Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Inleiding 4 De gereviseerde taxonomie van Bloom 7

Dovnload 385.81 Kb.

Inhoudsopgave Inleiding 4 De gereviseerde taxonomie van Bloom 7



Pagina5/9
Datum13.03.2017
Grootte385.81 Kb.

Dovnload 385.81 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Probleem

Taxibedrijf Koers is een eenmanszaak waar de eigenaar, de heer Polder tevens directeur is. Het bedrijf heeft 6 taxi’s rijden. Het zijn allemaal taxi’s van het merk Cicero.

Twee van de auto’s zijn 6 jaar oud, twee 4 jaar en 2 zijn twee jaar oud.

De economische levensduur van de auto’s is 6 jaar, dus twee van de auto’s zijn aan vervanging toe.

Tot nu toe heeft Polder alle auto’s gekocht met geleend geld van de bank. Hij vraagt zich echter af of dat in deze crisistijd verstandig is. Bovendien is het maar de vraag of de bank hem weer geld wil lenen.

Simons wil echter overwegen of hij de auto’s zal leasen.

Hij vraagt daarom jullie hulp.

Zoek uit wat Simons het beste kan doen: geld lenen bij de bank en de twee taxi’s kopen of leasen.


Deze opdracht gaat vergezeld van informatie over lenen en leasen en de balans en resultatenrekening van het bedrijf
Bij het onderzoeken of het bedrijf wel of niet in aanmerking komt voor het verkrijgen van krediet van de bank, zal de leerling de solvabiliteit van het bedrijf tegenkomen. Hij zal die moeten bepalen en nagaan of de bank (en ook hijzelf) daar genoegen mee neemt. Komt hij dit begrip vaker tegen in contextproblemen, dan wordt het principe achter dit concept gezien en kan de leerling bepalen of in andere situaties het zinvol is de solvabiliteit te berekenen en kan hij op grond daarvan voorspellingen doen in andere situaties.


      1. VERGELIJKEN verschillen aangeven, overeenkomsten benoemen

Vergelijken is het ontdekken van overeenkomsten en verschillen tussen twee of meer objecten, gebeurtenissen, ideeën problemen en situaties.

Vergelijken kan vaak ingezet worden om tot betekenisvol leren te komen. Het is een krachtig middel om tot diep begrip te komen.

Het is belangrijk om leerlingen een systematische manier te leren om te vergelijken. Het is dan immers eenvoudiger om tot een conclusie te komen. Marzano en Miedema (2005 p. 121) geven daarvoor het volgende stappenplan en schema aan:


  1. Kies de dingen die je wilt vergelijken

  2. Kies de kenmerken waarop je wilt vergelijken

  3. Verklaar de overeenkomsten en verschillen met betrekking tot de kenmerken die je hebt uitgezocht

  4. Vat je conclusie samen

Het bijbehorend schema ziet er als volgt uit:







Dingen die je wilt vergelijken

Dingen die je wilt vergelijken

Dingen die je wilt vergelijken




Kenmerk 1










Overeenkomsten

Verschillen



Kenmerk 2










Overeenkomsten Verschillen

Kenmerk 3










Overeenkomsten Verschillen

Kenmerk 4










Overeenkomsten Verschillen

Conclusies













Een voorbeeld van in de tabel ingevulde eenvoudige vergelijking op twee kenmerken:








Eenmanszaak

NV

Rechtspersoon

Nee

Ja

Aansprakelijkheid

Volledig

Nee (je kunt wel je aandeel kwijt raken)

Vergelijken van twee informatiebronnen en conclusies trekken.


We willen graag dat leerlingen een standpunt innemen over maatschappelijke vraagstukken. Dat standpunt moeten ze onderbouwen. Voor informatie sturen we ze internet op. Of wij verwijzen ze naar bepaalde websites. Maar dan? In het gunstigste geval wordt door leerlingen geknipt en geplakt uit deze informatie, maar vaak ook vinden we de artikelen met een nietje erdoor terug met wat voor- en na- en tussenwoord.

Kunnen we dat de leerlingen kwalijk nemen? Wèl, als we ze eerst geleerd hebben hoe ze de informatie van complexe problemen kunnen ordenen en beoordelen. Niet als we ze zonder meer aaan dit soort taken zetten.

Hieronder een manier om leerlingen een strategie te leren om de informatie te ordenen, te beoordelen en een mening te geven. Het kan uitgevoerd op de computer, gewoon in Word. Dat is het minst gecompliceerd. De tabel kan dan gemakkelijk ingevuld worden. Twee leerlingen werken per computer samen.

Maar natuurlijk kan het ook gewoon met pen en papier! Is wat omslachtiger. Dan moet bijna met grote vellen papier worden gewerkt. Voordeel is weer, dat die aan de muur opgehangen kunnen worden en samen met de hele klas kunnen worden vergeleken.

Na het maken van de opdracht kan een discussie (debat) in de klas georganiseerd worden. De leerlingen gebruiken daar de argumenten bij die zij in hun conclusie hebben geschreven.

Mochten er van de leerlingen suggesties komen voor het aanboren van meer informatie, dan kan er nog een les aangeknoopt worden!

Het voorbeeld hieronder is gemaakt met twee artikelen van internet over de uitbreiding van Schiphol. Het is slechts een voorbeeld. Elk onderwerp waar discussie over is kan op deze manier worden benaderd. In het voorbeeld staan cursief een aantal antwoorden als voorbeeld. In welke klas klas kan dit uitgevoerd? In veel klassen. De complexiteit van het onderwerp en de moeilijkheidsgraad van de informatie is daarvoor bepalend. Het is ook een prima opdracht voor een zelfstandig werkuur.

Opdracht


Over de uitbreiding van Schiphol is al een hoop te doen geweest. En nog steeds. De artikelen in de krant en op internet vliegen je om de oren. Hoog tijd voor jullie om je een eigen mening te vormen. Maar daar heb je informatie voor nodig. En daar wringt de schoen. Iedereen schrijft wat anders. Hoe krijg je nu al die argumenten op een rijtje? Pas als je die hebt, kun je ze vergelijken. Dan vind je misschien uit achter welke argumenten jullie willen gaan staan.

Je werkt samen met een andere leerling. Overleg steeds. Leg elkaar uit hoe je erover denkt, vraag de ander waarom hij of zij iets vindt. Kom samen tot één antwoord. Je krijgt twee artikelen waarmee je aan de gang gaat.



Je gaat aan het werk!





  1. Vul in kolom 3 en 4, de rij 1 in. Als je de antwoorden niet weet - b.v.op de vraag: wat is dat voor schrijver/instelling en welk belang hebben zij - bedenk jullie samen hoe je daar achter zou kunnen komen. Als je denkt dat je dat gemakkelijk op internet kunt vinden doe je dat.

  2. Haal alle argumenten uit het eerste artikel. Vul die stuk voor stuk in in kolom 1 onder argumenten. Zet erbij of het een vóór- of een tégenargument is (zie voorbeeld). Vul de andere celle in de rijen in. Overleg steeds met elkaar tot jullie het eens zijn. Mocht je het helemaal niet eens worden dan schrijf je twee scores op in kolom 5 en legt ze beide uit. Dan blijken jullie er heel verschillend over te denken.

  3. Doe hetzelfde met het tweede artikel.

  4. Als je op de computer werkt kun je de vóórs en tégens onder elkaar zetten. Dat is overzichtelijk.

  5. Bekijk nu hoe jullie scores liggen. Voornamelijk vóór of tégen of is daar nog niets van te zeggen? Kunnen jullie tot een conclusie komen?

  6. Beschrijf jullie conclusie waartoe je hierboven bent gekomen (op basis van wat je in kolom 4 hebt geschreven) op een nieuwe pagina. Print deze evenals de tabel uit.

  7. Als je hebt aangegeven, dat je nog meer informatie nodig had, schrijf dan op waar je die zou kunnen vinden of wie je zou kunnen uitnodigen in de klas. Of waar je op bezoek zou kunnen gaan om vragen te stellen.

  8. Gebruik je teksten bij de discussie in de klas!

Veel succes!
Een voorbeeld van een ingewikkelder vergelijking:

Een opdracht waarbij twee krantenartikelen van verschillende herkomst worden vergeleken. Op basis van deze vergelijking is het de bedoeling dat leerlingen zich een mening vormen. Van belang bij de beoordeling hiervan is dat de herkomst van de schrijvers meegenomen wordt in de weging van de verschillen/overeenkomsten.

Vergelijken van twee informatiebronnen en conclusies trekken.
We willen graag dat leerlingen een standpunt innemen over maatschappelijke vraagstukken. Dat standpunt moeten ze onderbouwen. Voor informatie sturen we ze internet op. Of wij verwijzen ze naar bepaalde websites. Maar dan? In het gunstigste geval wordt door leerlingen geknipt en geplakt uit deze informatie, maar vaak ook vinden we de artikelen met een nietje erdoor terug met wat voor- en na- en tussenwoorden.

Kunnen we dat de leerlingen kwalijk nemen? Wèl, als we ze eerst geleerd hebben hoe ze de informatie van complexe problemen kunnen ordenen en beoordelen. Niet als we ze zonder meer aan dit soort taken zetten.

Hieronder een manier om leerlingen een strategie te leren om de informatie te ordenen, te beoordelen en een mening te geven. Het kan uitgevoerd op de computer, gewoon in Word. Dat is het minst gecompliceerd. De tabel kan dan gemakkelijk ingevuld worden. Twee leerlingen werken per computer samen.

Maar natuurlijk kan het ook gewoon met pen en papier! Is wat omslachtiger. Dan moet bijna met grote vellen papier worden gewerkt. Voordeel is weer, dat die aan de muur opgehangen kunnen worden en samen met de hele klas kunnen worden vergeleken.

Na het maken van de opdracht kan een discussie (debat) in de klas georganiseerd worden. De leerlingen gebruiken daar de argumenten bij die zij in hun conclusie hebben geschreven.

Mochten er van de leerlingen suggesties komen voor het aanboren van meer informatie, dan kan er nog een les aangeknoopt worden!

Het voorbeeld hieronder is gemaakt met twee artikelen van internet over de uitbreiding van Schiphol. Het is slechts een voorbeeld. Elk onderwerp waar discussie over is kan op deze manier worden benaderd. In het voorbeeld staan cursief een aantal antwoorden als voorbeeld. In welke klas kan dit uitgevoerd? In veel klassen. De complexiteit van het onderwerp en de moeilijkheidsgraad van de informatie is daarvoor bepalend. Het is ook een prima opdracht voor een zelfstandig werkuur.

Opdracht


Over de uitbreiding van Schiphol is al een hoop te doen geweest. En nog steeds. De artikelen in de krant en op internet vliegen je om de oren. Hoog tijd voor jullie om je een eigen mening te vormen. Maar daar heb je informatie voor nodig. En daar wringt de schoen. Iedereen schrijft wat anders. Hoe krijg je nu al die argumenten op een rijtje? Pas als je die hebt, kun je ze vergelijken. Dan vind je misschien uit achter welke argumenten jullie willen gaan staan.

Je werkt samen met een andere leerling. Overleg steeds. Leg elkaar uit hoe je erover denkt, vraag de ander waarom hij of zij iets vindt. Kom samen tot één antwoord. Je krijgt twee artikelen waarmee je aan de gang gaat.



Je gaat aan het werk!





  1. Vul in kolom 3 en 4, de rij 1 in. Als je de antwoorden niet weet - b.v.op de vraag: wat is dat voor schrijver/instelling en welk belang hebben zij - bedenk jullie samen hoe je daar achter zou kunnen komen. Als je denkt dat je dat gemakkelijk op internet kunt vinden doe je dat.

  2. Haal alle argumenten uit het eerste artikel. Vul deze stuk voor stuk in, in kolom 1 ,onder argumenten. Zet erbij of het een vóór- of een tegenargument is (zie voorbeeld). Vul de andere cellen in de rijen in. Overleg steeds met elkaar tot jullie het eens zijn. Mocht je het helemaal niet eens worden dan schrijf je twee scores op in kolom 5 en legt ze beiden uit. Dan blijken jullie er heel verschillend over te denken.

  3. Doe hetzelfde met het tweede artikel.

  4. Als je op de computer werkt kun je de vóórs en tegens onder elkaar zetten. Dat is overzichtelijk.

  5. Bekijk nu hoe jullie scores liggen. Voornamelijk vóór of tegen, of is daar nog niets van te zeggen? Kunnen jullie tot een conclusie komen?

  6. Beschrijf jullie conclusie waartoe je hierboven bent gekomen (op basis van wat je in kolom 4 hebt geschreven) op een nieuwe pagina. Print deze evenals de tabel uit.

  7. Als je hebt aangegeven, dat je nog meer informatie nodig had, schrijf dan op waar je die zou kunnen vinden of wie je zou kunnen uitnodigen in de klas. Of waar je op bezoek zou kunnen gaan om vragen te stellen.

  8. Gebruik je teksten bij de discussie in de klas!

Veel succes!





      1. ONDERBOUWEN construeren met economische modellen, oorzaak/gevolg relaties

De vergelijkingsoefening waarbij de twee krantenartikelen worden vergeleken (tabel ) , gaat eigenlijk al verder dan vergelijken. Hier wordt ook aan onderbouwing gewerkt door het formuleren van argumenten, het onderzoeken naar betrouwbaarheid van de informatie, het raadplegen van andere bronnen die bij de argumentatie en meningvorming een rol kunnen spelen.

Het construeren met economische modellen hoort ook onder onderbouwing.

Een voorbeeld: vrij naar Hinloopen, Adriaansen en Zuiderwijk (2009 p.42).


Yptisem staat bij de bakker. De koekjes, waarvan ze vorige week 3 pakje van €2,00 per pakje kocht, zijn ineens duurder geworden. “Hé, zijn ze duurder geworden?”vraagt Yptisem. “Ja, dat klopt”antwoordt de bakker. “Die koekjes verkochten zo goed! Daarom dacht ik: die mogen wel wat duurder zijn”. “Ja, ik vind ze ook erg lekker. Duurder of niet, ik koop ze toch”. Buiten overdenkt Yptisem haar aankoop. “Die hogere prijs zit me toch niet lekker. Ik houd er toch minder aan over. Maar ja, ik kon die koekjes niet laten liggen. Maar ik heb er toch geen goed gevoel over”.

Pim, die met haar mee was zei: “Ja, maar je geniet nu toch evenveel als daarvoor van die koekjes, of ze nu duurder zijn of niet, toch? Je bent er toch niet ongelukkiger door?”.

“Nou eigenlijk een beetje wel”, antwoordde Yptisem.

Wie heeft nu gelijk? Is Yptisem nu toch wat minder gelukkig of zeurt ze volgens Pim?


Bewijs wie er gelijk heeft met gebruikmaking van je economische kennis (eventueel met de toevoeging van het consumentensurplusmodel)

n.b. Informatie die je nodig hebt: de vraaglijn is q = 5 - p

Onderbouwen kan ook plaatsvinden door het uitwerken van oorzaak gevolg relaties.

Het causaliteitschema kan bijvoorbeeld ingezet worden.


Voorbeeld 1

Causaliteitschema*:

Op het examen HAVO/VWO wordt het causaliteitsschema vaak ingezet om de vaardigheid relateren en redeneren te toetsen. Leerlingen krijgen dan het schema aangereikt en zij moeten dan de pijlen of te nemen stappen aangeven. Een voorbeeld van een dergelijk causaliteitsschema is hieronder weergegeven.




(gemaakt in Inspiration)
In bovenstaand causaliteitschema wordt de relatie aangegeven tussen rente, bestedingen en wisselkoers voor Europa. De richting van de pijlen geeft het oorzakelijke verband aan. De nummers uit het schema geven de redenering aan.
De Europese Centrale Bank heeft als hoofddoelstelling: stabilisatie van de interne waarde van de euro. Concreet betekent dit, het liefst geen, maar maximaal 2% inflatie.
1. Als de inflatie te hoog is, zal de centrale bank de rente verhogen die banken moeten betalen als zij geld bij haar lenen.
2. De banken kunnen deze rentestijging doorberekenen aan hun klanten, hierdoor wordt het voor gezinnen en bedrijven duurder om geld te lenen. De vraag naar krediet zal hierdoor afnemen.
3. Als de gezinnen minder geld lenen, kunnen ze minder kopen. De consumptie daalt dus. Hierdoor gaan de bedrijven minder kopen, dit betekent dat de investeringsvraag(vraag naar nieuwe machines en bedrijfsgebouwen) daalt.

De totale effectieve vraag daalt dan, kortom: EV ↓ = C ↓ + I ↓ + O + X - M


4. Als de rente stijgt, levert sparen meer geld op. De gezinnen zullen dus meer gaan sparen
5. Als de gezinnen meer sparen, kunnen ze met hetzelfde inkomen minder kopen, de consumptie daalt dus.
6. Als de EV daalt, zullen de producenten minder producten maken, omdat ze anders met grote voorraden blijven zitten.
7. Als er minder geproduceerd wordt, dan is er voor minder werknemers werk. De werkgelegenheid (= het aantal banen) daalt dus.
8. Als de werkgelegenheid daalt, dan wordt de arbeidsmarkt verruimd. Werknemers kunnen geen hoge looneisen stellen, omdat de werkgevers arbeiders in dienst kunnen nemen die geen hoge looneisen stellen. De stijging van de loonkosten wordt dus beperkt en de werkgevers hoeven daardoor geen extra loonkosten in de prijzen van de eindproducten door te berekenen. Hierdoor wordt de inflatie beperkt.
9. Als er minder wordt geproduceerd, dan hoeft niet de gehele voorraad kapitaalgoederen te worden gebruikt.

De kans op inflatie daalt hierdoor ( de grenzen van de productie worden niet bereikt).
10. Als de rente in Europa stijgt, wordt het voor beleggers aantrekkelijker om in Europa te beleggen.
11. Om in Europa te kunnen beleggen, gaan de internationale beleggers op de valutamarkt euro’s vragen (= kopen). Ook Europese beleggers gaan meer in Europa beleggen, waardoor het aanbod van euro’s minder wordt. Daling van het aanbod van euro’s en stijging van de vraag naar euro’s doen beide de externe waarde (= wisselkoers) van de euro stijgen.


  1. Als de externe waarde van de euro stijgt, worden producten uit de eurolanden duurder voor inwoners van andere landen. De Europese export naar die landen daalt dus, waardoor de totale effectieve vraag (=bestedingen) daalt,

kortom EV ↓ = C + I + O + X ↓ - M.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Opdracht
  • Je gaat aan het werk!

  • Dovnload 385.81 Kb.