Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoud voorstelling, betekenis, boodschap

Dovnload 97.88 Kb.

Inhoud voorstelling, betekenis, boodschap



Datum16.07.2017
Grootte97.88 Kb.

Dovnload 97.88 Kb.

DANS analyseschema

INHOUD

Voorstelling, betekenis, boodschap

Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer














Voorstelling

A Waar gaat de dans over?

A

thema, titel

Wat wordt er verteld, wat is het thema? Gaat het ergens over?

Welke titel en aanwijzingen over het dansstuk zijn er?



a1

verwijzingen

associaties

Naar welke gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen verwijst de dans?

(ontwikkeling, gevoelskenmerken, handelingskenmerken)

Welke associaties roept het bij je op?

Bijv. mensen, dieren, verrichtingen, handelingen, sfeer



a2

Boodschap

A Wat wil de danser/choreograaf met het dansstuk vertellen?

Symboliek, visie, idee, intentie van de kunstenaar

B

Abstrahering

C In hoeverre suggereert het dansstuk de werkelijkheid?

Verhalende dans <> abstracte dans



C




VORM

Het waarneembare




Middelen

D Waarmee is de dansvoorstelling gemaakt?

D

dansers

Wie danst?

Aantal, sekse, rol/ karakter

Samendans/interactie, solo/duet/groep, synchroon <> wisselwerking


d1

dans

Hoe wordt gedanst?

a Welke danssoort staat centraal?

Klassieke dans, moderne dans, expressionistische dans, jazz dans, internationale dans, musicaldans, danstrends

b Lichaam: specifiek gebruik van het lichaam, dansacties, danspassen, danscombinatie

c Danselementen:

- Tijd: duur, tempo, ritme, maat

- Kracht: krachtig <> licht, gewicht inzetten, actief/passief gewicht

- Ruimte: grote bewegingen <> kleine bewegingen, richtingen, lagen, vormveranderingen

- Bewegingsstroom: spanning <> ontspanning,

gecontroleerd <> ongecontroleerd



d Danskwaliteit: dynamiek, bijvoorbeeld: stotend, vloeiend, wervelend, explosief

e Dansfrase: danspatroon: reeks opeenvolgende bewegingen

f Ruimtegebruik: gehele ruimte <> op één plek/plaatsing van de dansers in de ruimte en t.o.v. elkaar, vloerpatronen, op of onder, in of aan decor

d2

locatie

Waar wordt gedanst?

Theater <> elders, wel/geen podium, plaats van het publiek



d3

muziek

Welke muziek/geluid wordt gebruikt?

Wel/geen muziek, muzieksoort, geluid, omgevingsgeluiden, stem v.d. danser, stilte

Eén muziekstuk <> collage/fragmenten, live <> ‘opname’

Relaties muziek-dans t.a.v. tempo, maat, ritme, klanksterkte, klankkleur/instrumenten, structuur



d4

theatrale middelen

Welke theatrale middelen worden gebruikt?

Decor, film, video, ICT

Licht

Muziek


Kostuums, grime, attributen, rekwisieten

d5

Samenhang

E Hoe is de dans geordend? (in tijd en ruimte)

E

choreografie

Het samenbrengen van de middelen (dansers, dans, ruimte, muziek, theatrale middelen) tot een verloop/ordening/structuur naar idee en ontwerp van de choreograaf

e1




FUNCTIE

F Met welk doel wordt de dramavoorstelling gebracht?

Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <> functiegeving door de beschouwer.


F













Levensbeschouwelijk Religieus, ritueel, viering

Esthetisch (anti-)Schoonheid, inleving, herkenning, vervreemding, confrontatie

Politiek Status, huldiging, protest, bewustwording

Economisch Werk, reclame

Educatief Opvoeding, therapie, zelfreflectie, voorlichting, informatief

Vermaak Amusement, decoratie, expressie, verpozing



f1




DANS

toelichting bij het analyseschema









INHOUD

Voorstelling, boodschap







Bedoelde betekenis van de kunstenaar (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats <>

betekenisgeving/interpretaties door de beschouwer







Voorstelling

Waar gaat de dans over?

A

Een dans, een choreografie, een dansstuk is een compleet dansproduct, waarin de ideeën van de maker (de choreograaf/de dansers) op het gebied van dans, de betekenis, geluid/muziek, ruimte, decor, kostuum en belichting een plaats hebben gekregen.

Bij de ene dans is het heel duidelijk waar de dans over gaat. Bijvoorbeeld bij een romantisch ballet waarin een duidelijke verhaallijn te herkennen is. Er zijn ook choreografieën die over niets anders dan de dans zelf gaan. Hierin vertelt de choreograaf geen verhaal, hij legt er geen betekenis in; er is dan sprake van bijvoorbeeld een fysiek thema als ‘steunen en leunen’, of het kan gaan om het improvisatievermogen van de dansers.

Zowel bij een dans mét als een zónder een door de choreograaf bedoelde betekenis kan een achterliggende visie van de maker steken.

Wat de toeschouwer in het dansstuk ziet kan per persoon verschillen omdat de dans een abstrahering is van de dagelijkse, concrete bewegingen. Iedereen heeft daar zijn eigen associaties bij die afhankelijk zijn van de eigen ervaringen. De interpretatie van de toeschouwer kan dus ook anders zijn dan de bedoelde betekenis van de choreograaf.





thema, titel

Wat wordt er verteld? Wat is het thema? Gaat het ergens over?

Welke titel en aanwijzingen over het dansstuk zijn er?



a1

Wat is het idee dat het uitgangspunt vormt voor de inhoud van het dansstuk? Het idee kan voortkomen uit alles wat zichtbaar, hoorbaar, voelbaar of denkbaar is. Er zijn verschillende manieren waarop zo’n idee uitgewerkt kan worden.

Voorbeeld

Het idee kan uitgewerkt zijn in een vertelling, waarin een ontwikkeling zichtbaar en voelbaar is. In plaats van de vertelling kan ook het beeld overheersen: dat wat te zien is heeft niet perse een logisch verband met elkaar, maar ieder nieuw ontstaan beeld kan wel betekenissen oproepen. Ook het beheersen van een fysieke, specifieke danstechniek kan uitgangspunt zijn, waardoor de toeschouwer sterk betrokken kan raken bij het ‘kunnen’ van de danser. Een ander voorbeeld is dat puur de constructie van bewegingsideeën het uitgangspunt zijn.

Iedere choreografie heeft een titel waarin de choreograaf een thema of zijn inspiratie weergeeft.

In een ondertitel, het programmaboekje en een eventuele recensie kan informatie gevonden worden over het uitgangspunt van de maker.





verwijzingen

associaties

Naar welke gevoelens, ervaringen, ideeën, situaties en gebeurtenissen verwijst de dans? (ontwikkeling, gevoelskenmerken, handelingskenmerken)

Welke associaties roept het bij je op?

Bijv. mensen, dieren, verrichtingen, handelingen, sfeer


a2

Het is heel vanzelfsprekend om bij het zien van bewegende mensen daar een interpretatie aan te koppelen: bijvoorbeeld: je denkt bij een snelle sprint al gauw aan: ‘die heeft haast’. Dat gebeurt ook bij het zien van dans, of het nu wel of niet de bedoeling is van de choreograaf. De choreograaf kan in zijn dans bewust verwijzingen verwerken die iets over de inhoud van het dansstuk zeggen.

Voorbeeld

Er kan in de dans aan bepaalde emoties uitdrukking gegeven worden, er kunnen herkenbare situaties of gebeurtenissen in voorkomen. De dans kan doen denken aan bepaalde handelingen of dagelijkse bewegingen.

De dans kan een bepaalde sfeer oproepen die aan andere tijden of aan andere plaatsen doet denken.



Daarnaast kunnen in een dans momenten voorkomen die bij de toeschouwer bepaalde associaties oproepen; vaak is dat een meer persoonlijke interpretatie; bijvoorbeeld: De dans heeft naar jou idee ‘iets dierlijks, of de handelingen lijken machinaal.

Roepen de dans zelf, het kostuum of het decor specifieke associaties op? Versterken deze associaties elkaar of lijken ze eerder een contrast van elkaar te zijn.

Zijn er rollen of karakters te herkennen bij de verschillende dansers? Deze rollen kunnen in de dans een ontwikkeling doormaken, waardoor er in het dansstuk verschillende fasen te onderscheiden zijn. (Verschillende fasen kunnen ook door decorveranderingen of muziekwisselingen aangegeven worden.)



Boodschap

Wat wil de danser/choreograaf met het dansstuk vertellen?

Symboliek, visie, idee, intentie van de kunstenaar



B

De choreograaf laat met zijn choreografie zien wat zijn visie is op dans. Voor de ene choreograaf ligt de essentie in de dans zelf, de ander drukt met de dans iets bepaalds uit. Vaak is een kunstenaar in verschillende opeenvolgende producten bezig met het uitwerken van zijn visie. Als er informatie over de choreograaf bekend is kan daarin gezien worden of hij vaker bepaalde thema’s aan bod laat komen of wat zijn drijfveer is.



Abstrahering

In hoeverre suggereert het dansstuk de werkelijkheid?

verhalende dans <> abstracte dans



C

Dans is in alle gevallen een abstrahering omdat een dansbeweging altijd al een symbolische weergave is van een idee. De mate waarin het thema geabstraheerd vormgegeven is kan sterk uiteenlopen.

Verhalend

De uiterste vorm van verhalende dans is een dans waarin de lijn van een verhaal, bijvoorbeeld een sprookje, een liefdesgeschiedenis of een verhaal uit het verleden, gevolgd wordt en waarin de choreograaf zijn interpretatie kenbaar maakt door middel van voor die periode herkenbare symboliek. Bijv. Het ballet ‘De schone slaapster’ dat regelmatig in nieuwe choreografieën wordt gedanst.

Abstract

De uiterste vorm van abstracte dans is die dans waarin de choreograaf geen bedoelde betekenis wil overbrengen.

De dans heeft dan geen betekenisvol thema, maar het gaat om de bewegingsconstructie zelf, zoals bijvoorbeeld in

de balletten van Balanchine, of in minimale dans. In minimale dans bestaat het bewegingsmateriaal uit reeksen van zich herhalende en verschuivende bewegingspatronen: hierbij gaat het dus puur om de vorm (vgl. Minimal-music van Philip Glass)


Verhaalloze expressionisme

In de 20e eeuw heeft zich het verhaalloze expressionisme ontwikkeld: hierbij gaat het om de uitbeelding van gedifferentieerde gevoelens en stemmingen. In het algemeen zijn de dansbeelden hierbij niet door middel van een ‘logische verhaallijn verbonden, maar ‘associatief’. Het laatste heeft tot gevolg dat toeschouwers door het volgen van hun persoonlijke associaties een eigen, individueel verhaal uit de dans kunnen halen.



VORM

Het waarneembare







Middelen

Waarmee is de dansvoorstelling gemaakt?

D

Dans zie je: de dansers en hoe zij bewegen, waarheen zij zich bewegen en in welke groepssamenstelling, hoe zij gekleed gaan, hoe de ruimte eruit ziet waar gedanst wordt, welk decor er is.

Dans hoor je: geluid van voeten, handen of andere lichaamsdelen, de ademhaling van de dansers, de muziek.

De middelen waarmee de dans opgebouwd is werken op elkaar in zodat de dans als één geheel overkomt. Ieder onderdeel heeft invloed op het geheel; een dans waarin de dansers zware laarzen aan hebben en toch elegant op hun tenen dansen, verschilt veel van een dans waarin de dansers spitzen* dragen en elegant op hun tenen dansen.

* Spitzen: speciaal schoeisel voor balletdanseressen waarmee op de toppen van de tenen kan worden gedanst.





dansers

Wie danst?

Aantal, sekse, rol/ karakter

Samendans/interactie, solo/duet/groep, synchroon <> wisselwerking


d1

De hele dans draait om de dansers. Danst hij alleen, met één partner of in een groep, met wie danst hij samen en met wie niet. Als tijdens een hele dans een groep mannen en een groep vrouwen gescheiden blijven dansen heeft dat een andere zeggingskracht dan als de twee groepen opgaan in duo’s van mannen met vrouwen.

Een groep dansers kan synchroon dansen: tegelijk, precies dezelfde uniforme dans; daarin zullen geen verschillende karakters of rollen voorkomen. Verschillende groepen dansers kunnen ook reageren op een andere groep: dan ontstaat er wisselwerking wat de dynamiek van de dans als geheel beïnvloedt. Solo’s kunnen apart of na elkaar gedanst worden, maar ook naast een groep.

De sekse van de danser speelt in veel gevallen een rol: twee vrouwen die samen een duet dansen roepen andere ideeën op dan een man en een vrouw; een groep mannen geeft een ander beeld dan een gemengde groep.

Het karakter dat een danser in een choreografie danst, kan een personage of een abstracte rol inhouden.

Het karakter kan binnen de choreografie veranderen.


dans

Hoe wordt gedanst?

a Welke danssoort staat centraal?



Klassieke dans, moderne dans, expressionistische dans, jazz dans, internationale dans, musicaldans, danstrends

b Lichaam: specifiek gebruik van het lichaam, dansacties, danspassen, danscombinatie

c Danselementen:

- Tijd: duur, tempo, ritme, maat

- Kracht: krachtig <> licht, gewicht inzetten, actief/passief gewicht

- Ruimte: grote bewegingen <> kleine bewegingen, richtingen,

hoogtelagen, vormveranderingen

- Bewegingsstroom: spanning <> ontspanning,

gecontroleerd <> ongecontroleerd

d Danskwaliteit: dynamiek, bijvoorbeeld: stotend, vloeiend, wervelend, explosief

e Dansfrase: danspatroon: reeks opeenvolgende bewegingen

f Ruimtegebruik: gehele ruimte <> op één plek/plaatsing van de dansers in de ruimte en t.o.v. elkaar, vloerpatronen, op of onder, in of aan decor


d2


a Welke danssoort staat centraal?

De danssoort waarin een choreografie gemaakt is, bepaalt de stijl van het stuk.



In de hedendaagse dans worden de danssoorten vaak vermengd, zodat er nieuwe stijlen ontstaan die nog geen naam hebben. De hieronder genoemde danssoorten vormen de basis.

Klassieke dans

Staat bekend als ballet, klassiek ballet of academische dans. Van de 17e tot de 20e eeuw stond de klassieke dans centraal in de westerse theaterdans. Kenmerkend zijn de vijf voetposities en de naar buiten gedraaide stand van de benen en voeten. Het lichaam wordt voornamelijk opgestrekt, waarbij ernaar gestreefd wordt om het idee op te roepen dat de danser ‘los komt van de grond’. Vanuit het klassieke ballet heeft zich deze eeuw het moderne ballet ontwikkeld, waarin onder meer de beweeglijkheid van de romp groter is (bijvoorbeeld: Jiri Kylian).


Moderne dans

In het begin van de 20e eeuw ontstonden als reactie op het verstarde klassieke ballet verschillende nieuwe dansstijlen. De stijlen worden genoemd naar hun ontwerpers; bijv. Duncan, Graham, Humphrey. Zij hebben als overeenkomst dat niet de klassieke ballettechniek wordt gehanteerd, maar dat er juist wordt uitgegaan van de natuurlijke bewegingsimpulsen van de mens: ademen, vallen en opstaan, e.d. Hierbij zijn rompbewegingen en acties over de grond vanzelfsprekend. Na 1950 ontstond in Amerika een volgende golf van vernieuwende dansstijlen waarbinnen de onderlinge verschillen nog groter zijn: post-moderne dans. De voortrekker hiervan is Cunningham, wiens stijl ook zijn naam draagt.


Expressionistische dans

In de periode tussen de twee Wereldoorlogen heeft zich in Europa een danssoort ontwikkeld waarbij de emotie en het gevoel centraal staan en directe aanleiding vormen tot de beweging. De persoonlijke lichaamstaal van de danser is hierbij belangrijk. Choreografen zijn: Laban, Wigman, Jooss.


Jazzdans

Is een samensmelting van Afro-Amerikaanse ‘social dance’, klassiek ballet, hedendaagse en tapdans, in hoge mate gestileerd om in musical theater, film, cabaret en televisie te gebruiken. Kenmerken van de techniek zijn het geïsoleerd bewegen van de lichaamsdelen (hoofd, schouders, bekken) en veel bewegingen worden uitgevoerd met licht gebogen benen. De accenten in de dans vallen vaak samen met de beat van de muziek.


Internationale dans

Is bijna synoniem aan folkloredans. Fokloredans is dans die typerend is voor een bepaalde cultuur of regio. Het is verbonden met bepaalde tradities en gebruiken van die betreffende cultuur. Internationale dans omvat nadrukkelijk de dansen van alle culturen van alle werelddelen, terwijl met folkloredans met name dansen van volkeren uit Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten worden bedoeld. Kenmerkend is dat er in specifieke groepsopstellingen wordt gedanst, met bepaalde passen en figuren. Vaak zijn er aparte vrouwen- en mannenrollen. De muziek- en de dansstructuur gaan gelijk op.


Musicaldans

Wordt uitgevoerd binnen de theatervorm musical. Zang en dans wisselen elkaar af binnen een verhalend gebeuren. De dans gaat vaak in de richting van jazzdans.


Danstrends

De danssoorten die op dit moment waar ook ter wereld ontstaan en snel bekend worden in andere delen van de wereld heten danstrends. Enkele voorbeelden zijn electric boogie, hiphop, breakdance en b-boying. Deze stijlen worden ook in het theater gebruikt. Kenmerkend is een enorme virtuositeit in het afzonderlijk gebruik van verschillende lichaamsdelen en draaien en steunen op ongewone steunpunten (bijv. schouder of hoofd). Iedere danser beheerst een bepaald repertoire ‘kunsten’.


Naast de danssoort (a) kunnen de volgende vijf gegevens in dans onderscheiden worden. Ze zijn altijd van elkaar afhankelijk. In iedere dans worden bepaalde accenten gelegd waardoor de dans gekenmerkt wordt.

b Lichaam

De danser springt, draait, reikt, beweegt alleen met zijn armen of kronkelt met zijn hele lijf. Wat je ziet is dat zijn lijf beweegt: het lichaam is het ‘instrument‘ van de danser dat hij heel bewust gebruikt.

Er is onderscheid te maken naar de aanzet (beginpunt) van de beweging: bijvoorbeeld in de romp of in de hand.

In jazzdans vindt de aanzet van de beweging vaak plaats in armen en benen, in moderne dans vaak in het centrum van de romp.

Een ander onderscheid is de totaal beweging of isolatie beweging : bij totaal bewegen beweegt het hele lichaam, bij isolatie wordt een deel van het lichaam bewogen en de rest wordt stil gehouden; het lijkt alsof er gebaren worden gemaakt.Nog een onderscheid is symmetrisch of asymmetrisch bewegen. Bij symmetrische bewegingen spiegelt de ene helft van het lichaam de andere helft. Symmetrische bewegingen hebben vaak een meer evenwichtig of zelf statisch karakter ten opzichte van asymmetrische bewegingen.

Het springen, rollen, draaien, rollen, balans houden etc. heten dansacties. De mate van afwisseling van

dansacties in een choreografie bepaalt mede de levendigheid van de dans.

Meestal kiest of ontwerpt de choreograaf voor zijn choreografie danspassen (specifieke stappen en verplaatsingen) en danscombinaties (combinatie van verschillende dansbewegingen) die in de dans regelmatig terugkomen.


c Danselementen

Er zijn vier danselementen. Door de variatie in danselementen wordt een belangrijk deel van het karakter en de zeggingskracht van de dans bepaald.


Tijd

Duur Het lang of kort laten duren van een beweging of een dansfrase.

Tempo Het snel of traag uitvoeren van (een deel van) de dans.

Ritme Het accentueren van een beweging binnen een dansfrase door bewegingen langer of

korter te laten duren en door met meer of minder spanning en kracht te bewegen. Als het

accent in het begin van de beweging of van de dansfrase ligt ontstaat er bijvoorbeeld een meer impulsief, explosief karakter; bij accent in het midden ontstaat er een swingritme. Zonder accenten gaat de ene dansfrase ongemerkt over in de volgende.

Maat: De maat (tweedelig of driedelig, regelmatig of onregelmatig) is een vaste indeling van de tijd in

het stuk, vergelijkbaar met muziek.


Ruimte

De danser neemt ruimte in, veel of weinig door grote of kleine bewegingen te maken. Hij kan voortdurend voorwaarts gericht dansen, maar kan ook afwisselen in diverse richtingen zoals zijwaarts, omhoog, achterwaarts. De danser kan dansen in de diepe laag (onder kniehoogte), in de middenlaag (tussen knie en schouderhoogte) en in de hoge laag (zo hoog mogelijk). De danser maakt al dansend voortdurend andere vormen met zijn lichaam. Soms zijn deze vormen zo specifiek dat daarmee het karakter van een dans

beïnvloed wordt: bijvoorbeeld hoekige vormen, gesloten vormen, gedraaide vormen.
Kracht

Dansen is ook een spel met de zwaartekracht. De danser heeft daarin een aantal mogelijkheden:

momenten van passief toegeven aan de zwaartekracht door het hele lichaamsgewicht (als het ware ‘willoos’) te laten vallen;

momenten van actieve inzet van gewicht; krachtig: bij springen of bij acties als slaan, stoten en duwen;

momenten van actieve inzet van gewicht, maar dan het eigen lichaamsgewicht ontkennend: ‘zo licht als een veertje’.

Bewegingsstroom

In dans is de spanning (en controle) in het lijf van de danser belangrijk om de dansacties als draaien,

springen ed. te kunnen uitvoeren. Maar er is ook ontspanning (en ‘loslaten’) nodig om acties als zwieren en vallen te kunnen uitvoeren. Over het algemeen wisselt de spanning voortdurend tijdens het dansen. Soms speelt de spanning een heel speciale rol als de danser zich langere tijd gespannen of ontspannen moet houden.



d Danskwaliteit

Dans bestaat voor een groot deel uit combinaties van danselementen. Iedere combinatie levert een andere uitdrukking en bepaalt de danskwaliteit. Bijvoorbeeld licht van gewicht en vertraagd leidt tot ‘zweverig’; heel krachtig met snel leidt tot stotend. De danskwaliteit is de weerspiegeling van de drijfveer van de danser.



Voorbeeld

Een danser staat naast een tafel; hij heft zijn arm vanuit de elleboog, strekt de arm zodat deze schuin omhoog wijst waarbij de hand boven het hoofd komt. De hand zet de beweging naar beneden aan, de arm buigt zich licht, de hand raakt het oppervlak van de tafel schuin en glijdt er overheen. Door te variëren in het gebruik van de danselementen ontstaan er heel verschillende uitdrukkingen.

1 De danser heft de arm heel traag, met grote spanning, heel gecontroleerd, vervolgens gaat de hand uiterst plots met gecontroleerde spanning naar beneden; met grote vaart en grote kracht slaat de hand op tafel (stoten: agressief).

2 Idem; maar de arm en de hand zijn niet gecontroleerd, maar in een losse, ongecontroleerde spanning waardoor de hand met grote kracht en snelheid over de tafel zwiept (zwiepen: nonchalant).

3 De arm en hand worden snel omhoog gebracht, met een lichtheid die de arm gewichtsloos lijkt te maken, de hand komt heel traag gecontroleerd naar beneden, nog steeds heel licht raakt hij de tafel en glijdt erover alsof de hand de tafel streelt (glijden of strelen: teder).




e Dansfrase

De choreograaf ontwerpt voor een choreografie vaak bepaalde dansfrasen of danspatronen; een bepaalde reeks van opeenvolgende bewegingen komt op verschillende momenten, in verschillende situaties in de dans, terug. Verschillende dansers kunnen ieder hun eigen specifieke dansfrase dansen of allemaal dezelfde. De dansfrase van een danser kan gedurende het dansstuk ook overgenomen worden door andere dansers.

Als de dansfrase zich binnen een bepaalde manier van verplaatsen afspeelt ontstaat een danspatroon.

f Ruimtegebruik

Op alle momenten in een dans wordt er specifiek gekozen voor een bepaalde plaatsing van de dansers: vóór op het podium of in de rechter achterhoek of diagonaal over het toneel. Het heeft er letterlijk mee te maken of iets op de voorgrond geplaatst wordt of niet.

De opstelling van de dansers ten opzichte van elkaar kan in bepaalde formaties zoals frontrij, kring, blok, maar ook heel ‘los van elkaar’ zijn.

Doordat de danser zich verplaatst tijdens het dansen maakt hij als het ware een spoor op de vloer; het vloerpatroon. Het soort patroon: grillig, rechte lijnen, cirkels en dergelijke wordt opvallend in de dans als het vaker herhaald wordt. Daarmee wordt dan als het ware een ruimte-indeling gemaakt.

Het decor is voor de ruimte-indeling van groot belang. Zeker als het bestaat uit objecten waar de dansers

omheen dansen of in kunnen klimmen, aanhangen of onder kunnen liggen.





locatie

Waar wordt gedanst?

Theater <> elders, wel/geen podium, plaats van het publiek



d3

De meeste choreografieën worden gemaakt voor een theaterzaal: een verhoogd podium met aan één zijde de tribune voor de toeschouwers. De dans speelt zich af zonder dat de omgeving daar invloed op uitoefent.

Als er ‘op locatie’ gedanst wordt is de choreografie gemaakt op en naar aanleiding van die plek. Dan wordt er gebruik gemaakt van de eigenschappen van de ruimte, de soort ondergrond, de lichtinval, de hoeken en gaten. Hierbij staat het publiek op minder grote afstand dan meestal in het theater het geval is. Ook binnen het theater kan er zonder podium gewerkt worden. Dat is meestal het geval als de choreograaf het publiek dichter bij de

dans wil laten plaatsnemen, bijvoorbeeld eromheen.



muziek

Welke muziek/geluid wordt gebruikt?

Wel/geen muziek, muzieksoort, geluid, omgevingsgeluiden, stem v.d. danser, stilte

Eén muziekstuk <> collage/fragmenten, live <> ‘opname’

Relaties muziek-dans t.a.v. tempo, maat, ritme, klanksterkte, klankkleur/instrumenten, structuur



d4

Dans wordt vaak ondersteund door muziek. De choreograaf kiest muziek bij zijn dans. Meestal gebeurt dat in een heel vroeg stadium van het ontwerpproces: muziek heeft namelijk een sterke zeggingskracht bij een dansstuk. Het tempo van de muziek, het ritme en het spanningsverloop spelen een belangrijke rol in het samengaan van dans en muziek. Bovendien kan de muziek illusies oproepen die in de dans niet direct zichtbaar zijn.

Voorbeeld

De muziek heel zachtjes op de achtergrond beginnen en in sterkte langzaam toenemen zodat de illusie wordt geschapen dat er iets op komst is. Daarmee kan een ontwikkeling in de dans al aangekondigd worden zonder dat het zichtbaar is.

De relatie van de dans met de gebruikte muziek kan sterk variëren; van helemaal gelijk oplopen, zodat er in de dans en de muziek gelijke sfeer en climaxen naar voren komen, tot sterk contrasterend, bijvoorbeeld heel

heftige dans bij een rustige melodische muziek.

De choreograaf kan ook zonder muziek werken. Dan gaan andere geluiden zoals de ademhaling en de

voetstappen van de dansers een rol spelen.

De choreograaf kan muziek kiezen die al bestaat, muziek speciaal laten componeren naar zijn idee ten behoeve van het dansstuk, (bestaande) muziek en/of ander geluiden (laten) over elkaar heen zetten of een collage van maken zodat er een nieuw muziekstuk ontstaat.

De muziek die de choreograaf kiest hangt in veel gevallen samen met de danssoort waarin de dans gemaakt is: In klassieke dans wordt vaak klassieke muziek gebruikt; folkloredans werkt met folkloristische muziek; jazzdans werkt met muziek met een duidelijke metrum- en –beatlaag; moderne en expressionistische dans kiezen vaak uit een breed scala van muziekstijlen.



theatrale middelen

Welke theatrale middelen worden gebruikt?

Decor, film, video, ICT

Licht

Muziek


Kostuums, grime, attributen, rekwisieten

d5

Er is bij dans niet altijd een decor, het toneelbeeld is dan heel sober. Het decor kan in realistische of symbolische zin verwijzen naar de inhoud van het stuk. Ook kan een decor een centrale plaats in de dans innemen: bijvoorbeeld een zandberg waar de dansers overheen bewegen.

Door middel van film, video, lichtbeelden e.d. kan het beeld regelmatig veranderen en aangevuld worden terwijl

de dans gewoon doorgaat.

Voor een choreografie wordt een speciale belichting ontworpen, die de dansers goed doet uitkomen, de sfeer

mede bepaalt en het idee, dat de choreograaf wil overbrengen, versterkt.

Ook het kostuum wordt voor een bepaalde choreografie ontworpen. Over het algemeen geldt dat de danser zich optimaal moet kunnen bewegen. Een kostuum kan bepaalde bewegingen versterken (een lange, wijde rok benadrukt het hoog opgooien van de benen) of juist een heel ander lichaamsidee oproepen (dikke pakken waarin de dansers tonrond lijken). Het kostuum benadrukt dus in sterke mate de verschijningsvorm van de danser.

Dansers kunnen in hun dans bepaalde voorwerpen hanteren: enerzijds om een dans te versterken: lappen, e.d. (rekwisieten); anderzijds om de symboliek van de rol van de danser te benadrukken: bijvoorbeeld de zeis voor de Dood (attributen).


Samenhang

Hoe is de dans geordend?

E




Choreografie

Het samenbrengen van de middelen (dansers, dans, ruimte, muziek, theatrale middelen) tot een verloop, ordening, structuur naar idee en ontwerp van de choreograaf

e1

Het opbouwen van een dans tot een volwaardige choreografie is een groeiproces. Al werkende met de dansers ontstaat het dansmateriaal, wordt de samenhang met de muziek duidelijk, worden het decor en de kostuums ontworpen, kortom worden alle bovengenoemde middelen samengebracht zodat datgene dat de choreograaf wil overbrengen duidelijk wordt.

Tijdens het werkproces maakt de choreograaf keuzen welke uitgangspunten hij in zijn choreografie hanteert, bijvoorbeeld: de ordening van de dansbewegingen, de structuur van de opbouw van het stuk (bijv. canon of a-b

-a-c-a-d, etc.), het verloop (bijv. climax aan het eind), de ordening in de ruimte (bijv. voorgrond-achtergrond actie), de groepsindeling (bijv. solist-groep), etc.

Het uitwerken van deze keuzen is een onderdeel van het choreogafieproces dat compositie heet. Het is de technische basis van choreograferen. Het choreograferen is het beslissen hoe alles in samenhang wordt gebracht. In de hedendaagse dans vraagt een choreograaf steeds vaker van de dansers dat zij actief aan het creatieproces deelnemen en met eigen ideeën en uitwerkingen komen.




FUNCTIE

Met welk doel wordt het kunstwerk gebracht?

F




Wat wil de maker (of opdrachtgever) of de beschouwer ermee bereiken?

Bedoelde functie van de maker (of opdrachtgever) gelet op tijd en plaats



<> functiegeving door de beschouwer.




  • Voorstelling A Waar gaat de dans over A
  • FUNCTIE F Met welk doel wordt de dramavoorstelling gebracht
  • INHOUD Voorstelling, boodschap
  • Boodschap Wat wil de danser/choreograaf met het dansstuk vertellen
  • Abstrahering In hoeverre suggereert het dansstuk de werkelijkheid
  • Samenhang Hoe is de dans geordend E
  • FUNCTIE Met welk doel wordt het kunstwerk gebracht F

  • Dovnload 97.88 Kb.