Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Inleiding p. 3 Doel en methodiek

Dovnload 473.95 Kb.

Inhoudsopgave Inleiding p. 3 Doel en methodiek



Pagina1/5
Datum04.04.2017
Grootte473.95 Kb.

Dovnload 473.95 Kb.
  1   2   3   4   5




Implementatie-evaluatie

2016


Inhoudsopgave


  1. Inleiding p. 3




  1. Doel en methodiek p. 4




  1. Uitkomsten van de enquête en panelgesprekken p. 8

3.1 Respons enquête p. 8

3.2 Resultaten: regelgevend kader p. 10

A. Zijn de vereenvoudigingen adequaat? p. 10

B. Is het regelgevend kader duidelijk? p. 14

C. Zijn bijkomende vereenvoudigingen mogelijk? p. 24

3.3 Resultaten: projectoproep- en –beoordelingssysteem p. 25

A. Is het oproep- en beoordelingssysteem voldoende transparant? p. 26

B. Zijn verbeteringen aan het oproep- en beoordelingssysteem mogelijk? p. 29

3.4 Resultaten: programmabeheer p. 36

A. Functioneren de programma-autoriteiten naar behoren? p. 36

3.5 Resultaten: partnerschap p. 37

A. Functioneren de programma-organen naar behoren? p. 37




  1. Conclusies p. 39




  1. Aanbevelingen p. 41

    1. Algemeen p. 41

    2. Regelgevend kader p. 41

    3. Projectoproep- en beoordelingssysteem p. 46

3.4 Programmabeheer p. 47

3.5 Partnerschap p. 47


Bijlagen: bijlage 1 - Managementsamenvatting

bijlage 2 - Enquête: vragen en resultaten

bijlage 3 - Panels: deelnemers en data


  1. Inleiding

Zoals voorzien in het Evaluatieplan werd medio 2016 een uitgebreide evaluatie uitgevoerd naar de implementatie of werking van Interreg V Vlaanderen-Nederland. Op basis van een enquête onder (potentiële) begunstigden en 4 panelgesprekken werd nagegaan in hoeverre het Interreg-programma transparant, eenvoudig en klantvriendelijk is en goed wordt beheerd en aangestuurd. In onderliggend rapport wordt stilgestaan bij het doel en de methodiek van deze evaluatie, de uitkomsten in detail en de leerpunten en aanbevelingen welke het Gemeenschappelijk Secretariaat (GS) hieruit destilleert voor de rest van de programmaperiode en/of een eventueel Interreg VI.


In bijlage 1 bij dit rapport vindt u een management samenvatting bij dit rapport. Bijlage 2 geeft een overzicht van de enquêtevragen, zoals geformuleerd richting (potentiële) begunstigden, alsmede alle antwoorden, en in bijlage 3 is weergegeven welke stakeholders input gaven via de panels.



  1. Doel en methodiek

In het Evaluatieplan is voorzien op meerdere momenten tijdens de programma-uitvoering stil te staan bij de implementatie van het Interreg-programma, en dit zowel op vlak van ‘effectiviteit’ (inhoudelijk) als ‘efficiëntie’ (werking). Onderliggende implementatie-evaluatie behandelt de efficiëntie of werking van het programma (onderdeel B in onderstaand kader uit het Evaluatieplan, p.10), en betreft voor deze programmaperiode de eerste van die soort (B1).




Doel:

Doel van de implementatie-evaluaties is om na te gaan in welke mate het programma erin slaagt om haar doelstellingen waar te maken (effectiviteit) en of dit op de meest efficiënt mogelijke manier gebeurt. Tijdens de implementatie-evaluaties zal ook gekeken worden naar de mate waarin het programma heeft bijgedragen aan de horizontale principes.

  1. Effectiviteit:

  • Prioriteiten/Specifieke Doelstellingen (SD’s): Worden de prioriteiten/SD’s evenwichtig ingevuld?

  • Programma-outputindicatoren: Zal het programma de door haar vooropgestelde streefwaarden behalen? Zullen de projecten de door hen vooropgestelde streefwaarden halen?

  • Financiële voortgang: Halen projecten hun declaratieprognose? Loopt de besteding van het programmabudget op schema?

  1. Efficiëntie:

  • Regelgevend kader: Zijn de beoogde administratieve vereenvoudigingen gerealiseerd? Zijn de vereenvoudigingen adequaat? Is het regelgevend kader duidelijk? Zijn bijkomende vereenvoudigingen mogelijk? Worden indicatoren eenduidig geïnterpreteerd en wordt hierover correct gerapporteerd? Zijn verduidelijkingen van de indicatorenfiches nodig?

  • Projectoproep- en beoordelingssysteem: Is het oproep- en beoordelingssysteem voldoende transparant? Worden de beoogde doelgroepen bereikt?

  • Programmabeheer: Functioneren de 3 programma-autoriteiten naar behoren? Verloopt de afstemming tussen deze autoriteiten en het GS optimaal?

  • Partnerschap: Functioneren de programma-organen – m.n. CvT, COG, teamoverleg - naar ieders welbevinden?

  1. Horizontale principes:

  • Welke resultaten levert het programma op op vlak van horizontale principes?

De implementatie-evaluaties zullen telkens het gehele programma bestrijken en ingaan op alle prioritaire assen, maar kunnen wel sterk verschillen qua scope en onderzochte thematiek:



  1. In functie van de evaluatie van de effectiviteit van het programma zal, gekoppeld aan de planning voor wat betreft projectoproepen, een aantal tussentijdse analyses en evaluaties het beeld geven dat nodig is om de juiste beslissingen te nemen in het CvT, aangaande volgende oproepen en hun omvang, inhoud, et cetera. Na iedere oproep vindt een dergelijke analyse plaats, na de tweede en derde projectoproep betreft het een grondige analyse, na de eerste en eventueel vierde of daaropvolgende projectoproepen zal eerder globaal worden gekeken naar de effectiviteit van het programma (en de daaruit te trekken conclusies voor volgende oproepen);

  2. De evaluatie van de implementatie voor wat betreft efficiëntie geschiedt eerder op basis van andere data dan de implementatie-evaluatie voor wat betreft effectiviteit, en kan (dus) los van dergelijke evaluaties geschieden. Teneinde echter eventuele verbindingen te kunnen leggen tussen de resultaten voor wat betreft effectiviteit en efficiëntie, zal deze evaluatie gekoppeld worden aan de effectiviteitsanalyse na de tweede oproep (voorjaar 2016). Indien nodig kan een opvolging geschieden ten tijde van de derde effectiviteitsanalyse.

  3. De resultaten voor wat betreft horizontale principes komen logischerwijs pas later in de programma-uitvoering in beeld; een evaluatie hieromtrent zal gekoppeld worden aan de derde effectiviteitsanalyse.

Methode en data:

Methodieken en dataverzameling verschillen enigszins naar de te onderscheiden soorten van implementatie-evaluaties:

  1. De analyse met betrekking tot effectiviteit van het programma (worden de prioriteiten evenwichtig ingevuld, worden doelstellingen op vlak van indicatoren behaald,…?) geschiedt vooral op basis van desk research en analyse. Concreet wordt er vanuit het e-loket geanalyseerd welke resultaten het programma reeds behaalde, of waartoe ge(pre)selecteerde projecten zich committeerden. De desk research en analyse door de Werkgroep Evaluatie kan - met name voor de meer uitgebreide analyses na de tweede en derde oproep - worden aangevuld met interviews met projectindieners (update van te verwachten resultaten; informatie die ook via werkbezoeken kan worden achterhaald) en GS-medewerkers, actief in de begeleiding van de projecten (projectadviseurs, beleidsmedewerkers, financieel adviseurs).

  2. De evaluatie van efficiëntie van het programma geschiedt eerder op basis van interviews met programmapartners, programma-autoriteiten, projectindieners, indieners die uiteindelijk niet ingediend hebben en afgewezen indieners, …, en eventuele enquêtes. Het betreft hier te verzamelen data en opinies, die - om te vermijden dat de functionele onafhankelijkheid van de evaluatoren in het gedrang komt - een zekere externe betrokkenheid (externe validatie of inzet van klankbordgroepen) aangewezen kan maken.

  3. De evaluatie voor wat betreft horizontale principes geschiedt volgens de zelfde methoden als de effectiviteitsanalyse (desk research en analyse, in mindere mate interviews) en kan zodoende meegenomen worden in een effectiviteitsanalyse.

De tussentijdse evaluatie Interreg IV kan een belangrijke inspiratiebron zijn om nadere invulling te geven aan de methodologie van afzonderlijke analyses en evaluaties, net als de gebiedsanalyse Interreg V en het SP zelf.

Planning:

Na iedere projectroep maakt het GS zelf een effectiviteitsanalyse van de programma-voortgang:

A1: Na afloop van de eerste (pre)selectieronde (8/04/2015) werd een globale analyse gemaakt door het GS, die op 3/06/2015 werd voorgelegd aan het CvT samen met een voorstel voor de tweede projectoproep. Logischerwijs kon nog slechts globaal worden weergegeven welke prioriteiten of specifieke doelstellingen nog achtergebleven na de eerste preselectie, en welke impact dit mogelijk zou hebben op vlak van indicatoren en besteding van het programmabudget.

A2: Na afloop van de tweede selectieronde, in het najaar van 2016, wordt een meer uitgebreide/diepgaande analyse mogelijk voor wat betreft de effectiviteit tot op dat moment: de projecten uit de eerste oproep lopen dan inmiddels een klein jaar en er is duidelijkheid omtrent welke projecten in de tweede ronde zijn geselecteerd (en dus ook over de daarbij behorende streefwaarden, budgetten,…). Deze uitgebreidere analyse wordt gebruikt voor een voorstel voor een derde projectoproep, eind 2016.

A3: Ook na afloop van de derde selectieronde, begin 2018, wordt een meer uitgebreide/diepgaande analyse ondernomen voor wat betreft de effectiviteit. Deze uitgebreidere analyse wordt gebruikt voor een voorstel voor een vierde projectoproep, eind 2018.

A4: Na afloop van de vierde (pre)selectieronde, en mogelijk daaropvolgende rondes, worden eventuele globale analyses gemaakt, in functie van een nuttige besteding van laatste restmiddelen en/of eventuele vrijval.

De belangrijkste implementatie-evaluaties, waarin ook de efficiëntie van het programma (B) en de resultaten voor wat betreft horizontale principes (C) aan bod komen, vinden plaats in de tweede helft van 2016 en de eerste helft van 2018:

B1: De evaluatie van de implementatie voor wat betreft efficiëntie wordt gekoppeld aan de effectiviteitsanalyse na de tweede oproep (A2, eerste helft 2016).

B2: Indien nodig kan een opvolging geschieden voor wat betreft efficiëntie ten tijde van de derde effectiviteitsanalyse (A3, eerste helft 2018).

C1: De evaluatie voor wat betreft resultaten op vlak van horizontale principes wordt gekoppeld aan de effectiviteitsanalyse naar de derde oproep (A3, eerste helft 2018).


De evaluatie is uitgevoerd conform de bovenstaande in het evaluatieplan benoemde doel en methodieken (onderdelen B1). Qua planning was er een lichte afwijking ten opzichte van wat voorzien werd in het evaluatieplan. Concreet werd de implementatie-evaluatie een klein half jaar later uitgevoerd dan voorzien. Dit omdat ook de gerelateerde effectiviteitsevaluatie, in functie van het formuleren van oproep 3, later werd aangevangen als gevolg van een later dan voorziene start van het programma.
De Werkgroep Evaluatie nam de evaluatie op door middel van:


  1. een bevraging van het veld (partners uit goedgekeurde projecten, gepreselecteerde projecten en indieners wier aanmelding niet werd gepreselecteerd) in de vorm van een enquête. In bijlage 2 wordt verduidelijkt welke personen werden aangeschreven, welke acties werden ondernomen om een voldoende respons te bevorderen, welke respons werd bereikt en welke vragen werden gesteld. Bij deze vragen zijn telkens ook de afzonderlijke resultaten opgenomen.




  1. vier panels:




  1. Panel (potentiële) begunstigden (van goedgekeurde en (niet-)gepreselecteerde projecten).

  2. Panel 1e en 2e lijn begeleiding (enkele PA’s, beleidsmedewerkers en financieel adviseur)

  3. Panel kader (programmamanagement, quality manager en coördinator financiële cel)

  4. Panel partnerschap (COG)

In de enquête werd vooral ingezoomd op vragen zoals opgenomen in het evaluatieplan (zie hierboven), voor zover relevant om te formuleren richting (potentiële) begunstigden. Bijvoorbeeld werd deze doelgroep niet gevraagd naar haar visie ten aanzien van de samenwerking tussen de programma-autoriteiten: een onderwerp waar de potentiële begunstigden geen of weinig zicht op hebben.

In de panels werden - in de vorm van een gemodereerd groepsgesprek - àlle vragen behandeld zoals opgenomen in het evaluatieplan (zie hierboven). Daar waar het dezelfde vragen betrof als die voor de (potentiële) begunstigden werd zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de (vraagstelling in de) enquête. De panelgesprekken volgden, daar waar het overlappende thema’s betrof welke ook reeds in de enquête waren aangeraakt, twee sporen:



  • Wat is de visie van de panelleden, sluit dit aan bij de resultaten uit de enquête en zo ja, hoe geven de panelleden kwalitatief invulling bij hun antwoorden? Via dit spoor konden bij de resultaten uit de enquête verklaringen gevonden worden.

  • Wat zijn de uitschieters in de resultaten van de enquête (zeer positieve dan wel negatieve conclusies op specifieke aspecten) en hoe verklaren de panelleden deze?

De panels vonden m.n. kort na de zomermaanden plaats. In bijlage 3 wordt aangegeven wanneer welke panel plaatsvond en wie daaraan deelnam.

In het najaar bracht de Werkgroep Evaluatie de resultaten bijeen, analyseerde die en communiceerde de conclusies via onderliggend rapport aan de partners. Daar waar uit deze oefening verbetervoorstellen volgen aangaande het programma-reglement, het procedurehandboek, het B&C-systeem, de toolbox van het GS of andere instrumenten, worden deze aansluitend uitgewerkt en voorgelegd aan de geëigende gremia. Daar waar uit de efficiëntie-evaluatie leerpunten ontstaan voor de (communicatie over, begeleiding bij of transparante behandeling van) oproepen, kunnen deze veelal nog meegenomen worden bij de derde oproep.

Er werd in het evaluatieplan overigens ook een evaluatie van de communicatie aangaande programmaresultaten voorzien, in 2016. Enkele vragen in de enquête voor het veld en de panels gaven input hiervoor. De resultaten van de communicatie-evaluatie vormen input voor het communicatie-jaarplan 2017, dat voorgelegd wordt aan het eerste Comité van Toezicht in 2017.

Er werd, eveneens conform het evaluatieplan en om te vermijden dat de functionele onafhankelijkheid van de evaluatoren in het gedrang komt, externe expertise ingeschakeld ter validatie van de aanpak van de evaluatie. Concreet werden de managementautoriteit van het Interreg Maas-Rijn programma en de programmadirecteur van het Interreg Duitsland-Nederland gevraagd of ze bedenkingen hadden bij de aanpak. Hun bedenkingen (geformuleerd in een overleg en via aansluitend mailverkeer in april en mei 2016) leidden tot enkele beperkte aanpassingen in de opzet. Na bespreking van het rapport zullen ook de resultaten aan deze personen worden voorgelegd. Ook doordat wordt gewerkt met klankbordgroepen (panel begunstigden, het ambtelijk coördinatiegremium van de programmapartners (COG)) en deze personen na afloop het rapport ter beschikking wordt gesteld (met mogelijkheid onjuiste conclusies te signaleren) worden voor deze intern verrichte evaluatie objectieve, onafhankelijke resultaten gewaarborgd.



  1. Uitkomsten van de enquête en panelgesprekken


3.1 Respons enquête
De enquête werd via SurveyMonkey verstuurd aan 2653 personen1 en ingevuld door 398 personen2. De responsgraad is derhalve 15%. De enquête stond open van 11 mei 2016 tot en met 24 juni 2016. Medio juni 2016 werd een reminder gestuurd.
De enquête start met een aantal identificatievragen. Vragen 1 t/m 4 gaan na wat de status is van het project, waaraan de respondent verbonden is, in welke oproep(en) het project aangemeld werd, wat de rol is van de organisatie van de respondent (projectverantwoordelijke of partner (light)) en wat de rol van de respondent is, binnen zijn organisatie als projectpartner (hoofd van de organisatie, inhoudelijk of financieel contactpersoon). Uit de antwoorden op deze identificatievragen blijkt dat, in vergelijking met de totale populatie:


  • de respons met name hoog is onder enquêtedeelnemers van goedgekeurde projecten34;

  • de respons hoger is onder projectverantwoordelijken dan onder andere projectpartners56;

  • de respons zeer hoog is onder inhoudelijk contactpersonen7 en er ook een opvallend aantal adviseurs/consultants is dat de enquête heeft ingevuld8;

  • er een gelijkwaardige respons is vanuit (respondenten namens projecten in) oproep 1 en 29.

De respons wijkt aldus redelijk sterk af van de totale populatie. Belangrijk is dat deze afwijking niet problematisch is: de respons is - begrijpelijk overigens - met name hoog onder de partijen die het sterkst betrokken zijn bij de werking van het programma. De visie ten aanzien van de werking van het programma zal het meest onderbouwd zijn voor personen betrokken in de (reeds) goedgekeurde projecten, met name de inhoudelijke contactpersonen namens de projectverantwoordelijke organisaties. Dit zijn immers de personen die rechtstreeks te maken hebben met het programma, en dit voor de komende jaren, waarin de projecten lopen waaraan ze dagdagelijkse leiding geven. Hun visie is wellicht het meest onderbouwd, en hun mening over het programma lijkt het meest relevant. Daarnaast wordt in de verdere analyse voor alle onderdelen van de enquête waar dit relevant lijkt, de visie van verschillende profielgroepen respondenten met elkaar vergeleken.


Vier groepen worden in deze analyse van de enquête regelmatig met elkaar en met de algemene resultaten vergeleken:

  1. Projectverantwoordelijken (PV’s) tov. andere projectpartners (in groene kaders). Zoals al aangegeven zijn de PV’s de interessantste doelgroep binnen deze enquête. Meer dan hun partners hebben de medewerkers van een projectverantwoordelijke organisatie een goed zicht op het regelgevend kader, vereenvoudigingen, procedures, begeleiding en ondersteunende documenten van het programma. PV’s hebben veelal als enige binnen een projectgroep regelmatig en intensief contact met het secretariaat, en zijn betrokken bij alle vraagstukken die opdoemen tijdens de uitwerking van een aanmelding of aanvraag en de uitvoering van het project.

  2. Een onderscheid naargelang een respondent een inhoudelijke, dan wel financiële contactpersoon is (in oranje kaders)10. De verwachting is er immers dat deze groepen niet even intensief bij het project en diens ontwikkeling betrokken zijn.

  3. Respondenten uit oproep 1 ten opzichte van deze uit oproep 211 ( in blauwe kaders). Dit kan immers een indicatie geven over evoluties in de tijd. Door de indieners in de twee eerste groepen met elkaar te vergelijken hebben we twee unieke samples met ervaringen met het programma in respectievelijk de beginfase, waarin nog tijdens de intake van projecten documenten moesten worden opgesteld, nieuwe aanwervingen dienden te gebeuren, et cetera; en de huidige fase, waarin het programma al een stuk meer ‘ingeregeld’ is.

  4. Respondenten worden ook vaak in groepen volgens de status van hun project ingedeeld (in paarse kaders). Van bv. personen wier aanmelding niet gepreselecteerd is geraakt, kan bij verschillende vragen een ander antwoord verwacht worden dan bv. personen wier project ondertussen is goedgekeurd. Mogelijk kunnen er zelfs factoren worden geïdentificeerd die ertoe hebben bijgedragen dat een project (maar) een bepaalde status heeft behaald.

Ook vragen 16 en 17 fungeren als identificatievragen. Hier wordt geïnformeerd of de respondent ervaring heeft met andere Europese programma’s, en zo ja welke. Uit de antwoorden op deze vragen blijkt dat:




  • een vergelijkbaar deel van de respondenten reeds ervaring heeft met andere Europese programma’s vergelijkbaar met Interreg V, en dit met name in FP7/Horizon 2020, Interreg IV Vlaanderen-Nederland, Interreg Twee Zeeën, Interreg Northwest Europe en D2 EFRO Vlaanderen. Opvallend is het geringer aantal deelnemers met ervaring in OP Zuid en Interreg North Sea Region, ondanks de significante overlapping met ons programma qua werkingsgebied.

Waar vragen 1 t/m 4 en 16 en 17 enkel functioneren als identificatievragen, die ons in staat stellen om de inhoudelijke resultaten van de enquête te diversifiëren naar het soort respondenten, en zo conclusies te trekken, zijn vragen 5 en 7 eerder hybride van karakter. Het zijn deels identificatievragen en deels vragen die reeds op zichzelf uitspraken mogelijk maken over de werking van het programma. Vraag 5 gaat na via welk(e) kana(a)l(en) de respondent werd geïnformeerd over de mogelijkheid een project in te dienen binnen Interreg Vlaanderen-Nederland. Vraag 7 gaat na of de respondent bij de uitwerking van de aanmelding begeleiding heeft gehad van (een) projectadviseur(s) namens het programma. Vanuit de antwoorden op deze vragen zijn conclusies mogelijk aangaande de acquisitiegerichte communicatie door het programma en het functioneren van de communicatiestrategie en de projectadviseurs.


Dankzij de verschillende identificatievragen kunnen we inhoudelijke resultaten van de enquête diversifiëren naar het soort respondenten en zo conclusies trekken, maar ook het profiel van de modale respondent schetsen. De meest voorkomende respondent is betrokken in een goedgekeurd project, als inhoudelijk contactpersoon. Diens organisatie is een projectpartner, hoewel er relatief veel respondenten actief zijn binnen een projectverantwoordelijke organisatie. De modale respondent kreeg zijn of haar eerste informatie over Interreg V Vlaanderen-Nederland via ‘mond-tot-mondreclame’, de website en/of de projectadviseur, die al in een vroeg stadium een rol speelde in de totstandkoming van het project. Voor de meeste respondenten was Interreg echter niet compleet onbekend terrein, want in veel gevallen was er al ervaring in andere Europese programma’s, waaronder Interreg IV.

3.2 Resultaten: regelgevend kader
Het evaluatieplan formuleert een aantal vragen met betrekking tot de efficiëntie12 van de programma-implementatie, te beginnen met vragen aangaande het regelgevend kader. In het evaluatieplan worden de volgende vragen geformuleerd:


  1. Zijn de beoogde administratieve vereenvoudigingen gerealiseerd?

  2. Zijn de vereenvoudigingen adequaat?

  3. Is het regelgevend kader duidelijk?

  4. Zijn bijkomende vereenvoudigingen mogelijk?

  5. Worden indicatoren eenduidig geïnterpreteerd en wordt hierover correct gerapporteerd?

  6. Zijn verduidelijkingen van de indicatorenfiches nodig?

Het evaluatieplan benoemt deze vragen eerder als voorbeelden, en heeft niet de bedoeling (enkel) deze vragen vast te leggen. In de enquête zijn deze vragen niet één op één overgenomen. Vraag 1 kan onmogelijk gesteld worden aan de (potentiële) begunstigden, omdat deze groep niet op de hoogte is van welke administratieve vereenvoudigingen ten tijde van de opstart van het programma werden beoogd. Deze vraag komt daarom aan bod in een aantal panels, en niet in de enquête. Vragen 2, 3, 4 en 6 uit het evaluatieplan komen wel aan bod in de enquête, maar vaak meer uitgewerkt of aangescherpt, en dit in enquêtevragen 8 t/m 15 en 20 en 21. Vraag 6 wordt daarbij geïntegreerd in vraag 3; de indicatorenfiches zijn ondersteunende tool bij het regelgevend kader en vraag 6 is dus een deelvraag bij vraag 3. Vraag 5 uit het evaluatieplan is dan weer een vraag die niet door de begunstigden, maar door de medewerkers van het GS kan worden beantwoord, en dit gebeurt dus via een aantal panels.


Voor wat betreft de enquête zijn er dan ook drie hoofdvragen, welke op hun beurt uiteenvallen in deelvragen: zijn de vereenvoudigingen adequaat, is het regelgevend kader duidelijk, en zijn bijkomende vereenvoudigingen mogelijk?
In de panels zijn deze vragen hernomen. Alle panels behandelden de (relevante aspecten van) drie bovenstaande hoofdvragen en bespraken de voor de panelleden opmerkelijke uitkomsten van de enquête op deze vragen. Ook vragen die niet aan bod kwamen in de enquête – zoals vraag 5 uit het evaluatieplan – kwamen in een of meerdere panels aan bod.
Belangrijk is, in deze inleidende paragraaf, te benoemen dat er geen sprake is van een strikt onderscheid tussen de hoofdvragen zoals behandeld in de enquête en de panels. Administratieve vereenvoudiging gaat om adequate vereenvoudigingen èn duidelijkheid rond (het restant aan) regels door goede duiding en begeleiding, door mensen, documenten of software. Respondenten en panelleden mixen deze aspecten vaak door elkaar en in de ‘lezing’ van de resultaten van de evaluatie is het belangrijk daarmee rekening te houden. In onderstaande analyse zal worden getracht de resultaten op de drie hoofdvragen voldoende helder van elkaar te onderscheiden, maar belangrijk is te beseffen dat dit niet altijd perfect mogelijk is.


  1   2   3   4   5

  • Uitkomsten van de enquête en panelgesprekken p. 8
  • Conclusies p. 39 Aanbevelingen p. 41
  • Bijlagen
  • Doel en methodiek
  • Uitkomsten van de enquête en panelgesprekken 3.1 Respons enquête
  • 3.2 Resultaten: regelgevend kader

  • Dovnload 473.95 Kb.