Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave 1

Dovnload 0.73 Mb.

Inhoudsopgave 1



Pagina5/7
Datum25.10.2017
Grootte0.73 Mb.

Dovnload 0.73 Mb.
1   2   3   4   5   6   7
partus, ratio, ulcus, verbum, virgo

B. De regels voor de vorming



-e Als het woord eindigt op -sj:

derwisje, fetisje

-je Als het woord eindigt op b, c, ch, d, dge, f, g, k, p, s, t, v, als 'ks' uitgesproken x, z; of op zo'n klank:

badgeje, clubje, matchje, poefje, quizje, telexje; cakeje, chequeje, websiteje

-etje Als het woord eindigt op b of g en een meervoud heeft dat eindigt op -bben resp. -ggen, behalve bij 'leg' en de erop eindigende samenstellingen of afleidingen. Dit geldt ook bij kip1, pop, rag1, tod, trap2, weg en de erop eindigende samenstellingen. Beide verkleinvormen zijn daarvan toegelaten. Bij de verkleinvorm -etje verdubbelt de eindmedeklinker van het woord:

krabje, krabbetje; mugje, muggetje; ribje, ribbetje; todje, toddetje; wigje, wiggetje

-je Als een van oorsprong Frans woord eindigt op d of t die niet wordt uitgesproken.

chaletje, confitje, depotje, filetje, gourmandje, recordje

-tje Als het woord eindigt op een door meerdere klinkertekens weergegeven klinker, een tweeklank, een stomme e of een w:

bijtje, cadeautje, koetje, kraaitje, leeuwtje, melodietje, paradetje, plooitje, zeetje

-tje Als het woord in uitspraak en in spelling eindigt op een klinker. In de verkleinvorm wordt bij woorden op -a, als 'ee' uitgesproken -e,
-o en -u de klinker verdubbeld; bij woorden op als 'ie' uitgesproken -i wordt een e toegevoegd; bij woorden op door een medeklinker voorafgegane -y en op als 'oe' uitgesproken -u een apostrof:

araatje, aveetje, cafeetje, lassootje, parapluutje;
minietje, pony'tje, vatu'tje

-tje Als het woord in uitspraak eindigt op een klinker en in spelling op een andere medeklinker dan d of t, of als de laatste lettergreep ge­nasaleerd wordt uitgesproken:

ateliertje, bassintje, interviewtje, pince-neztje, relaistje, sjahtje, soupertje, vieuxtje

-tje Als het woord eindigt op l, n of r, en de eindletter wordt voorafgegaan door een lange klinker, een tweeklank, een onbeklemtoonde klinker of een van de eindletter verschillende medeklinker, alsook in Engelse woorden als call, bull e.d. die met een lange klinker worden uitgesproken:

aaltje, baantje, builtje, bulltje, calltje, jaguartje, jarltje, kerntje, legertje, moheeltje, motortje, nabaltje, pacecartje, pythontje, torentje, yawltje

-etje Als het laatste woorddeel eindigt op (l)l, (m)m, (n)n, (r)r of ng, in alle gevallen voorafgegaan door een korte, eventueel secundair, beklemtoonde klinker of als het woord eindigt op het achtervoegsel -dom. In Engelse woorden als yell, grill e.d. is sprake van een korte klinker. Als het woord niet op twee medeklinkers eindigt, verdubbelt de eindmedeklinker:

bilannetje, bisdommetje, bunnetje, doealletje, enolletje, grilletje (van gril en grill), ionnetje, oorringetje, spammetje, tongetje, uitgangetje, yelletje

-etje Als het woord eindigt op het achtervoegsel -ing en de klemtoon niet op de voorlaatste lettergreep van het laatste woorddeel valt of als een persoons-, dier- of plantnaam eindigt op het achtervoegsel -ling:

buitelingetje, jaarlingetje, leerlingetje, legeringetje,
witlingetje, zolderingetje

-kje Als het woord eindigt op -ang, -eng, -ing, -ong, -ung en de klemtoon op de voorlaatste lettergreep van het laatste woorddeel valt. De slot-g van het woord valt weg:

afdelinkje, anuankje, bestellinkje, legerinkje, meetinkje, nehrunkje, saronkje, solderinkje, topenkje, uitvoerinkje

-pje Als het woord eindigt op -lm, -rm of op een door een lange klinker of door een tweeklank of door een onbeklemtoonde klinker voorafgegane -m:

albumpje, bodempje, filmpje, framepje (uitspraak: freempje), kraampje, rijmpje, wormpje

BIJLAGE 5

TRAPPEN VAN VERGELIJKING BIJ SAMENGESTELDE BN (sgbn)

A. Inleiding

In dit dossier worden enkel behandeld de samenstellingen waarbij het tweede lid ofwel een op zichzelf bestaand bn is dat trappen heeft, ofwel een van een zn afgeleid suffix (achtervoegsel) dat trappen heeft. Voorbeelden van woorden die hier niet worden behandeld:


  • goedkoop: het bn eindigt niet op een bn noch op een suffix;

  • uithuizig: het tweede lid '-huizig' verwijst niet naar een bestaand lemma;

  • intercellulair: het tweede lid 'cellulair' is een bn dat geen trappen heeft;

  • eerste-eeuws: het tweede lid '-eeuws' is een suffix, afgeleid van een zn, maar heeft geen trappen.

Wanneer het tweede lid van een sgbn tegelijkertijd een suffix en een afzonderlijk bn is, wordt enkel rekening gehouden met de overeenkomende betekenis (meestal het suffix). Zo wordt bij goedmoedig (als tweede lid) rekening gehouden met het suffix -moedig, niet met het bn moedig.

B. De algemene regel

Wanneer de trappen uitdrukkelijk zijn vermeld in het EGWN14 zijn ze zonder meer toegelaten. Wanneer de trappen niet zijn vermeld dan is het toelaten van trappen afhankelijk van de onderlinge verhouding van de twee woorddelen. Hierbij kunnen we de sgbn indelen in acht hoofdgroepen, waarbij in groep 1 tot en met 5 geen trappen zijn toegelaten en in groep 6 tot en met 8 wel.

B.1 Geen trappen toegelaten

Groep 1


Het eerste lid is een telwoord (bepaald of onbepaald):

driedikker, tweesnijdendst, veeldeliger, zeshandigst, zevenwaardiger

Opmerking 1: bij achtervoegsels waarbij het EGWN14 vermeldt: "met zoveel of zulke … als door het eerste lid wordt aangegeven", zijn de trappen niet toegelaten, ook niet wanneer het eerste lid geen telwoord is, tenzij de verklaring een synoniem vermeldt dat wel trappen heeft, dus niet:



andersoortiger, gladarigst, langlobbiger

maar wel:



hardhandigst, langdradiger, rechtlijnigst

Opmerking 2: wanneer het eerste lid 'een-' is en zijn betekenis als telwoord verliest en bovendien een synoniem heeft dat wel trappen heeft, dan zijn trappen wel mogelijk. 'Eentonig' is niet 'met één toon', maar wel 'saai, zonder afwisseling'. 'Eenzijdig' betekent niet alleen 'met één zijde' maar ook 'onpartijdig'. De trappen zijn dan toegelaten:



eenhandiger, eentonigst, veelzijdiger

Groep 2


Het eerste lid geeft een versterkende of intensifiërende waarde aan het tweede lid. Het eerste lid kan bestaan uit een voorvoegsel: over-, in-, bere-, hyper-, mega-, ultra-, enz. of uit een op zichzelf bestaand woord: fel, dood, bloed (in bloedmooi), schat (in schatrijk), enz. In de meeste gevallen kan het eerste lid hierbij worden vervangen door 'zeer':

aartsluier, doorarmst, doodmoeër, draadrechter, druipnatst, felroodst

Groep 3


Het eerste lid geeft een gradatie aan het tweede lid. Het eerste lid duidt aan in welke mate het tweede lid wordt versterkt/verzwakt dan wel waar en/of wanneer het wordt gesitueerd. In die gevallen spreekt men van gradatie:

bovenaardser, dubbelbolst, halfharder, hoogblonder, laatantieker, minbekender, rotbroost

Groep 4


Het eerste lid dient als vergelijking met het tweede lid. Meestal kan het sgbn dan worden vervangen door: zo 'tweede lid' als de/het/een 'eerste lid' (bijvoorbeeld: zo blank als een lelie):

hemelsbreedst, krijtwitst, lelieblanker, vuistdikker

In andere gevallen is een langere omschrijving nodig om de vergelijking weer te geven:



avondlichter, mansdikst, schotsbonter

Groep 5


Het eerste lid en het tweede lid zijn op zichzelf bestaande bn. De twee bn zijn evenwaardig en kunnen naast elkaar geplaatst worden gescheiden door 'en'.

Bijvoorbeeld: blauwwit = blauw en wit, holrond = hol en rond, zuurzoet = zuur en zoet:



blauwwitter, holronder, platbolst, vetfijnst, zuurzoeter

B.2 Wel trappen toegelaten:

Groep 6

Het eerste lid bestaat uit een ontkennend voorvoegsel (behalve niet- en non-). De voorvoegsels zijn a-, ab-, de-, im-, in-, ir-, on-, un- (let wel: deze lijst is niet volledig):



abnormaler, asociaalst, indirecter, irreëelst, onedeler, unfairder

maar niet:



niet-bewuster, non-actiefst

Groep 7


Het eerste lid is de hoedanigheid of de activiteit waar het tweede lid op slaat. Het eerste lid vult het tweede lid aan. Dit komt voor in de volgende twee gevallen:
1. De volgende specifieke sgbn, waarbij het tweede lid een op zich bestaand bn is:
ARM (arm aan …), BEWUST (bewust van …), BELUST (belust op …), BLIND (blind voor …), DICHT (geen … doorlatend), DOL (verzot op …), DRONKEN (bedwelmd door …), DROOG (droog aan… of geworden door …), ECHT (authentiek qua of bestand tegen …), GEIL (geil op …), GEK (verzot op …), GEREED (klaar voor …), GETROUW (trouw aan …), GIERIG (begerig naar…), GRAAG (begerig naar …), HARD (gehard tegen …), KLAAR (klaar voor …), KRACHTIG (……bezittend), LAM (lam aan …), LUW (arm aan …), MOE (moe van …), RIJK (rijk aan …), RIJP (rijp voor … of geschikt om …), SCHOON (gezuiverd van …), SCHUW (schuw voor…), SOCIAAL (sociaal t.o.v. …), STIL (stil wat betreft …), VAST (vast of bestand tegen …), VEILIG (beveiligd tegen …), VERWANT (verwantschap vertonend met), VLUG (vlug met …), VOL (vol van …), VREEMD (vreemd t.o.v. …), VRIJ (bestand tegen … of gevrijwaard van …), WIJS (verstand hebbend van …), ZAT (moe van …), ZEKER (zeker van …), ZIEK (lijdend aan … of verslaafd aan …), ZUIVER (zuiver van …), ZWAK (gering van …)
babbelzieker, bleekechts, doelbewuster, daadkrachtiger, dagschuwer, gasarmer, geldbeluster, leelammer, mansdolst, stormvaster, trefzekerst, vingervlugst, visrijkst, windvrijer, zinvolst

2. De volgende specifieke sgbn, waarbij het tweede lid in de bedoelde betekenis een suffix is: -BLOEDIG (…van bloed), -GEESTIG (….van geest), -MOEDIG (…van gemoed):



kleingeestiger, koelbloediger, zachtmoedigst

Groep 8


Speciale gevallen:

a) De samenstellingen met 'wel' als eerste lid (mits het tweede lid trappen heeft uiteraard).



welbeminder, welbewuster, weledelst

niet:


welopgevoedst

b) Onderstaande samenstellingen (maar enkel deze!) op -HEILIG,


-HORIG en –ZALIG:

goedheiliger, onheiligst, schijnheiligst, werkheiliger, hardhoriger, saamhoriger, samenhorigst, armzaliger, (wel)gelukzaligst, godzaliger, lamzaligst, onzaliger, rampzaliger, welzaligst

Opmerking 1: de woorden uit de groepen 2, 3, 4 en 5 hangen soms zo nauw samen dat ze eigenlijk in verschillende groepen ondergebracht kunnen worden. Voorbeeld: KRIJTWIT is zowel 'zeer wit' als 'zo wit als krijt'. In het eerste geval hoort het in groep 2, in het tweede geval in groep 4. In beide gevallen zijn geen trappen toegelaten.


Opmerking 2: soms hoort een woord thuis in twee groepen, één waar wel trappen zijn toegelaten en één waar geen trappen zijn toegelaten. Voorbeeld: BLOEDARM is o.a. 'zeer arm' en hoort in groep 2 (geen trappen toegelaten), maar het betekent ook 'arm aan bloed' en dan hoort het in groep 7 (wél trappen).
Opmerking 3; als het EGWN14 trappen van een sgbn vermeldt, worden ze uiteraard toegelaten, ook al zijn ze in strijd met bovengenoemde regels. Er kunnen altijd uitzonderingen zijn. Bijvoorbeeld: de trappen van 'buitengewoon' en 'hoogwijs' worden aanvaard wegens de vermelding ervan in het EGWN14, ook al horen deze sgbn wat betekenis betreft in groep 3.
BIJLAGE 6

WW DIE ZOWEL ZWAK ALS STERK WORDEN VERVOEGD

Bij de ww die zowel zwak als sterk kunnen worden vervoegd, zijn 3 groepen te onderscheiden.
Groep 1

De ww met hun samenstellingen, waarbij er geen betekeniswijziging plaatsvindt bij zwakke of sterke vervoeging. Aangezien het EGWN14 niet altijd beide vervoegingen vermeldt bij zowel het enkelvoudige ww als bij de samenstellingen ermee, staat de OTC in alle daar genoemde gevallen beide toe (1.A). Bij enkele samenstellingen is dit niet toegestaan (1.B).


Groep 2

Beide vormen zijn mogelijk bij ww zonder samenstellingen.


Groep 3

Sterke en zwakke vervoeging, waarbij de betekenis van het zwakke ww niet dezelfde is als die van het sterke ww. Bij deze ww kunnen de vervoegingen dan ook niet beide toegepast worden bij samenstellingen met de genoemde ww. Alleen de in het EGWN14 vermelde vervoeging is dan toegestaan.



1.A Ww zonder betekenisverandering, met samenstellingen

BERSTEN, BERSTTE of BORST, is GEBORSTEN

Samenstellingen: door-, open-

DELVEN, DELFDE of DOLF, heeft GEDOLVEN

Samenstellingen: af-, be-, in-, om-, op-, uit-

DURVEN, DURFDE of DORST of DIERF, heeft GEDURFD

Samenstellingen: aan-

JAGEN, JAAGDE of JOEG, heeft GEJAAGD

Samenstellingen: aan-, achterna-, achteruit-, af-, be-, bijeen-, donder-, dood-, dooreen-, door-,
in-, na-, neder-, neer-, omhoog-, om-, opeen-, op-, over-, rond-, terug-, uiteen-, ver-, voorbij-, voort-, vooruit-, weg-

KERVEN, KERFDE of KORF, heeft en is GEKERFD of GEKORVEN

Samenstellingen: aan-, af-, be-, door-, in-, los-, over-,
uit-, ver-

KIJVEN, KIJFDE of KEEF, heeft en is GEKIJFD of GEKEVEN

Samenstellingen: af-, be-, over-, tegen-

KLAGEN, KLAAGDE of KLOEG, heeft GEKLAAGD

Samenstellingen: aan-, af-, be-, uit-

KRIJSEN, KRIJSTE of KREES, heeft en is GEKRIJST of GEKRESEN

Samenstellingen: achterna-, uit-

LEGGEN, LEGDE of LEI, heeft GELEGD

Samenstellingen: aaneen-, aan-, achterover-, af-, bijeen-, bij-, bloot-, boven-, dicht-, dood-, door-, droog-, gelijk-, gereed-, goed-, her-, in-, klaar-, mis-, neder-, neer-, om-, onder-, opeen-, open-, op-, opzij-, over-, plat-, rond-, samen-, stil-, terecht-, terug-, toe-, uiteen-, uit-, vast-, voor-,
voorover-, weer-, weg-

MELKEN1, MELKTE of MOLK, heeft GEMOLKEN

Samenstellingen: af-, leeg-, na-, over-, uit-, voor-

RADEN1, RAADDE of RIED, heeft GERADEN

Samenstellingen: aan-, af-, be-, mis-, ont-, ver-

REKKEN1, REKTE of ROK, heeft GEREKT of GEROKKEN

Samenstellingen: langs-, na-, op-, over-, uit-, ver-, voor-, voort-

SCHUILEN, SCHUILDE of SCHOOL, heeft GESCHUILD of GESCHOLEN

Samenstellingen: ont-, op-, ver-, weg-

SNUITEN5 SNUITTE of SNOOT, heeft GESNUIT of GESNOTEN

Samenstellingen: af-, bij-

SPUGEN, SPUUGDE of SPOOG, heeft GESPUUGD of GESPOGEN

Samenstellingen: aan-, be-, in-, op-, uit-

STOTEN, STOOTTE of STIET, heeft en is GESTOTEN

Samenstellingen: aaneen-, aan-, af-, bij-, door-, fijn-,
gelijk-, ineen-, in-, mis-, neder-, neer-, om-, omver-, onder-, op-, opeen-, open-, over-, plat-, stuk-, terug-, toe-, uit-, ver-, voor-, weg-

VRAGEN, VRAAGDE of VROEG, heeft GEVRAAGD

Samenstellingen: aan-, af-, be-, binnen-, door-, her-, mee-, na-, om-, onder-, op-, over-, overbe-, rond-, terug-, uit-,

VRIJEN2, VRIJDE of VREE, heeft GEVRIJD of GEVREEEN

Samenstellingen: af-, knietje-, op-, voetje-

WAAIEN, WAAIDE of WOEI, heeft GEWAAID

Samenstellingen: aan-, af-, be-, binnen-, dood-, door-, in-, kapot-, los-, neder-, neer-, omver-, om-, opeen-, open-, op-, over-, schoon-, stuk-, tegen-, toe-, uit-, ver-, voort-, weg-

WASSEN1 (reinigen), WASTE of WIES, heeft GEWASSEN

Samenstellingen: af-, be-, in-, ineen-, na-, om-, op-,
over-, schoon-, uit-, weg-, wit-

WILLEN, WILDE of WOU, heeft GEWILD

Samenstellingen: mee-

ZEGGEN1, ZEGDE of ZEI, heeft GEZEGD

Samenstellingen: aan-, achter-, af-, dank-, goedemorgen-, goedenacht-, goedendag-, her-, mis-,
na-, om-, ont-, op-, over-, rond-, tegen-, terug-, toe-, uit-, vaarwel-, ver-, voort-, voor-, weer-, zing-

ZEIKEN, ZEIKTE of ZEEK, heeft GEZEIKT of GEZEKEN

Samenstellingen: af-, be-

ZIEDEN, ZIEDDE of ZOOD, heeft GEZIED of GEZODEN

Samenstellingen: op-, over-, ver-, uit-

ZWEREN2, ZWEERDE of ZWOOR, heeft GEZWOREN

Samenstellingen: af-, door-, in-, na-, toe-, uit-, ver-, voort-

1.B De volgende samenstellingen zijn niet uitwisselbaar:



FUIVEN: de sterke vervoeging FOOF is "schertsend" bedoeld en daarom niet toegestaan bij de samenstellingen: befuiven, uitfuiven en verfuiven (maar: verfoven is wel toegestaan).
WUIVEN: de sterke vervoeging WOOF, GEWOVEN is "schertsend" bedoeld en daarom niet toegestaan bij de samenstellingen: aanwuiven, afwuiven, nawuiven, omwuiven, toewuiven, uitwuiven en wegwuiven.
LACHEN en AANLACHEN: de sterke vervoeging (AAN)LOECH is "veroud." of "gew." en om die reden niet toegestaan bij de samenstellingen met: af-, be-, dood-, kapot-, mee-, na-, tegen-, terug-, toe-, uit-, weg-. Deze is ook niet toegestaan bij de samenstellingen met het voltooid deelwoord op –ge….lacht: glim-, grim-, monkel-, proest-, schater- en spot-.
WERKEN: de sterke vervoeging WROCHT, GEWROCHT is "gew." en "arch." en daarom niet toegestaan bij de samenstellingen met: aan-, achteruit-, af-, be-, bij-, bol-, dood-, dooreen-, door-, gelijk-, hand-, her-, ineen-, in-, kant-, los-, mee-, naald-, nacht-, na-, net-, omhoog-, om-, ondereen-, open-, op-, over-, samen-, spelden-, tegen-, telethuis-, tele-, terug-, thuis-, uit-, vast-, ver-, voorbe-, voort-, vooruit-, voor-, weg-, zich kapot- (kapot), zwart-.
GEREEËN (van gereden) en GESNEEËN (van gesneden): niet toegestaan in samenstellingen met de genoemde ww. In beide gevallen betreft het namelijk spreektaal.

2. Ww zonder betekenisverandering, zonder samenstellingen



ERVAREN ERVAARDE of ERVOER, heeft ERVAREN
GERAKEN GERAAKTE of GEROCHT, is GERAAKT
KWELLEN1 KWELDE of KWOL, heeft GEKWELD of GEKWOLLEN
RIEKEN RIEKTE of ROOK, heeft GEROKEN

3. Ww met betekenisverandering



BIJTEN1 beet, h. gebeten

BIJTEN2 bijtte, h. gebijt
HEFFENI hief, geheven

HEFFENII hefte, geheft
KRENGEN1 krong, h. gekrongen

KRENGEN2 krengde, h. gekrengd
KRIJGEN1 kreeg, h. gekregen

KRIJGEN2 krijgde, h. gekrijgd
KRIJTEN1 kreet, h. gekreten

KRIJTEN2 krijtte, h. gekrijt
LIJKEN1+2 leek, h. geleken

LIJKEN3+4 lijkte, h. gelijkt
LUIKEN1 look, h. geloken

LUIKEN2 luikte, h. geluikt
PIJPEN1 peep, h. gepepen

PIJPEN2 pijpte, h. gepijpt
PLUIZEN1 : I ploos, h. geplozen

PLUIZEN1 : II+2 pluisde, h. gepluisd
PRIJZEN1 prees, h. geprezen

PRIJZEN2 prijsde, h. geprijsd
RIJZEN1 rees, is gerezen

RIJZEN2 rijsde, h. gerijsd
SCHEPPEN1 schepte, geschept

SCHEPPEN2 schiep, geschapen
SCHEREN1 : I, 2+3 schoor, geschoren

SCHEREN1 : II+III scheerde, gescheerd
SMELTEN1 smolt, h. gesmolten

SMELTEN2 smeltte, h. gesmelt
SPINNEN1 spon, gesponnen

SPINNEN3 spinde, gespind
STIJVENI steef, gesteven

STIJVENII stijfde, gestijfd
WEGEN1 woog, h. gewogen

WEGEN2 weegde, h. geweegd
BIJLAGE 7

DE GIJ-VORM

A. Tegenwoordige tijd

Als de ik-vorm van een ww in de onvoltooid tegenwoordige tijd eindigt op een 't', zijn die vorm en de gij-vorm van die tijd gelijk. Daarnaast bestaat de gij-vorm van de onvoltooid tegenwoordige tijd uit de stam van het ww ge­volgd door een 't', waarbij eventueel de lange slotklinker van de stam wordt omgespeld. De gij-vorm komt hier dus overeen met de jij-vorm behalve bij:


kunnen: gij kunt jij kunt of jij kan

mogen: gij moogt jij mag

wegwezen: gij zijt weg jij bent weg

willen: gij wilt jij wilt of jij wil

zijn: gij zijt jij bent

zullen: gij zult jij zult of jij zal


Bij inversie, dus als 'gij' achter het werkwoord komt, valt de -t van de gij-vorm niet weg:

moogt gij, niet: moog gij, scrabbelt gij, naast: scrabbel jij

B. Verleden tijd bij sterke werkwoorden

Als de vorm van de eerste persoon enkelvoud van een sterke onvoltooid verleden tijd eindigt op een 't', zijn die vorm en de gij-vorm van die tijd gelijk:

gij floot, gij liet, gij zocht

In het andere geval bestaat de gij-vorm van een sterke onvoltooid verleden tijd uit de vorm van de eerste persoon enkelvoud van die tijd gevolgd door een 't':

gij liept, gij sprongt, gij vielt

Let op: werkwoorden die in de meervoudsvorm van de verleden tijd een 'd' krijgen toegevoegd, behouden deze 'd' in de gij-vorm:

gij kondt (vanwege konden)


gij leidt (van leggen; vanwege leiden)
gij (uit)scheedt (vanwege uitscheden)
gij zeidt (vanwege zeiden)
gij zoudt (vanwege zouden)

echter niet:



gij woudt (van willen)

Bij onderstaande sterke werkwoorden, waarbij in de verleden tijd een stamklankverandering naar 'a' optreedt, wordt de 'a' in de gij-vorm verlengd:


bevelen: gij bevaalt

breken: gij braakt

genezen: gij genaast

geven: gij gaaft

komen: gij kwaamt

lezen: gij laast

liggen: gij laagt

nemen: gij naamt

spreken: gij spraakt

steken: gij staakt

stelen: gij staalt

wegwezen: gij waart weg

zien: gij zaagt

zijn: gij waart


Bij de andere sterke werkwoorden die ook aan deze stamklankverandering naar 'a' onderhevig zijn, verdubbelt de 'a' niet:
bidden: gij badt

eten: gij at

hebben: gij hadt

meten: gij mat

treden: gij tradt

vergeten: gij vergat

vreten: gij vrat

zitten: gij zat


Uiteraard volgen hun samenstellingen dezelfde regels:
1   2   3   4   5   6   7


Dovnload 0.73 Mb.