Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid

Dovnload 382.55 Kb.

Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid



Pagina1/9
Datum04.04.2017
Grootte382.55 Kb.

Dovnload 382.55 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9


NAAR DE TOP

Het bedrijvenbeleid in actie(s)




NAAR DE TOP

Het bedrijvenbeleid in actie(s)



Inhoudsopgave
Samenvatting
1. Inleiding: het bedrijvenbeleid
2. In actie voor ondernemers en topsectoren

2.1 Nederland innovatieland

2.2 Ruim baan voor ondernemers

2.3 Talent voor het bedrijfsleven

2.4 Groene groei

2.5 Internationaal profiel
3. Acties per topsector

- Chemie

- Creatieve Industrie

- Energie

- High Tech Systemen en Materialen

- Life Sciences & Health

- Agro&Food

- Logistiek

- Tuinbouw en Uitgangsmaterialen

- Water

- Hoofdkantoren
4. Verder aan de slag

4.1 Veld blijft aan het stuur

4.2 Bijdrage van decentrale overheden

4.3 Monitoring en effectmeting

4.4 Financiën
Bijlagen

  1. Visie op de Noordvleugel

  2. Kabinetsreactie Brainport 2020

  3. Overzicht bijdragen decentrale overheden

  4. Financiering voor ondernemers

  5. Kabinetsreactie op SER-advies over biobased economy


Samenvatting
Nederland is een welvarend land. Welvaart die we voor een groot deel te danken hebben aan onze ondernemerszin, handelsgeest en ons vermogen om te innoveren. Deze voorspoed is niet vanzelfsprekend. Maatschappelijke en (financieel-)economische uitdagingen op nationaal en internationaal niveau vragen beleid dat onze vernieuwingskracht en ondernemerszin ruim baan geeft.
Daarom heeft het kabinet in februari van dit jaar een nieuw bedrijvenbeleid ingezet. Uitgangspunt is dat de overheid niet stuurt met regels en subsidies, maar Nederlandse bedrijven de ruimte krijgen om te ondernemen, te investeren, te innoveren en te exporteren. Want niet de overheid maar ondernemers benutten economische kansen en creëren daarmee economische groei, werkgelegenheid en welvaart. Het nieuwe beleid betekent (i) minder subsidies in ruil voor lagere belastingen, (ii) minder en eenvoudiger regels, (iii) ruimere toegang tot bedrijfsfinanciering, (iv) betere benutting van de kennisinfrastructuur door het bedrijfsleven, en (v) betere aansluiting van fiscaliteit, onderwijs en diplomatie op de behoefte van het bedrijfsleven.
Het kabinet heeft ondernemers en onderzoekers uit negen topsectoren1 van de Nederlandse economie gevraagd om concrete voorstellen te doen die de Nederlandse concurrentiekracht versterken. Het kabinet is enthousiast over de ideeën en voorstellen. Deze brief is een antwoord op de voorstellen van de topteams en tegelijkertijd een aanbod en uitnodiging aan de topsectoren om - samen met het kabinet - de ingezette koers naar de top krachtig en met ambitie voort te zetten.

En die ambitie is:


  1. Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld (in 2020);

  2. Stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP (in 2020);

  3. Topconsortia voor Kennis en Innovatie waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 500 miljoen waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven (in 2015).


Maatschappelijke uitdagingen zijn een motor voor groei…

Maatschappelijke uitdagingen - vergrijzing, voedselzekerheid, grondstoffenschaarste2, verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering - worden vaak gezien als bedreigingen voor economische groei. Het omgekeerde is vaak het geval. Immers, de maatschappelijke uitdagingen van vandaag zijn de groeimarkten van morgen3. Vergrijzing schept vraag naar meer en betere gezondheidszorg. Voedselzekerheid vraagt nieuwe en duurzame productiemethodes. En ook de overgang naar een biobased economy biedt tal van kansen voor innovatie en groei. Nederland heeft een uitstekende internationale uitgangspositie op gebieden als life sciences, agrofood, chemie en water waarmee kan worden geprofiteerd van deze groeimarkten.


vragen om een excellente kennisinfrastructuur…

Het verzilveren en internationaal uitbouwen van deze uitstekende uitgangspositie vereist dat Nederlandse bedrijven voortdurend blijven innoveren. De Nederlandse kennisbasis is van wereldklasse. Het kabinet verbindt bedrijven en kennisinstellingen om de kansen te benutten die de economische en maatschappelijke opgaven creëren4. Het bedrijfsleven heeft de ambitie om zijn uitgaven aan kennis en innovatie substantieel te verhogen; en kennisinstellingen om onderzoek beter te laten aansluiten op de topsectoren.


sterke regionale clusters…

Sterke regionale clusters leveren een grote bijdrage aan de welvaart van Nederland en oefenen een sterke aantrekkingskracht uit op buitenlandse bedrijven om zich in Nederland te vestigen. Rijk en regio kunnen het effect van de topsectorenaanpak vergroten door hun krachten te bundelen. 

Decentrale overheden kunnen beter dan het Rijk beoordelen wat regionale clusters nodig hebben voor een concurrerend bedrijfsleven. Blijvende betrokkenheid van decentrale overheden bij de topsectoren is daarom noodzakelijk om het bedrijfsleven maximaal te faciliteren.
Het kabinet is blij met de bijdrage die regio’s leveren aan het nieuwe bedrijvenbeleid. Gelderland (€ 100 miljoen), Limburg (€ 55 miljoen), Overijssel (€ 250 miljoen) en Zuid-Holland (€ 40 miljoen) stellen extra middelen beschikbaar voor de topsectoren. Ook de beleidsagenda’s van Zuid-Oost Nederland (Brainport 2020) en de Noordvleugel van de Randstad zorgen voor verdere versterking van het concurrentievermogen.
aansluiting bij de Europese agenda…

Nederland haalt zijn welvaart voor het overgrote deel uit het buitenland. De EU is en blijft hierbij een zeer belangrijke afzetmarkt. Dat betekent dat onze topsectoren juist ook binnen de EU over uitstekende randvoorwaarden moeten kunnen beschikken. Het gaat hierbij om het wegnemen van onnodige belemmeringen in de interne markt (bijvoorbeeld bij aanbestedingsregels of octrooien), slimme regelgeving en het terugdringen van overtollige lasten. Belangrijke randvoorwaarden zijn verder een gelijk speelveld voor bedrijven binnen en buiten de EU en een goede toegang tot financiering. Ook moeten we onze topsectoren verbinden met internationale kennis en innovatieclusters. Inhoudelijke aansluiting bij de Europese programma’s voor onderzoek en innovatie, zoals het 7e Kaderprogramma en de opvolger hiervan “Horizon 2020” is noodzakelijk. Nederland doet goed mee in de huidige Europese programma’s (€ 900 miljoen voor topsector gerelateerd onderzoek in 2007-2010), maar de bedrijfsdeelname moet verder omhoog. Het kabinet zet zich ervoor in dat in Horizon 2020 extra geïnvesteerd wordt in instrumenten om private investeringen in R&D te bevorderen en zet eveneens in op vereenvoudiging en stroomlijning van de instrumenten.


en een overheid die levert

De topsectoren hebben op verzoek van het kabinet een groot aantal maatregelen voorgesteld die de concurrentiekracht en de kennisinfrastructuur versterken, en die het bedrijfsleven en de kennisinstellingen gezamenlijk zullen uitvoeren. Zij blijven richting geven aan de uitbouw van het bedrijvenbeleid. Onder leiding van een boegbeeld vormt elke topsector een topteam 2.0 om met de uitvoering van de agenda aan de slag te gaan. De topsectoren hebben op 17 juni jl. aangegeven dat er op een groot aantal terreinen een andere aanpak van de overheid nodig is. Het kabinet kondigde direct daarop al enkele maatregelen aan en neemt nu een groot deel van de voorstellen van de topteams over:


Van kennis naar kunde naar kassa

  • Het kabinet introduceert per 1 januari 2012 een fiscale aftrek voor investeringen in R&D (RDA). Deze aftrek heeft een budget van € 250 miljoen in 2012 dat zal oplopen naar € 500 miljoen in 2015.

  • Het kabinet verschuift stapsgewijs onderzoeksbudgetten richting topsectoren, rekening houdend met de private bijdrage. Onder leiding van de boegbeelden sluiten bedrijven, kennisinstellingen en overheid vóór 31 december a.s. innovatiecontracten af per topsector. Naast het bedrijfsleven participeren NWO, KNAW en de toegepaste kennisinstituten in 2015 voor tenminste € 600 miljoen. Overheid en kennisinstellingen staan klaar om de ambities van de topsectoren te faciliteren; het komt nu aan op concrete investeringen van bedrijven.

  • Initiatieven voor publiek-private samenwerking worden zoveel mogelijk gebundeld in Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s). Het kabinet komt in 2013 met een aanvullend fiscaal innovatiepakket van € 100 miljoen. Ongeveer de helft daarvan wordt ingezet voor een fiscale aftrek om de bijdrage van bedrijven aan deze TKI’s te stimuleren (RDA+, indicatieve aftrek 25%). Het resterende budget wordt deels ingezet voor bevordering van de mobiliteit van kenniswerkers (kenniswerkersregeling) en deels voor een mogelijke ophoging van de WBSO. Ook continueert het kabinet in 2012 eenmalig het plafond van de WBSO op het niveau van de crisismaatregelen (€ 14 miljoen).

Betere bedrijfsfinanciering voor MKB en innovatief ondernemerschap

  • Naast het reeds aangekondigde innovatiefonds MKB+ (start 1 januari 2012) wordt de garantieregeling voor ondernemingsfinanciering (GO) voor leningen tot maximaal € 50 miljoen verlengd.

  • Het garantiebudget van het borgstellingskrediet MKB wordt verhoogd van ruim € 750 miljoen naar € 1 miljard.

  • Het plafond voor microkredieten wordt verhoogd van maximaal € 35.000 naar € 50.000.


Minder en eenvoudiger regels

  • Het kabinet schaft per 1 januari 2013 de ruim 2 miljoen jaarlijkse heffingen voor de Kamers van Koophandel af.

  • Het kabinet maakt de crisis- en herstelwet permanent (2012) en reduceert tientallen regels, wetten en regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving door vereenvoudiging van het omgevingsrecht (2013).

  • Het kabinet verkort de doorlooptijden bij medisch-ethische toetsing en vergoedingsbeslissingen.

  • Bedrijven krijgen de mogelijkheid alternatieven voor bestaande wet- en regelgeving aan te dragen (right to challenge; start met 10-15 experimenten).


Talent voor het bedrijfsleven

  • Het kabinet zet in op publiek–private samenwerking in de topsectoren via o.a. de Centra voor Innovatief Vakmanschap (mbo, € 16,4 miljoen beschikbaar) en de Centers of Expertise (hbo, een bedrag in dezelfde orde van grootte als voor de Centra in het mbo).

  • De vraag vanuit het bedrijfsleven wordt belangrijker bij zowel toelating van nieuwe opleidingen als herordening van het bestaande opleidingenaanbod. Voor een kwaliteitsimpuls in het gehele hoger onderwijs is vanuit de Strategische Agenda Hoger Onderwijs een bedrag beschikbaar oplopend tot € 310 miljoen in 2015.

  • Stimulans (bèta)techniek: het kabinet vraagt de topsectoren om een ambitieus plan op te stellen voor het aanpakken van de tekorten aan (bèta)technici en vraagt het Platform Bètatechniek om hierbij ondersteuning te verlenen.

  • Het kabinet roept de topsectoren op om in navolging van de topsectoren high tech en life sciences & health met concrete voorstellen te komen voor private beurzen. Ook onderzoekt het kabinet op welke manier vanuit de overheid (financiële) stimulansen mogelijk zijn om de keuze voor bètastudies te bevorderen.

  • Het kabinet start nog dit jaar een pilot om de toelating van kortverblijvende kennismigranten te vereenvoudigen. De fiscale 30%-regeling voor expats wordt beter gericht en aangepast zodat een buitenlandse promovendus die na zijn/haar promotie in Nederland gaat werken er ook voor in aanmerking komt.


BV Nederland internationaal positioneren en profileren

  • Het kabinet vraagt de topteams om met voorstellen te komen hoe optimaal gebruik kan worden gemaakt van internationale kansen, binnen Europa en daarbuiten. Het kabinet maakt zich sterk voor deze ambities in Brussel, in internationale fora en via het postennet. Bedrijvenmissies van het kabinet zullen op basis van de strategische reisagenda via IPO en VNG worden afgestemd met decentrale overheden.

  • In de werving van buitenlandse investeringen komt de nadruk te liggen op het aantrekken van hoogwaardige, strategische investeringen in de topsectoren. De ambitie voor 2012 is minstens 150 investeringsprojecten ter waarde van € 625 miljoen (3.000 directe banen).

  • Het kabinet zal internationaal vooraanstaande (voormalige) CEO’s, politici, wetenschappers en bestuurders betrekken bij de versterking van de economische diplomatie en het aantrekken van buitenlandse ondernemingen. Omgekeerd worden buitenlandse CEO’s van in Nederlandse gevestigde bedrijven uitgenodigd (als ambassadeur) beschikbaar te zijn voor CEO’s van buitenlandse bedrijven die vestiging in Nederland overwegen.

  • Initiatieven vanuit de topsectoren die de economie en maatschappij in ontwikkelingslanden versterken, worden ondersteund door programma’s voor ontwikkelingssamenwerking (OS). De inzet loopt daarbij op van € 200 miljoen in 2012 naar € 300 miljoen in 2015, waarvan circa € 55 miljoen is gereserveerd voor publiek–private partnerschappen (€ 25 miljoen voor voedselzekerheid/ private sector en € 30 miljoen voor water).

1. Inleiding: het bedrijvenbeleid
Het nieuwe bedrijvenbeleid

Nederland is een welvarend land. Welvaart die we voor een groot deel te danken hebben aan onze ondernemerszin, handelsgeest en ons vermogen om te innoveren. Deze voorspoed is niet vanzelfsprekend. Opkomende economieën en maatschappelijke vraagstukken op het gebied van energie, klimaat, vergrijzing, voedsel en biodiversiteit, stellen Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en de overheid voor uitdagingen. Tegelijkertijd bieden deze uitdagingen ook kansen: opkomende economieën betekenen immers ook een groeiende afzetmarkt voor het Nederlandse bedrijfsleven, de vergrijzing leidt tot een toenemende vraag naar zorggerelateerde producten en diensten en schaarste aan voedsel en energie gaan gepaard met nieuwe markten voor alternatieve producten en slimmere productiemethoden. De aanhoudende onrust in de wereldeconomie brengt onzekerheden met zich mee. Dit maakt het extra belangrijk te investeren in de concurrentiekracht en daarmee het groeivermogen van de Nederlandse economie. Het benutten van deze kansen en het daarmee veilig stellen van onze toekomstige welvaart vraagt om een sterk en ambitieus bedrijvenbeleid waarin ondernemers en onderzoekers de ruimte krijgen om te doen waar ze goed in zijn. Met het nieuwe bedrijvenbeleid wil dit kabinet bedrijven en kennisinstellingen mobiliseren om aan te haken op bovengenoemde kansen.


De overheid creëert excellente randvoorwaarden, verbindt partijen en borgt publieke belangen. Door de snel toenemende internationale concurrentie uit onder andere opkomende economieën, neemt het belang van goede randvoorwaarden alleen maar toe. Het nieuwe bedrijvenbeleid zet ondernemers en onderzoekers nadrukkelijk aan het stuur. Kernbegrippen in de benadering van het kabinet zijn vraaggestuurd, sectoraal en integraal. Vraaggestuurd betekent dat de overheid niet eerst zelf met voorstellen komt, maar bedrijfsleven en wetenschap heeft gevraagd een agenda op te stellen om kansen en knelpunten te identificeren; ondernemers en onderzoekers weten immers zelf het beste waar de kansen en knelpunten in hun sector zitten. Op deze manier kan de overheid randvoorwaarden doeltreffender en efficiënter inrichten en beleidsinspanningen koppelen aan door de sector benoemde prioriteiten, wat het rendement op overheidsinspanningen ten goede komt.
Daarbij is gekozen voor een sectorale en integrale aanpak, omdat kansen en knelpunten veelal sectorspecifiek van aard zijn en aangrijpen op een breed scala aan vestigingsklimaatfactoren. Dit geldt bijvoorbeeld voor knelpunten op het gebied van kennis en innovatie, (sectorspecifieke) regelgeving, fiscaliteit, financiering van nieuwe producten, aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt en het betreden van buitenlandse markten. De precieze aard en omvang van deze knelpunten verschilt erg per sector. Een gedegen sectorspecifieke analyse is daarom nodig om de juiste knelpunten en kansen te adresseren, met daarbij de sector zelf aan tafel. Integraal betekent ook dat in het nieuwe bedrijvenbeleid niet Haagse beleidsthema’s maar economische sectoren centraal worden gesteld, zodat de beleidsthema’s in samenhang worden behandeld.
De sectorale aanpak staat ook open voor nieuwe ontwikkelingen, deze ontstaan vaak op het grensvlak van meerdere sectoren. De topteams hebben een groot aantal intersectorale raakvlakken geïdentificeerd die gezamenlijk door hen zijn opgepakt. Meest in het oog springend voorbeeld is het thema biobased economy, waarvoor een gezamenlijk advies is opgesteld door zes van de negen topsectoren. Niet alleen goede verbindingen tussen de topsectoren onderling zijn van belang maar ook die met andere sectoren zoals de bouwsector, de zakelijke dienstverlening en de groothandel die sterk faciliterend zijn. Ook worden jonge innovatieve ondernemers actief bij de aanpak betrokken getuige hun deelname in de topteams.
Binnen het nieuwe bedrijvenbeleid hebben bedrijven en kennisinstellingen hun eigen verantwoordelijkheid, zoals het meer investeren in private R&D en het beter op elkaar afstemmen van vraag en aanbod van kennis en talent. En uiteraard heeft ook de overheid een eigen rol vanuit haar publieke verantwoordelijkheid.
Bovenstaande is de kern van de topsectorenaanpak die dit kabinet met het nieuwe bedrijvenbeleid heeft neergezet. Mede vanwege de noodzaak de overheidsfinanciën op orde te brengen, gaat het hierbij niet zozeer om de inzet van meer publiek geld, maar vooral om overheidsinspanningen over de gehele linie meer te richten op het versterken van het Nederlandse verdienvermogen.

De adviezen van de topteams zijn daarbij het uitgangspunt. De aanpak is gericht op het benutten van de energie en creativiteit in de samenleving; bedrijven, kennisinstellingen, maar ook regio’s en maatschappelijke organisaties. Niet langer schrijft Den Haag zaken voor, maar wordt ruimte aan de samenleving gelaten om met oplossingen te komen. Deze aanpak is recent ook door PBL5 bepleit als kansrijk model voor het benutten van economische en maatschappelijke uitdagingen. Met het nieuwe bedrijvenbeleid geeft het kabinet hier invulling aan.


Ambitie

Door het bundelen en beter op elkaar afstemmen van de inspanningen van betrokken partijen, kunnen we de concurrentiekracht van de BV Nederland versterken. Daarbij past een gezamenlijke ambitie:




  1. Nederland in de top 5 van kenniseconomieën in de wereld (in 2020);

  2. Stijging van de Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP (in 2020);

  3. Topconsortia voor Kennis en Innovatie waarin publieke en private partijen participeren voor meer dan € 500 miljoen waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven (in 2015).


Topsectoren

Het nieuwe bedrijvenbeleid heeft bijzondere aandacht voor negen topsectoren van de Nederlandse economie: High Tech Systemen en Materialen, Energie, Creatieve Industrie, Logistiek, Agro&Food, Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, Life Sciences & Health, Water en Chemie. Hoofdkantoren is als aandachtspunt hieraan toegevoegd omdat het belangrijk is dat Nederland zijn positie als aantrekkelijk hoofdkwartier van internationaal opererende bedrijven verder uitbouwt.


De keuze van de negen sectoren is bepaald door vier factoren. Het zijn sectoren die (1) kennisintensief zijn, (2) export-georiënteerd, met (3) veelal (sector)specifieke wet- en regelgeving die (4) een belangrijke bijdrage (kunnen) leveren aan het oplossen van maatschappelijke vraagstukken:


  1. Voor sectoren met een hoge kennisintensiteit is een goede, structurele verbinding tussen publiek gefinancierde kennisinstellingen en privaat gefinancierd industrieel onderzoek van levensbelang. Dit zorgt ervoor dat onderzoeksprioriteiten daar worden gelegd waar het economisch rendement het hoogst is. Ook versterkt een goede wisselwerking tussen bedrijven en onderwijsinstellingen de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

  2. Voor internationaal georiënteerde sectoren liggen grote kansen op markten in opkomende landen. Het zijn markten waar de invloed van (buitenlandse) overheden groot is en waar gerichte inzet van economische missies en diplomatie noodzakelijk is om internationale kansen te verzilveren.6

  3. Sectorspecifieke wet- en regelgeving kan van doorslaggevend belang zijn voor de concurrentiekracht van een sector. Denk aan netwerkregulering in het geval van (duurzame) energie, wetgeving op het gebied van voedselveiligheid en dierenwelzijn in het geval van de sector agro&food, regels rondom vergoeding van geneesmiddelen en medisch-ethische toetsing in het geval van de sector life sciences & health en de voorwaarden waaronder buitenlandse markten mogen worden betreden (water).

  4. Maatschappelijke vraagstukken als klimaatverandering en schaarste (water, voedsel, energie), vergrijzing (high tech, life sciences & health) bieden kansen aan het Nederlandse bedrijfsleven. Tegelijkertijd heeft de overheid bij deze vraagstukken een eigen verantwoordelijk, omdat publieke belangen in het spel zijn. In de topsectoren is veel aandacht voor de koppeling van economische kansen aan maatschappelijke uitdagingen in de vorm van publiek-private samenwerking. Overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven trekken daarbij steeds meer als partners op.

Bovenstaande vier factoren en de genoemde voorbeelden illustreren dat een (macro-economisch georiënteerde) aanpak gericht op generieke randvoorwaarden weliswaar noodzakelijk, maar niet voldoende is voor een ambitieus en internationaal concurrerend bedrijvenbeleid. De erkenning van dit inzicht kan worden beschouwd als een principiële breuk met het economische beleid zoals dat sinds de jaren ’90 is gevoerd.




Box 1: Topsectorenbeleid in historisch economisch beleidsperspectief

  • 1973-1981: sterke overheidsbemoeienis

    • Oliecrisis

    • Uitdijende overheid, sterk geloof in maakbaarheid van samenleving en economie

    • Actief sectorstructuurbeleid

    • Overeind houden ‘nationale kampioenen’ (individuele bedrijfssteun)

  • 1981-1994: overheid plaatst zich bewust op meer afstand bedrijfsleven

    • Budgettaire consolidatie

    • Commissie Wagner, Akkoord van Wassenaar, Centrale Akkoorden

    • Aanbodzijde economie meer centraal.

    • Inzet op gunstige vestigingsplaatscondities en generiek technologiebeleid.

    • Mede als gevolg van de RSV-enquête: stop steun aan individuele bedrijven

    • Toenemende Europese eenwording (Europa 1992, EMU)

  • 1994-2002: focus op marktwerking en liberalisering

    • Economische groei, doorbraak ICT

    • Grootschalige MDW-operatie: meer markt, minder regels

    • Uitbouw generiek technologiebeleid (WBSO) en eerste stappen op weg naar publiek-private samenwerking (technologische topinstituten)

  • 2002-2010: focus op hervormingen en subsidies

    • Verdere internationalisering en Europese integratie, invoering chartale euro

    • Grote stelselhervormingen: sociale zekerheid (WW, WAO, VUT) en zorg

    • Sterke overheid die randvoorwaarden schept (o.a. lagere lasten, FES, WBSO)

    • Subsidies voor innovatie, regio’s en sleutelgebieden

    • Innovatieplatform

  • 2010-heden: het topsectorenbeleid

    • Internationaal verschuivende machtsverhoudingen, financiële en schuldencrisis

    • Nieuw bedrijvenbeleid: een vraaggestuurde, sectorale en integrale aanpak, gerichte inzet van overheidsinspanningen voor versterking van concurrentiekracht topsectoren

    • Gouden driehoek: bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid, sterke inzet op publiek-private samenwerking
  1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • 2.3 Talent voor het bedrijfsleven 2.4 Groene groei 2.5 Internationaal profiel 3. Acties per topsector - Chemie
  • - Logistiek - Tuinbouw en Uitgangsmaterialen - Water - Hoofdkantoren 4. Verder aan de slag
  • Visie op de Noordvleugel Kabinetsreactie Brainport 2020 Overzicht bijdragen decentrale overheden Financiering voor ondernemers
  • Maatschappelijke uitdagingen zijn een motor voor groei…
  • 1. Inleiding: het bedrijvenbeleid Het nieuwe bedrijvenbeleid
  • Box 1: Topsectorenbeleid in historisch economisch beleidsperspectief 1973-1981: sterke overheidsbemoeienis
  • 1981-1994: overheid plaatst zich bewust op meer afstand bedrijfsleven
  • 1994-2002: focus op marktwerking en liberalisering
  • 2002-2010: focus op hervormingen en subsidies
  • 2010-heden: het topsectorenbeleid

  • Dovnload 382.55 Kb.