Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1

Dovnload 0.73 Mb.

Inhoudsopgave 1



Pagina3/7
Datum25.10.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7

advocates, cliëntes, economes, gastes, habituees, studentes

i. Vrouwelijke persoonsnamen die afgeleid zijn van een bijvoeglijk naamwoord of een deelwoord, alsook gemeenslachtige persoonsnamen mogen, indien ze op 'e' eindigen, in het meervoud alleen met 's' verlengd worden als het EGWN 14 dit meervoud bij het lemma vermeldt:



bediendes, manicures, savantes

maar niet:



armes, beambtes, blankes, dodes, externes, geroepenes, getuiges, keppes, levendes, naastes, nomades, verslaafdes

3.2.b Het verkleinwoord



3.2.b.1 Algemeen

Alle verkleinwoorden die als lemma of bij hun grondwoord of in de verklarende tekst bij hun grondwoord zijn terug te vinden, zijn toegelaten:



aasnetje, boontje, eekhoorntje, kushandje, lachje

Verder kan ook elk zn dat zowel een enkelvoud als een meervoud heeft, voorkomen in de verkleinvorm:



brommertje, deviesje, opaaltje, radijszaadje

dus niet:



noedeltjes, noortjes

De verkleinvorm van een samengesteld zn zonder meervoud is toegelaten als het laatste lid in een overeenkomstige betekenis een verkleinvorm heeft:



spotlachje (zie lach2), zeebriesje (zie briesje)

Het verkleinwoord is ook toegelaten als de verkleinvorm impliciet in het EGWN 14 wordt vermeld met een aanduiding als 'in de verkleinv.', 'meestal verkleinv.' of 'vaak verkleinv.', ook indien het zn geen meervoud heeft:



niknakje, opkikkertje, paitje, sukkelgangetje, thee-uurtje

3.2.b.2 Uitzonderingen

a. De uit bijvoeglijke naamwoorden, deelwoorden of rangtelwoorden gevormde zn die eindigen op een stomme -e, evenals de samenstellingen die op zulke woorden eindigen, krijgen geen verkleinvorm:



betichtetje, dodetje, elfdetje, verkeersdodetje

b. Woorden die uit een vreemde taal afkomstig zijn en die vrijwel alleen in verbinding met andere vreemdtalige woorden voorkomen, hebben geen verkleinvorm (zie bijlage 4A voor de volledige lijst):



amourtje, lexje, verbumpje

3.2.b.3 Opmerkingen

a. Woorden die, in de geschreven vorm, zowel een vorm op -e als een synonieme verkorte vorm zonder -e hebben, eventueel met wegval van de aan de -e voorafgaande 'd', hebben enkel een verkleinwoord in de verkorte vorm (tenzij anders vermeld in het EGWN 14):



algje (niet algetje), girafje (niet giraffetje), sneetje (niet snedetje), weitje (niet weidetje)

b. Bij van oorsprong Franse zn (gemarkeerd met 'Fr.' of '

aigrette – aigretje, flûte – fluutje, griotte – griotje,
guipure – guipuurtje, piaffe – piafje, tartuffe – tartuufje

c. Dialectische, dichterlijke, informele of verouderde verkleinwoorden zijn slechts toegelaten als ze in het EGWN 14 zijn terug te vinden als lemma of bij het grondwoord, maar sluiten de vormen op -je niet uit:



boeksken, kindeke, pukkie, vogelijn, wijfie

naast:


boekje, kindje, pukje, vogeltje, wijfje

d. In samenstellingen zijn verkleinwoorden op -ie of -ke(n) alleen toegelaten als ze in het EGWN 14 lemma zijn of vermeld worden bij de samenstelling; wel:



draadmanneke, suikerpikkie

niet:


dagboeksken, grootmoeke, weermanneke

e. Uiteraard mag van geen enkel verkleinwoord een verkleinvorm worden gemaakt; niet:



briesjetje, jochietje, meisjetje, oukentje

f. Als van een woord alleen de verkleinvorm wordt vermeld, mag het grondwoord niet worden gevormd; niet:



damespak, haarnet, minirok, vetoog, waterzon

3.2.b.4 Vorming van verkleinwoorden

Als het EGWN 14 een verkleinwoord vermeldt, is die vorm uiteraard toegelaten en wordt hij als de enige correcte aanvaard. Indien het EGWN 14 geen verkleinvorm vermeldt en als die volgens de taalregels geconstrueerd mag worden, gelden de algemene grammaticaregels. Voor een samenvatting hiervan zie bijlage 4B.

3.2.c Persoonsnamen

3.2.c.1 De mannelijke persoonsnamen

a. Alle mannelijke persoonsnamen zijn toegelaten, indien zij als lemma of bij een achtervoegsel zijn opgenomen in het EGWN 14:



accordeonist, boer, conservator, fakkeldrager, gokker, kunsthistoricus

maar niet (want dit zijn geen lemma's):



kreuner, stomper

b. Van uitdrukkelijk vermelde vrouwelijke persoonsnamen op -ster is ook de mannelijke variant toegelaten:



breier, glazer, knoper, naaier, thuisnaaier

3.2.c.2 De vrouwelijke persoonsnamen

a. Een vrouwelijke persoonsnaam is toegelaten indien hij, als lemma of bij zijn mannelijke tegenhanger, in het EGWN 14 staat:



arbeidster, dichteres, fabrikante, herderin, politica, regisseuse, stewardess

b. De vrouwelijke variant van persoonsnamen die eindigen op een achtervoegsel (bv. -aar, -craat, -ent, -er, ‑eur, -iet, -loog) of op een woord (bv. atleet, baas, bode) is toegelaten als de vrouwelijke vorm bij de overeenkomstige betekenis van dat laatste woorddeel staat:



amuseuse, appelplukster, biatlete, harpster, jazzpianiste, sjiiete, ufologe

maar niet:



aoriste (geen persoon),
blekersbazin (bazin niet bij baas1 : 6),
ironica (niet vermeld bij ironicus, en -ica niet bij -icus)

c. De vrouwelijke variant van persoonsnamen die eindigen op de achtervoegsels -ant, -graaf, -ist, -maan, -noom mag steeds worden gevormd door toevoeging van -e (met eventueel aanpassing van het laatste woord­deel):



adoptante, egyptomane, interpellante, musicografe, mutualiste, taxonome

Opmerkingen

a. De bij de mannelijke tegenhanger vermelde vrouwelijke persoonsnaam primeert altijd op de vorm die wordt vermeld bij het achtervoegsel of bij het laatste woorddeel:

actrice (en niet acteuse), danseres (en niet dansster)

b. De vrouwelijke variant is niet toegelaten als uit de verklaring blijkt dat de persoonsnaam enkel op mannen van toepassing kan zijn:



jezuïete, neomiste, onaniste, piariste, rukster

c. Van de woorden op -ant, -ent, -er en -eur is de vrouwelijke variant slechts toegelaten als deze afgeleid zijn van een in het EGWN 14 vermeld werkwoord. Ze moeten dan wél wat door het werkwoord wordt aangegeven, uitvoeren of ondergaan en uiteraard moeten het persoonsnamen zijn, dus niet:



gerante, opkikster, tienster, trawante, voyeuse

d. Van de woorden op de achtervoegsels -aan, -aar, -ier en -iet zijn primair de vrouwelijke varianten op respectievelijk -aanse, -aarster,


-ierster en -iete toegelaten. De bij het achtervoegsel vermelde vormen op respectievelijk -anes, -ares, -iere en -ietes zijn alleen toegelaten bij lemma's waar de EGVD14 deze vorm uitdrukkelijk vermeldt. Die vorm sluit in dat geval de andere uit:

victoriaanvictoriaanse (niet: victorianes)
bedienaarbedienaarster (niet: bedienares)
scholierscholiere (niet: scholierster)
karmelietkarmelietes (niet: karmeliete)

3.2.d GE+stam van het werkwoord

Uit werkwoorden afgeleide vormen met GE+stam zijn enkel toegelaten indien ze in het EGWN 14 uitdrukkelijk als lemma worden vermeld:

gelobby, gepeins, gezanik

maar niet:



gesnoep, getik

3.2.e Oude buigingsvormen

Oude buigingsvormen zoals datieven en genitieven, die voorkomen in geijkte Nederlandstalige uitdrukkingen, zijn toegelaten indien ze als lemma of bij het onverbogen woord in het EGWN 14 zijn vermeld:

al te goed is buurmans gek (bij buurman)


de heer des huizes (bij huis)

niet:


de plaats des onheils (enkel bij: genaken en spoeden)

3.3 BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN (bn)

3.3.a De gelede of verbogen vorm –e

3.3.a.1 Toegelaten vormen

a. De gelede vorm is altijd toegelaten wanneer het EGWN 14 deze vermeldt, hetzij bij het lemma, hetzij in de verklaring van het lemma:



bekane, cleane, kwade, lekke, passagère, peigere

b. Wanneer de gelede vorm niet wordt vermeld in het EGWN 14 is deze alleen toegelaten als hij niet valt onder de niet-toegelaten vormen (zie 3.3.a.2 hierna). Men moet in voorkomende gevallen rekening houden met de spellingaanpassingen:



contente, coole (van cool), gebrode (van gebrood),
schoeve (van schoef)

c. De gelede vorm is ook steeds toegelaten bij de vergrotende en de overtreffende trap van het bn, ongeacht de oorsprong ervan, voor zover de trappen van vergelijking op -er en -st zijn toegestaan en het geen bn betreft dat enkel predicatief of bijwoordelijk gebruikt kan worden:



akeligere, sexyere, stoutste

maar niet:



chillere, happyere, ongenegenste

d. De gelede vorm is ook toegestaan bij samengestelde bn, waarvan het tweede deel voldoet aan de eerder vermelde voorwaarden, tenzij bij de samenstelling een voorwaarde staat om de gelede vorm af te keuren:



eigele, keinijge, kraprode, knoertgrote, unfaire

maar niet:



blauwblauwe, spuugzatte

Opmerkingen

a. De gelede vorm op -e kan in sommige gevallen – met name in spreektaal – ook op een andere manier gevormd worden. Deze bijkomende vormen zijn enkel toegestaan indien ze bij het lemma vermeld worden of apart als lemma zijn opgenomen in het EGWN 14:

dooie, goeie, groffe, (ijs)kouwe, kwaaie, ouwe, rooie

maar niet:



beregoeie, helrooie, stokouwe

b. Wanneer het bn eindigt op een stomme -e (sjwa) en de gelede vorm is toegelaten dan wordt geen -e meer toegevoegd. De gelede vorm is dan gelijk aan het lemma:



close, frigide, mijde, oranje, spade

c. In principe is geen gelede vorm toegelaten bij bn die eindigen op


-en (stom uitgesproken). Aangezien deze bn bij zelfstandig gebruik wel een buigings-e kunnen krijgen, zijn ze niet opgenomen bij de niet toegelaten vormen. Een uitzondering hierop zijn de stoffelijke bn (zie 3.3.a.2 - c) en de kleuraanduidende bn (zie 3.3.a.2 - g):

bezopene, christene, dronkene, effene, (on)evene, opene, volwassene

maar niet:



goudene, saffranene

3.3.a.2 Niet-toegelaten vormen

De gelede of verbogen vorm op -e is niet toegelaten in de volgende negen gevallen. Deze regels zijn echter niet van toepassing op de bn waarbij het EGWN 14 een gelede vorm vermeldt (zie 3.3.a.1 - a):

a. De bn die eindigen op een van de volgende klinkers:
a, é, i (als ie uitgeproken en/of als ie geschreven), o en y:

branieë, indigoë, kakië, lilaë, moiréë, sexye

b. Vreemdtalige bn waarvan (bij het lemma in de hoofding) de afgekorte taalaanduiding niet wordt voorafgegaan door het teken < (wat betekent: komt uit het …). De taalaanduidingen kunnen zijn:

Eng. (Engels) buffe, hookede, starringe

Fr. (Frans) courtoise, mesquine

Du. (Duits) entartete, weltfremde

Lat. (Latijn) gratisse, libere

Jidd. (Jiddisch) emmese, kedin(n)e

Mal. (Maleis) asinne, manisse, senange


De enige uitzonderingen hierop (waarbij de verbogen vorm dus wél is toegelaten) zijn:

1. de Franse bn die eindigen op -act, -ant, (stomme) -e, -ect, -ent en -u:



abjecte, ambigue, fervente, intacte, liquide, voyante

2. de Duitse bn (vermelding Du of Hd) die eindigen op -end, -ig en


-isch:

ablautende, apathische, jenseitige

3. de vreemdtalige bn die in het EGWN 14 een vermelding van de vergrotende trap op - (d)er hebben (met uitzondering van de bn die vallen onder 3.3.a.2 - a):



clevere, downe, hautaine, mignonne

maar niet (wegens de laatste letter y):



dizzye, heavye, sexye

4. de volgende bn: avers, cool, exempt, exert, exquis en invert:



averse, coole, exempte, exerte, exquise, inverte

c. Stoffelijke bn (meestal eindigend op -en), met uitzondering van de bn die eindigen op een -s die wordt voorafgegaan door een stofnaam:



acryle, aluminiume, asbeste, badstoffe, goudens, moltonne, nankinge, zilverene

maar wel:



bukskinse, duffelse, lakense

d. Bn die zijn afgeleid van eigennamen, getallen of windstreken, en eindigen op -er:



franciscanere, dertigere, hernhuttere, kartuizere, noord­westere, zuidoostere

e. Bn die een sterke binding vormen met het daaropvolgende of voorafgaande zn:



driekwarte, rechtere, mediore, slinkere, tweederangse, vierdeurse, volbloede

f. Bn die enkel predicatief en/of bijwoordelijk gebruikt kunnen worden, meestal als zodanig vermeld in het EGWN 14:

pred. én bijw.: akkoorde, morsdode

pred.: behepte, bekaffe, beue, koeltjese, tukke, warse

bijw.: gearmde, okse, sjalette, meimusse
Hieronder vallen ook veel Bargoense woorden:

betoefte, fiatte, olmse, s(j)ikkere, wietiese

g. Kleuraanduidende bn waarvan een gelijkluidend zn bestaat en die, op basis van dit corresponderende zn, een bepaalde kleurschakering weergeven. Ze kunnen ook omschreven worden als …kleurig:



amandele, azure, bistere, cognacce, izabelle, robijne, saffrane, zalme

Dit geldt ook voor de bn met een van het zn afgeleide vorm op -en (stom uitgesproken):



azurene, karmijnene

h. Bn met de vermelding 'onverbuigbaar' of 'onverbogen':



prefabbe, vacuüme

i. Bn waarbij het EGWN 14 vermeldt 'alleen in de verb.' (= verbinding):



gepokte, landvolle, ludolfiaanse, onbetuigde, ondege, petkusere, raadloze

3.3.b De uitgang -n

Deze kan alleen voorkomen bij bn die een gelede vorm hebben of die reeds eindigen op een stomme -e. Hij wordt gebruikt bij substantivering in het meervoud en is toegelaten als het bn betrekking heeft op personen, ook als deze vorm niet voorkomt in het EGWN 14. Men moet dan de constructie: 'de personen die … zijn' kunnen vormen:

bloden, eenzamen, louchen, moeëren, natsten, timiden

maar niet:



algemenen, boeglammen, financiëlen

Opmerkingen:

1. Bij het begrip 'personen' rekent men ook:

a. geestelijke delen van mensen: ideeën, meningen, zienswijzen, voorstellingen, uitingen, stemmingen, eigenschappen en karaktertrekken:



logischen, serenen

b. het gezicht en de huid:



lijkbleken, pokdaligen, tanigen

c. het haar, de kleding, het schoeisel, voor zover het een kleur, patroon of motief betreft:



blonden, geruiten, marinen

d. personen na hun overlijden, hun stoffelijk overschot:



gecremeerden, gekisten, gezerkten

2. Personen kunnen niet (culinair) gegeten worden of op allerhande wijze bereid:



gegetenen, gemarineerden, geweekten

3. De uitgang -n komt ook voor bij plant- en diernamen. Deze vormen zijn alleen toegelaten indien ze in het EGWN 14 als lemma of bij hun onverbogen vorm staan vermeld:



acefalen, lipbloemigen, marterachtigen

maar niet:



melkgevenden, zaadetenden

4. Indien het EGWN 14 als lemma enkel de vorm op -en geeft, mag daaruit niet een afgeleide ongelede vorm of een vorm op -e worden geconstrueerd:



stormvogelachtig(e)

3.3.c De genitief-s

a. Aan een bn dat voorafgegaan wordt door 'iets', 'niets', 'wat', 'weinig' enzovoort kan een -s worden toegevoegd. Dit geldt voor alle bn die zowel attributief als predicatief gebruikt worden. De -s is mogelijk zowel voor de stellende trap als voor de vergrotende trap, maar niet voor de overtreffende trap:

iets ambigu's, niets juists, wat moois, weinig nuttigs, iets sexyers, niets fraaiers

maar niet:

iets overigs, veel snelstromends (alleen attributief gebruikt)

ook niet:



iets mooists, wat stomsts

b. Bij bn die eindigen op een hoorbare sisklank (-ce, -s, -sj, -sch, -x, -z) wordt geen -s meer toegevoegd. Aan de vergrotende trap van dergelijke bn daarentegen wel:

iets fris, iets annex, iets episch, iets genebbisj, iets puce, iets knussers, iets complexers, iets magischers, iets miesjers

c. Deelwoorden volgen dezelfde regels van de uitgang -s als de gewone bn, voor zover ze uitdrukkelijk als bn in het EGWN 14 worden vermeld. Zie hierover de opmerkingen bij de deelwoorden 3.4.c.


Er zijn twee redenen waarom de genitief-s niet is toegelaten

1. Vanwege hun vorm:


bn die geen gelede vorm hebben (zie 3.3.a), hebben ook geen vorm op -s:

moirés, hookeds, asbests, driekwarts, beus, robijns, prefabs, landvols

2. Vanwege hun betekenis:



  • mensen en dieren mogen niet met 'iets' worden aangeduid, dus niet:

huwbaars, melkgevends

  • als het bn slaat op een karaktertrek of eigenschap van mensen dan kan het wel met –s worden verlengd. Men moet dan de constructie 'hij / zij heeft iets …' kunnen vormen:

iets hautains, iets nalatigs, iets bronstigs

3.3.d De trappen van vergelijking



3.3.d.1 Algemeen

De vergrotende trap (comparatief) en overtreffende trap (superlatief) zijn altijd toegelaten wanneer het EGWN 14 ze vermeldt bij het lemma:



breeddenkender, chicst, groter, malst, primitiever

Opmerkingen:

1. Wanneer het EGWN 14 als comparatief uitsluitend 'meer …' vermeldt, is de flexie op '-er' niet toegelaten:

gekender, inerter, ontstemder, verzotter

maar wel:



happyer, oranjer, perfider

2. Wanneer het EGWN 14 als superlatief uitsluitend 'meest …' vermeldt, is de flexie op '-st' niet toegelaten:



behekstst, dronkenst, egaalst, juistst, nabijst

maar wel:



sexyst, vergaandst

Uitzondering: bn die eindigen op -s, -isch of -x en die in het EGWN 14 een comparatief hebben op -er, hebben als wisselvorm van de superlatief, naast de omschreven vorm met 'meest …', ook een vorm op -t, ongeacht of hij in het EGWN 14 wordt vermeld:

achterbakst, complext, logischt, schaarst, weidst

3. Indien het EGWN 14 enkel de comparatief of enkel de superlatief vermeldt, mag de ontbrekende vorm op dezelfde wijze gevormd worden:



dopest, empathischt (zie bij –pathisch)
1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 0.73 Mb.