Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1 Inleiding 7

Dovnload 5.47 Mb.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 7



Pagina27/36
Datum25.10.2017
Grootte5.47 Mb.

Dovnload 5.47 Mb.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   36

Message Types - Transmission


De Transmission Wrapper bevat gegevens over de zender en de ontvanger(s) van het bericht, en een identificatie van het berichttype. Het bevat eveneens gegevens die antwoorden op ontvangst- of op applicatieniveau ondersteunen. De Transmission Wrapper bevat, indien van toepassing de TECA-wrapper en de berichtinhoud.

De Transmission Wrapper bevat eveneens gegevens die het gebruik van acknowledgements op applicatieniveau ondersteunen. In de Transmission Wrapper worden uitsluitend de zendende en ontvangende applicatie geïdentificeerd, eventuele routerende applicaties worden niet in de wrapper opgenomen. Eventuele routerende applicaties dragen zorg voor de aflevering van het bericht op een wijze die onzichtbaar is voor de zendende en ontvangende applicatie (behalve als routeren niet lukt want in dat geval geven de routerende applicaties zelf een foutmelding af).


    1. MCCI_MT000100 - Standaard Transmission Wrapper


D-MIM: MCCI_DM000000

R-MIM: MCCI_RM000100

HL7v3 gestructureerde naam: Send Message Payload



Element: Message (een “Stub” die door het interactie-id bijv. COMT_IN999999NL wordt vervangen)

Pad:

Subelement

DT

Kard

C

LBA

Omschrijving

id

II

1..1

M

Bericht-id

Een unieke identificatie van deze instantiatie van de interactie. De identificatie wordt toegekend door de zendende applicatie. Het identificatiesysteem dat de applicatie daarvoor gebruikt wordt geïdentificeerd door een OID in het attribuut @root. De OID moet, in combinatie met het toegekende identificatie in in het attribuut @extension, wereldwijd uniek zijn, en mag nooit meer worden uitgedeeld.

De OID voor het identificatiesysteem kan bijvoorbeeld worden afgeleid van het organisatie-id (URA, AORTA-organisatie-id, anders, …), of het AORTA applicatie-id, maar dit is geen verplichting. Iedere OID die voldoet aan het principe van uniekheid is geldig.



CONF Deze identificatie is uniek en kan nooit nogmaals worden uitgedeeld, noch door dezelfde applicatie, noch door een andere applicatie.

creationTime

TS

1..1

M




Het tijdstip waarop het bericht is aangemaakt, dit is onafhankelijk van het tijdstip waarop een bepaalde klinische of administratieve gebeurtenis de noodzaak tot het versturen van het bericht deed ontstaan.

CONF @value dient tenminste te bestaan uit jaar, maand, dag, uur, minuten en seconden.

versionCode

CS CNE

1..1

M




De versie van de in het bericht gebruikte HL7-infrastructuurmodellen (o.a. data types, RIM, wrappers). De ontvanger gebruikt deze waarde om het bericht juist te kunnen interpreteren. Dit attribuut bevat standaard de waarde die de versie identificeert waarop de berichten gebaseerd zijn

CONF @code heeft de vaste waarde “NICTIZEd2005-Okt” (NICTIZ Editie Oktober 2005)

interactionId

SET_II

1..1

M




Referentie naar de unieke HL7v3 “Interaction Identifier” (“Interaction ID”) van de interactie waar dit bericht deel van uitmaakt.

CONF @root heeft vaste waarde “2.16.840.1.113883.1.6”

CONF @extension moet het betreffende interaction-id bevatten

profileId

II

1…1

M




Identificeert het conformanceprofiel voor de interactie. Een conformanceprofiel in AORTA staat voor een publicatie. Op moment van schrijven worden nog geen separate toepassingspublicaties uitgegeven, waardoor voor een gehele publicatie van infrastructurele en zorgtoepassingen één conformanceprofiel bestaat. Als een zorgtoepassing separaat gepubliceerd wordt, dan zal deze zijn eigen conformanceprofiel-id declareren, waarmee ook conformance wordt geclaimd met een bepaalde minimumversie van de infrastructuur. Deze minimumversie moet op moment van publicatie van de zorgtoepassing nog actief zijn op de AORTA.

CONF @root heeft de vaste waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.1”

CONF @extension heeft vaste waarde “810” voor de AORTA publicatieversie 6.x

CONF Indien de ontvanger constateert dat een interactie niet voldoet aan de eisen zoals vastgelegd in de opgegeven (middels profileId) AORTA publicatierelease dan dient een foutmelding aan de zender gestuurd te worden.

CONF De ontvanger dient antwoorden op de interactie op basis van dezelfde publicatierelease op te stellen als de interactie waarop het een antwoord vormt.



Wat wordt verstaan onder een AORTA publicatie?

Een AORTA publicatie (zoals geïdentificeerd in het profileId attribuut) bevat alle, op één moment gezamenlijk gepubliceerde, functionele en HL7v3 specifieke specificaties.



processingCode

CS CNE

1..1

M




Geeft aan of het bericht te verwerken is als een productie-, training- of debugging-bericht.

CONF @code heeft de vaste waarde “P” (Production)



Waarom staat in de meeste XML-voorbeelden in de XML-materialen een “T”?

AORTA ondersteunt slechts 1 waarde, namelijk “P”. De voorbeelden zijn bewust met deze waarde gevuld om te voorkomen dat ze direct worden gekopieerd en als zodanig in test worden gebracht.

Tijdens de kwalificatie wordt specifiek op de waarde “P” getest. Voorheen werd tijdens kwalificatie ook “T” toegestaan, maar het bleek dat bij in productiename sommige systemen vergaten om deze waarde om te zetten naar “P”. Hierdoor is de productieomgeving ook niet meer helemaal zuiver voor deze waarde. Door nu tijdens kwalificatie ook alleen “P” toe te staan zal dat probleem zich over de tijd heen langzaam oplossen omdat iedereen op een gegeven moment opkomt voor herkwalificatie.


processingModeCode

CS CNE

1..1

M




Geeft aan of een bericht wordt verzonden als gevolg van current processing (normaal online productiebericht), initial load mode (zenden van een reeks berichten ter initiële vulling van een database), restore from archive mode (herzenden van reeksen historische berichten uit een archief), etc.

CONF @code heeft de vaste waarde “T” (Current processing)

acceptAckCode

CS CNE

1..1

M




Geeft aan onder welke omstandigheden de ontvanger van dit bericht een ‘accept acknowledgement’ (ontvangstbevestiging) dient te versturen.

Bevat de waarde “AL of “NE”.



De waarde van @code wordt altijd vastgelegd in de implementatiehandleiding in de beschrijving van de desbetreffende interactie.

CONF @code moet “AL” (always) zijn indien op de interactie een ontvangstbevestiging wordt verwacht door de zender en moet “NE” (never) zijn in alle overige gevallen. Enkele specifieke gevallen zijn:
“NE” (never) in antwoordberichten die horen bij een vraagbericht dat voorzien was van een “I” (Immediate) responsePriorityCode. Zie paragraaf 15.1 voor een beschrijving van QueryByParameter.responsePriorityCode.
“NE” (never) in berichten die een antwoord vormen op een bericht (van een type anders dan een vraagbericht) waarop een synchroon (Immediate) antwoord wordt verwacht.
“NE” in vraagberichten met een “I” (Immediate) responsePriorityCode. Zie paragraaf 15.1 voor een beschrijving van QueryByParameter. responsePriorityCode.
“NE” in interacties waarop een inhoudelijk antwoord wordt verwacht (dat wil zeggen een bericht ongelijk aan de Ontvangstbevestiging, MCCI_IN000002).

receiver




1..1

M




Bevat de gegevens van de bedoelde ontvangende applicatie van de interactie. Zie verder §13.1.1.

respondTo




0..1

O




Bevat de gegevens van een afwijkende ontvanger van de antwoorden op deze interactie ten opzichte van de normale situatie waarbij antwoorden worden geretourneerd aan de sender. Dit element mag alleen worden gebruikt indien zo gespecificeerd in een toepassingsgids. Zie verder §13.1.2.

sender




1..1

M




Bevat de gegevens van de zendende applicatie van de interactie. Zie verder §13.1.3.

attentionLine




0..1

C




Bevat informatie die bijvoorbeeld voor autorisatie en/of routering van de interactie kan worden gebruikt. Gebruik van dit element kan worden verplicht door een toepassingsgids.

Op dit moment is er slechts één gebruikscenario en dat betreft het bsn van de patiënt zoals van toepassing op de inhoud van de interactie (Payload). Dit scenario is alleen voorzien voor nieuwe interacties van het type “Versturen patiëntgegevens” (zie [AORTA Arch] en [Ontw STU]).



Zie verder §13.1.4 voor de inhoud van dit element.

CONF Als voor een interactie het gebruik van attentionLine niet is gespecificeerd, dan dient de zender deze ook niet te sturen

CONF Als voor een interactie het gebruik van attentionLine niet is gespecificeerd, dan dient de ontvanger deze te negeren

CONF Als voor een interactie het gebruik van attentionLine is gespecificeerd, dan dient de zender deze ook te sturen

CONF Als voor een interactie het gebruik van attentionLine is gespecificeerd, dan dient de ontvanger deze ook te controleren en de interactie af te keuren als attentionLine ontbreekt met syntaxfoutcode “SYN113” uit waardenset AcknowledgementDetailCode (OID: 2.16.840.1.113883.5.1100)

CONF Als voor een interactie het gebruik van attentionLine is gespecificeerd, dan dient de ontvanger deze ook te controleren en de interactie af te keuren als de waarde in attentionLine niet overeenkomt met zijn specificatie met syntaxfoutcode “BUS.IEA.001” uit waardenset AcknowledgementDetailCodeAORTA (OID: 2.16.840.1.113883.2.4.6.6.1.1000)
      1. receiver


        Element: receiver

        Pad: Message

        Batch

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @typeCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het communicatiefunctietype

        CONF @typeCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “RCV” bevatten

        telecom

        TEL

        0…1

        O




        Bevat contactgegevens (meestal telefoonnummer) van de persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van de applicatie geïdentificeerd in de geassocieerde Device klasse.

        device




        1..1

        M




        Identificeert de bedoelde ontvangende applicatie. Zie verder §13.1.5.
      2. respondTo


        Element: respondTo

        Pad: Message

        Batch

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @typeCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het communicatiefunctietype

        CONF @typeCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “RSP” bevatten

        telecom

        TEL

        0…1

        O




        Bevat contactgegevens (meestal telefoonnummer) van de persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van de applicatie geïdentificeerd in de geassocieerde Device klasse.

        entityRsp




        1..1

        M




        Identificeert de afwijkende applicatie voor antwoorden. Zie verder §13.1.8
      3. sender


        Element: sender

        Pad: Message

        Batch

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @typeCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het communicatiefunctietype

        CONF @typeCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “SND” bevatten

        telecom

        TEL

        0…1

        O




        Bevat contactgegevens (meestal telefoonnummer) van de persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor het beheer van de applicatie geïdentificeerd in de geassocieerde Device klasse.

        device




        1..1

        M




        Identificeert de zendende applicatie. Zie verder §13.1.5.
      4. attentionLine


        Element: attentionLine

        Pad: Message

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        keywordText

        SC CWE

        1…1

        M




        Identificeert het gegevenstype (bijvoorbeeld: “BSN van de patient”) dat met behulp van de AttentionLine klasse wordt verstuurd. Het subelement keywordText bevat behalve de subelementen @code en @codeSystem optioneel de waarde ”Patient.id” bij het versturen van BSN van de patient in de AttentionLine en “FictiefPatientnummer” bij het versturen van BSN van de fictieve patient in de AttentionLine.

        CONF @code moet een waarde uit AttentionLineElementTypeNL bevatten.

        CONF @code bevat de waarde ”PATID” - bij het versturen van het BSN van een patiënt in de AttentionLine.

        CONF @code bevat de waarde ”FICID” - bij het versturen van het BSN van een fictieve patiënt in de AttentionLine.

        CONF @codeSystem heeft vaste waarde “2.16.840.1.113883.2.4.15.1”

        CONF text() heeft de waarde ”Patient.id” bij het versturen van het BSN van de patiënt in de AttentionLine.

        CONF text() heeft de waarde ”FictiefPatientnummer” bij het versturen van het BSN van een fictieve patiënt in de AttentionLine.

        value

        II

        1…1

        M




        Bevat de waarde van het in keywordText aangeduide gegeven (bijvoorbeeld het burgerservicenummer van de patiënt).

        CONF @root heeft voor burgerservicenummers de vaste waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.3”

        CONF @extension is verplicht voor het doorgeven van burgerservicenummers
      5. device


        Element: device

        Pad: Message/sender

        Message/receiver

        Batch/sender

        Batch/receiver

        Batch/respondTo

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @classCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het klassetype

        CONF @classCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “DEV” bevatten

        @determinerCode




        0…1

        F




        Bevat of het om een bepaald soort gaat, of één specifieke instantie van het klassetype.

        CONF @determinerCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “INSTANCE” bevatten

        id

        SET_II

        1...*

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de zendende/ontvangende applicatie.

        Het attribuut device.id vormt de kern in de identificatie (op transportniveau) van de zender en de ontvanger.



        CONF @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten voor de ZIM en GBx-applicaties

        CONF @extension moet het toegekende applicatie-id bevatten

        name

        BAG

        0..*

        O




        Een tekstuele identificatie van de zendende/ontvangende applicatie. De naam kan worden samengesteld uit de naam van de organisatie en de naam van de softwareapplicatie, bijvoorbeeld “Ziekenhuis ABC/EVS”, “Apotheeksysteem XYZ in Apotheek de Gulle Gaper”, of “LSP”.

        desc

        ED

        0..1

        X







        existenceTime

        IVL

        0..1

        X







        telecom

        BAG

        0..*

        O




        Bevat 1 of meer URL’s van de zendende/ontvangende applicatie, waaronder bijvoorbeeld de http of tcp/ip connectiegegevens.

        softwareName

        SC CWE

        0…1

        O




        Softwarename: een tekstuele beschrijving van de gebruikte software, bijvoorbeeld “X-ZIS versie 7.2”.

        manufacturerModelName

        SC

        0…1

        X







        agencyFor




        0…1

        O




        Scoping organization voor device. Zie verder §13.1.6



        Met organisatie wordt dat organisatie(deel) bedoeld dat in juridische zin verantwoordelijk is voor het transport (de fysieke verzending) van een bericht of de ontvangst daarvan, bijvoorbeeld een apotheek of ziekenhuis.

        Voorbeelden: Indien de zender van een bericht een huisartssysteem is, dan bevat device.id de identificatie van het huisartssysteem, en representedOrganization.id de identificatie van de huisartsenpraktijk. De huisartsenpraktijk is de organisatie verantwoordelijk voor het transport van het bericht.



        Indien de zender van een bericht een laboratoriummodule binnen het ZIS is, dan bevat device.id de identificatie van de laboratoriummodule. Indien het ZIS de communicatie (de transportverantwoordelijkheid) verricht namens de laboratoriummodule, bevat representedOrganization.id de identificatie van het Ziekenhuis, zijnde de verantwoordelijke organisatie voor het ZIS.

        location




        0…*

        X






      6. agencyFor


        Element: agencyFor

        Pad: Message/sender/device

        Message/receiver/device

        Batch/sender/device

        Batch/receiver/device

        Batch/respondTo/device

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @classCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het klassetype

        CONF @classCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “AGNT” bevatten

        representedOrganization




        0…1

        O




        Bevat de gegevens van de betreffende organisatie. Zie verder §13.1.7.
      7. representedOrganization


        Element: representedOrganization

        Pad: Message/sender/device/agencyFor

        Message/receiver/device/agencyFor

        Batch/sender/device/agencyFor

        Batch/receiver/device/agencyFor

        Batch/respondTo/device/agencyFor

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @classCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het klassetype

        CONF @classCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “ORG” bevatten

        @determinerCode




        0…1

        F




        Bevat of het om een bepaald soort gaat, of één specifieke instantie van het klassetype.

        CONF @determinerCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “INSTANCE” bevatten

        id




        1…1

        M




        Bevat de unieke identificatie van de bericht zendende/ontvangende organisatie. Dit is de identificatie behorend bij beherende organisatie van de applicatie en niet een organisatieidentificatie afkomstig van een persoonlijke (UZI-)pas.

        CONF Als de identificatie een URA betreft dan moet @root moet de waarde “2.16.528.1.1007.3.3” bevatten en moet @extension het UZI-registerabonnneenummer bevatten

        CONF Als de identificatie een AORTA-organisatie-id betreft dan moet @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.3.11.25” bevatten en moet @extension het organisatie-id bevatten

        name

        BAG

        0…*

        O




        Een tekstuele identificatie van de organisatie.

        telecom

        BAG

        0..*

        O




        Bevat 1 of meer telecommunicatiegegevens van de organisatie, bijvoorbeeld een telefoon- of faxnummer.

        NotificationParty




        0…1

        O




        Bevat identificatie van een persoon of een organisatie die de contactpersoon of contact organisatie is namens een andere persoon of organisatie. Zie verder CMET NotificationParty universal (COCT_MT040203) in [HL7v3 IH BC].
      8. entityRsp


        Element: entityRsp

        Pad: Message/respondTo

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @classCode

        CS

        0…1

        F




        Bevat het klassetype

        CONF @classCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “DEV” bevatten

        @determinerCode




        0…1

        F




        Bevat of het om een bepaald soort gaat, of één specifieke instantie van het klassetype.

        CONF @determinerCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “INSTANCE” bevatten

        id

        SET

        1...*

        M

        Applicatie-id

        Bevat de unieke identificatie(s) van de applicatie.

        CONF @root moet de waarde “2.16.840.1.113883.2.4.6.6” bevatten voor de ZIM en GBx-applicaties

        CONF @extension moet het toegekende applicatie-id bevatten

        name

        BAG

        0..*

        O




        Een tekstuele identificatie van de zendende/ontvangende applicatie. De naam kan worden samengesteld uit de naam van de organisatie en de naam van de softwareapplicatie, bijvoorbeeld “Ziekenhuis ABC/EVS”, “Apotheeksysteem XYZ in Apotheek de Gulle Gaper”, of “LSP”.

        telecom

        BAG

        0..*

        O




        Bevat 1 of meer telecommunicatiegegevens van de applicatie, waaronder bijvoorbeeld de http of tcp/ip connectiegegevens.
1   ...   23   24   25   26   27   28   29   30   ...   36

  • MCCI_MT000100 - Standaard Transmission Wrapper

  • Dovnload 5.47 Mb.