Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave: Onderzoek naar zaadbanken en kolonisatie van waterplanten

Dovnload 59.47 Kb.

Inhoudsopgave: Onderzoek naar zaadbanken en kolonisatie van waterplanten



Datum21.09.2017
Grootte59.47 Kb.

Dovnload 59.47 Kb.

Verslag van de twaalfde bijeenkomst van het Platform Ecologisch Herstel Meren

d.d. 11 november 1999, te Nieuwersluis

Inhoudsopgave:
Onderzoek naar zaadbanken en kolonisatie van waterplanten

door Marcel van den Berg (RIZA)

Maaien waterplanten in het Veluwemeer

door Inge de Vries (RDIJ)

Stabiliteit Veluwerandmeren

door Ernst Rijsdijk (RDIJ) en Marie-louise Meijer (RIZA)

Ontwikkelingen kranswiervegetatie in Botshol

door Emile Nat (LIK)

Stand van zaken visstand Friesland

door Marcel Klinge (Witteveen en Bos)

Evaluatie Geerplas en Nieuwkoopse plassen

door Jo Caris (Hoogheemraadschap Rijnland)

Nieuwe werkwijze STOWA

door Bas van der Wal (STOWA)

Internet-site Platform Ecologisch Herstel Meren

door Willemien Joosse (RIZA)

Rondje projecten
--------------------------------------------------------------------------------

Onderzoek naar zaadbanken en kolonisatie van waterplanten in Zuidlaardermeer, Binnenschelde, Nannewijd, Volkerak-Zoommeer en Wolderwijd

door Marcel S. van den Berg (RIZA)

Introductie van voortplantingsorganen van waterplanten: een nieuwe kans naar helder en plantenrijk water?



De ontwikkeling van watervegetatie is essentieel voor het helder houden van ondiepe meren. Om het water zo helder te krijgen dat water-vegetatie zich kan ontwikkelen is echter moeilijk. Dit onderzoek laat zien dat introductie van zaden (en andere voortplantingsorganen) een nieuwe methode kan zijn om het water weer helder en plantenrijk te maken. Tevens suggereren de resultaten dat de vegetatie door de zaadbank weerstand opbouwt tegen een verslechterend lichtklimaat.
In het voorjaar van 1999 werd sediment met buizen verzameld op 30 plekken per meer in het Nannewijd, Zuidlaardermeer, Binnenschelde, Wolderwijd en het Zoommeer. Op elke plek werden op een oppervlak van ca. 100 m2 5 steken met een steekbuis (diameter ca. 5.6 cm) genomen. Deze 5 steken werden verder behandeld als één monster. Het sediment werd per monster in een emmer gebracht en aangevuld met standplaatswater en geplaatst in het laboratorium (TL buizen 16L-8D, c. 20 °C). Gedurende 10 weken werd bijgehouden hoeveel planten kiemden en van welke soort. Na deze periode werd het sediment gezeefd over een 500 µm zeef om zaden te verzamelen en de hoeveelheid sediment te reduceren. De dichtheid, het drooggewicht en de soort van het niet ontkiemde zaad werd bepaald. In de zomer werden de bemonsterde locaties weer bezocht (localisatie met DGPS) en werd een opname van de vegetatie gemaakt en de diepte bepaald. Met data van de waterbeheerders is een schatting gemaakt van de gemiddelde lichtuitdoving in het voorjaar en zomer m.b.v. Secchi-diepte en chlorofyl-a gehalte.
De zaadbankbiomassa van de bemonsterde plekken varieerde tussen minder dan 0.1 g m-2 en de 100 g m-2. Het sediment van het Zoommeer en Binnenschelde bevatte de hoogste zaadbankbiomassa (gemiddeld ca. 10 g m-2), terwijl de zaadbankbiomassa in het Wolderwijd en het Zuidlaardermeer rond de 5 g m-2 lag. In het Nannewijd werden buiten de plek waar zaden werden aangebracht geen zaden aangetroffen. Uit de meren met de lage zaadbankbiomassa ontkiemde relatief veel zaden (ca. 60 % kieming). Uit de meren met een relatief hoge zaadbankbiomassa ontkiemde 10 tot ca. 50 % van de zaden. Fonteinkruiden (ca. 50 %) kiemde beter dan de andere soorten (0-25 %). Met behulp van een schatting van de eufotische diepte, de gemiddelde extinctie en de diepte is een schatting gemaakt van de beschikbare hoeveelheid licht dat op de bodem valt. Met een logistisch model werd de relatie gelegd tussen het licht op de bodem, de zaadbankbiomassa en het voorkomen (de kans) dat water-vegetatie de volgende zomer aanwezig is. Het model (zie figuur 1) voorspelt ca. 80% van de waarnemingen goed, en voorspelt een grote kans op vegetatie bij veel licht én hoge zaadbankbiomassa. Bij laag licht én lage zaadbankbiomassa is de kans op vegetatie erg klein. Het gebied met verschillende combinaties van licht en zaadbankbiomassa is interessant voor de waterbeheerder. Uit de figuur kan worden afgeleid dat de kans op watervegetatie sterk te vergroten is door een zaadbank te introduceren. Ook suggereert deze figuur dat de kans op watervegetatie een verslechtering van het lichtklimaat kan weerstaan als de zaadbankbiomassa maar hoog is.
In het troebele Nannewijd is een zaadbank geïntroduceerd uit het Veluwemeer. Ongeveer 1 m3 sediment, rijk aan voortplantingsorganen van C. aspera, werd op een vlak van ca. 20x20 meter uitgespreid. Na introductie bleek een zaadbankbiomassa van ca. 0.1 g m-2 aanwezig te zijn. Gezien de dichtheid van de zaden in het gehele meer kan worden aangenomen dat de biomassa voor introductie 0 g m-2 was. In de navolgende zomer werden slechts 2 planten van C. aspera aangetroffen. Verwacht mag worden dat er geen verdere productie is geweest van nieuwe voortplantingsorganen. Uit figuur 1 kan worden afgeleid dat de introductie van zaden te laag is geweest om een significante toename van de kans op watervegetatie te verwachten (licht = 2 en zaadbank =0,1). Pas bij een zaadbankbiomassa van 3 g m-2 of meer heeft een introductie een grote kans op slagen. Bovendien liet een controle groei-experiment zien dat kranswieren in het sediment en het water van het Nannewijd bijna de helft minder snel groeide dan in Veluwemeer sediment en water. Het introduceren van een andere soort kan dus de kans op succes ook vergroten.
Verder onderzoek moet uitwijzen of het introduceren van 'hot-spots' (plekken met een klein oppervlak b.v.1 m2) met een zeer hoge dichtheid aan voortplantingsorganen wel succesvol kan zijn. Ook kan worden onderzocht of een introductie op grote schaal mogelijk is. Introductie van zaden is zeker aan te bevelen in combinatie met ABB, doordat het water dan vaak wel helder is maar de waterplanten niet altijd even snel terugkomen. Ook kan introductie de snelheid van toename van vegetatie versterken, doordat de verspreidingsafstand van zaden (ca. 1-2 km voor Chara in het Veluwemeer) in grote meren relatief klein is.

Tijdens de discussie werd opgemerkt dat de kiemkracht van de zaden erg hoog werd gevonden (50-60%). In het veld zal de kiemkracht waarschijnlijk lager zijn dan in het laboratorium.



Figuur 1. Kans op ondergedoken waterplanten in relatie tot lichtbeschikbaarheid en biomassa van voortplantingsorganen in het sediment.
--------------------------------------------------------------------------------
Maaien van waterplanten in het Veluwemeer

door Inge de Vries


1 Inleiding
Ondergedoken waterplanten zijn voor het waterbeheer een belangrijke doelvariabele. Ze zijn van cruciale betekenis voor de ecologische doelstellingen (er zijn grote natuurwaarden verbonden aan waterplantenrijk ondiep water) en de waterkwaliteit doelstellingen (stabiel, helder water). In het gehele IJsselmeergebied is een trend zichtbaar waarbij waterplanten toenemen, als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van eutrofiëring. De spectaculaire ontwikkelingen in de Veluwerandmeren zijn een aansprekend voorbeeld van ecologisch herstel. De terugkeer van de watervegetatie heeft echter ook een keerzijde. Varende recreanten hebben last van de planten, doordat ze er in verstrikt raken met hun vaartuigen. Met name Doorgroeid fonteinkruid levert overlast op. De beheerder zoekt naar mogelijkheden om deze overlast te beperken zonder daarbij de met waterplanten geassocieerde waterkwaliteits- en natuurwaarden te verminderen.

Tijdens het onderzoek wordt naar een evenwicht gezocht naar zoveel mogelijk vegetatie zonder onaanvaardbare overlast voor recreanten. De zoektocht naar en de effecten van zo'n evenwicht kan worden vertaald in een aantal onderzoeksvragen.

A) Op welk tijdstip in het seizoen kan er het best gemaaid worden.

B) Op welke hoogte (t.o.v. de bodem) kan er het beste gemaaid worden.

C) Hoe reageren Kranswier en Doorgroeid fonteinkruid op het maaien?

In 1999 zijn maaiproeven uitgevoerd met het doel bovenstaande onderzoeksvragen (A, B en C) te beantwoorden.

2 Uitvoering maaiproeven in het Veluwemeer in 1999
2.1 Gebieden

Er zijn drie gebieden in het Veluwemeer die gemaaid worden, de problematiek in deze gebieden heeft een ietwat uiteenlopend accent.

Gebied A (18 ha)

Doorgroeid fonteinkruid veroorzaakt overlast door vastlopen in motoren, kielen e.d.. Doel van het maaien is in de eerste plaats het voorkomen van waterplanten die naar het wateroppervlak groeien. Getracht wordt Kranswier te bevoordelen en daardoor Doorgroeid fonteinkruid blijvend te onderdrukken.

Gebied B

Proefstroken waar op kleine schaal verschillende behandelingen worden uitgevoerd, om de effecten van verschil in maaihoogte en tijdstip te bepalen.

Gebied C

Kranswier groeiend in ondiep water hindert de doorvaart naar jachthavens aan de oude landzijde.

De gebieden A, B en C in het Veluwemeer zijn op verschillende tijdstippen in het seizoen gemaaid.

3 Bedekking watervegetatie Veluwemeer


Om een duidelijk beeld te krijgen van de reductie van Doorgroeid fonteinkruid door het maaien in week 22 en week 29, is het percentage reductie uitgezet voor de verschillende gemaaide vakken (grafiek 1 en 2). Opvallend is dat de reductie van Doorgroeid fonteinkruid erg hoog is in week 22 (meer dan 80% bij de vakken die op de bodem zijn gemaaid en meer dan 65% bij de vakken die op 60 cm hoogte zijn gemaaid). In week 29 is in raai 1 een toename van de hoeveelheid Doorgroeid fonteinkruid waargenomen, in raai 2 en 3 een afname. Deze afname is echter minder groot dan in week 22. De reductie van Aarvederkruid en Kranswier is echter in de meeste gevallen groter.

Grafiek 1 Percentage reductie van Kranswier, Doorgroeid fonteinkruid en Aarvederkruid, in proefvak B, week 22, Veluwemeer. De vakken 1.8, 2.8 en 3.8 zijn op de bodem gemaaid; de vakken 1.9, 2.9 en 3.9 zijn op 60 cm hoogte gemaaid.


Grafiek 2 Percentage reductie van Kranswier, Doorgroeid fonteinkruid en Aarvederkruid, in proefvak B, week 29 , Veluwemeer. De vakken 1.5, 2.5 en 3.5 zijn op de bodem gemaaid; de vakken 1.6, 2.6 en 3.6 zijn op 60 cm hoogte gemaaid.


4 Voorlopige conclusie
Het maaien heeft duidelijk direct effect gehad op de biomassa en hoogte van de vegetatie.

Het maaien reduceert de hoeveelheid Doorgroeid fonteinkruid sterk, maar de hergroeicapaciteit bleek ook opvallend groot: binnen twee weken groeiden afgemaaide planten alweer aan het wateroppervlak.

Doordat de tweede maaibeurt is uitgesteld van de geplande week 26 naar week 29, is de piek van de bedekking, die rond week 24 viel, gemist. Daarna trad het verschijnsel op, dat levende Doorgroeid fonteinkruid stengels naar beneden zakten, waardoor tegen het eind van het groeiseizoen weinig vegetatie meer boven het niveau van de kranswieren uitstak.

Verschillen tussen maaien op de bodem en op 60 cm boven de bodem zijn vooral zichtbaar voor de kranswieren: het blijkt dat 60 cm hoogte redelijk effectief de kranswieren "buiten schot" laat. De effectiviteit in het terugdringen van fonteinkruid zal pas bij de interpretatie van de latere metingen duidelijk worden.

--------------------------------------------------------------------------------
Stabiliteit Veluwerandmeren

door Ernst Rijsdijk (RDIJ) en Marie-Louise Meijer (RIZA)


Stabiliteit Veluwerandmeren, aanleiding en beheersvragen

Beeld van de Veluwerandmeren in de periode 1990-1997:


constante fosfaatbelasting Veluwemeer en Wolderwijd. Die van het Drontermeer en Nuldernauw is hoger en wisselvallig;

Constante verblijftijd;

Lichte daling van de fosfaatconcentratie in de meren;

Sterke daling van het chlorofyl en een sterke toename van het doorzicht;

Sterke opkomst van kranswieren.

Hoe kan dit?


In 2030 zal, als gevolg van autonome ontwikkelingen, de balans voor de Veluwerandmeren drastisch veranderd zijn. De fosfaatbelasting is toegenomen met 25%, de verblijftijd met 19%. Is dat erg?

Dit was aanleiding om het RIZA te vragen uit te zoeken:


Waaraan is de omslag in de Veluwerandmeren te danken?

Hoe stabiel is de huidige situatie?

Hoe ontwikkelt het ecosysteem zich?

Bij welke omstandigheden valt het ecosysteem terug in de troebele toestand?

De achterliggende gedachte was dat uitgezocht dient te worden in hoeverre aanvullende beheersmaatregelen in de toekomst noodzakelijk zijn (zoals vergaand defosfateren bij de rwzi's).
Aanpak: dwarsverbanden en causaliteit tussen
Water- en stofbalansen;

Waterkwaliteit;

Ecologie.
Start analyse 1980, eindig 2030
Stabiliteit van de Veluwerandmeren
De omslag in het ecosysteem van de Veluwerandmeren is vooral te danken aan de gestage afname van de nutriëntenbelasting en de aanwezigheid van ondiepe zones in het meer waar de kolonisatie van kranswieren kon aanvangen bij een relatief laag doorzicht. Bij een fosfaatconcentratie lager dan 0,10 mg P/l en een doorzicht van > 0,4 m zijn in het Veluwemeer (omstreeks 1987) en in het Wolderwijd (in 1991) op de ondiepe delen van het meer de kranswieren teruggekeerd en bleef het water helder boven de kranswiervelden. Vanaf 1995 wordt in het Veluwemeer, Wolderwijd en Nuldernauw regelmatig ook buiten de kranswiervelden een doorzicht van meer dan 1 meter gemeten, als gevolg van de verdere uitbreiding van de kranswieren, die mogelijk is versneld door de terugkeer van driehoeksmosselen en de afname van de benthivore vis. Deze heldere toestand kent stabiliserende mechanismen: bij een toenemende hoeveelheid kranswieren neemt de retentie van fosfaat toe, het achtergronddoorzicht neemt toe en de algenbiomassa blijft laag onafhankelijk van de nutriëntenconcentraties. Vooral kranswieren spelen bij deze processen een dominante rol, omdat zij de grootste biomassa in de plantenpopulatie van de Veluwerandmeren veroorzaken.

Bij stabiliteit kan onderscheid gemaakt worden tussen weerstand en veerkracht. Een ecosysteem heeft weerstand, wanneer het niet verandert bij een toename van de externe druk. Een ecosysteem heeft veerkracht wanneer het binnen een bepaalde tijd herstelt van een verandering nadat de externe druk weer is opgeheven. Voor de Veluwerandmeren dient vooral gestreefd te worden naar weerstand van de heldere toestand, omdat bij een systeem met weerstand de kans het kleinst is dat het terugvalt naar een troebele toestand. Omdat weerstand vrij hoge eisen stelt aan het ecosysteem, is in de praktijk veerkracht ook van belang.

Om de kritische grenzen voor de stabiele heldere toestand aan te kunnen geven is onder andere gebruik gemaakt van een stochastisch model waarbij op basis van de meetgegevens relaties zijn afgeleid tussen de fosfaatbelasting, de fosfaatconcentratie, de chlorofyl-a concentratie en het doorzicht en de bedekking met kranswieren. Met behulp van het stochastische model en de analyse van historische gegevens van de meren is afgeleid dat de heldere toestand van de Veluwerandmeren (een zomergemiddeld doorzicht van > 1 m) weerstand vertoont wanneer zoveel kranswieren aanwezig zijn (verspreid over > 70% van het meer oppervlak) dat omgerekend meer dan 30% van het meer bedekt is met een 100% dichte bedekking van kranswieren. De toelaatbare fosfaatconcentratie is afhankelijk van de waterplantenbedekking, maar mag maximaal 0,15 mg P/l bedragen.

Het gebied waar veerkracht kan optreden wordt begrensd door een totaal-fosfaatconcentratie van 0,10 mg P/l en de combinatie van de fosfaatconcentratie en de berekende bedekking van kranswieren waar een doorzicht van 1,0 m optreedt (grens met weerstand). Bij veerkracht wordt verder onderscheid gemaakt tussen het gebied met hoge veerkracht (doorzicht > 0,5 m en < 1 m), waarbij herstel binnen 3 jaar mogelijk is en een gebied met lage veerkracht (doorzicht < 0,5 m), waarbij herstel naar de heldere toestand wel 3-10 jaar kan duren.

Het Veluwemeer bevindt zich op de rand van het gebied met weerstand en veerkracht. Het Veluwemeer heeft nog een verdere toename van de kranswieren nodig om ruimschoots weerstand te kunnen bieden aan externe druk. Naar verwachting kan in het Veluwemeer vooral de dichtheid van de kranswieren nog verder toenemen. Bij een geringe afname van de hoeveelheid waterplanten of een toename van de fosfaatconcentratie (of van de achtergrondstroebeling) zal het Veluwemeer terugvallen naar een situatie met alleen plaatselijk helder water waar veerkracht aanwezig is. In het Wolderwijd en Nuldernauw is alleen veerkracht aanwezig. Er is plaatselijk (in het ondiepe deel van het meer) een ieder jaar terugkerende kranswierpopulatie aanwezig die het systeem de veerkracht biedt om onder gunstige omstandigheden de hoeveelheid kranswieren en de helderheid verder te doen toenemen. In het Wolderwijd en Nuldernauw kan naar verwachting alleen in jaren met een lage nutriëntenbelasting een uitbreiding van de kranswieren richting de diepere delen van de meren plaatsvinden. Het Drontermeer is nog in ontwikkeling en hoewel daar het doorzicht de laatste jaren toeneemt, bevindt het meer zich nog dichtbij de troebele toestand.

Naar verwachting zal in het Drontermeer een geleidelijke toename van de dichtheid van de kranswieren optreden, omdat daar de ondiepe delen nog niet volledig zijn gekoloniseerd. Incidenteel kunnen in alle meren drijflagen van blauwalgen voorkomen.

Op basis van klimatologische veranderingen, uitbreiding van de RWZI's, verdrogingsbestrijdingsprojecten en een verwachte uitbreiding van de zandwinning is geschat dat de fosfaatbelasting in 2030 met ongeveer 20% zal toenemen en de verblijftijd met ongeveer 25%. De stikstofbelasting zal afnemen (-13%).

Als maat voor de verwachte veranderingen in de toekomst is de overschrijdingskans van de totaal-fosfaatconcentratie van 0,10 mg P/l gehanteerd. Dit is de grens voor weerstand bij een kranswierbedekking van ongeveer 35% en de grens voor veerkracht. Voor een stabiel en helder ecosysteem dient de totaal-fosfaatconcentratie lager te zijn dan 0,10 mg P/l. De overschrijdingskans voor doorzicht wordt vrijwel niet door de veranderingen in de balansposten beïnvloed, omdat het doorzicht vooral wordt bepaald door de hoeveelheid kranswieren en eventuele verstoring van achtergronddoorzicht.

In alle meren wordt verwacht dat in 2030 de overschrijdingskans van de fosfaatconcentratie aanzienlijk zal toenemen. Aanvullende fosfaatreducerende maatregelen kunnen het effect van de verwachte veranderingen voor 2030 compenseren. In het Veluwemeer kan uitvoering van de 4e trap zuivering bij de RWZI van Harderwijk de in 2030 verwachte toename van de overschrijdingskans van een zomergemiddelde totaal-fosfaatconcentratie van 0,10 mg P/l weer ongeveer terugbrengen op het huidige niveau. In het Wolderwijd en Nuldernauw kan vooral uitvoering van Delta Schuitenbeek de kans op 0,10 mg P/l weer doen afnemen tot zelfs onder het huidige niveau.

In het Drontermeer is een terugkeer van de overschrijdingskans van de huidige situatie te verwachten bij uitvoering van de 4e trap zuivering op de RWZI van Harderwijk en Elburg.

Wanneer in de toekomst maatregelen worden genomen die de biomassa van de planten substantieel verlaagt, mag worden verwacht dat het doorzicht van het water zal afnemen.

--------------------------------------------------------------------------------


Ontwikkelingen Kranswiervegetatie in Botshol

door Emile Nat (Landelijk Informatiecentrum voor Kranswieren)


Bij de tiende bijeenkomst van het Platform, in november vorig jaar, hebben Winnie Rip (DWR) en Maarten Ouboter (WL) ook al een verhaal gehouden over Botshol. Er werd toen voornamelijk ingegaan op het scheppen van kansen voor waterplanten waarbij de nadruk op het beheer lag. Wat voor effect heeft het uitgevoerde beheer op de watervegetatie, en dan met name de kranswieren, gehad? Daar gaat het in deze bijdrage over. Het natuurreservaat Botshol, gemeente Abcoude, is een moerasgebied van 287 ha met twee relatief grote veenplassen: Kleine- en Grote Wije. De gemiddelde diepte van de plassen is 2 meter, met een put van 3 meter in de Grote Wije. Aan de oostkant grenst Botshol aan de Noordplas van de Vinkeveense plassen die tot hetzelfde verveningsgebied behoort. De diepe polder Groot Mijdrecht grenst aan de zuidkant. Botshol is een terrein van Natuurmonumenten, het praktisch waterbeheer berustte tot 1997 bij de provincie Utrecht en sindsdien bij het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. Het beheer wordt uitgevoerd door de Dienst Waterbeheer en Riolering(DWR).

Het bijzondere karakter van Botshol wordt grotendeels bepaald door het rijke voorkomen van kranswieren en van de zeldzame waterplant Groot nimfkruid (Najas marina). De eerste wetenschappelijke beschrijving is van Westhoff die de situatie vanaf 1940 schetst. Vanaf de jaren zestig zijn er geregeld vlakdekkende waterplanten-inventarisaties uitgevoerd en van 1987 tot en met 1998 zelfs jaarlijks. Van 1999 is een globaal overzicht bekend van de waterplantenbegroeiing in de plassen van Botshol. In 1989 zijn er ingrijpende maatregelen uitgevoerd, die komen kort ter sprake. De nadruk van deze bijdrage zal liggen op de invloed van het beheer op de watervegetatie van de plassen van Botshol in de periode 1989-1999. Recente ontwikkelingen worden geschetst, waarbij wordt getracht in te schatten hoe de watervegetatie daarop zal inspelen. Tot nog toe hebben de ontwikkelingen van de watervegetatie in Botshol er voor gezorgd dat de beheerders dikwijls met een hoofd vol vraagtekens in het water hebben gestaard. Het mechanisme is (nog) niet ontsluierd.

--------------------------------------------------------------------------------
Stand van zaken visstand Friesland

door Marcel Klinge (Witteveen en Bos)


In opdracht van Waterschap Friesland, de Friese Federatie van Sportvissersverenigingen en de Friese Bond van Binnenvissers is in 1998 door Witteveen+Bos de visstand in tien (complexen van) boezemmeren bemonsterd. De bemonstering vormde een voortzetting van jaarlijkse bemonsteringen in de periode 1985­1996, welke grotendeels in het teken stonden van de beheers-visserijen in de periode 1989­1994.

Bij de uitvoering van de bemonsteringen en de opwerking van de veldgegevens is gebruik gemaakt van de diensten van AquaTerra Water en Bodem bv, welke heeft samengewerk met beroepsvissers van de Friese Bond van Binnenvissers. De bemonsteringen zijn uitgevoerd met een tien meter brede en 1,5 hoge in span getrokken kuil. Alle bemonsteringen zijn 's nachts uitgevoerd in de periode 27 juli ­ 21 augustus 1998.

In de boezemmeren is sprake van een sterk verbrasemde visstand van het brasem­snoekbaars type. De geschatte biomassa varieert van 150 tot 600 kg/ha. Hier liggen produktiviteitsverschillen tussen de meren aan ten grondslag. In tegenstelling tot de biomassa is de soortensamenstelling in de meren sterk vergelijkbaar. Vier soorten vertegenwoordigen gemiddeld 95% van de vis-biomassa: brasem (73), snoekbaars (9), blankvoorn (7) en pos (6). Algemene soorten binnen de resterende 5% zijn aal, baars, kolblei en snoek. Er bestaan verschillen tussen de meren, maar deze zijn klein.

Brasem is altijd sterk dominant, maar snoekbaars en blankvoorn wisselen elkaar regelmatig af als tweede en derde soort. Eén van de factoren welke hierbij een rol speelt is het voorkomen van driehoeksmosselen, hetgeen de blankvoorn-biomassa beïnvloedt.

De STOWA­beoordelingssystematiek typeert de ecologische toestand van alle meren als het beneden­laagste niveau. In alle meren speelt bodemwoeling door de visstand een grote rol.

Ten opzichte van de periode 1985­1996 is relatief weinig veranderd. Blankvoorn is toegenomen (waarschijnlijk als gevolg van de terugkeer van de driehoeks-mossel). Spiering is zeer sterk achteruit gegaan, maar dit kan als gevolg van de korte levensduur van deze soort (1 à 2 jaar) een toevallig en tijdelijk verschijnsel zijn. Van een verandering van het visstandstype is geen sprake; er is overal sprake van een brasem­snoekbaars gemeenschap.

Voor de Friese boezem wordt gestreefd naar een ecologisch herstel in de richting van helder en meer plantenrijk water met een daarbij behorende visgemeenschap. Vertaald naar de visstand betekent dit dat gestreefd wordt naar een ontwikkeling van de visgemeenschap in de richting van het snoek­blankvoorn type. Om dit te bereiken zijn is een pakket van maatregelen nodig, met als doelen:

­ verdere waterkwaliteitsverbetering, vooral op het gebied van eutrofiërende stoffen

­ aanpak van het slibprobleem, dat zorgt voor vertroebeling van het water, interne eutrofiëring en mogelijk belemmering van ondergedoken waterplanten.

­ condities scheppen voor de ontwikkeling van ondergedoken waterplanten, onder andere door een visstandbeheer gericht op reductie van de watervlooien- etende en bodemwoelende visstand.

­ duurzame verbetering van de toestand van de oevers. Op dit moment is meer dan 50% van alle oevers van de boezem te karakteriseren als afslagoever waar de vegetatie is verdwenen. Herinrichting in combinatie met instelling van meer natuurlijke waterstandsfluctuaties is noodzakelijk voor een duurzaam herstel.
Het bovenstaande pakket van integrale maatregelen omvat behalve het beheer van de visstand ook het beheer van het totale watersysteem. De problematiek is ook veel breder dan de visstand en heeft raakvlakken met diverse andere functies van de boezem, zoals recreatie (het slibprobleem), veiligheid (het water-kwantiteitsbeheer in relatie tot klimaatverandering en bodemdaling) en natuur (bijvoorbeeld de slechte toestand van de oevers in relatie tot de Europese Vogel­ en Habitatrichtlijn). Er is behoefte aan een totaalbenadering, een "integraal herstelplan Friese boezem", met oplossingen welke zoveel mogelijk doelen tegelijk dienen. Het beheer van de visstand speelt hierin zeker een rol. Op welke manier dit het best toegepast kan worden dient onderzocht te worden. De mogelijkheden variëren van zogenaamde beheersvisserijen tot meer grondige uitdunningen conform de doelstellingen van het actief biologisch beheer. Een proefmatige toepassing in een of enkele te selecteren boezemmeren wordt aanbevolen.

Naar aanleiding van deze presentatie ontstond een geanimeerde discussie over de vraag of de eerdere beheersvisserijen nu effect hebben gehad. Eddy Lammens heeft op basis van gegevens van de beheersvisserij in Friesland 1989 - 1994 geconcludeerd dat beheersvisserijen inderdaad de predatie van snoekbaars op kleine brasem hebben vergroot. De brasem groeide na de uitdunning snel weer aan. Marco Kraal benadrukt dat de sportvissers en de beroepsvissers het niet met elkaar eens zijn over het effect van de beheersvisserijen. Er ontstond een discussie waarin werd gezegd dat de uitdunning ook te gering is geweest. Een volgende keer moet meer vis worden verwijderd.


--------------------------------------------------------------------------------
Evaluatie eutrofiëringsbestrijdingsprojecten Geerplas/Nieuwkoopse Plassen: verleden,heden en toekomst

door Jo Caris (Hoogheemraadschap van Rijnland)


Verleden

Eind jaren tachtig bleken de Geerplas en de Nieuwkoopse Plassen sterk geëutrofieerd te zijn. Dit uitte zich in dominantie door blauwalgen, beperkt doorzicht, hoge nutriëntengehalten, een door brasem gedomineerde vissamenstelling en het zeer beperkt voorkomen van onderwatervegetatie. Om deze reden is voor beide plassen een eutrofiëringsbestrijdingsproject opgestart en zijn eind jaren tachtig, begin jaren negentig maatregelen genomen. Voor de Geerplas betekende dit vooral het verminderen van interne eutrofiëringsbronnen (nalevering vanuit de waterbodem door het baggeren van het bovenste sediment en isoleren van broedvogelkolonies van aalscholvers en reigers). De waterbodem was voor 80% de bron voor het in het water aangetroffen fosfaat. Daarnaast werd het water dat werd ingelaten voor peilbeheer chemisch gedefosfateerd.


De eutrofiëring in de Nieuwkoopse Plassen werd vooral veroorzaakt door inlaat van nutriëntenrijk water uit de Oude Rijn en vanuit het aangrenzende grasland langs de Meije. De inlaat van nutriëntenrijk water is goed voor 67% van de fosfaatbelasting. De maatregelen hadden met name tot doel om de fosfaatbelasting via inlaatwater te verminderen: vermindering van onttrekkingen, vermindering van lek- en schutverliezen via de Slikkendammersluis (Kromme Mijdrecht en de Ziendesluis (via de Ziende in verbinding met de Oude Rijn), chemische defosfatering van inlaatwater en het aanbrengen van een waterscheiding tussen de Nieuwkoopse Plassen en de graslanden langs de Meije.
Heden

Na bijna 10 jaar monitoren van de effecten van de maatregelen kan het volgende worden geconcludeerd:


Geerplas

De maatregelen hebben niet de verwachte verbetering van de waterkwaliteit opgeleverd (Fosfor < 0,08 mg/l; chlorofyl-a < 100 microg/l, helder water);

Fosfor en chlorofyl-a concentraties daalden voor een periode van drie jaar, maar stegen daarna weer tot de concentraties van voor de maatregelen;

De soortensamenstelling van fyto- en zoöplankton is na de maatregelen diverser dan ervoor;

De plotselinge toename van nalevering vanuit de waterbodem is gecorreleerd met een toename van het bicarbonaatgehalte. De causale verbanden zijn nog niet volledig opgehelderd.
Nieuwkoopse Plassen

Het fosforgehalte en het gehalte chlorofyl-a zijn gedaald (streefbeeld: Fosfor <0,02 mg/l, N< 1,5 mg/l, chlorofyl-a <25 microg/l); het doorzicht is toegenomen, maar de geëutrofieerde evenwichtssituatie is niet doorbroken;

Met name in het petgatengebied is het herstel ook waarneembaar in de vorm van een toename van de bedekkingsgraad door onderwaterplanten;

De soortensamenstelling van het fyto- en zoöplankton is nauwelijks gewijzigd.

Toekomst

Voor de Geerplas was het streefbeeld vrij exclusief gericht op de waterkwaliteit. Het is duidelijk dat realisatie van het streefbeeld niet binnen handbereik ligt. Na technische problemen met de defosfateringsinstallatie is in 1998 besloten om deze stil te zetten. Bij diverse instanties bestaat er belangstelling om het natuurstreefbeeld voor de Geerplas te verbreden: meer variatie in water en land, moerassige delen e.d. Indien het streefbeeld voor de Geerplas wordt verbreed, dient het streefbeeld voor de waterkwaliteit hierop te worden aangepast. Mogelijke aanvullende maatregelen moet worden gezocht in vergroting van de peilfluctuatie (minder inlaat), verbeteren van kolonisatiemogelijkheden door onderwaterplanten door ingrepen in de morfometrie, afvissen e.d.

Voor de Nieuwkoopse Plassen blijft het eindstreefbeeld gehandhaafd. Wel kan dit in de tijd worden gedifferentieerd (korte- termijn (5 jaar) en lange-termijn (10 jaar) streefbeeld). Het lijkt alsof het systeem zich op een kantelpunt bevindt en met een gerichte ingreep kan overgaan naar een evenwichtsfase met helder water. Geduld is derhalve ook een goede maatregel. Als aanvullende maatregelen kan worden gedacht aan retentie van het winterneerslagoverschot en vergroting van de peilfluctuatie van 0,03 m (vermindering zomerinlaat), ingrepen in de morfometrie ( verbetering kolonisatie door onderwaterplanten vanuit het petgatengebied), afvissen e.d..
--------------------------------------------------------------------------------
Nieuwe werkwijze STOWA

door Bas van der Wal (STOWA)


De STOWA bereidt momenteel een nieuwe strategienota voor. Belangrijk in het proces van totstandkomen is het overleg met de achterban van de STOWA en met mogelijke gebruikers van de uitkomsten van het STOWA-onderzoek. In dat licht wordt ook het Platform Ecologisch Herstel Meren en Plassen geraadpleegd.

Na een korte toelichting op het huidige onderzoek zullen onder andere de volgende vragen gesteld worden: Welke "onderzoeksniche" dient de STOWA volgens u te bezetten? en Wat zijn belangrijke thema's voor toekomstig STOWA-onderzoek?

Het huidige STOWA-programma bevat veel (meer dan 50) en daardoor kleine onderzoeken, die veelal voort zijn gekomen uit de problemen van het moment.

Een optie is de onderzoeksgelden meer in te zetten op grotere projecten met een meer grensverleggend (en daardoor risicodragend) karakter.

STOWA-onderzoeken zijn tot op heden meestal van technische, of natuurwetenschappelijke aard. Recente veranderingen in de organisatie van het regionale waterbeheer leiden tot andere onderzoeksnoden bij de waterbeheerders. De laatste tijd worden onderzoeksvragen gesteld van meer bestuurlijke aard. In welke mate de STOWA daaraan aandacht moet besteden is de vraag.

De STOWA wil in haar onderzoek vooroplopen en in een vroeg stadium toekomstige ontwikkelingen signaleren. Aan het Platform wordt gevraagd mee te denken over mogelijke toekomstige onderzoeksthema's (geen specifieke deelonderwerpen).

Harry Hosper stelt voor dat het Platform een gezamenlijke onderbouwde reactie naar de STOWA zal doen gaan. Bas Ibelings zal hiervoor een werkgroepje bij elkaar roepen.

Jo Caris, Bruce Michielsen, Marcel Donze, Machteld Rijkeboer en Reinder Torenbeek willen daar aan meewerken.

--------------------------------------------------------------------------------
Internet-site voor het Platform Ecologisch Herstel Meren

door Willemien Joosse (RIZA)


Platform Ecologisch Herstel Meren
Informele contactgroep van waterbeheerders, onderzoekers en adviseurs

Doel is kennisuitwisseling en bevorderen kennisontwikkeling

Twee maal per jaar een bijeenkomst

Internet-site voor het Platform

Doel: op elk gewenst moment informatie beschikbaar stellen

Doelgroep: alle waterbeheerders en onderzoekers/adviseurs

Voorwaarden
Site moet goed te bereiken zijn

Site moet in elk geval via de STOWA en RIZA sites te benaderen zijn

Site moet goed te vinden zijn via zoekmachines

Site moet gemakkelijk te beheren zijn

Hulp bij "vullen" en up-to-date houden van de informatie op de site

Ontwerp


Structuur

Navigatie

Vormgeving

Overzicht van de structuur

Informatie over Platform

ledenlijst, met daaronder specifieke info over leden

nieuwtjes

bijeenkomsten

gastenboek

Kennis over ecologisch herstel van de meren

maatregelen, met daaronder alle beschikbare informatie over herstelprojecten

relevante onderzoeken/ontwikkelingen

links naar andere sites

Planning, geld en inzet

Start 1 januari, bij de volgende bijeenkomst is de site "klaar"

Voorstel voor STOWA

Hulp klein groepje tijdens bouw

Naast Marie-Louise Meijer doen Inge de Vries, Lowie van Liere, Reinder Torenbeek en Marco Kraal hier aan mee.

Hulp nodig van iedereen voor "vullen"
--------------------------------------------------------------------------------

Rondje projecten

Reinder Torenbeek: In het Zuidlaardermeer zijn in het compartiment de waterplanten afgenomen en is de troebelheid toegenomen door draadvormige blauwalgen. Er moet een beslissing genomen worden of er weer afgevist moet worden; dat zou dan in de winter van 2000-2001 moeten plaatsvinden.

Met PC Lake gekoppeld aan DUFLOW zullen voor het Zuidlaardermeer en het compartiment een aantal varianten doorgerekend worden.


STOWA heeft een nieuwe DUFLOW versie met daarin een uitbreiding van de procesmodules.
Ellen van Donk: Zwemlust is dit voorjaar weer afgevist door de OVB; vangst van 220 kg vis , voornamelijk Ruisvoorn. Er zal in de tweede helft van november gemeten worden wat er nog aan vis over is. De afvissing heeft geleid tot een streke toename van het doorzicht: de hele zomer is er bodemzicht geweest, het aantal Daphnia magna was spectaculair hoog (1300/l), waterplanten kwamen niet massaal voor. Wouter van de Bund maakt hierover een rapport.
Binnenschelde:

Er wordt nagedacht over het weer zout laten worden van de Binnenschelde.

In de Binnenschelde nemen de waterkwaliteit en waterplanten af. Er zouden om de zwemwaterkwaliteit te behouden veel kosten gemaakt moeten worden voor het aanleggen van bijv. helofytenfilters of er zou over gegaan kunnen worden naar de zoute toestand. Deze zoute variant is gekozen door de beheerders en wordt nu bestuurlijk aangekaart.
Herman van Dam (Aquasense): In 1998 werd in opdracht van Zuiveringsbeheer provincie Groningen in het Schildmeer chemisch en biologisch onderzoek verricht in het kader van biologische monitoring. Hierover is een rapport 'Ecologisch onderzoek Schildmeer 1998' verschenen. Rapportnummer 99.1222a.
Het Schildmeer is een bijzonder meer omdat het fosfaat door hoge ijzer-concentraties slechts beperkt beschikbaar is, en het meer dus eigenlijk voedselarm is. Dit komt tot uiting in de geringe hoeveelheid plankton. De soortensamenstelling van de verschillende aspecten van de levensgemeenschap (fyto- en zoöplankton, diatomeeën, macrofyten) is echter kenmerkend voor die van voedselrijke wateren. Het streefbeeld is een duurzaam helder en plantenrijk water met een snoek-zeelt type visgemeenschap. Thans is de grootste hoeveelheid chlorofyl aanwezig in de blauwwierbollen.

Tijdens de discussie werd opgemerkt dat meerdere beheerders deze blauwwierbollen regelmatig aantreffen.


Herman Gons (NIOO) meldde het volgende over een aantal projecten:
Toegewezen door ALW is een OIO-project (4 jaar) getiteld:

Stabilization of planktonic cyanobacteria-cyanophage relationships by

heterotrophic bacteria and nanoflagellates.

Aangevraagd bij SRON (Stichting Ruimte-onderzoek Nederland; GO-2 programma; postdoc voor 2,5 jaar; beslissing verwacht in januari): Observation of viral attack on cyanobacteria in lakes: A pilot study on the use of the ENVISAT-1 Medium Resolution Imaging Spectrometer.

Aangevraagd bij ALW/STW (Open Technologie Programma; postdoc voor 3 jaar; beslissing verwacht in februari): Cyanophagy as a switch in shallow lake restoration (Cyanofagie als omslagpunt bij ecologisch herstel van ondiepe eutrofe meren).

Machteld Rijkeboer: Het volgende rapport is uitgekomen:

Kleurenanalyse van de Nederlandse wateren ten behoeve van kwaliteitsonderzoek, optische klassificatie van Nederlandse wateren m.b.v. veldspectroradiometrische methode. STOWA-rapport 99-12.
Petra Visser: Het project voorstel voor Dynatox is goedgekeurd. Dynatox staat voor: dynamiek, toxine inductie en vroegtijdige waarnemenig van toxische cyanobacteriën in Nederlandse wateren.

Er wordt onderzoek gedaan naar de dynamiek en toxine productie van potentieel toxische cyanobacteriën in een aantal Nederlandse wateren en de omstandigheden die de dynamiek en toxine productie beïnvloeden.


Lowie van Liere informeert bij Reinder Torenbeek naar de stand van zaken rond de grens van > 100 ug/l Chlorofyl-a in het stroomschema voor de zwemwater-kwaliteit. Hij heeft nl. in de CIW-V geen reactie op de notitie gezien. In de CIW-werkgroep zwemwater is het stroomschema wel aan de orde gekomen. Het nieuwe stroomschema komt in januari af en wordt dan in een workshop gepresenteerd. De definitieve versie zal dan weer in CIW worden ingebracht.
Suzan Verheijden meldt dat in het Zoommeer een vierjarig onderzoek was gestart naar de overleving van blauwalgen in de winter. Binnenkort zullen de eerste resultaten hiervan beschikbaar komen.
Marcel van den Berg: MACROMIJ, het MACRofyten Ontwikkelings Model voor het IJsselmeergebied is gereed. MACROMIJ berekent met behulp van rekenregels de kans op voorkomen van verschillende (water)plantensoorten op basis van waterdiepte, lutumgehalte bodem, strijklengte en extinctie. De rekenregels per waterplantensoort zijn bepaald met behulp van logistische regressie.

--------------------------------------------------------------------------------


Dovnload 59.47 Kb.