Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoud Inleiding. 3 Werkstukken: 4

Dovnload 162.5 Kb.

Inhoud Inleiding. 3 Werkstukken: 4



Pagina1/7
Datum12.07.2017
Grootte162.5 Kb.

Dovnload 162.5 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

Inhoud

Inleiding. 3

1. Werkstukken: 4

1.1 Werkstukken algemeen. Inhoud en lay-out. 4

1.2 Werkstuk met hoofd- en deelvragen. Inhoud en lay-out. 5

1.3 Hoofd- en deelvragen. 6

1.4 Bronvermelding (Hoe maak ik een overzicht van geraadpleegde bronnen?) 8

2.1 Boekverslagen Nederlands, Frans, Duits en Engels. Inhoud en lay-out. 9

2.2 Filmverslagen Nederlands, Frans, Duits en Engels. Inhoud en lay-out. 10

2.3 Artikelen Frans, Duits en Engels. Inhoud en lay-out. 11

2.4 Verslagen Biologie/Natuurkunde/Scheikunde. Inhoud en lay-out. 12

3.1 Persoonlijke brieven: 13

3.1.1 De persoonlijke brief (te gebruiken bij Nederlands en Frans). 13

3.1.2 De persoonlijke brief Nederlands (voorbeeldbrief). 14

3.1.3 De persoonlijke brief Frans (voorbeeldbrief). 15

3.1.4 De persoonlijke brief (te gebruiken bij Duits). 16

3.1.5 De persoonlijke brief Duits (voorbeeldbrief). 17

3.1.6 De persoonlijke brief (te gebruiken bij Engels). 18

3.1.7 De persoonlijke brief Engels (voorbeeldbrief). 19

3.2 Zakelijke brieven: 19

3.2.1 De zakelijke brief (te gebruiken bij Nederlands en Frans). 19

3.2.2 De zakelijke brief Nederlands (voorbeeldbrief). 21

3.2.3 De zakelijke brief (te gebruiken bij Duits). 22

3.2.4 De zakelijke brief Duits (voorbeeldbrief). 23

3.2.5 De zakelijke brief (te gebruiken bij Engels). 24

3.2.6 De zakelijke brief Engels (voorbeeldbrief). 25

3.3 Sollicitatiebrieven: 26

3.3.1 De sollicitatiebrief (te gebruiken bij Nederlands en Frans) 26

3.3.2 De sollicitatiebrief Nederlands (voorbeeldbrief). 27

3.3.3 De sollicitatiebrief Frans (voorbeeldbrief). 27

3.4 Curriculum Vitae 28

4. Een interview: 30

4.1 Het interview afnemen (brugklas) 30

4.1.1 De uitwerking van het interview (brugklas) 30

4.2 Het interview afnemen (klas 2) 32

4.2.1 De uitwerking van het interview (klas 2) 34

4.3 Het interview afnemen (klas 3) 35

4.3.1 De uitwerking van het interview (klas 3) 37

5. Presentatievormen: 38

5.1 Een spreekbeurt. 38

5.2 Een enquête. 40

5.3 Een folder. 42

5.4 Een affiche (de poster). 43

5.5 Een PowerPoint presentatie. 44

5.6 Een muurkrant. 44

Inleiding.


Je krijgt op school veel verschillende vakken. Bij die verschillende vakken leer je veel verschillende dingen.
Toch zijn er ook overeenkomsten tussen de vakken aan te wijzen. Zo zul je regelmatig werkstukken en verslagen schrijven, boek- en filmverslagen maken, brieven opstellen, interviews afnemen en presentaties houden. Deze vaardigheden zul je bij elk vak op dezelfde manier uitvoeren. Wat je bij het ene vak leert, kun je dus gebruiken bij het andere vak en wat je in de brugklas hebt geleerd, kun je dus in de tweede, derde en vierde klas nog steeds gebruiken.
Deze handleiding helpt je om de vaardigheden die vaak (en bij verschillende vakken) voorkomen, onder de knie te krijgen. Tijdens de lessen krijg je natuurlijk informatie waaraan je werkstuk, verslag, brief, presentatie enz. moet voldoen. Deze informatie staat ook in deze handleiding. Als je deze handleiding gebruikt, zal je werkstuk, je verslag, je brief, je presentatie dus aan de eisen voldoen.

Veel succes



1. Werkstukken:

1.1 Werkstukken algemeen. Inhoud en lay-out.

De werkstukken worden op de computer gemaakt. Leerlingen die thuis geen computer tot hun beschikking hebben, kunnen op school terecht.


Lettertype: Times New Roman,

Lettergrootte: 12, 1 kant van het papier beschrijven.


Map: (Leitz)map zonder insteekhoesjes.
De opbouw van het werkstuk ziet er altijd als volgt uit:

  • Voorblad.

  • Inhoudsopgave met bladzijdennummering.

  • Inleiding (in het kort wat je gaat onderzoeken en wat je verwacht te “ontdekken”).

  • Hoofdstukken (Blz. genummerd door computer, dus niet met pen).

  • Slot (mening en/of conclusie, wat heb je ontdekt).

  • Bronvermelding (zie 1.4).

Als je gebruikt hebt gemaakt van een logboek, wordt dit bij het werkstuk, netjes uitgewerkt, ingeleverd.



1.2 Werkstuk met hoofd- en deelvragen. Inhoud en lay-out.



Hoe ziet het werkstuk er uit?

Lettertype: Times New Roman,

Lettergrootte: 12, 1 kant van het papier beschrijven.
Map: (Leitz)map zonder insteekhoesjes.
De opbouw van het werkstuk ziet er altijd als volgt uit:


  • Voorblad.

  • Inleiding met o.a. de hoofdvraag.

  • Inhoudsopgave met bladzijdennummering.

  • Hoofdstukken. De deelvragen. (Blz. genummerd door computer, dus niet met pen).

  • Conclusie met hierin een antwoord op de hoofdvraag.

  • Bronvermelding (zie 1.4)

Het logboek wordt bij het werkstuk ingeleverd.



1.3 Hoofd- en deelvragen.

1. Bedenk een (voorlopige) hoofdvraag.

De hoofdvraag is de vraag waarop je na je onderzoek het antwoord kunt geven. Je zult de hoofdvraag waarschijnlijk nog bij gaan stellen als de de deelvragen gaat formuleren.

Je begint met een vraag die jou goed lijkt. Schrijf de vraag op als een echte vraag met een vraagteken. Zorg dat je een open vraag formuleert. (De vraag mag dus niet met ja of nee te beantwoorden zijn).

Bij 3. ga je de hoofdvraag onderverdelen in een aantal deelvragen.

Foute voorlopige hoofdvragen: Ik ga een werkstuk maken over dieren in het bos.

Leven er veel dieren in het bos?

Goede voorlopige hoofdvraag: Hoe leven dieren in het bos?


2. Omschrijf ieder begrip in je hoofdvraag.

Schrijf alle woorden uit je voorlopige hoofdvraag (eventueel in je logboek) onder elkaar. Van ieder begrip in je hoofdvraag schrijf je daarna op wat je je erbij voor kunt stellen of wat je je daarbij voor vragen kunt stellen.

Blader daarna de boeken en artikelen door die je voor het werkstuk gaat gebruiken. Waarschijnlijk ontdek je nog meer kanten van een begrip.

Hoe leven dieren in het bos?

leven= eten,

gegeten worden,

ademhalen,

voortplanten,

en ook nog ......
dieren= wil je alle dieren gaan bespreken (dat wordt natuurlijk veel te veel) of beperk je je tot bijvoorbeeld de amfibieën?
bos= bedoel je alle bossen of alleen naaldbossen of alleen loofbossen,

bedoel je het hele bos of beperk je je tot de bosgrond?

3. Bedenk een aantal deelvragen.

Nu ga je van alle begrippen in je vraag duidelijk opschrijven wat jij er in je onderzoek mee gaat bedoelen. Je geeft aan wat jij allemaal wilt gaan bespreken. Je zult al snel zien dat je je hierbij moet beperken, omdat anders het onderzoek veel te uitgebreid wordt.

De omschrijving van de begrippen gebruik je om deelvragen te formuleren. Zorg ook nu voor open vragen.

De deelvragen zijn ook de titels van je hoofdstukken in het werkstuk.

Mogelijke deelvragen: Wat eten amfibieën?

Hoe halen ze adem?

Welke vijanden hebben de amfibieën?

Hoe overwinteren de amfibieën?

Enz.

4. Stel je hoofdvraag bij.

Je hebt uitgelegd wat je bedoelt met de begrippen in je hoofdvraag en je hebt deelvragen bedacht. Daardoor kun je erachter komen dat je hoofdvraag te “ruim” gesteld is. Het werkstuk zou te uitgebreid worden. Je moet je hoofdvraag dan veranderen.

Voorlopige hoofdvraag: Hoe leven dieren in het bos?

Uiteindelijke hoofdvraag: Hoe leven amfibieën op de bodem van een Nederlands loofbos?
5. Houd je logboek bij.

Iedere stap die je hierboven genomen hebt, zet je in je logboek:

- je voorlopige hoofdvraag,

- uitleg van de betekenis van alle begrippen in de hoofdvraag,

- alle mogelijke deelvragen,

- de uiteindelijke hoofdvraag,

Daarnaast kun je in je logboek ook nog kwijt:

- de gevonden bronnen,

- afspraken met docent en/of medeleerling,

- wat goed ging,

- wat minder goed ging,

- wat fout ging.



  1   2   3   4   5   6   7

  • Inleiding.
  • 1. Werkstukken: 1.1 Werkstukken algemeen. Inhoud en lay-out.
  • 1.2 Werkstuk met hoofd- en deelvragen. Inhoud en lay-out.
  • 1.3 Hoofd- en deelvragen.

  • Dovnload 162.5 Kb.