Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1 Inleiding 7

Dovnload 5.47 Mb.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 7



Pagina31/36
Datum25.10.2017
Grootte5.47 Mb.

Dovnload 5.47 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

MCAI_MT700201_OPT_OV - Standaard TECA-wrapper met optionele overseer


D-MIM: MCAI_DM700200

R-MIM: MCAI_RM700200

HL7v3 gestructureerde naam: Trigger Event Control Act (with optional overseer)

Deze TECA-wrapper wordt toegepast in notificatieberichten en in verzoekberichten met vertrouwensniveau laag of hoger. De inhoud van de wrapper is identiek aan MCAI_MT700201 met als enige uitzondering dat het doorgeven van de mandaterende (overseer) in deze TECA-wrapper optioneel is.

  1. Message Types – Query Infrastructure

    1. QUQI_MT021001 - TECA-wrapper in Query by Parameter


D-MIM: QUQI_DM000000

R-MIM: QUQI_RM021000

HL7v3 gestructureerde naam: Querybyparameter As Stub

Deze wrapper wordt toegepast in opvraagberichten met filterparameters en met vertrouwensniveau midden of hoger. Voor het bevragen van registers wordt hetzelfde message type gehanteerd. Het wordt toegepast om de parameters van de vragende naar de antwoordende applicatie te sturen.

Toepassingen zijn vrij om eigen restricties te specificeren op QueryByParameter op de in deze paragraaf gespecificeerde datatypen, kardinaliteiten en associaties. Toepassing-specifieke restricties mogen hier genoemde specificaties nooit uitbreiden of de semantiek wijzigen.

Deze TECA-wrapper verschilt met de standaard TECA-wrapper in gebruik van het element overseer. Er wordt gebruik gemaakt van het element overseer/assignedEntity in plaats van het element overseer/assignedPerson.

Naast de hieronder beschreven elementen zijn tevens alle TECA-wrapper klassen en attributen zoals beschreven in paragraaf 14.1 van toepassing.


      1. overseer


        Element: overseer

        Pad: ControlActProcess

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        assignedEntity




        1..1

        M

        Mandaatverlener

        Bevat gegevens van de mandaatverlener. Zie verder §15.1.2
      2. assignedEntity


Zie paragraaf 5.1 “TECA-wrapper actoren (auteur en verantwoordelijke)” voor de specificatie van assignedEntity en onderliggende elementen. Merk op dat daar alleen de elementen en attributen worden beschreven die vanuit de context van de TECA-wrapper relevant zijn. Voor alle niet beschreven attributen geldt conformance “X” (Niet gebruiken) en dienen te worden genegeerd bij verwerking door een ontvanger.
      1. queryByParameter


        Element: queryByParameter

        Pad: ControlActProcess

        CONF Een toepassing kan een vraag specificeren zonder de elementen parameterList en parameterItem.

        CONF Een toepassing mag de elementen parameterList en parameterItem niet beide tegelijk specificeren.

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        queryId

        II

        1..1

        M




        Bevat de unieke identificatie van de vraag zoals geformuleerd in de vragende applicatie, los van de identificatie van de interactie waarin de vraag wordt aangeboden. De waarde van dit attribuut wordt in het antwoord teruggeleverd, zodat de antwoordberichten kunnen worden gerelateerd aan de vraag.

        De OID voor het identificatiesysteem kan bijvoorbeeld worden afgeleid van URA, AORTA-organisatie-id, anders, …), of het AORTA applicatie-id, maar dit is geen verplichting. Iedere OID die voldoet aan het principe van uniekheid is geldig.



        CONF Deze identificatie is uniek en kan nooit nogmaals worden uitgedeeld, noch door dezelfde applicatie, noch door een andere applicatie. Het identificatiesysteem waaruit de vraagidentificaties worden gegenereerd wordt geïdentificeerd door een OID in het attribuut @root. Het attribuut @extension moet de gegenereerde identificatie bevatten.

        statusCode

        CS CNE

        1…1

        M




        Bevat de (nieuwe) status van de query. De te gebruiken waarden in dit attribuut zijn gedefinieerd in de valueset QueryStatusCode.

        CONF @code moet bij initiële vragen de waarde “executing” bevatten.

        modifyCode

        CS CNE

        0…1

        C




        Geeft aan of het abonnement (indien het vraagbericht als onderdeel van een publish/subscribe mechanisme gebruikt wordt) nieuw is (“N”) dan wel gewijzigd wordt (“M”). De waarden van dit attribuut zijn afkomstig uit de vocabulaire ModifyIndicator.

        CONF Het element modifyCode mag alleen worden gebruikt indien gespecificeerd voor de interactie.

        responseElementGroupId

        SET

        0..*

        NP




        Gebruik niet toegestaan.

        responseModalityCode

        CS CNE

        1…1

        M




        Definieert de timing en groepering van de antwoordberichten. De te gebruiken waarden zijn gedefinieerd in de ResponseModality vocabulaire. responseModalityCode is altijd "B" bij indirecte vragen vanaf een GBX. responseModalitycode is "R" bij vragen vanaf de ZIM aan een GBX en bij directe vragen van een GBX (aan de VWI bijvoorbeeld).

        De waarde ‘B’ (Batch) betekent dat de antwoordberichten worden verpakt in één enkele batch-antwoordwrapper.



        CONF Indien de interactie van het type indirect opvragen is, en de interactie gaat van een GBx naar de ZIM, dan moet @code de waarde “B” bevatten.

        CONF Indien de interactie van het type indirect opvragen is, en de interactie gaat van ZIM naar een GBx, dan moet @code de waarde “R” bevatten.

        CONF Indien de interactie van het type direct opvragen is, dan moet @code de waarde “R” bevatten.

        responsePriorityCode

        CS CNE

        1…1

        M




        Geeft het tijdsframe aan waarbinnen het antwoord wordt verwacht, zoals ‘I’ (Immediate) voor directe beantwoording. De standaardwaarde is “I” (Immediate). Merk op dat ook het tijdstip van beantwoording van de vraag in het vraagbericht zelf kan worden beïnvloed: zie de beschrijving van executionAndDeliveryTime verderop in deze tabel.

        CONF @code moet de waarde “I” bevatten.

        initialQuantity

        INT

        0…1

        NP







        initialQuantityCode

        CE CWE

        0…1

        NP







        executionAndDeliveryTime

        TS

        0..1

        C




        Bevat het tijdstip waarop het antwoord uiterlijk moet zijn opgeleverd aan het vragende systeem. Het tijdstip wordt relatief aan de aanmaaktijd van de interactie. Het verschil tussen de twee tijdstippen moet liggen tussen de configuratieparameter responsetijd-ZIM (zie [Config inst]) en 60 seconden. Bij afwezigheid van het element executionAndDeliveryTime geldt maximale oplevertimeout zoals beschreven in de Programma’s van Eisen.

        CONF @value moet de maximale timeout bevatten, indien de toepassing voor de betreffende interactie specificeert dat een maximale timeout moet kunnen worden opgegeven, en deze in de zendende applicatie ook werkelijk een waarde heeft.

        CONF @value moet, indien deze een waarde heeft, tenminste tot op de minuut nauwkeurig worden opgegeven.

        CONF Het verschil tussen executionAndDeliveryTime/@value en Message/creationTime/@value moet, indien beide een waarde hebben, liggen tussen responsetijd-ZIM en 60 seconden.



        FAQ: Hoe bepaalt een zender van een ‘Immediate’ vraagbericht een redelijke waarde voor de oplevertimeout? - De complexiteit of grootte van het verwachte antwoord is van invloed op het op te geven tijdstip. Indien een volledig overzicht van de medicatiehistorie van een patiënt opgevraagd wordt, dan ligt een ruimere timeout voor de hand dan bij het opvragen van één laboratoriumuitslag.

        parameterList




        0..1

        O




        Bevat een collectie filterparameters. Elke filterparameter is bedoeld om resultaten terug te brengen tot een kleinere set. Zie verder §15.1.4.

        CONF Een toepassing kan de relevante filterparameters in de vraag bundelen in het element parameterList.

        ParameterItem




        0..*

        O




        Bevat een filterparameter. Dit element mag herhalen. Elke filterparameter is bedoeld om resultaten terug te brengen tot een kleinere set.

        Merk op dat een filterparameter in een toepassing zijn definitieve betekenisvolle naam krijgt. Voorbeeld ParameterItem patientId voor een filter op basis van patiëntnummer. Zie verder §15.1.5.



        CONF Een toepassing kan de relevante filterparameters in de vraag direct onder QueryByParameter plaatsen

        sortControl







        NP






      2. parameterList


        Element: parameterList

        Pad: queryByParameter

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        0..1

        O




        Identificeert de lijst met filterparameters. Een toepassing kan gebruik van dit element verplichten

        ParameterItem




        1..*

        M




        Bevat een filterparameter. Dit element mag herhalen. Elke filterparameter is bedoeld om resultaten terug te brengen tot een kleinere set.

        Merk op dat een filterparameter in een toepassing zijn definitieve betekenisvolle naam krijgt. Voorbeeld patientId voor een filter op basis van patiëntnummer. Zie verder §15.1.5.


      3. ParameterItem


        Element: ParameterItem

        Een filterparameter in een toepassing zijn definitieve betekenisvolle naam krijgt. Voorbeeld patientId voor een filter op basis van patiëntnummer. De naam ParameterItem zal als zodanig dus niet in XML voorkomen.

        Pad: queryByParameter



        FAQ: Welke parameters zijn bestemd voor gebruik door ZIM ten behoeve van efficiënt routeren van indirecte vraagberichten? – “Patiënt-id”, “Actualiteit”, “Beheerverantwoordelijke”en eventueel een “Gegevenssoort” code die specifieker is dan welke afleidbaar is uit het interactie-id. Een toepassing dient te specificeren welke van de door de toepassing gespecificeerde filterparameters mappen op deze concepten. In het verleden zijn er geen afspraken gemaakt over filterparameternaamgeving en zijn ook vaak internationaal geaccepteerde vraagberichten overgenomen. Dat maakt generieke interpretatie door de ontvanger lastiger. Nieuwe vraagberichten moeten zich aan de volgende conventie houden, waarbij geldt dat het vraagbericht niet noodzakelijk alle vraagparameters moet ondersteunen: er mag echter geen vraagparameter zijn met dezelfde functie als een van de onderstaande vraagparameters, maar onder een andere naam. Internationale vraagberichten moeten worden aangepast op deze lijst alvorens ze binnen Nederland toe te passen:

        • actId – voor een filterparameter op basis van Act-id met datatype II. Het Act-id is de identificatie van het gegeven in de verwijsindex en bij het beherende systeem. Het Act-id wordt toegekend in het XIS waar het gegeven ontstaat;

        • actReferenceCreationTime – voor een filterparameter op basis van gegevens met een aanmaaktijd binnen de opgegeven periode, los van de actualiteit in VWI. Gegevens met een aanmaaktijd in GBZ binnen de opgegeven periode worden opgeleverd. Merk op dat ZIM hier alleen op kan filteren indien de aanmaaktijd van het gegeven is geregistreerd in de VWI. Datatype is IVL;

        • actReferenceLastUpdateTime – voor een filterparameter op basis van gegevens die zijn gewijzigd binnen de opgegeven periode, los van de actualiteit VWI. Indexgegevens met een laatste bijwerktijd GBZ binnen de opgegeven periode worden opgeleverd. Merk op dat ZIM hier alleen op kan filteren indien de aanmaaktijd van het gegeven is geregistreerd in de VWI. Datatype is IVL;

        • authorId - voor een filterparameter op basis van Author-id met datatype II. Het gaat hier om de auteur/inhoudverantwoordelijke van het gegeven. Auteurs worden normalerwijs geïdentificeerd met hun UZI-nummer (OID: 2.16.528.1.1007.3.1);

        • authorRoleCode - voor een filterparameter op basis van Author-role code met datatype CV. Het gaat hier om de UZI-rolcode (OID: 2.16.840.1.113883.2.4.15.111) van de auteur/inhoudverantwoordelijke van het gegeven;

        • patientId – voor een filterparameter op basis van Patiënt-id met datatype II. Patiënten worden normalerwijs geïdentificeerd met hun burgerservicenummer (OID: 2.16.840.1.113883.2.4.6.3);

        • custodianApplicationId – voor een filterparameter op basis van Beherende-applicatie-id met datatype II. Beherende applicaties zijn normalerwijs AORTA-applicaties (OID: 2.16.840.1.113883.2.4.6.6);

        • custodianId – voor een filterparameter op basis van Beherende-zorgverlener-id met datatype II. Het gaat hier om de beheerverantwoordelijke persoon voor het gegeven. Beheerverantwoordelijken worden normalerwijs geïdentificeerd met hun UZI-nummer (OID: 2.16.528.1.1007.3.1);

        • custodianOrganizationId – voor een filterparameter op basis van Beherende-organisatie-id met datatype II. Het gaat hier om de beheerverantwoordelijke organisatie voor het gegeven. Organisaties worden normalerwijs geïdentificeerd met hun UZI-registerabonneenummer (OID:2.16.528.1.1007.3.3): als andere organisatietypen ook bronsysteem kunnen zijn voor bepaalde gegevens dan worden er ook andere typen identificatie van toepassing;

        • registrationProcessCreationTime – voor een filterparameter op basis van indexgegevens die zijn aangemeld binnen de opgegeven periode, los van de actualiteit van de indexgegevens zelf. Indexgegevens met een eerste aanmelddatum in VWI binnen de opgegeven periode worden opgeleverd. Datatype is IVL;

        • registrationProcessLastUpdateTime – voor een filterparameter op basis van indexgegevens die zijn gewijzigd binnen de opgegeven periode, los van de actualiteit van de indexgegevens zelf. Indexgegevens met een laatste bijwerktijd in VWI binnen de opgegeven periode worden opgeleverd. Datatype is IVL;

        • registrationProcessActCode – voor een filterparameter op basis van Gegevenssoort met datatype CV. Gegevenssoorten komen uit valueset ActRegistryCode: x_DataDomainNL waarin codes uit verschillende codesystemen voorkomen. Zie paragraaf C.6.

        CONF Meerdere verschillende ParameterItems of herhaling van hetzelfde ParameterItem, moet de ontvanger interpreteren als een logische AND. Resultaten moeten aan alle parameters voldoen.

        CONF Herhaling van het element value in een ParameterItem, moet de ontvanger interpreteren als een logische OR. Resultaten moeten aan tenminste één van de ParameterItem/value voldoen.

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        id

        II

        0..1

        O




        Identificeert de filterparameter

        CONF Een toepassing kan gebruik van dit element verplichten

        value

        ANY

        1..*

        M




        Bevat de waarde van de parameter waaraan de resultaten in het opleverbericht moeten voldoen. De specificaties van dit element worden in de specificaties van (zorg-) toepassing beschreven.

        CONF Een toepassing dient omschrijving, kardinaliteit, en datatype van dit element te specificeren op basis van de onderliggende eisen voor die toepassing. Een specifiek datatype is meestal van toepassing, maar dit is niet verplicht.

        semanticsText

        ST

        0..1

        X




        Geeft semantiek aan het type filter. De toepassing specificeert over het algemeen een standaardwaarde.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

  • Message Types – Query Infrastructure QUQI_MT021001 - TECA-wrapper in Query by Parameter
  • ParameterItem

  • Dovnload 5.47 Mb.