp in West Ethiopië

Inhoud:
De aankomst 1

De rit naar de stad 2

Het verkeerde hotel 3

Turufatu 4

De douche 5

De eerste indruk 6

De wasplaats 7

Voetballen 9

Almaz & Tegist 10

Het restaurant 12

Weer voetbal 13

De Landcruiser 14

Een echte douche 14

De brug 15

Pastry Gambela 16

Zwarte Doris 17

Hasan 19


Het Livingstone-gevoel 19

Het gevang 22

Een terugblik in de tijd 23

De oude haven 24

De wasserij 24

De markt 25

Het koekblik 26

De ketting 27

Het postbode-elastiek 27

De gift 29

Het rollend materieel 29

Koffie drinken 30

T.V. kijken 30

Almaz 31


Het afscheid 33

Eigen publicaties 34

N.B.

De in dit boek genoemde namen van personen zijn in een aantal gevallen fictief. Overeenkomsten berusten op zuiver toeval. Zijn er echte namen gebruikt, dan is dit in positieve zin voor de betrokkene bedoeld.



De auteur en uitgever kunnen niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele onjuistheden.
de aankomst
Het is erg heet op het vliegveld. Ik zit hier dan ook maar enkele honderden meters boven de zeespiegel. Een groot verschil met Addis Ababa, de "Nieuwe Bloem", dat ruim tweeduizend meter hoger ligt. Twee uur geleden vocht ik er om een plaats aan het raam in de kleine Fokker van Ethiopian Airlines te krijgen vanwege de mooie uitzichten op weg naar dit enigszins afgelegen, bijzondere dorp, Gambela.

Niet alleen bij mij gutst het zweet uit mijn poriën, dat grote vlekken op mijn kaki overhemd maakt. Ook de Amerikaanse dominee en zijn vrouw zien er niet meer uit zoals toen ik ze voor het eerst aansprak, staande in de schaduw van de vleugel van het toestel tijdens een korte tussenlanding in Jimma. Zij zijn dan ook druk bezig om, geholpen door veel bruine handen, de grote hoeveelheid koffers, tassen en kartonnen dozen van de aarden landingsbaan naar het begin van de niet geasfalteerde weg te slepen. Mijn hulp wordt door dezelfde bruine handen niet toegestaan. Ik ben dan wel niet van de zending, maar een witte reiziger heeft zich als blanke te gedragen. Een faranji, een buitenlander, wordt hier met eerbied behandeld.

Mijn rugzak en de tas met camera's liggen ergens in de schaduw van wat struiken onder het toeziend oog van zwaar bewapende militairen. Een toegestoken hand aan de zending kan mij misschien wel helpen om hier weg te komen, want hoe zal ik die vijftien kilometer, die Gambela van het vliegveld af ligt, moeten overbruggen? Taxi's zijn hier niet en van een andere vorm van openbaar vervoer is hier ook geen sprake. De vierwiel aangedreven voertuigen, die met hun neus richting Gambela staan, behoren, aan de grote stickers op de bestuurdersdeuren te zien, tot diverse privé- en staatsondernemingen.

Voor de deuren van de Ethiopian Evangelical Church-Landcruiser staan ondertussen al veel dozen en pakketten. De bezitters van de bruine, helpende handen zullen ook nog mee moeten en niet te vergeten de beide zendelingen met hun 19-de eeuwse voorkomen. Dat zal een toer worden, maar we zijn in Afrika. Ik zal mijn geluk toch ergens anders moeten gaan zoeken.

Ook de andere auto's worden volgeladen met dozen, zodat er voor sommige personen weinig anders opzit, dan maar op het imperiaal te kruipen. Zo zie ik in een Jeep een bestuurder zitten, die naar mijn idee, vanwege plaatsgebrek door de enorme hoeveelheid tassen en dozen, nauwelijks meer kan sturen, terwijl op het dak zes personen zitten. Ik vraag mij af, of het niet beter zou zijn geweest de bagage op het imperiaal vast te maken en de mensen in de auto te laten zitten. Toch kiezen deze Ethiopiërs duidelijk voor een andere oplossing.

Om met rugzak en al tussen deze tros mensen op het dak plaats te nemen, daar voel ik niet veel voor. Van de zendelingen had ik al gehoord dat de weg er niet goed bij lag en om vijftien kilometer lang de kans te lopen van een rijdende auto af te vallen is niet waarop ik nu sta te wachten. Van mijn reis door Noord-Ethiopië enkele weken geleden heb ik al veel geleerd. In een auto of bus is het al geen pretje om uren over onverharde wegen te rijden, laat staan óp een auto! Maar hoe kom ik in Gambela? De ene auto na de ander verdwijnt uit mijn gezichtsveld!

Dan komt een bruine "Helpende Hand" op mij af. " Where you go?" Ik vraag mij af, waar ik vanaf hier nog meer naar toe kan dan naar Gambela en antwoord dus met een "Gambela, may be?" "Ishee, O.K. you go in car, I walk" en mijn rugzak wordt door deze aardige man van de grond opgeraapt en bij de dozen en koffers neergezet. Toch kan ik deze hulp niet accepteren. Als deze man naar Gambela moet gaan lopen vanwege mij, dan ga ik liever zelf lopen! Ik stel hem dan ook voor mijn rugzak en cameratas in de auto mee te nemen en mijn twee flessen met water en mijn wandelstok, die ik in Debre Markos op de markt voor anderhalve birr gekocht heb en dus al wekenlang meesjouw, voor mij hier achter te laten. Ik zal me bij mijn aankomst in Gambela wel bij hem melden.

Ik ben blij, dat mijn aanbod niet geaccepteerd wordt. "No, I walk. Only three hours from here. You walk...may be six hours from here. Or may be you will never arrive! Very dangerous to walk here because of wild animals.....or wild people! Sudanese, you know!" Ik heb weinig zin om te beproeven of hij gelijk heeft, maar om hem vijftien kilometer te laten lopen, is door mij niet te accepteren. "No problem! I walked two days ago the same distance!" schreeuwt hij me lachend toe.

Gelukkig staat de Amerikaanse zendeling niet ver van mij af en heeft onze discussie gevolgd. Ik stel hem voor dat ik hier bij de militairen zal overnachten en tot de volgende vliegtuiglanding zal wachten. Dan maar hopen op een lift naar de stad. "Do not trust the military people here, old Mengistu-soldiers!"

de rit naar de stad


Niet lang daarna zitten we als haringen in een veel te kleine ton in de Landcruiser. Naast mij zit aan de ene kant De Helpende Hand, aan de andere kant de beide zendelingen. De voorstoelen zijn wat meer gevuld dan bedoeld door de fabrikant. Vier mensen zitten voorin en hebben duidelijk minder bewegingsruimte dan wij, die achterin zitten. Wel prikken regelmatig dozen en koffers in onze nek en we moeten ze af en toe weer een flink stuk naar achteren schuiven. Zeer ingenomen zie ik tijdens het wegrijden alleen nog maar de militairen staan. Ik zwaai door de achterruit, maar een groet kan er niet af. Ik ben blij niet bij ze te zijn achtergebleven.

Gambela lijkt groter dan het in werkelijkheid is. Tijdens het doorkruisen word ik geïnformeerd door De Helpende Hand en de Amerikaanse zendeling wat waar is. De grote brug met een boog uit de tijd van Mengistu wordt bewaakt door stenguns, links is de bank, rechts is de post, links ligt de markt en rechts zal ik goed kunnen eten. Zigzaggend door het stadje raak ik volledig de oriëntatie kwijt, maar uiteindelijk komen we aan bij het Godshuiscomplex. Een grote metalen deur zwaait open en door een grote tuin rijden we langs verschillende gebouwtjes naar het onderkomen van de beide zendelingen. Zie ik niet ergens een klein hutje of minstens een afdakje waar ik hier in Gambela kan slapen? Zijn er überhaupt wel hotels in deze negorij? Ik heb er plotseling weinig fiducie in. De rit door het stadje gaf me niet echt een idee van een langer verblijf dan één dag. Hoe kom ik hier zo snel mogelijk weer weg? Ik voel me gelukkig veilig op God's akkers!


De auto wordt leeggehaald, de beide Amerikanen geven me een hand en wensen me een goed verblijf in Gambela. "We will see you at the service next sunday. It will be very interesting for you. African influence, you know what I mean!" Geld willen ze niet voor de rit hebben, zelfs geen extra dankwoordje. "He will bring you to the best hotel in town" en hij wijst op de chauffeur. "God bless you!" Ik zit naast de man, die ons eerder veilig door de tropische omgeving van het vliegveld naar Gambela heeft gebracht. Nu nog een redelijke overnachtingplaats zien te vinden. "No problem, faranji, You will find a comfortable bed here in my town. I'll bring you to the Ethiopia Hotel." Ik grijp in mijn rugzak en haal mijn vertrouwde Guide to Ethiopia-reisgids van Philip Briggs te voorschijn. "No, please, not the Ethiopia Hotel! My guidebook says US$ 25,- per night! For me it is too expensive!"

Al rijdende weet ik gelukkig iets anders te vinden. "Please, bring me to the "Turist Hotel." Niet dat ik graag in dat hotel wil overnachten want Philip is over dat hotel niet echt tevreden, maar niet ver daar vandaan moet volgens hem "one of the most pleasant one-dollar-a-night hotels, I stayed at in Ethiopia" liggen. Ik word keurig voor de deur van het "Turist" Hotel afgezet. De rest moet ik zelf maar gaan uitzoeken. Een biljet van 10 birr, een kleine anderhalve dollar, steek ik mijn begeleider toe. Hij weigert het aan te nemen. Ik ben even bang dat hij het veel te weinig vindt, maar uit mijn voorgaande Ethiopië-ervaringen weet ik dat zoiets voldoende is. Ik heb vaak genoeg ergens in een hotelletje geslapen voor rond de acht birr! Maar deze chauffeur is gewend aan westerlingen zodat ik even twijfel. "No, please, it was an honour to bring you to a hotel in safety. I'm in the hands of God, do not worry. God bless you! Please, where ever you want to go, just ask for me and I'll bring you there!" Hoe ik ook mijn best doe, ik kan het biljet niet aan hem kwijt. Ik hoop dat hij het later ergens in zijn auto zal hebben gevonden. God zal daar wel voor zo'n gedrilde christen hebben gezorgd, neem ik aan.

Het verkeerde hotel


Volgens Briggs ligt zijn paradijsje schuin tegenover het "Turist" Hotel en daarom stap ik kordaat het dichtstbijzijnde hotelletje binnen. Helaas is mijn ontvangstceremonie niet dezelfde als die ik over het algemeen in Ethiopië gewend ben. Toch zit ik tien minuten later op een vervallen tuinstoel tussen divers gekleurde Ethiopiërs buiten op een open ruimte aan de Ambo, een flesje mineraalwater. Koffie, buna zoals dat hier in dit land heet, is niet te krijgen als ik er om vraag. Om mij heen zit iedereen aan de buna en terwijl ik mijn eerste slok bronwater met smaak in mijn bezwete lichaam gooi, zie ik de vrouwelijke ober overal koffie serveren. "Buna aleh?" vraag ik nog aan haar als ze langs mij schuift. "Buna jelem!" Dan maar geen koffie. Ik voel me duidelijk niet geaccepteerd. Onder protest drink ik mijn flesje water leeg en wil me graag een beetje opfrissen. In het hok met bed, waar mijn rugzak ligt, is geen badkamer en vraag daarom aan het bedienend personeel waar ik een beetje water kan vinden om mijn handen en gezicht te wassen. "You pay first for your room, eight birr! And pay your drink now!" Anderhalve dollar aan birr leg ik op tafel.

Na een kwartier komt iemand met een geëmailleerd bakje met water aanzetten. Het kost hier dus wel erg veel moeite om zoet water te regelen.

Ik gebruik slechts de helft van de inhoud van het bakje om mijn handen en mijn gezicht enigszins schoon te krijgen om later nóg een "douche" te kunnen nemen. Ik laat het bakje in mijn kamer achter. Ik ga weer op mijn aftandse tuinstoel zitten en vraag opnieuw om een koffie. Terwijl mij duidelijk gemaakt wordt dat er geen koffie geschonken wordt, loopt iemand anders naar mijn kamer en probeert het slotje open te breken. Maak ik vandaag nu echt mee dat zelfs overdag mijn kamer opengebroken wordt om mijn bezittingen te stelen? Ik ren naar mijn kamer waar een norse bediende mij ordonneert het slotje te openen. Ik doe gelaten wat er van mij gevraagd wordt. De man stapt mijn kamer binnen, kijkt rond en vindt het halfvolle bakje met water in de hoek van de kamer. Hij neemt het bakje op en loopt ermee mijn kamer uit. De rest van het water gooit hij leeg over de plaatselijke flora en verdwijnt met het bakje. Volgens mij ben ik hier niet op het goede adres. Hoe kan Philip Briggs over dit hotel zo lovend zijn?

Nogmaals lees ik in zijn boek over zijn "one-dollar-a-night-paradise" en dan valt me pas op dat hij spreekt over een "corrugated iron fence". Het mag hier dan wel een zeer eenvoudig hotelletje zijn, maar een "golfplaten omheining" kan ik nergens vinden. Ik trek de stoute schoenen aan en verlaat de "premises" om mij beter te oriënteren in dit kleine stadje, waar ik al bij binnenkomst de draad kwijt was.

Volgens de plattegrond in mijn "guidebook" zit ik goed, maar langs dezelfde weg, een eindje voorbij de kruising met een café op de hoek, dat mij al direct gezelliger overkomt dan het open terreintje, waaraan mijn huidige kamer ligt, wordt de omgeving door een enorm ijzeren golfplaten hek aan het oog onttrokken. Het doet mij denken aan een privé-tuin, maar in de "corrugated iron fence" zit een deur. Ik duw deze voorzichtig open en kom in een aardig tuintje met diverse stenen kamertjes in een rij er omheen.

Turufatu
Een jonge vrouw is de enige persoon, die er ronddwaalt en ik vraag haar in het Amhaars of er hier kamers te huur zijn. "Asir birr, asir birr!" roept zij enigszins agressief. Tien birr mag dan wel iets meer zijn dan een dollar en ook twee birr duurder zijn dan de plaats waar nog steeds mijn rugzak het bed bezet houdt, maar ik ben er nu duidelijk van overtuigd dat ik van hotel moet wisselen, ondanks de niet echt vriendelijke manier van benadering door de jonge vrouw. "Ishee, I'll come back within five minutes!"

Ik loop direct terug naar mijn rugzak, pak hem van het nog onbeslapen bed en verlaat mijn eerste "onderdak" in Gambela. De eigenaar zal zich wel beledigd voelen omdat een faranji zomaar wegloopt. Aan de andere kant zal hij verbaasd staan over het niet terugvragen van het al betaalde overnachtinggeld. Ik verhuis graag naar het "Corrugated-iron-fence-Hotel". Ik zwaai nog redelijk vriendelijk, maar daar wordt logischerwijs niet op gereageerd.

Mijn kamer, die ik aangewezen krijg in het "Corrugation-iron-fence-Hotel" is niet veel beter dan waar ik vandaan kom, maar de ambiance is duidelijk anders. De jonge vrouw is in geen velden of wegen meer te vinden, maar in plaats daarvan staat een jonge man mij te woord.


"This room is eight birr, I will show you the bathroom. Sometimes much water, sometimes no water. This is your key. If you like, you can lock your room, if you don't like, you don't lock your room. No problem, no thieves!" Ik voel me hier direct thuis. "What is the name of this "Corrugated-iron-fence-Hotel, please?" "Turufatu", call it "Turufatu"." My name is Tamiru Taye, what's your name?" "My name is Franky, Franky from Holland."

En zo verblijf ik welgeteld acht dagen in dit "Turufatu Hotel", wat dat ook mag betekenen. Ik zal hier in Gambela, ondanks kleine schermutselingen, een fantastische tijd doorbrengen!

de douche


Er mag dan wel geen water uit de enorme douchekop in de aftandse, stenen badkamer komen, maar een oude man, de vader van Tamiru naar ik aanneem, zie ik al met een zinken emmer de binnentuin inkomen en in de richting van een kraan lopen, die hoog aan een waterleiding vast zit, die zomaar uit de grond tevoorschijn komt. Onder de kraan staat een halfvolle oliedrum. Het water in de drum ziet er niet echt fris uit, maar zal ook hopelijk uitsluitend gebruikt worden voor het bewateren van de bloemen, planten en boompjes, die dit tuintje zo aardig maken. Een lusthof is het evenwel niet! Stenen, gruis, een oude batterij, wat stukken karton en rondvliegend papier zijn de storende elementen.

De oude man vult de emmer met water uit de drum en loopt ermee naar het washok. Moet ik mij daarmee douchen? Ik wrijf mijn handen over mijn halfblote lichaam, wijs op de emmer en schud duidelijk met mijn hoofd nee. De oude man begint te lachen. Wat een vreemde reizigers heb je toch, zie ik hem denken. Alhoewel het meer is dan "het bakje met laag water" in mijn vorige slaapplaats voel ik er weinig voor om me met dit rivierwater te wassen. Ik zal er alleen maar vuiler door worden.

De oude man wijst naar de deur, waarvoor hij de emmer heeft gezet. Dat is inderdaad niet de deur van de douche. Ik duw de deur open en ruik duidelijk, waarvoor deze ruimte dienst doet. In het halfduister kan ik ergens een gat in de grond onderscheiden, maar veel is er niet van te zien. De hele ruimte is volgepoept en overal liggen gebruikte stukken w.c. papier en zelfs besmeurde kranten. Een onfrisse toestand, maar onder het doorgaande gelach van de oude man wordt het snel een stuk schoner. De emmer water doet wonderen, alsof alle drek ter plekke oplost. Toch wil ik hier nu nog geen gebruik van maken en doe mijn best niet te hoeven. Onder de douche zal ik rustig een plas kunnen doen. Maar is er dan wel water voor de douche, een deur verder?

De oude man is na gedane arbeid nog niet aan rusten toe. Hij loopt weer terug naar de waterleiding in de tuin, draait de kraan open en vult de emmer met helder schoon water. Dat zal mijn douchewater zijn, denk ik nog, maar ook de inhoud van deze emmer verwijnt in het shintabet, de W.C. Nog een emmer wordt er leeggegooid en na een tijdje glanst de stenen vloer met het gat erin. Zal er nog genoeg water voor een douche in de kraan zitten of zal ik toch maar het pad langs het hotelletje aflopen om mij tussen de bruine dorpelingen in de rivier wat witter te krijgen?

De oude man is blijkbaar nog steeds niet moe en komt met de zoveelste emmer water. Die zet hij voor de andere deur. "Lavare", zegt hij tegen mij. Dat woord heb ik nergens in mijn Amhaarse woordenboek staan. Of zou het een Sudanese uitdrukking zijn? "Lavare, lavare!" Dan komt er zonder dat ik het me realiseer een "Si Papa" uit mijn mond. "Grazie, Papa, grazie!" en met een "prego" op zijn lippen laat hij mij met de emmer water alleen.



Onder het genot van een paar plenzen helder water denk ik erover na, waarom deze opa een paar Italiaanse woorden spreekt. Ach ja, het is al weer een tijd geleden dat Mussolini de strijd moest opgeven tegen de Negus van Abessynië met de Engelsen aan zijn zijde. Van 1937 tot 1942 zwaaiden de fascisten de scepter over Ethiopië. Eritrea was al veel eerder een produkt van de Italiaanse expansiedrift en niet te vergeten een groot gedeelte van Somalië. De Piazza-wijk in Addis, waar ik al veel dagen van het nachtleven heb genoten en daarna gelukkig ook nog heb geslapen, is een typisch voorbeeld van de Italiaanse invloed. Kort, maar wel erg hevig! Koffie komt er nu overal uit espressomachines, de terrasjes doen me denken aan mijn reis door de Laars op weg naar de Voetbal Sicilië en de pasta's zijn alsof ze een Ethiopische vinding zijn. Natuurlijk spreekt een deel van de oude generatie Italiaans vanwege de toenmalige vreemde mogendheid en een deel van de jonge generatie Italiaans vanwege de talencursussen, maar dat deze oude opa mij hier in Ethiopië aan de grens met Sudan in het Italiaans ordonneert om me te gaan wassen, is toch wel een verrassing. Als ik klaar ben met douchen wil ik wel eens zien of hij meer woorden "over de grens" spreekt. Mijn kennis van het Italiaans is niet veel. En zijn Italiaans blijkt beperkt te zijn tot datgene, wat hij mij al gezegd heeft. We zullen dus voor de rest van de tijd in het Amharigna verder moeten communiceren.

de eerste indruk


Omdat ik me een stuk schoner voel, ga ik Gambela eens van dichtbij bekijken. Vanwege het doolhofgevoel, dat ik had bij mijn aankomst, neem ik nu niet te veel straten tegelijk. Eerst ga ik de rivier maar eens opzoeken. Ik weet dat zij achter mijn kamer stroomt, maar via mijn hotel kan ik er niet bijkomen.

Door de half in zijn scharnieren hangende deur in het "corrugation" verlaat ik het complex en loopt rechts af. Links en rechts van het pad worden kleine modderhuisjes afgewisseld door rieten hutten. Voor de deurgaten zitten de bewoners niet veel anders te doen dan mij luidkeels te begroeten en mij op de proef te stellen. Ze willen alles van me en de vrouwen willen alles met me. Maar daar steekt vaak meer achter dan mij lief is. Met een handslag op mijn eigen bil laat ik de omstanders zien, dat ik niet geïnteresseerd ben. De lachsalvo's schallen door de lucht. "Faranji, give me money, give me, give me!"

Gedurende de weken, die ik nu al in Ethiopië doorgebracht heb, heb ik dit al duizenden malen moeten aanhoren. Afhankelijk van mijn eigen humeur kan ik het goed hebben of ik word er vreselijk boos door. Zeker de opgeschoten jongens kunnen je het verdomd lastig maken. Als antwoord op het niet geven van een aalmoes is nog niet lang geleden de uitdrukking "fuck you" geïntroduceerd en wordt daarom veel gebruikt. Ook "motherfucker" doet het op bepaalde plaatsen goed.

Je vraagt je sterk af of de mensen, die dat zeggen wel weten wàt ze zeggen, maar desalniettemin hoor ik het niet graag. Aan de ene kant doe ik mijn best om mijn geld zoveel mogelijk aan de "kleine man" te besteden door b.v. niet in staatshotels te gaan overnachten en er dus ook niet te eten, door het lokale vervoer te nemen in plaats van een auto te huren of om alleen door het land te reizen en niet in een al in Nederland georganiseerde groep, in Addis koop ik meal-tickets voor de dak- en thuislozen, die er erger aan toe zijn dan die in Amsterdam en ik geef de serveerders af en te een "birretje" extra. Aan de andere kant krijg ik een grote mond als ik niet de 10 birr geef, die sommige "Schlauhunde" van je eisen. Een lastige situatie waarvoor niet snel een oplossing klaar ligt.
de wasplaats
Aan het eind van het pad ligt de rivier. Eigenlijk zijn het er twee. Het is de samenloop van de kleine Jejebe-rivier, die achter mijn hotelletje loopt, in de grote, zwaar stromende Baro-rivier. Het is niet alleen aan de gezwollen Baro te merken dat we al een tijdje in de zware moessonregens zitten, maar ook de Jejebe is buiten haar oevers getreden. Haar achterland staat duidelijk onder water. Links van mij liggen grote grasvelden, waar ik mensen meer doorheen zie zwemmen dan zie lopen. Op hun hoofd hebben ze plastic emmers en een enkele draagt een enorme emaille bak. Alles zit vol met kleren. De plek waar ik nu sta, bij de samenvloeiing van de Jejebe en de Baro is al jaren geleden door de plaatselijke bevolking tot wasplaats bestempeld. Het land gaat langzaam in het water over en het blijkt er niet direct diep te zijn.

Er spartelen al veel mensen in het rond. Mannen en vrouwen, mooie jonge knapen en mooie jonge meisjes. En allemaal hebben ze maar weinig aan. Waarom zou je ook? De kleren, die je aan had tijdens de wandeling naar deze openbare wasplaats zijn een stuk makkelijker te wassen als ze niet aan je lijf geplakt zitten. Mannen en jongens hebben voor zover ik het kan zien, ook geen ondergoed aan. Dat in tegenstelling tot de meisjes, maar veel verhullen de broekjes bij deze jonge deernen ook niet. Er wordt plezier gemaakt, er wordt gewassen, er worden contacten gelegd, er worden hier zelfs toekomstige huwelijken gesloten. En dat allemaal in hun blote niks, zich wassend in de Baro. Het gaat hier toch wel een stuk gemakkelijker dan bij ons! Zich schamen doen ze hier in ieder geval voor totaal andere dingen. En waarom zou je je trouwens schamen als je allemaal stuk voor stuk een mooi lijf hebt? Ook de oudere mannen en vrouwen zijn niet lelijk. Een geleefd lichaam is zelfs vaak interessanter om te zien dan een nog jong exemplaar!

  1   2   3   4   5


Dovnload 239.8 Kb.