Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoud Inleiding. 3 Werkstukken: 4

Dovnload 162.5 Kb.

Inhoud Inleiding. 3 Werkstukken: 4



Pagina7/7
Datum12.07.2017
Grootte162.5 Kb.

Dovnload 162.5 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

4.3.1 De uitwerking van het interview (klas 3)

6. Werk het interview uit. Je begint altijd met een korte inleiding. Hierin vertel je in ieder geval:



  1. Wat jouw hoofdvraag is.

  2. Waarom je het interview hebt gehouden.

  3. Met wie je het interview hebt gehouden.

  4. Waarom je juist die persoon hebt gekozen.

Daarna volgt het hoofddeel:

  1. Je schrijft een doorlopend verhaal. Je noemt niet meer de vragen en antwoorden apart. Je schrijft gewoon een stuk over je onderwerp. Je gebruikt wat je in het interview hebt gehoord.

Dan volgt:

  1. De conclusie. Je formuleert het antwoord op je hoofdvraag.

Als laatste bedenk je de titel voor je verslag. Je kunt hiervoor de beschrijving van je onderwerp voor gebruiken of een (grappige, opvallende, leuke) uitspraak van de geïnterviewde.

De uitwerking wordt op de computer gemaakt. Leerlingen die thuis geen computer tot hun beschikking hebben, kunnen op school terecht.


Lettertype: Times New Roman,

Lettergrootte: 12, 1 kant van het papier beschrijven.


Map: (Leitz)map zonder insteekhoesjes.


5. Presentatievormen:

5.1 Een spreekbeurt.

1. Kies een onderwerp.

Zorg dat je “dicht bij huis” blijft. Je praat makkelijker over een onderwerp dat je interesse heeft. Denk bijvoorbeeld aan een hobby.
2. Kies je hoofdpunten.

Bedenk dat je in een spreekbeurt minder aan de orde kunt stellen dan in een werkstuk. Dit betekent dat je een onderwerp moet kiezen waaraan niet te veel kanten zitten.

Je kunt je hoofdpunten op dezelfde manier vinden als de deelvragen bij een werkstuk.
3. Houd rekening met je publiek.

- Gebruik geen woorden en begrippen die de meeste luisteraars niet kennen. Als het toch noodzakelijk is deze begrippen te gebruiken, schrijf ze dan op het bord en leg ze uit.

- Je klasgenoten verschillen. De één gebruikt vooral plaatjes om zaken te onthouden, een ander vooral gevoelens en weer een ander hoort juist graag feiten. Probeer in je verhaal iedereen te bereiken. Je doet dat door verschillende soorten zinnen te maken:

Spreken in plaatjes: “Nou, dan ben je halverwege zo’n muur en dan zie je boven je alleen maar een vlakke rotswand en vijf meter onder je een gapende afgrond, nou dan .....”

Gevoel beschrijven: “Kun je je voorstellen hoe eng het is om op tien meter hoogte met je vingertoppen aan een richeltje van drie centimeter te hangen?”

Feiten beschrijven: “Bij het klimmen let vooral op de volgende punten: ten eerste dat je van je handen en je voeten er drie op de rots houdt en dat je er maar één verzet. Vervolgens dat je je lichaam .....”


4. Opbouw van je verhaal.

Dit onderdeel is zeer belangrijk. Als je opbouw goed is, blijft iedereen aandachtig.

- Een pakkend begin.

Begin met een vraag aan (iemand uit) de klas, of met een grappige of spannende gebeurtenis. Je kunt ook beginnen met een demonstratie zonder woorden of je kunt iets voorlezen uit de krant of een roman.

Goed begin: Je vult een beker met water en giet die leeg in de plantenbak. Je vult nog een bekertje en drink dat leeg. Daarna zeg je: “Water hebben wij genoeg, maar in Afrika gaan mensen dood door watergebrek. Mijn spreekbeurt gaat over het maken van waterpompen in Kenia.

Fout begin: “Ik ga mijn spreekbeurt houden over .....”

- Een opsomming van de hoofdpunten die in je verhaal zitten.

Eventueel schrijf je deze punten op het bord. De luisteraars kunnen makkelijker de draad van je verhaal vasthouden.


- Bespreking van je hoofdpunten.

      • Maak vooraf een schematisch overzicht van wat je wilt vertellen.

      • Vraag je bij alles af of het echt belangrijk isom te vertellen.

      • Denk aan de verschillende soorten zinnetjes zoals bij 3 genoemd. Betrek de luisteraar: “kun je je voorstellen dat...”, “ken je het gevoel als je...”

      • Bespreek per punt en kondig ook steeds een nieuw punt aan: “... en na deze bespreking van ..... ga ik nu iets vertellen over .....”

- Samenvatting.

In een paar zinnen vertel je de hoofdlijnen van je verhaal. Je kunt de luisteraars daarbij nogmaals wijzen op je hoofdpunten die op het bord staan.

- Afsluiting.

Een pakkend begin zorgt voor aandacht, een sterk slot laat indruk en waardering achter. Probeer een originele afsluiting te vinden.

5. Daar sta je dan.

Het is best spannend om voor een grote groep te praten. Er zijn een paar manieren om je zekerder te voelen:

- Je houdt het meest contact met je luisteraars als je contact met hun ogen houdt. Als je dat eng vindt, kijk je naar hun voorhoofd.

- Tijdens je spreekbeurt kun je best zo af en toe even een kleine stilte laten vallen. Kun jij mooi even je aantekeningen lezen.

- Ga stevig op beide benen staan, zet ze zo’n 30 centimeter uit elkaar. Laat je armen langs je lichaam hangen.

Denk ook nog even aan het volgende:

- Het is een spreekbeurt, geen voorleesbeurt.

- Kijk niet aldoor naar de zelfde plek/leerling. Als je naar de voorhoofden kijkt kun je je aandacht over de hele klas verdelen.

- Houd je handen bij je mond vandaan.

- Als je de draad even kwijt bent: geen probleem, want een stilte is helemaal niet erg, je kunt het gewoon zeggen en rustig in je aantekeningen zoeken. Je vindt het toch wel weer.

5.2 Een enquête.


Bij een enquête stel je vragen waarbij mensen kunnen kiezen uit mogelijke antwoorden. Met een enquête verzamel je gegevens die je nodig hebt voor je onderzoek en die je niet op een andere manier kunt krijgen. De gegevens krijg je door verschillende mensen dezelfde vragen voor te leggen. Daaruit trek je dan je conclusies. Je kunt de enquête zowel mondeling als schriftelijk afnemen.

1. Bedenk goed welke informatie je door middel van de enquête wilt krijgen. Dit is je onderzoeksvraag.

2. Bedenk wat voor soort vragen en antwoordenmodel je wilt gebruiken.
- Je kunt open vragen stellen of gesloten vragen. Het voordeel van gesloten vragen
is dat je de informatie die je krijgt rekenkundig kan onderzoeken.
- De meest eenvoudige vraag die je kunt stellen, is de vraag die mensen met ja/nee
of goed/fout moeten beantwoorden.

Vaak wil je toch meer te weten komen. Dan stel je vragen, waarbij de mensen uit meer antwoorden moeten kiezen. Je wilt bijvoorbeeld weten hoe de mensen naar hun werk gaan.


- Je kunt dan de volgende vraag stellen: Hoe reist u naar uw werk?
de auto
de fiets
de trein
de bus
de tram
de metro
anders, nl ...
- Je kunt nu uitrekenen hoeveel procent voor welk vervoermiddel kiest. Dit kan je
dan in een cirkeldiagram tonen.
- Aan de hand van deze resultaten trek je een conclusie (zie punt 11).

Je kunt ook vragen stellen met een schaalverdeling. Je kunt de mensen een cijfer laten geven van (bv) 1 tot en met 5. Je kunt dan een gemiddeld tevredenheidscijfer uittrekenen.


- Je kunt de volgende vraag stellen: De hoeveelheid huiswerk vind ik:
erg weinig 1 – 2 – 3 – 4 – 5 zeer veel
- Je kunt na dit onderzoek een gemiddelde uitrekenen hoe het huiswerk wordt
ervaren. Als je onderscheid maakt tussen de jaarlagen (klas 1, 2, 3,4), kun je ook
een staafdiagram maken. Het percentage leerlingen dat het huiswerk als zeer veel
ervaart is nu ook uit te rekenen. Welke manier van berekenen je kiest, hangt af
van je onderzoeksvraag.
- Aan de hand van deze resultaten trek je een conclusie.

- In het begin van een enquête vraag je vaak een aantal algemene kenmerken van


de geënquêteerde, zoals geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, inkomensklasse,
enzovoorts. Deze gegevens kun je dan gebruiken om verbanden tussen de
gegevens te leggen, bv. hoeveel 16-jarige jongens in de vakantie een baantje
nemen om hun brommercertificaat te halen.

3. Stel alleen de hoogst noodzakelijke vragen want de enquête mag niet te lang duren (enkele minuten). Test dit van te voren uit.

4a. Zet de vragen op een lijstje, waarop je de antwoorden van de mensen snel kunt aankruisen of invullen, als je de enquête mondeling afneemt.

4b. Maak een overzichtelijke vragenlijst, waarop de geënquêteerde de antwoorden snel kan aankruisen of invullen, als je de enquête schriftelijk afneemt. Geef duidelijk aan wanneer je de enquête terug wilt hebben.

5. Bepaal hoeveel mensen je gaat bevragen; niet te veel maar ook niet te weinig want dan krijg je misschien een eenzijdig beeld.

6. Bepaal waar (op straat, in de aula, in de kantine van de club, thuis) en wanneer (’s morgens, ’s avonds, in het weekend) je de mensen gaat bevragen; in de ochtend komen er misschien heel andere mensen in de straat dan in de late middag.

7. Als het voor je onderzoek van belang is moet je de mensen ook vragen naar hun leeftijd, geslacht, burgerlijke stand, inkomensklasse enz.

8. Zorg dat je kort aan mensen kunt uitleggen waarom je de vragen stelt en wat er met de antwoorden gebeurt.

9. Wees beleefd en zorg dat je er verzorgd uitziet.

10. De gegevens die je door middel van deze enquête verkregen hebt, ga je verwerken in grafiek, tabel of diagram.

11. Aan de hand van de gegevens trek je nu een conclusie (antwoord op je onderzoeksvraag).

 

5.3 Een folder.


Een folder is een gevouwen blad en bestaat uit een beperkt aantal bladzijden. De folder moet belangstelling voor een onderwerp wekken. De vorm van een folder kan verschillen. Je kunt deze zelf bepalen. Je kunt, afhankelijk van het onderwerp kiezen voor ‘strakke’ vormen of juist voor ‘speelse’ vormen. Meestal is de vorm van de folder afhankelijk van het onderwerp, maar ook de doelgroep (het publiek) is van invloed op de vorm.
Vorm en doelgroep bepalen ook hoeveel tekst (en welke woordkeus) je moet maken.
Als je de folder met een groepje maakt, is de hele groep natuurlijk verantwoordelijk voor de samenstelling van de folder.

1. Trek de aandacht van de lezer. Door op de eerste bladzijde het belangrijkste te schrijven prikkel je de lezer om verder te lezen. Je zorgt voor leuke, opvallende, grappige illustraties of foto’s.

2. Bedenk dat de manier waarop je de folder vouwt, invloed heeft op de tekst. De voorpagina en de achterpagina zijn van groot belang. Veel mensen lezen niet meer dan deze pagina’s.

3. Illustraties staan op dezelfde pagina’s als de tekst, dat maakt de folder aantrekkelijk. De plaatjes moeten de tekst echter niet in de weg staan. De boodschap moet prettig leesbaar blijven.

4. Door middel van verschillende lettertypen, kaders, pijlen enz. vestig je de aandacht op een stuk tekst. Kleurgebruik ondersteunt de boodschap. Gebruik niet te veel verschillende lettertypen (afhankelijk van de grootte van de folder 2 à 3). Gebruik als standaard lettergrootte 12.

5. Pas je taalgebruik aan aan je publiek. Een tekst die je voor jongeren schrijft is anders dan een tekst voor volwassenen. Een folder vermeldt alleen de belangrijkste zaken over het onderwerp, maakt daarom korte zinnen (de ruimte is beperkt!!). Gebruik gewone woorden en neem niet klakkeloos woorden uit je boeken over. Zorg ervoor dat je de (moeilijkere) woorden kent.

6. Als je een folder in een groepje maakt, zorgt elk groepslid voor zijn/haar eigen bladzijde. Als je je eigen bladzijde af hebt, lees je de bladzijden van de anderen. Je voorkomt dan dat er dingen dubbel in staan.

7. Zorg dat de overgangen van de verschillende bladzijden logisch lopen.

8. Zorg dat de illustraties mooi en logisch (passend bij de tekst) zijn verdeeld.

5.4 Een affiche (de poster).


Een affiche maak je als je belangrijk nieuws wilt aankondigen (een schoolfeest, een volleybaltoernooi) of reclame wilt maken (lekkere broodjes te koop).

1. Zorg voor een goede blikvanger. Jouw poster moet goed opvallen. Dat kun je op verschillende manieren bereiken. Je kunt kiezen voor:


i. een opvallende vorm (er zijn al zoveel rechthoekige posters!!) of,
ii. opvallende en contrasterende kleuren of,
iii. een uitdagende woord (zorg dat dat woord van het blad ‘KNALT’ of,
iv een waanzinnige – mooie – ontroerende – grappige foto (of andere illustratie).

Als je een poster moet maken, is het handig om buiten eens goed om je heen te kijken. Hoe zien al die reclameaffiches en posters eruit? Laat je inspireren!!

2. Zorg voor een goede en logische opmaak. Hiermee wordt bedoeld dat het belangrijk is dat je tekst, beeld en blikvanger tot een logisch en overzichtelijk geheel rangschikt. Gebruik niet te veel tekst. Laat liever de belangrijkste kreten eruit springen om zo de aandacht te trekken naar de rest van de informatie. Zet beelden en tekst niet kriskras door elkaar. Orden beeld en tekst zó dat er een logisch verhaal wordt verteld.

3. Kies voor één lettertype. Lettergrootte kun (moet) je natuurlijk wel variëren. Gebruik geen hoofdletters en kleine letters door elkaar heen. Dus niet: ScHoOLfEeST. Je ziet: wat wordt een zooitje!


5.5 Een PowerPoint presentatie.


Met PowerPoint kun je een mondelinge presentatie aantrekkelijk maken, omdat je tekst, plaatjes, grafieken, video op een scherm kunt presenteren. Hierdoor kun je de aandacht van de luisteraar vergroten.

1. Zorg voor een duidelijk verband tussen het verhaal en de PowerPoint presentatie.

2. Bedenk dat een PowerPoint presentatie een hulpmiddel is om je eigen verhaal duidelijker te maken. Het is niet de presentatie zelf. Het gaat om jouw eigen verhaal (prachtige plaatjes, bewegende beelden enz. vallen in het niet als je verhaal slecht is).

3. Zorg ervoor dat een dia slechts kernwoorden bevat (dus geen hele verhalen). Plaatjes, video en grafieken ondersteunen je verhaal.

4. Zorg ervoor dat de opmaak voor de hele presentatie hetzelfde is. Gebruik een duidelijk lettertype in een heldere, contrasterende kleur en van goede grootte (14 of 16).
Gebruik niet teveel dia’s.

5. Oefen je presentatie van tevoren hardop, zodat je weet waar je extra op moet letten.

6. Zorg ervoor dat je weet hoe de apparatuur werkt waarmee je presenteert.

7. Controleer vlak voor je presentatie of alles werkt. Het publiek is daar niet bij. Mochten er problemen zijn, kun je die in alle rust (laten) oplossen. Je hoeft dan niet nerveus te worden, omdat de groep zit te wachten.

8. Tijdens de presentatie kijk je naar de groep en niet steeds naar de beelden.

5.6 Een muurkrant.


Om je mondelinge presentatie beter uit de verf te laten komen kun je gebruik maken van een muurkrant.

Een muurkrant is een groot vel papier waarop door middel van foto’s, tekeningen en (kleine!!) stukjes tekst informatie wordt gegeven.

1. Bedenk dat een korte “pakkende” tekst het best werkt.

2. Leg alle plaatjes, tekeningen en tekst op de goede plaats, zodat het een goed en logisch geheel vormt.



3. Plak alles pas vast als je zeker weet dat als alles goed ligt.

4. Plak met grote letters aan de bovenkant van de muurkrant een titel. De titel geeft aan waar de krant over gaat.
1   2   3   4   5   6   7

  • 5. Presentatievormen: 5.1 Een spreekbeurt.
  • 5.2 Een enquête.
  • 5.3 Een folder.
  • 5.4 Een affiche (de poster).
  • 5.5 Een PowerPoint presentatie.
  • 5.6 Een muurkrant.

  • Dovnload 162.5 Kb.