Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1 Inleiding 7

Dovnload 5.47 Mb.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 7



Pagina12/36
Datum25.10.2017
Grootte5.47 Mb.

Dovnload 5.47 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   36
Figuur 9 D-MIM MCAI_DM700200

Beschrijving

Het centrale element in dit domein model is ControlActProcess Act met gegevens over de gebeurtenis (event) die aanleiding gaf tot verzending van de interactie met daaraan gekoppeld de berichtinhoud. Onder de gegevens in ControlActProcess vallen de aanleiding voor verzending (HL7v3: Trigger Event) in ControlActProcess.code, datum/tijd voor deze aanleiding en eventueel onderliggende business rule-gerelateerde informatie (DetectedIssueEvent). Het model beschrijft ook de betrokken personen of andere partijen zoals de auteur en een verantwoordelijke. Van de klassen dataEnterer (datatypist) en informationRecipient (bedoelde ontvagende persoon) wordt tot nu toe geen gebruik gemaakt in AORTA.


    1. TECA-wrapper actoren (auteur en verantwoordelijke)


Iedere interactie kan worden geïnitieerd vanuit een informatiesysteem of een persoon. Informatiesystemen zijn over het algemeen een XIS binnen een GBZ, maar ook de ZIM en bijvoorbeeld de SBV-Z webservice zijn een informatiesysteem. Personen die interacties initiëren kunnen verschillende rollen hebben (patiënt, wettelijke vertegenwoordiger, klantenloketmedewerker, zorgverlener, zorgmedewerker). Niet alle combinaties van actoren zijn geldig en van elk van de actoren is een vaste set informatie vereist. Zie paragraaf 5.1.1 voor welke combinaties geldig zijn.

In [AORTA Arch] wordt in paragrafen 4.2 en 5.2 de architectuur achter de verschillende actoren toegelicht. In deze paragraaf worden de relevante attributen per actor gekoppeld aan de HL7v3 TECA-wrapper. Ongeacht de specialisatie van de TECA-wrapper gaat het namelijk altijd om dezelfde, dan wel nagenoeg dezelfde, mapping.


      1. Geldige combinaties van actoren in de TECA


De combinatie van geldige actoren in de TECA hangt af van het type interactie (logistiek, medisch, initiërend, reagerend, opvragen, sturen, etc.). Het ontwerp bij een interactie bepaalt dit type. In paragraaf 5.1.2 en verder worden de exacte attributen per actor toegelicht.

Generiek gezien komt de persoon die of het informatiesysteem dat verantwoordelijk was voor de trigger die vooraf ging aan de interactie in authorOrPerformer en eventueel komt de persoon die eindverantwoordelijk was in overseer.



De volgende scenario’s zijn van toepassing voor iedere applicatie (ZIM, XIS, GBx, SBV-Z):

  1. Als een applicatie zelf berichten initieert (vertrouwensniveau laag):

    1. Control Act authorOrPerformer bevat applicatiegegevens

  2. Als een applicatie zelfstandig een inkomende interactie beantwoordt:

    1. Control Act authorOrPerformer bevat applicatiegegevens

De volgende scenario’s zijn van toepassing voor de ZIM:

  1. Als de ZIM een Signalering verwijderde indexgegevens initieert:

    1. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de ZIM

De volgende scenario’s zijn van toepassing voor een XIS in een GBZ:

  1. Als een zorgmedewerker berichten initieert onder mandaat van een zorgverlener (vertrouwensniveau midden):

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de zorgverlener (Mandaatverlener)

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de zorgmedewerker

  2. Als een zorgverlener berichten initieert (vertrouwensniveau midden):

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de zorgverlener

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de zorgverlener

De volgende scenario’s zijn van toepassing voor de SBV-Z:

  1. Als de SBV-Z antwoordt op een door de toepassing geïnitieerd bericht:

    1. Control Act authorOrPerformer bevat applicatiegegevens van de SBV-Z

De volgende scenario’s zijn van toepassing voor de Nictiz-klantenloketapplicatie (GBK):

  1. Als het Klantenloket uit naam van de patiënt berichten initieert:

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de patiënt

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de Klantenloket-medewerker

  2. Als het Klantenloket uit naam van een wettelijke vertegenwoordiger berichten initieert:

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de wettelijke vertegenwoordiger

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de Klantenloket-medewerker

De volgende scenario’s zijn van toepassing voor een patiëntenportaal (GBP):

  1. Als de patiënt zelf berichten initieert:

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de patiënt

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de patiënt

  2. Als een wettelijke vertegenwoordiger uit naam van de patiënt berichten initieert:

    1. Control Act overseer bevat gegevens van de wettelijke vertegenwoordiger

    2. Control Act authorOrPerformer bevat gegevens van de wettelijke vertegenwoordiger
      1. Actor applicatie: ZIM


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie de ZIM is, moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten en @extension de waarde “1”.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        CONF Indien de applicatie de ZIM is, dan wordt de organisatie verder niet geïdentificeerd en dient het element Organization te worden weggelaten
      2. Actor applicatie: XIS in een GBZ (UZI)


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        SET

        1…*

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie van een GBZ is, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.2” bevatten en @extension het UZI-systeemnummer van het UZI-servercertificaat

        CONF Indien de applicatie van een GBZ is, mag er optioneel ook een tweede element id zijn met in @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” en @extension het desbetreffende AORTA-applicatie-id.

        Element: assignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice/ assignedPrincipalChoiceList

        manufacturerModelName

        SC

        0…1

        C

        Applicatie-naam

        Bevat de applicatienaam

        CONF Indien de applicatie van een GBZ is, en indien het een interactie richting de SBV-Z betreft, dan dient voor auditingdoeleinden ook de applicatienaam te worden meegegeven. De naam van de applicatie kan worden samengesteld uit de GBZ-naam en de applicatienaam, bijvoorbeeld “Ziekenhuis ABC/EVS”.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        C

        Zorgaanbieder-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie van een GBZ is, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en @extension het UZI-registerabonneenummer van het UZI-servercertificaat van de applicatie.

        name

        ON

        1...1

        M

        Zorgaanbieder-naam

        Naam van de organisatie.

        CONF Indien de applicatie van een GBZ is, moet de zorgaanbiedernaam worden opgenomen, welke hoort bij het zorgaanbieder-id uit het element id. De naam dient een algemeen gangbare aanduiding van de organisatie te zijn. De naam mag worden afgeleid uit het Subject.organizationName (Subject.O) veld zoals aanwezig op het UZI-servercertificaat. Merk op dat de structuur van het naamveld in het HL7v3-bericht anders is (het HL7v3 ON datatype, zie de [HL7v3 IH BC]) dan de structuur van Subject.O op een certificaat. Het hergebruik van het veld Subject.O is niet verplicht.
      3. Actor applicatie: XIS in een GBO


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        SET

        1…1

        M

        Applicatie-id

        Bevat het unieke AORTA-applicatie-id van het systeem.

        CONF Het attribuut @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten en @extension het desbetreffende AORTA-applicatie-id.

        Element: assignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice/ assignedPrincipalChoiceList

        manufacturerModelName

        SC

        0…1

        C

        Applicatie-naam

        Bevat de applicatienaam

        CONF Indien de applicatie van een GBO, en indien het een interactie richting de SBV-Z betreft, dan dient voor auditingdoeleinden ook de applicatienaam te worden meegegeven. De naam van de applicatie kan worden samengesteld uit de GBZ-naam en de applicatienaam, bijvoorbeeld “Ziekenhuis ABC/EVS”.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        @classCode

        CS

        0..1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        SET

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie van de verantwoordelijke organisatie voor deze applicatie. De identificatie wordt voorafgaand aan of bij aansluiten toegekend.

        CONF Het attribuut @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.25” bevatten en @extension het desbetreffende AORTA-organisatie-id.

        name

        ON

        1..1

        M

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie uit het systeemcertificaat.

        CONF De organisatienaam moet overeen komen met het veld O (Organization) op het certificaat.
      4. Actor applicatie: SBV-Z


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie het SBV-Z is, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.4” bevatten en @extension de waarde “1”.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie het SBV-Z is, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007” bevatten en @extension de waarde “4”.
      5. Actor applicatie: Nictiz-klantenloket (GBK)


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie het Nictiz-klantenloket (GBK) is, moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten en @extension het betreffende applicatie-id.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie het Nictiz-klantenloket (GBK) is, moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11” bevatten en @extension de waarde “7”.

        name

        ON

        1...1

        M

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie.

        CONF Indien de applicatie het Nictiz-klantenloket (GBK) is, moet de organisatienaam worden opgenomen, welke hoort bij het organisatie-id uit het element id. De voorgestelde vaste string is “Klantenloket”, maar deze mag onder gewijzigde inzichten ook anders zijn.
      6. Actor applicatie: Patiëntenportaal (GBP)


        Element: AssignedDevice

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende applicatie.

        CONF Indien de applicatie een GBP is, moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten en @extension het betreffende applicatie-id.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedDevice

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Het attribuut @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.25” bevatten en @extension het desbetreffende AORTA-organisatie-id.

        name

        ON

        1..1

        M

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie uit het systeemcertificaat.

        CONF De organisatienaam moet overeen komen met het veld O (Organization) op het certificaat.
      7. Actor persoon: zorgverlener


        Element: AssignedPerson of
        assignedEntity


        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant of

        ControlActProcess/overseer

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        SET

        1…*

        M

        Zorgverlener-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de persoon.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, dan moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.1” bevatten en @extension het betreffende UZI-nummer van de persoon, zoals deze op de UZI-pas staat.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, mogen er optioneel ook meerdere elementen id zijn met bijvoorbeeld het persoonlijke AGB-nummer van de zorgverlener.

        code

        CV

        1..1

        M

        Zorgverlener-functie

        Bevat UZI-rolcode.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, dan moet @codeSystem de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.15.111” bevatten en @code de betreffende rolcode van de persoon zoals deze op de UZI-pas staat. Deze rolcode mag niet “00.000” zijn.

        telecom

        BAG

        0..*

        C

        Zorgverlener-telecom

        Bevat telecommunicatiegegevens.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, dan kan een toepassingsgids hier aanvullende condities op specificeren, zoals op verplichte doogifte van een telefoonnummer (@value="tel:...") of een AORTA applicatie-id (@value="x-hl7-applicatie:...").

        Element: assignedPerson

        assignedEntity

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson/assignedPrincipalChoiceList of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of assignedEntity]/assignedPrincipalChoiceList

        name

        PN

        0…1

        C

        Zorgverlener-naam

        Bevat de zorgverlener-naam

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, en indien het een interactie richting de SBV-Z betreft, dan dient voor auditingdoeleinden ook de persoonsnaam te worden meegegeven.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, en indien het een overseer betreft, dan dient ook de persoonsnaam te worden meegegeven.
        De naam mag worden afgeleid uit het Subject.CommonName (Subject.CN) veld zoals aanwezig op de UZI-pas. Merk op dat de structuur van het naamveld in het HL7v3-bericht anders is (het HL7v3 PN data type, zie [HL7v3 IH BC]) dan de structuur van Subject.CN op de kaart. Het hergebruik van het veld Subject.CN is niet verplicht.

        Element: Organization

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of assignedEntity]

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        SET

        1…*

        C

        Zorgaanbieder-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie voor deze persoon.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is er sprake is van Sessie-authenticatie, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en @extension het UZI-registerabonneenummer zoals deze op de UZI-pas staat.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is en er sprake is van Token-authenticatie, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en @extension het UZI-registerabonneenummer van het UZI-servercertificaat van de applicatie waar de zorverlener op dat moment in werkt.

        name

        ON

        0...*

        C

        Zorgaanbieder-naam

        Naam van de organisatie.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, moet de zorgaanbiedernaam worden opgenomen, welke hoort bij het zorgaanbieder-id uit het element id. De naam dient een algemeen gangbare aanduiding van de organisatie te zijn. De naam mag bij Sessie-authenticatie worden afgeleid uit het Subject.organizationName (Subject.O) veld zoals aanwezig op de UZI-pas, of bij Token-authenticatie op het UZI-servercertificaat. Merk op dat de structuur van het naamveld in het HL7v3-bericht anders is (het HL7v3 ON datatype, zie de [HL7v3 IH BC]) dan de structuur van Subject.O op een certificaat. Het hergebruik van het veld Subject.O is niet verplicht.

        telecom

        BAG

        0..*

        C

        Zorgaanbieder-telecom

        Bevat telecommunicatiegegevens van de zorgaanbieder

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, dan kan een toepassingsgids hier aanvullende condities op specificeren, zoals op verplichte doogifte van een telefoonnummer (@value="tel:...") of een AORTA applicatie-id (@value="x-hl7-applicatie:...").

        addr

        BAG

        0..1

        C

        Zorgaanbieder-adres

        Bevat het adres van de zorgaanbieder.

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, en indien het hier de overseer betreft, dan moet tenminste de vestigingsplaats worden doorgegeven in het element city.
      8. Actor persoon: zorgmedewerker


        Element: AssignedPerson

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        SET

        1…*

        M

        Zorgmedewerker-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de persoon.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is, dan moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.1” bevatten en @extension het betreffende UZI-nummer van de persoon, zoals deze op de UZI-pas staat.

        code

        CV

        0..1

        C

        Zorgmedewerker-functie

        Bevat UZI-rolcode.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is met een UZI-rolcode welke niet “00.000” is, dan moet @codeSystem de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.15.111” bevatten en @code de betreffende rolcode van de persoon zoals deze op de UZI-pas staat.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is met UZI-rolcode “00.000”, dan dient het element code niet worden doorgegeven

        telecom

        BAG

        0..*

        C

        Zorgverlener-telecom

        Bevat telecommunicatiegegevens.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is, dan kan een toepassingsgids hier aanvullende condities op specificeren, zoals op verplichte doogifte van een telefoonnummer (@value="tel:...") of een AORTA applicatie-id (@value="x-hl7-applicatie:...").

        Element: assignedPerson

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson/assignedPrincipalChoiceList

        name

        PN

        0…1

        C

        Zorgmedewerker-naam

        Bevat de zorgmedewerkernaam

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is, en indien het een interactie richting de SBV-Z betreft, dan dient voor auditingdoeleinden ook de persoonsnaam worden meegegeven. De naam kan worden afgeleid uit het Subject.CommonName (Subject.CN) veld zoals aanwezig op de UZI-pas. Merk op dat de structuur van het naamveld in het HL7v3-bericht anders is (het HL7v3 PN data type, zie [HL7v3 IH BC]) dan de structuur van Subject.CN op de kaart. Het hergebruik van dit UZI-veld is niet verplicht.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        SET

        1…*

        C

        Zorgaanbieder-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie voor deze persoon.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is en er sprake is van Sessie-authenticatie, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en @extension het UZI-registerabonneenummer zoals deze op de UZI-pas staat.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is en er sprake is van Token-authenticatie, moet @root de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en @extension het UZI-registerabonneenummer van het UZI-servercertificaat van de applicatie waar de zorverlener op dat moment in werkt.

        name

        ON

        0...*

        C

        Zorgaanbieder-naam

        Naam van de organisatie.

        CONF Indien de persoon een zorgmedewerker is, moet de zorgaanbiedernaam worden opgenomen, welke hoort bij het zorgaanbieder-id uit het element id. De naam dient een algemeen gangbare aanduiding van de organisatie te zijn. De naam mag bij Sessie-authenticatie worden afgeleid uit het Subject.organizationName (Subject.O) veld zoals aanwezig op de UZI-pas, of bij Token-authenticatie op het UZI-servercertificaat. Merk op dat de structuur van het naamveld in het HL7v3-bericht anders is (het HL7v3 ON datatype, zie de [HL7v3 IH BC]) dan de structuur van Subject.O op een certificaat. Het hergebruik van het veld Subject.O is niet verplicht.

        telecom

        BAG

        0..*

        C

        Zorgaanbieder-telecom

        Bevat telecommunicatiegegevens van de zorgaanbieder

        CONF Indien de persoon een zorgverlener is, dan kan een toepassingsgids hier aanvullende condities op specificeren, zoals op verplichte doorgifte van een telefoonnummer (@value="tel:...") of een AORTA applicatie-id (@value="x-hl7-applicatie:...").
      9. Actor persoon: wettelijk vertegenwoordiger


        Element: AssignedPerson of
        AssignedEntity


        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant of

        ControlActProcess/overseer



        Een wettelijk vertegenwoordiger is in sommige gevallen bijvoorbeeld een rechtspersoon zoals een zoals voogdijorganisatie met wisselende verantwoordelijke personen over de tijd heen. In AORTA betreft het echter altijd de persoon op het moment van handelen in de context bij de betreffende interactie.

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Wettelijke vertegenwoordiger-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de persoon.

        CONF Indien de persoon een wettelijke vertegenwoordiger is, dan moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.3” bevatten en @extension het betreffende Burgerservicenummer van de persoon.

        code

        CV

        1..1

        M

        Wettelijke vertegenwoordiger -functie

        Bevat rolcode.

        CONF Indien de persoon een wettelijke vertegenwoordiger is @codeSystem de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.6” bevatten en @code de betreffende rolcode van de persoon. Zie ook paragraaf C.7.

        Element: assignedPerson

        assignedEntity

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson/assignedPrincipalChoiceList of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of assignedEntity]/assignedPrincipalChoiceList

        name

        PN

        1…1

        M

        Wettelijke vertegenwoordiger -naam

        Bevat de persoonsnaam

        CONF Indien de persoon een wettelijke vertegenwoordiger is, moet de naam worden doorgegeven.

        Element: Organization

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of assignedEntity]

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Het attribuut @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.25” bevatten en @extension het desbetreffende AORTA-organisatie-id.

        name

        ON

        1..1

        M

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie uit het systeemcertificaat.

        CONF De organisatienaam moet overeen komen met het veld O (Organization) op het certificaat.
      10. Actor persoon: patiënt/burger


        Element: AssignedPerson of
        AssignedEntity


        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant of

        ControlActProcess/overseer

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        1…1

        M

        Patiënt-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de persoon.

        CONF Indien de persoon een patiënt/burger is, dan moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.3” bevatten en @extension het betreffende Burgerservicenummer van de persoon.

        code

        CV

        1..1

        M

        Patiënt-functie

        Bevat rolcode.

        CONF Indien de persoon een patiënt/burger is @codeSystem de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.8” bevatten en @code de waarde “P”. Zie ook paragraaf C.7.

        Element: assignedPerson

        assignedEntity

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson/assignedPrincipalChoiceList of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of AssignedEntity]/ assignedPrincipalChoiceList

        name

        PN

        1…1

        M

        Patiënt -naam

        Bevat de persoonsnaam

        CONF Indien de persoon een patiënt/burger is, moet de naam worden doorgegeven.

        Element: Organization

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson of

        ControlActProcess/overseer/[AssignedPerson of AssignedEntity]

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        II

        1..1

        M

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie van de verantwoordelijke organisatie achter de zendende applicatie.

        CONF Het attribuut @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.25” bevatten en @extension het desbetreffende AORTA-organisatie-id.

        name

        ON

        1..1

        M

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie uit het systeemcertificaat.

        CONF De organisatienaam moet overeen komen met het veld O (Organization) op het certificaat.
      11. Actor persoon: Nictiz-klantenloketmedewerker


        Element: AssignedPerson

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        SET

        1…*

        M

        Klantenloketmedewerker-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de persoon.

        CONF Indien de persoon een Nictiz-klantenloketmedewerker is, dan moet @root de OID bevatten voor certificaatserienummers van de Certificate Authority (CA) en @extension het certificaatserienummer, zoals uitgegeven door de betreffende PKI-Overheid Certificate Authority (CA). Op moment van schrijven betreft dat voor @root de Getronics CA Organisatie met OID “2.16.528.1.1003.1.3.5.4.1”.

        code

        CV

        0..1

        C

        Klantenloketmedewerker-functie

        Bevat rolcode.

        CONF Indien de persoon een Nictiz-klantenloketmedewerker is @codeSystem de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.8” bevatten en @code de waarde “KLANTENLOKET”. Zie ook paragraaf C.7.

        Element: assignedPerson

        Pad:

        ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson/assignedPrincipalChoiceList

        name

        PN

        0…1

        C

        Klantenloketmedewerker-naam

        Bevat de persoonsnaam

        CONF Indien de persoon een Nictiz-klantenloketmedewerker is, en indien het een interactie richting de SBV-Z betreft, dan dient voor auditingdoeleinden ook de persoonsnaam te worden meegegeven.

        Element: Organization

        Pad: ControlActProcess/authorOrPerformer/participant/AssignedPerson

        @classCode

        CS

        0…1

        F







        CONF @classCode moet indien aanwezig verplicht de waarde “ORG” hebben.

        id

        SET

        1…*

        C

        Organisatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de verantwoordelijke organisatie voor deze persoon.

        CONF Indien de persoon een Nictiz-klantenloketmedewerker is, moet @root de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11” bevatten en @extension de waarde “7”.

        name

        ON

        0...*

        C

        Organisatie-naam

        Naam van de organisatie.

        CONF Indien de applicatie het Nictiz-klantenloket (GBK) is, moet de organisatienaam worden opgenomen, welke hoort bij het organisatie-id uit het element id. De voorgestelde vaste string is “Klantenloket”, maar deze mag onder gewijzigde inzichten ook anders zijn.
      12. Actor persoon: GBZ-beheerder


Zie [AORTA Arch]. Vooralsnog wordt deze actor niet in interacties ondersteund.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   36

  • TECA-wrapper actoren (auteur en verantwoordelijke)
  • Geldige combinaties van actoren in de TECA
  • Actor applicatie: XIS in een GBZ (UZI)
  • Actor applicatie: XIS in een GBO
  • Actor applicatie: SBV-Z
  • Actor applicatie: Nictiz-klantenloket (GBK)
  • Actor applicatie: Patiëntenportaal (GBP)
  • Actor persoon: zorgverlener
  • Actor persoon: zorgmedewerker
  • Actor persoon: wettelijk vertegenwoordiger
  • Actor persoon: patiënt/burger
  • Actor persoon: Nictiz-klantenloketmedewerker
  • Actor persoon: GBZ-beheerder

  • Dovnload 5.47 Mb.