Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave nieuwsbrief nr. 115 – 23. 01. 11 Pag

Dovnload 4.3 Mb.

Inhoudsopgave nieuwsbrief nr. 115 – 23. 01. 11 Pag



Pagina18/46
Datum05.12.2018
Grootte4.3 Mb.

Dovnload 4.3 Mb.
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   46

19 oktober 2010

2 F-16´s zijn vanmiddag vanaf Vliegbasis Leeuwarden opgestegen om twee Russische Bear T-95 vliegtuigen te onderscheppen. De Russen vlogen Nederlands verantwoordelijkheidsgebied in zonder hun identiteit bekend te maken. Luchtgevechtsleiders van het Air Operations Controls Station Nieuw Milligen gaven de Nederlandse F-16´s opdracht om supersoon richting de Bears te vliegen. Voorafgaand hielden al Deense en vervolgens Engelse jachtvliegtuigen de Russen in de gaten.

De F-16´s onderschepten de Russen bij de grens van het gebied waarvoor Nederland binnen de NAVO verantwoordelijk is. De jachtvliegtuigen bleven de Bears volgen totdat de Russische vliegtuigen noordwest van Leeuwarden richting Engels luchtruim vlogen en het gebied verlieten. De QRA van de Britse Royal Airforce heeft vervolgens wederom de begeleiding overgenomen.

Quick Reaction Alert


Voor de verdediging van het luchtruim boven Nederland staan 24 uur per dag, 7 dagen per week F-16´s paraat voor deze Quick Reaction Alert (QRA)-taak. Bij een melding van een onbekend vliegtuig in het Nederlandse luchtruim zijn de F-16´s binnen enkele minuten in de lucht om het vliegtuig te onderscheppen.

De opdracht om een toestel te onderscheppen komt van de NAVO en wordt gegeven aan het Air Operations Control Station Nieuw Milligen. Dit militair verkeers- en gevechtleidingscentrum alarmeert de altijd gereedstaande F-16´s en begeleidt ze naar hun doel.



http://www.de-wereld-draaft-door.nl/2011/01/20/f-16%c2%b4s-onderscheppen-russische-vliegtuigen/

Mossad mag Europese staatshoofden in Brussel ongestraft afluisteren


Gepubliceerd door De Redactie op 17 January 2011
Acht jaar lang, van 1995 tot 2003, heeft de Israëlische geheime dienst Mossad via zeer gesofistikeerde afluisterapparatuur alles gehoord wat er in het Brusselse Justus Lipsius-gebouw besproken werd door de Britse, Franse, Duitse, Spaanse en Oostenrijkse staatshoofden, regeringsleiders, ministers en hun directe medewerkers. Het onderzoek naar deze grootschalige spionagezaak verliep tergend traag en werd grondig verknoeid door de Staatsveiligheid en het federaal parket. De daders zijn gekend, maar gaan vrijuit.

Door de redactie
In het Justus Lipsiusgebouw in Brussel zat Israëlische afluisterapparatuur. De daders hoeven zich niet te verantwoorden. (Foto Alex Jilitsky)

In een vorige week openbaar gemaakt rapport van het Comité I (.pdf), de instelling die de inlichtingendiensten controleert, staat zwart op wit dat de Mossad verantwoordelijk was voor de afluisteroperatie in het hart van de Europese instellingen in Brussel. Het rapport bevat harde kritiek op de Staatsveiligheid, die allesbehalve efficiënt omging met de affaire, alsook op het federaal parket, dat opvallend traag en ongeïnteresseerd reageerde.



Strafbare feiten

Op 28 februari 2003 vernam de technische dienst dat er een storing was op een telefoonlijn in een vertaalcabine van de grote vergaderzaal van het Justus Lipsiusgebouw, de zetel van de Europese Raad in Brussel. Een technicus ging op onderzoek in de schacht waar de bewuste telefoonlijn loopt. Onder de valse vloer van de schacht zag hij een klein kabeltje, dat niet op zijn plan van het communicatienetwerk stond. De technicus verwittigde de veiligheidsdienst van het Raadsgebouw. Een medewerker van de veiligheidsdienst merkte dat het verdachte kabeltje verdween in de betonnen wand van de schacht. Met een sweeping-apparaat, een toestel om spionagemateriaal op te sporen, vond hij achter de betonnen wand een zwarte doos, ongeveer zo groot als een schoendoos, perfect weggestopt in de structuur van het gebouw. Blijkbaar ging het om afluisterapparatuur gericht tegen de Britse delegatie.

Wat daarna gebeurde, staat beschreven in het rapport van het Comité I. Op 4 maart begon het Veiligheidsbureau van de Raad van de EU, dat geleid werd door twee gewezen leden van de Staatsveiligheid, een onderzoek naar de ontdekte apparatuur. Alexandro Legein, de chef van het Veiligheidsbureau, riep informeel de hulp in van zijn vroegere collega’s en vroeg uitdrukkelijk om het gerecht nog niet te verwittigen (hoewel er duidelijk stafbare feiten waren gepleegd en de Staatsveiligheid wettelijk verplicht is om dat te melden aan het parket). Daarop werd besloten een covert action op te zetten om de spionnen te betrappen. Op 7 maart installeerde de technische dienst van de Staatsveiligheid op discrete wijze camera’s in de technische lokalen waar de afluisterapparatuur was aangetroffen. De valstrik mislukte, want op 19 maart publiceerde de Franse krant Le Figaro onthullingen over de zaak. De covert action werd noodgedwongen stopgezet. Pas daarna werd de sectie Contraspionage van de Staatsveiligheid ingeschakeld.

Maatje te groot

Comité I: ‘Blijkbaar is deze zaak op vrij informele en nogal ordeloze wijze behandeld, zonder gestructureerd actieplan’

Ondertussen had het Veiligheidsbureau op 10 maart nog eens drie dozen ontdekt, dit keer verbonden met de telefooninstallaties van de Franse, Duitse, Spaanse en Oostenrijkse delegaties. In totaal ging het om vier identieke en nog actieve zwarte dozen, verscholen in verschillende technische schachten van het gebouw. Enkel aan de eerste doos zat een kabeltje dat zichtbaar was. De andere dozen waren met het blote oog volledig onzichtbaar. De dozen bleken elk afzonderlijk verbonden met het vertaalsysteem in de delegatieruimtes. “Het gaat om zendapparatuur die onder meer toelaat om de gesprekken op te nemen die in de vergaderzalen worden gehouden”, stelt het rapport. In de delegatieruimtes overleggen de staatshoofden en regeringsleiders voor en na belangrijke Europese topvergaderingen met hun adviseurs. Op het moment van de ontdekking woedde bijvoorbeeld volop de discussie over de eventuele deelname van de Europese landen aan de Amerikaanse invasie in Irak. Omdat de apparaten zaten ingemetseld in de muren werd duidelijk dat ze tijdens of vlak na de bouw van het Justus Lipsiusgebouw werden aangebracht. De spionage begon met andere woorden in 1995, toen het gebouw in gebruik werd genomen.

De Staatsveiligheid begreep dat deze zaak voor haar een maatje te groot was. “Als gevolg van een tekort aan personeel en vooral van het tekort aan wettelijk toegelaten technische middelen is het voor de Staatsveiligheid onmogelijk om voldoende ondersteuning te bieden”, schreef Koen Dassen, de toenmalige chef van de Belgische inlichtingendienst aan de regering. “Bijgevolg werden de inlichtingendiensten van verschillende andere lidstaten bij het onderzoek betrokken.” Op 11 maart werden de betrokken delegaties op de hoogte gebracht. Ook de Britse, Franse, Duitse, Spaanse en Oostenrijkse inlichtingendiensten werden gealarmeerd. Ze kwamen naar Brussel en nemen elk ‘hun’ zwarte doos mee voor technisch onderzoek. Wellicht vond één van die diensten het nodig om vervolgens Le Figaro te tippen.



Verborgen camera’s

Ook de Belgische regering werd op 13 maart geïnformeerd over de afluisteroperatie, maar vreemd genoeg kon het Comité I niet achterhalen of en hoe toenmalig premier Guy Verhofstadt (Open Vld) en zijn ministers van Justitie en Buitenlandse Zaken hierop hebben gereageerd. “Dit soort zaken kan altijd ernstige gevolgen hebben,” waarschuwde Dassen de regering, “vooral wanneer men probeert verantwoordelijkheden te leggen. Vooreerst is er de povere reactie van België, als gastland, vis-à-vis een dermate ernstig incident. Vervolgens het feit dat het gebouw door België volledig ingericht aan de EU is overgedragen, en er zou blijken dat de afluisterapparatuur er vanaf het begin was geïnstalleerd… Kortom, dit alles kan de beslissing in gevaar brengen die in Nice werd genomen om alle Europese topontmoetingen in Brussel te organiseren, ten eerste wegens de gebrekkige persoonsbescherming en nu ook inzake de fysieke bescherming van de gebouwen en het onderzoek ervan. Indien de beslissing van Nice zou worden herzien of, erger nog, indien de EU zou overwegen om één van haar instellingen te verhuizen, dan zouden de directe en indirecte economische gevolgen heel zwaar wegen.”

Begin april, na een intern onderzoek en het bekijken van de opnames van de verborgen camera’s, bezorgde het Veiligheidsbureau aan de Staatsveiligheid de namen van vier technici die als verdacht werden beschouwd. “De vermoedens waren ingegeven door het feit dat de betrokkenen, op 28 februari 2003 aanwezig in het Justus Lipsiusgebouw, toegang hadden tot de vertaalsystemen waarop de zwarte dozen waren aangesloten”, zegt het rapport. “Het Veiligheidsbureau meldde dat onder hen twee technici een technische opleiding hadden gevolgd bij de firma Comverse in Israël. Precies het vertaalsysteem Comverse werd geïnstalleerd in het Justus Lipsiusgebouw.”

Achterdeur

Comverse werd inmiddels omgedoopt tot Verint, en dit volgens het Comité I “als gevolg van verdenkingen volgens dewelke de firma banden zou hebben met de Israëlische inlichtingendiensten”. De firma had immers al een zekere reputatie. Comverse leverde onder meer tapkamers en afluisterapparatuur aan zowat alle Amerikaanse politie- en veiligheidsdiensten. Maar in juni 2001 werd het bedrijf genoemd in diverse media, onder andere Le Monde, in verband met een infiltratieactie van een netwerk van Israëli’s via informaticafirma’s die materieel verkochten aan diverse overheidsinstanties in de VS. De FBI vermoedde dat de software van Comverse over een ‘achterdeur’ beschikte, zodat de Mossad desgewenst online kon meeluisteren.

Gelijkaardige beschuldigingen verschenen in 2002 in de Nederlandse pers over de tapkamers die Comverse had geleverd voor de Nederlandse politie. Het Comité I schrijft in haar rapport: “Volgens vele open bronnen, gekend door de Staatsveiligheid en die het Comité I kon raadplegen, zou de firma Comverse Infosys Ltd. voor 40 procent eigendom zijn van het Israëlisch ministerie van Binnenlandse Zaken (waaronder de Mossad ressorteert). Comverse zou in opspraak gekomen zijn bij afluisteraffaires in de VS en in Nederland, maar zonder ooit door een rechtbank veroordeeld geweest te zijn.”

Speld in een hooiberg

Op 15 april 2003, anderhalve maand na de start van de affaire, besloot de Raad van de EU bij de procureur-generaal van Brussel klacht in te dienen tegen onbekenden wegens het plaatsen van apparatuur bestemd voor interceptie van het telefoonverkeer in de lokalen waar de Duitse, Franse, Britse, Oostenrijkse en Spaanse delegatie vergaderen. Een magistraat van het federaal parket werd met de zaak belast.

Ook het Veiligheidsbureau ging verder met haar intern onderzoek, maar geraakte niet veel verder. “Het is echt zoeken naar een speld in een hooiberg, zo enorm is de opdracht”, noteerde de Staatsveiligheid in een intern verslag. “Bovendien melden de leden van het Veiligheidsbureau ons dat dit onderzoek voor de hiërarchie van de Raad in geen geval prioritair is. Vanaf het begin stelt het Veiligheidsbureau zich essentiële vragen: waarom heeft de Raad de Belgische gerechtelijke autoriteiten niet onmiddellijk op de hoogte gebracht? Waarom heeft de Raad een beroep gedaan op de diensten van de geviseerde delegaties? Waarom hebben deze diensten de verschillende dozen meegenomen naar het buitenland? Wie heeft de toelating gegeven om deze dozen weg te halen?”

Bijzonder misnoegd

Nadat de naam Comverse was gevallen, werd het bij de Staatsveiligheid windstil. “Daarna lijkt er bij de Staatsveiligheid niets meer te bewegen gedurende zes maanden”, stelt het Comité I. “Op 19 maart 2004 stelt de sectie belast met de georganiseerde misdaad een rapport op over een van de verdachten die een technische opleiding hebben genoten bij de firma Comverse in Israël. Dit rapport bevat echter geen belangrijke elementen.”

De federale politie, ingeschakeld door het federaal parket, stuurde op 31 augustus 2004 een officieel verzoek tot informatie naar de Staatsveiligheid over eventuele spionageactiviteiten van de Israëlische firma Verint, voorheen Comverse. “De politie meldt aan de Staatsveiligheid dat zij van Interpol Washington heeft vernomen dat deze firma in de VS werd vervolgd, meer bepaald wegens feiten van spionage.” De inlichtingendienst antwoordde dat dit verzoek door de federale magistraat moest worden ingediend, wat ook gebeurde op 7 oktober 2004. Pas op 28 januari 2005 stuurde de Staatsveiligheid dossier naar de federale magistraat, die hierover “bijzonder misnoegd” was, want het bleek onvolledig. De ontbrekende stukken arriveerden op 2 februari.

Niet bruikbaar

Op 25 mei 2005 deed de federale politie een nieuwe poging en vroeg aan de Staatsveiligheid “alle niet-geclassificeerde informatie te verstrekken over Comverse” en “twee buitenlandse diensten te ondervragen over deze firma”, meer bepaald een Amerikaanse en een Nederlandse inlichtingendienst. De Amerikaanse dienst antwoordde dat Comverse nooit vervolgd is geweest voor feiten van spionage in de VS. De Nederlandse correspondenten gaven zelfs geen antwoord.

Uiteindelijk stuurde Dassen, de chef van de Staatsveiligheid, op 13 september 2005 een rapport van vier pagina’s naar de federale magistraat. “Dit rapport beschrijft ook het resultaat van de verificaties die werden verricht met betrekking tot de vier technici die het Veiligheidsbureau al op 3 april 2003 als verdachten had aangewezen. Twee van hen hadden een opleiding gekregen bij de firma Comverse in Israël en hadden in het bijzonder de aandacht van de dienst getrokken. Er kon echter geen enkel belangrijk element tegen hen worden weerhouden.”

Het rapport van Dassen was geclassificeerd en bijgevolg niet bruikbaar in het strafdossier. Daarna viel alles stil. Er waren over deze zaak geen contacten meer tussen de Staatsveiligheid, de federale politie en het federaal parket. “Op de datum waarop dit rapport wordt goedgekeurd, 31 maart 2010, zijn de resultaten van het gerechtelijk onderzoek nog steeds niet bekend”, noteert het Comité I. “Meer dan zes en een half jaar na de ontdekking van het afluistersysteem, is het onderzoek van het federaal parket nog altijd niet afgerond en is het resultaat ervan nog altijd niet bekend.” Volgens De Tijd heeft het federaal parket vorige week besloten om niemand meer te vervolgen.



Clandestien

Het Comité I betreurt in haar conclusies “dat de Staatsveiligheid zo terughoudend is geweest om meer toelichting te geven bij deze zaak en zo lang gewacht heeft om essentiële documenten te bezorgen”. Het betreurt ook dat Dassen, die werd uitgenodigd om over deze zaak te getuigen, aan het Comité heeft laten weten “dat hij van mening was dat hij geen uitleg kon verstrekken die nuttig kon zijn in het kader van dit onderzoek”. Het controlecomité kan immers alleen actieve leden van de inlichtingendiensten verplichten om te getuigen, redeneerde Dassen, die in januari 2006 ontslag nam als administrateur-generaal van de Staatsveiligheid.

“De Staatsveiligheid heeft in deze zaak geen blijk gegeven van volledige efficiëntie”, stelt het rapport. “Blijkbaar is deze zaak op vrij informele en nogal ordeloze wijze behandeld, zonder gestructureerd actieplan. Terwijl ten minste zeven secties bij dit dossier betrokken waren, blijkt niemand bij de Staatsveiligheid zich werkelijk te hebben belast met de coördinatie en de opvolging van de evolutie van dit dossier.”

In andere landen zou een dergelijk afluisterschandaal, waarbij staatshoofden en toppolitici gedurende jaren ongestraft en clandestien werden afgeluisterd, de gemoederen hevig beroeren. Niet zo in België. De krachtlijnen van het rapport van het Comité I, die vorige week uitlekten in De Tijd, veroorzaakten nauwelijks een rimpeling. Een paar kranten namen het bericht over in een kort artikeltje, en daarmee was de kous af. Blijkbaar heeft niemand zin om voor deze zaak de diplomatieke relaties met Israël op het spel te zetten.



http://www.apache.be/2011/01/mossad-mag-europese-staatshoofden-in-brussel-ongestraft-afluisteren/
1   ...   14   15   16   17   18   19   20   21   ...   46

  • Quick Reaction Alert
  • Mossad mag Europese staatshoofden in Brussel ongestraft afluisteren

  • Dovnload 4.3 Mb.