Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1 Inleiding 7

Dovnload 5.47 Mb.

Inhoudsopgave 1 Inleiding 7



Pagina33/36
Datum25.10.2017
Grootte5.47 Mb.

Dovnload 5.47 Mb.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36

Message Types – Master File / Registry Infrastructure

  1. MFMI_MT700701 - Master File/Registry Act TECA-wrapper – Rol Subject


D-MIM: MFMI_DM700700

R-MIM: MFMI_RM700700

HL7v3 gestructureerde naam: Master File / Registry Control Act 1, Role Subject

Deze wrapper is voor Master Files en Registries ten aanzien van rollen (Patiënt, Zorgverlener, Zorgaanbieder) op vertrouwensniveau midden of hoger. De inhoud van de wrapper bestaat naast de generieke inhoud (alle klassen en attributen die alle TECA-wrappers bezitten) uit een aantal ondersteunende acts voor bronbestanden (Master Files bijvoorbeeld Handelsproductcodes, Generieke productcodes) en registers (bijvoorbeeld zorgverlenerregister, organisatieregister).

Deze wrapper bestaat uit een combinatie van de Master File / Registry Control Act TECA-wrapper en de QueryAck/QueryByParameter klassen (zie paragraaf 15.1 voor een gedetailleerde beschrijving van deze klassen).

Voor de beschrijving van de generieke inhoud van TECA-wrappers zie paragraaf 14.1.

Dit message type wordt gebruikt voor de registers die gegevens bevatten aangaande rollen (bijvoorbeeld Patiënt, Zorgverlener, Organisatie). Deze TECA-wrapper bevat als vast element onder ControlActProcess/subject het element registrationProces. Merk op dat subject zelf optioneel en herhalend is.


      1. registrationProcess


        Element: registrationProcess

        Pad: ControlActProcess/subject

        Subelement

        DT

        Kard

        C

        LBA

        Omschrijving

        @classCode

        CS

        0…1

        F




        Het attribuut classCode heeft vaste waarde "REG".

        CONF @classCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “REG” bevatten.

        @moodCode

        CS

        1…1

        M




        Het attribuut heeft de waarde uit x_ActMoodIntentEvent HL7 vocabulary domain.

        CONF @moodCode moet, indien het een registratieverzoek betreft, de waarde “RQO” bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij verzoekberichten aan een register.

        CONF @moodCode moet, indien het een werkelijke registratie betreft, de waarde “EVN” bevatten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij opleverberichten van een register, notificaties en signaleringe

        id

        SET

        0…*

        C




        Bevat de unieke identificatie van deze registratie van het gegeven. In registratieverzoeken (@moodCode=”RQO”) identificeert dit het verzoek. In werkelijke registraties (@moodCode=”EVN”) identificeert dit de betreffende registratie zoals bekend in het register. Op dit moment worden alle registers bijgehouden als onderdeel van de ZIM.

        In de AORTA-architectuur wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot identificatie van het registratieverzoek.





        Merk op dat in de interacties MFMT_IN002101 (Aanmelden VWI), MFMT_IN002102 (Heraanmelden VWI), MFMT_IN002103 (Afmelden VWI) een verschuiving van paradigma heeft plaatsgevonden. De betreffende interacties zijn ooit gemodelleerd in een situatie waarin een GBZ de registratiebron is en de ZIM slechts notificatie krijgt. De ZIM zou dan op basis van business-rule tot een kopieregistratie overgaan zonder de mogelijkheid tot inhoudelijke reactie. Het GBZ biedt in die situatie een werkelijke registratie aan.

        De wijziging die heeft plaatsgevonden is dat de Verwijsindex juist de houder van de bronregistratie werd en het GBZ dus registratie verzoekt. De interacties zijn in die gewijzigde spelregels wijziging nog niet meegenomen.

        Hoewel de genoemde interacties dus technisch gezien een werkelijke registratie bevatten worden deze behandeld als een registratieverzoek.


        CONF id moet een waarde bevatten indien dit een werkelijke registratie door een register betreft en het register deel is van de ZIM. Het SBV-Z-persoonsregister is dus uitgezonderd van deze verplichting.

        CONF id niet gebruiken indien dit een verzoek betreft die ter registratie aan de ZIM wordt aangeboden. Dit geldt ook voor registraties in de interacties MFMT_IN002101, MFMT_IN002102 en MFMT_IN002103. Indien id toch een waarde heeft, dient deze door de ZIM genegeerd te worden

        code

        CD

        1…1

        M

        Gegevenssoort

        Identificeert het type (of gegevenssoort) van het element dat geregistreerd wordt.

        CONF @code moet een geldige waarde hebben binnen het codesysteem in @codesystem.

        CONF @codeSystem moet een geldige waarde hebben conform ActRegistryCode: x_DataDomainNL waaronder “2.16.840.1.113883.2.4.15.4” en “2.16.840.1.113883.6.1” (LOINC)

        statusCode

        CS CNE

        1…1

        M




        De actuele, danwel de gevraagde status van de registratie. Het gaat dus niet om de status van het geregistreerde object, maar om de status van de registratie zelf.

        Het is dus goed mogelijk om een actieve registratie van een vervallen object te onderhouden als dit bijvoorbeeld om historische redenen relevant is.

        Als waarden uit de waardenset ActStatus kunnen o.a. “active” (actief, de standaardwaarde) en “nullified” (vervallen), “completed” (normaal beëindigd) en “obsolete” (vervangen door iets anders) voorkomen.

        Ieder register kent tenminste de status “active”. Of en welke andere statussen worden ondersteund wordt op basis van de onderliggende eisen voor dat register bepaald en vastgelegd in de bijbehorende toepassingsdocumentatie.



        CONF @code moet een geldige waarde hebben uit codesysteem 2.16.840.1.113883.5.14 en de geldende toepassingsdocumentatie.

        effectiveTime

        IVL

        1…1

        R




        Bevat de periode waarbinnen de registratie de status 'active' (geldig) heeft (heeft gehad/zal hebben). Merk op dat dit de geldigheidsperiode van de registratie betreft, en niet de geldigheidsperiode van het geregistreerde object.

        De geldigheidsperiode wordt uitgedrukt in een tijdperiode die loopt van de eerste aanmelddatum/tijd (effectiveTime/low) tot en met de afmelddatum/tijd (effectiveTime/high). Beide momenten zijn verplicht, indien bekend.

        De afmelddatum/tijd komt slechts in bepaalde context voor. Voorbeelden zijn de signalering afgemelde registraties.


        CONF Als de afzender niet het betreffende register is, of als er geen eerste aanmelddatum/tijd bekend is en geen afmelddatum/tijd, dan moet het attribuut effectiveTime/@nullFlavor de waarde “UNK” bevatten.

        CONF Als de afzender het betreffende register is en er geen eerste aanmelddatum/tijd bekend is maar wel een afmelddatum/tijd, dan moet het attribuut effectiveTime/low/@nullFlavor de waarde “UNK” bevatten

        CONF Als de afzender het betreffende register is en er een eerste aanmelddatum/tijd bekend is dan moet het attribuut effectiveTime/low/@value deze waarde bevatten

        CONF Als de afzender het betreffende register is en er een afmelddatum/tijd van toepassing (na een afmeldverzoek) is dan moet het attribuut effectiveTime/high/@value deze waarde bevatten

        CONF De eerste aanmelddatum/tijd en de afmelddatum/tijd moeten, indien beide aanwezig, dezelfde precisie hebben

        CONF Als het betreffende register ontvanger is en er waarden in effectiveTime zijn, anders dan @nullFlavor, dan dient het register deze te negeren

        subject1




        0...*

        O




        Bevat één (te-)registreren rolobject per herhaling, zoals een Patiënt of Zorgverlener. De rol is in deze wrapper een stubklasse AssignedEntity, welke in interacties wordt vervangen door het message type met de relevante rol.

        Of zogenaamde clusterregistraties, waarbij subject1 herhaalt, mogelijk zijn, hangt van de betreffende toepassing af. Tenzij anders gespecificeerd wordt maar één voorkomen van subject1 ondersteund.



        CONF subject1/@typeCode moet, indien aanwezig, de vaste waarde “SBJ” bevatten.
1   ...   28   29   30   31   32   33   34   35   36


Dovnload 5.47 Mb.