Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid

Dovnload 382.55 Kb.

Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid



Pagina2/9
Datum04.04.2017
Grootte382.55 Kb.

Dovnload 382.55 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9


Samenwerking in de gouden driehoek: lessons learned

Uitgangspunt van de topsectorenaanpak is dat knelpunten en kansen effectiever kunnen worden opgepakt wanneer een goede wisselwerking bestaat tussen bedrijven, kennisinstellingen en de overheid (de gouden driehoek). Daarom zijn in februari van dit jaar 10 topteams ingesteld om voor hun sector een actieagenda op te stellen. Deze teams zijn het land in getrokken en hebben met alle belangrijke stakeholders uit hun sector gesprekken gevoerd om kansen en knelpunten te identificeren en hieraan acties te koppelen. De topteams hebben veel enthousiasme en dynamiek losgemaakt, ook in de regio. Het kabinet wil deze positieve energie vasthouden en met een pakket maatregelen verder stimuleren. Daarbij omarmt het kabinet belangrijke lessen uit de agenda’s van de topteams:




  1. Innovatie is essentieel voor de versterking van concurrentiekracht en het inspelen op maatschappelijke uitdagingen. Naast een goed innovatieklimaat is een structurele verbinding tussen bedrijven en kennisinstellingen via publiek–private samenwerking nodig.

  2. De overheid moet blijven werken aan een excellent algemeen ondernemersklimaat met aandacht voor alle relevante vestigingsklimaatfactoren. Dit is van belang voor alle bedrijven, ook bedrijven buiten de topsectoren. Belangrijke thema’s die de topsectoren meegeven, zijn financiering, regeldruk en de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

  3. De slag die het kabinet heeft ingezet van het vervangen van subsidies door kredieten en fiscale maatregelen wordt ondersteund.

  4. Het gaat niet alleen om het versterken van het ‘product’ Nederland (ondernemersklimaat en topsectoren) maar ook van het ‘merk’ Nederland, door een krachtige profilering en positionering in het buitenland.

  5. Goede, structurele verbindingen in de gouden driehoek van bedrijven, kennisinstellingen en overheid zijn van groot belang voor de concurrentiepositie van de topsectoren.

  6. Regio’s leveren een vitale bijdrage aan de topsectoren aanpak. Sterke clusters staan mede aan de basis van het succes van de topsectoren. Een goed samenspel tussen bestuurslagen op centraal en decentraal niveau, ieder uit zijn eigen verantwoordelijkheid, is cruciaal om ondernemers te laten excelleren en de Nederlandse economie te laten floreren.


Voortbouwen op succes

De boegbeelden en hun teams uit de gouden driehoek zullen ook bij de uitvoering van de topsectoragenda’s een cruciale rol spelen. Het veld blijft aan het stuur, waarbij ruimte is voor maatwerk per topsector.


Het kabinet hecht aan een goede relatie en continue dialoog met het bedrijfsleven in Nederland. Via samenwerking in de gouden driehoek, maar ook via de opzet van een uitwisselingsprogramma wordt de relatie tussen overheid en bedrijfsleven verstevigd. Door over en weer in elkaars keuken te kijken, ontstaat wederzijdse kennisdeling en versteviging van het netwerk. Samen met

VNO-NCW en MKB Nederland wordt dit uitwisselingsprogramma verder uitgewerkt.


Deze brief staat voor een belangrijk deel in het teken van de overheidsacties. Verschillende departementen en decentrale overheden werken daarbij nauw samen om het bedrijfsleven maximaal te faciliteren. Deze brief moet daarom in samenhang worden gezien met een aantal strategische kabinetsbrieven en adviezen die eerder zijn verschenen.7
Leeswijzer

In het vervolg van deze brief wordt eerst ingegaan op de acties die het kabinet gaat ondernemen ter versterking van het ondernemersklimaat in het algemeen en de topsectoren in het bijzonder (deel 2). De acties zijn onderverdeeld naar vijf thema’s: Nederland innovatieland, ruim baan voor ondernemers, talent voor het bedrijfsleven, groene economie en internationaal profiel. Deel 3 bevat een overzicht van de acties per topsector. In het slotdeel komt een aantal zaken aan de orde die van belang zijn voor een goede uitvoering van de agenda’s en de in deze brief gepresenteerde maatregelen: doorgaan met de gouden driehoek, de bijdrage van de decentrale overheden, de monitoring en effectmeting van het beleid en het financiële kader.


2. In actie voor ondernemers en topsectoren
Een excellent ondernemers- en vestigingsklimaat vormt voor alle ondernemers de basis van succes. Uitgangspunt daarbij is ruimte voor het bedrijfsleven: om te ondernemen, te innoveren, te investeren en te exporteren. Ook de kennisinstellingen krijgen met het nieuwe beleid volop kansen. In de adviezen van de topteams wordt een aantal knelpunten genoemd en worden suggesties gedaan voor verbetering van het ondernemers- en vestigingsklimaat. Het kabinet maakt hier werk van met een pakket aan maatregelen. De maatregelen zijn onderverdeeld naar de volgende vijf onderwerpen: Nederland innovatieland, ruim baan voor ondernemers, talent voor het bedrijfsleven, groene groei en internationaal profiel.


Life Science Park Oss: Topsectorenbeleid in de praktijk

De topsector Life Sciences & Health in Nederland dankt zijn succes aan een goede wisselwerking van bedrijfsleven, kennisinstellingen en de (decentrale) overheid. De ontwikkeling van een Life Science Park (LSP) in Oss laat concreet zien dat ondernemers, onderzoekers en overheid samen kunnen zorgen voor een sterke economie.
De sector ziet in het realiseren van een LSP op het voormalige terrein van Organon Oss een belangrijke uitdaging om waardevolle fysieke infrastructuur en kennis voor Nederland te behouden. Naast het Development Center van MSD (circa 500 banen) kan het LSP ook nog eens honderden extra kennisintensieve banen opleveren.
De ambitie van het LSP is om voort te bouwen op de reeds aanwezige infrastructuur, kennis en mensen en zodoende bij te dragen aan de lokale en nationale Life Sciences & Health sector met een internationale uitstraling. Dit LSP kan een ecosysteem van open innovatie worden dat nieuwe en bestaande ondernemers de mogelijkheid biedt om gebruik te maken van de unieke onderzoeksinfrastructuur die zich reeds in Oss bevindt. Het Rijk steunt de realisatie van dit park zowel met financiële als niet-financiële middelen. Naast het Rijk dragen de provincie Noord-Brabant, de gemeente Oss, de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) en MSD substantieel bij aan de realisatie van het LSP.



2.1 Nederland innovatieland
Een nieuw innovatiebeleid...

Om de genoemde innovatiedoelen te bereiken en van Nederland dé plek te maken om te innoveren, moeten we onze sterke posities uitbouwen, een pleisterplaats worden voor bedrijven en talent en ons kennispotentieel beter benutten in de markt. Onze publieke kennisbasis is van wereldklasse en vormt het fundament voor innovatie. De uitdaging is het innovatief vermogen van het bedrijfsleven te versterken door meer private R&D-investeringen en een betere wisselwerking tussen kennisinstellingen en bedrijven.


Het kabinet slaat een nieuwe weg in met het innovatiebeleid. De agenda’s van de topsectoren geven hiervoor de richting aan. De filosofie van dit kabinet is dat ondernemers geen complexe subsidies nodig hebben om te innoveren, maar uitstekende randvoorwaarden. En dat er geen buitenboordmotoren nodig zijn om bedrijven en kennisinstellingen te verbinden, maar vraagsturing en samenwerking in de kennisinfrastructuur zelf. Het kabinet is zich bewust van de precaire budgettaire situatie van de publieke kennisinstellingen. Juist in de komende jaren waarin de publieke middelen schaars zijn, zijn keuzes nodig om het beleid effectiever te maken. Door in te zetten op speerpunten van de topsectoren zijn kennisinstellingen beter in staat Europese en private fondsen te werven. Dit sluit aan bij de ambitie van de bedrijven om hun innovatie investeringen substantieel te verhogen.
Vanuit deze filosofie bouwt het kabinet aan een excellent innovatieklimaat met minder subsidies, meer kredieten, een aantrekkelijk fiscaal pakket en een kennisinfrastructuur die ten dienste staat van economie en maatschappij. Door werk te maken van valorisatie en vraagsturing krijgt het excellente onderzoek meer impact. De topsectorenaanpak heeft veel dynamiek en momentum teweeg gebracht in zowel bedrijfsleven als kenniswereld. Dit moet worden verzilverd via een vervolgaanpak waarmee de keten van kennis naar kunde naar kassa structureel wordt gesloten.

met een sterk fiscaal pakket voor ondernemers...

Het kabinet creëert een excellent innovatieklimaat dat R&D-investeringen van nationale en internationale bedrijven in Nederland aanjaagt. R&D loonkosten worden al via de WBSO8 fiscaal gestimuleerd. Veel andere landen kennen ook een fiscale stimulans voor andere R&D-kosten. De topteams hebben voorgesteld om een R&D-aftrek te introduceren gericht op andere R&D-kosten,

in plaats van generieke verlaging van het Vpb-tarief. Dit duidt op een positief klimaat voor innovatie bij het gehele bedrijfsleven. Het kabinet heeft in juni aangekondigd dit voorstel over te nemen en een aftrek voor R&D-kosten in de winstbelasting te introduceren (de RDA). De regeling heeft een budget oplopend van € 250 miljoen in 2012 tot € 500 miljoen in 2015. De regeling gaat van start in 2012 en wordt via een nota van wijziging opgenomen in het Belastingplan 2012. En het kabinet doet meer:




  • Het kabinet komt in 2013 met een aanvullend fiscaal innovatiepakket van € 100 miljoen. Ongeveer de helft daarvan wordt ingezet voor een fiscale aftrek voor de bijdrage van bedrijven aan publiek-private samenwerkingsverbanden voor kennis en innovatie. Het resterende budget wordt deels ingezet voor bevordering van de mobiliteit van kenniswerkers tussen bedrijven en kennisinstellingen (kenniswerkersregeling9) en deels voor een mogelijke ophoging van de WBSO. Ook continueert het kabinet in 2012 eenmalig het plafond van de WBSO op het niveau van de crisismaatregelen (€ 14 miljoen).

Bij de vormgeving van deze fiscale maatregelen gelden de uitgangspunten van de Fiscale agenda, waarbij aandacht wordt besteed aan de eenvoud van regelgeving, de effectiviteit, de uitvoeringskosten en de Europeesrechtelijke en budgettaire aspecten. Naast het fiscale pakket voor innovatie ondersteunt het kabinet innovatie investeringen van bedrijven via het Innovatiefonds MKB+ (zie 2.2).


en Innovatiecontracten voor topsectoren...

Bovenop het generieke innovatiebeleid maakt het kabinet zich sterk voor innovatie in de topsectoren. De dynamiek die de afgelopen maanden in het veld is losgemaakt, moet worden verzilverd. Daarom stellen de partners uit de gouden driehoek vóór 31 december innovatiecontracten op die partijen uit de hele kennisketen inhoudelijk en financieel committeren. Want de topsectorenaanpak is niet vrijblijvend: pas als het bedrijfsleven meer investeert in onderzoek, de kennisinstellingen aansluiten op de behoeften uit markt en maatschappij, en de overheid consistent beleid voert, kan de aanpak slagen.


Het gaat erom voor iedere topsector te komen tot een evenwichtige, op de behoeften van de markt toegesneden mix van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie die aansluit op de Europese agenda (zie box). Ook de maatschappelijke kennisvragen en doorsnijdende thema’s krijgen een plaats in de contracten. Het kabinet legt de verantwoordelijkheid hiervoor in het veld door relevante partijen onder regie van de boegbeelden aan tafel te brengen. Zo krijgen de partijen een gemeenschappelijk doel: iedere sector zal een zo goed mogelijk plan willen neerleggen dat wordt gedragen door hun achterban en organisaties. Het opstellen van contracten is een open proces met ruimte voor alle bloedgroepen, inclusief het MKB. Het zijn uiteindelijk individuele bedrijven en kennisinstellingen die de contracten tekenen en dus de inhoud bepalen waaraan zij zich financieel committeren.
Het kabinet neemt in het voorjaar van 2012 conform de innovatiecontracten een besluit over de inzet van de publieke kennismiddelen (zie tabel in 4.4), die vervolgens via de reguliere begrotingsprocedures worden gereserveerd en ingezet. Voor de uitvoering van de contracten maken de partijen afspraken die worden geaccordeerd door de boegbeelden en hun teams. Uitgangspunt hierbij is stroomlijning en vereenvoudiging van procedures, bij voorkeur via één loket per topsector en zoveel mogelijk open competitie.
De activiteiten in de innovatiecontracten worden in verschillende vormen van publiek-private samenwerking (PPS) georganiseerd. De topsectoren wijzen op het belang van PPS-verbanden zoals Technologische Topinstituten (TTI’s), omdat zij zorgen voor een goede aansluiting tussen kennisvraag en kennisaanbod, internationale profilering en meer private R&D.


Perspectief 2015: gesloten keten met rolling agenda’s

De aanpak waarin individuele partijen met elkaar contracten sluiten over de inzet van kennismiddelen over de integrale kennisketen, is een fundamentele verandering ten opzichte van de huidige situatie waarin iedere partij met zijn eigen agenda werkt. Het kabinet heeft voor ogen dat de innovatiecontracten jaarlijks geactualiseerd worden zodat rolling agenda’s ontstaan met een perspectief van 5 jaar waaraan partijen zich steeds opnieuw committeren. Ieder jaar geeft daarmee een moment van herijking met ruimte voor toe- en uittreders en competitie binnen en tussen sectoren. Door het perspectief van 5 jaar ontstaat langjarig commitment en continuïteit. Nadat het kabinet heeft besloten over de innovatiecontracten, zijn deze bindend voor de inzet van de partijen en treden de reguliere begrotingsprocedures in gang.

Daarom heeft het kabinet de financiering van TTI’s in 2012 zeker gesteld. Voor de toekomst wil het kabinet af van PPS-programma’s met onzekere financieringsbasis en initiatieven meer bundelen en verankeren in het reguliere systeem. Het kabinet vraagt partijen nu om in de innovatiecontracten voorstellen te ontwikkelen voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) waarin, voortbouwend op succesvolle initiatieven, meerdere partijen vraaggestuurd samenwerken aan onderzoek en valorisatie op innovatiethema’s over de gehele keten. De exacte omvang en vorm van de TKI’s kan per sector verschillen en hangt dus af van de voorstellen van de sectoren. Het beeld dat het kabinet voor ogen heeft, is dat in 2015 meer dan € 500 miljoen omgaat in de TKI’s, waarvan tenminste 40% gefinancierd door het bedrijfsleven. Het publieke deel komt voor rekening van NWO (richting € 100 miljoen), TNO, GTI’s en DLO (richting € 75 miljoen), aangevuld met de bijdragen van andere kennisinstellingen en overheden. De deelnemende partijen bepalen met elkaar de voorwaarden waarbij de resultaten van huidige PPS-en richtinggevend zijn.


Acties:

  • Om bedrijven te stimuleren om in publiek-private samenwerkingsverbanden deel te nemen, ontwikkelt het kabinet een fiscale maatregel waarmee bedrijven hun bijdragen aan Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) in mindering kunnen brengen op de winstbelasting (RDA+, aftrek indicatief 25%).

  • Om het MKB te betrekken wordt de IPC regeling (InnovatiePrestatieContracten) mede ingezet op de TKI’s.


Holst Centre, open innovatie in de High Tech industrie

Het Holst Centre is een voorbeeld van een publiek-privaat samenwerkingsverband  rondom gedeelde technology-roadmaps en onderzoeksprogramma's op het gebied van draadloze sensortechnologie en flexibele elektronica. Het is opgericht als joint venture van TNO en het Vlaamse IMEC. Het is een uitstekend voorbeeld van open innovatie waarbij de focus ligt op het concreet toepassen en vermarkten van ‘state of the art’ technologie. Op basis van een goed business model slaagt het Holst Centre erin een steeds meer bedrijven, zowel nationaal als internationaal, aan zich te binden, en nemen de private partijen een steeds hoger aandeel in de financiering voor hun rekening. Het Holst Centre vormt daarmee een uitstekend voorbeeld voor andere publiek-private samenwerking verbanden.
die de hele keten verbinden....

De Innovatiecontracten en TKI’s beslaan de hele keten van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie. De topsectoren benadrukken het belang van fundamenteel onderzoek voor het innovatief vermogen op de lange termijn. Daarom zullen NWO (inclusief STW) en KNAW een groot deel van hun activiteiten richten op topsectoren, oplopend van € 90 miljoen in 2012 tot € 350 miljoen in 2015. De inhoudelijke bestemming van deze middelen wordt door NWO en KNAW vraaggestuurd in de innovatiecontracten gedefinieerd en richt zich op het fundamentele deel van de contracten en Topconsortia.

NWO en KNAW zetten deze middelen in op basis van wetenschappelijke excellentie, impact en privaat commitment. NWO hanteert hierbij een vernieuwde werkwijze, met meer samenwerking met het bedrijfsleven, focus op valorisatie en efficiënte procedures (“topsectorenluik”). De werkwijze van STW is hiervoor een goed voorbeeld. Hiernaast onderkent het kabinet het

b


Innovatie over de grens: kennis halen, kennis brengen

Nieuw toepasbare kennis is voor een belangrijk deel afkomstig uit het buitenland. Voor topsectoren is het daarom cruciaal om samen te werken met internationale kennis en innovatieclusters: het brengt nieuwe kennis, voorkomt duplicatie van onderzoek en biedt kansen voor hoogwaardige export. De Europese programma’s voor onderzoek en innovatie, zoals het 7e Kaderprogramma, de opvolger “Horizon 2020”, Eureka en het ruimtevaartprogramma bieden uitstekende kansen. Nederlandse organisaties hebben in totaal 1,6 miljard euro ontvangen vanuit het 7e Kaderprogramma (KP7) in de periode 2007-2010. Hiervan gaat circa 900 miljoen euro naar toegepast onderzoek, dat direct aansluit bij de aandachtsgebieden van de topsectoren.
Scherp aan de wind: Europa, maatschappelijke uitdagingen en kansen voor Topsectoren

Europa spitst Horizon 2020 toe op maatschappelijke uitdagingen als vergrijzing, energievoorziening, klimaatverandering, bereikbaarheid en schaarste van grondstoffen. In zijn advies “Scherp aan de wind!; Handvat voor een Europese strategie voor Nederlandse (top)sectoren” beveelt de AWT het kabinet aan om aan te sluiten bij deze maatschappelijke uitdagingen, en niet alleen op economische concurrentiekracht. Het kabinet is er van overtuigd dat maatschappelijke vraagstukken oplossen juist samen gaat met versterking van onze concurrentiekracht, want Topsectoren bieden daar mogelijke oplossingen voor. Ontwikkelingen als de stijgende zeespiegel en droogte bieden mogelijkheden aan baggeraars, ingenieursbureaus en waterexperts, terwijl de topsector life sciences & health bijdraagt aan toepassingen voor actief en gezond ouder worden. De Topsectorenaanpak sluit daarom goed aan op de Europese inzet op maatschappelijke uitdagingen. In Horizon 2020 zal ook aandacht blijven voor sleuteltechnologieën als biotechnologie, ruimtevaart, nanotechnologie en ICT.

De innovatiecontracten worden zo opgesteld dat optimaal wordt ingespeeld op de (middelen uit de) Europese programma’s. De sectoren benoemen hoe de actielijnen aansluiten bij Europese publiek-private en publiek-publieke samenwerking gericht op maatschappelijke uitdagingen en de sleuteltechnologieën. Het kabinet neemt de innovatiecontracten als leidraad bij de totstandkoming van het Nederlandse standpunt met betrekking tot de toekomstige Europese programma’s voor onderzoek, innovatie en ruimtevaart. Voor de co-financiering in ERA-netten, Inno-netten en artikel 185-initiatieven (waaronder Eurostars) blijven publieke middelen beschikbaar. Financiering van deelname van Nederlandse partijen aan ENIAC en, ARTEMIS is voor de calls van 2011 gegarandeerd. Deze worden uit de Nederlandse begroting van 2012 gefinancierd. Voor de jaren daarna zoekt het kabinet in samenspraak met het veld naar oplossingen.
Naast de inzet op Europese samenwerking, inclusief de samenwerking met grensregio´s zoals Vlaanderen en Noordrijn Westfalen, intensiveert het kabinet de bilaterale samenwerking met hoogtechnologische markten, zowel ontwikkelde markten (o.a. Verenigde Staten) als opkomende markten (China, Brazilië, India, Rusland e.a.). Deze intensivering wordt mede vormgegeven op basis van de innovatiecontracten. De samenwerking met hoogtechnologische markten wordt o.a. gefaciliteerd door de inzet van het netwerk van Technisch-Wetenschappelijk Attaché´s (TWA´s) die zijn gestationeerd in Europa, de VS/Canada, Japan, Singapore, Zuid-Korea, India en China. Deze TWA's kunnen bij het uitvoeren van de innovatiecontracten op zoek gaan naar relevante kennis in het buitenland en zorgen voor matchmaking tussen buitenlandse en Nederlandse partijen.


elang van ongebonden excellent onderzoek.

De toegepaste kennisinstituten (TNO, GTI’s, DLO) hebben een sleutelrol omdat zij een belangrijke schakel vormen tussen kennisontwikkeling en toepassing bij het bedrijfsleven. Zij geven hun activiteiten voor topsectoren vraaggestuurd vorm in de innovatiecontracten. Het bedrag dat de instituten inzetten op topsectoren loopt op van € 200 miljoen in 2012 tot € 250 miljoen in 2015, waarvan een flink aandeel (richting € 75 miljoen) in langjarige deelname in de TKI’s.


Ook universiteiten en hogescholen zijn belangrijke partners in de innovatiecontracten. Naast onderzoek voor topsectoren zorgen ze voor een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt (zie 2.3). Het kabinet werkt aan structurele verankering van valorisatie bij universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten. In lijn met de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap zullen universiteiten en hogescholen zich sterker profileren en richten op de vraag uit het bedrijfsleven. Dit biedt universiteiten en hogescholen ook kansen op meer private financiering en fondsen uit Europa.

Tot en met 2012 loopt het Valorisatieprogramma10 dat zich onder meer richt op ondernemerschapsonderwijs, Intellectueel Eigendom beleid en incubatie van nieuwe bedrijven. Uiterlijk 2016 dient tenminste 2,5% van de publieke onderzoeksmiddelen te worden ingezet voor het omzetten van kennis in innovaties en nieuwe bedrijvigheid.


Acties:

  • NWO reserveert voor 2012 al een vrije impuls van € 70 miljoen voor topsectoren. Het STW budget wordt structureel verhoogd met € 10 miljoen voor topsectoren.

  • In 2012 wordt bij TNO een schuif van € 10 miljoen van niet-topsectoren naar topsectoren doorgevoerd. Voor meer samenwerking met het MKB wordt het huidige budget van € 24 miljoen voor TNO co-financieringsprojecten verhoogd tot minstens € 40 miljoen in 2015 en wordt de TNO SBIR ook bij een aantal andere toegepaste kennisinstituten ingevoerd.

  • In het hoofdlijnenakkoord dat de staatssecretaris van OCW met de VSNU zal sluiten, worden onder meer afspraken gemaakt over het stimuleren en belonen van valorisatie-inspanningen van onderzoekers.

  • Universiteiten en toegepaste kennisinstituten maken werk van de verdere professionalisering van technology transfer, door betere samenwerking en taakverdeling, een uniform beleid voor intellectueel eigendom en heldere loketten voor bedrijven.

  • Het kabinet stelt in samenwerking met de Landelijke Commissie Valorisatie indicatoren vast om de valorisatie-inspanningen te kunnen monitoren.


frame4
en een overheid die slim investeert

Het kabinet zet conform de wensen van de topsectoren en de eigen ambities uit het Regeerakkoord in op een slim inkopende overheid en vergroot het budget voor innovatiegerichte inkopen.

Het kabinet wil als lead customer ondernemers die aan baanbrekende innovaties voor maatschappelijke vraagstukken werken een duwtje in de rug geven. Hierbij richt het kabinet zich vanaf 2012 op vijf à tien concrete boegbeeldprojecten op thema’s die aansluiten op de innovatievraag van de overheid. Het gaat hierbij in ieder geval om elektrische mobiliteit, vermindering van grondstoffenschaarste, dynamisch verkeersmanagement, energiezuinige gebouwen en openbare ruimte, onderhoud van gebouwen, management watersystemen. In deze boegbeeldprojecten realiseren we inkooptrajecten vanuit de overheid die door hun omvang het innovatie- en exportpotentieel van met name het MKB vergroten.
Het kabinet zet er op in om 2,5% van het overheidsbrede inkoopbudget te besteden aan innovatiegerichte inkopen. Ook alternatieven die structurele verankering van innovatiegericht inkopen als doel hebben, worden verkend.
Acties:


  • EL&I, BZK en I&M brengen overheidsopdrachtgevers en bedrijfsleven in de topsectoren bij elkaar in zogenaamde sectorgerichte tafels. EL&I, BZK en I&M komen aan deze tafels tot prestatieafspraken binnen hun eigen organisatie en met andere overheden. Begin 2012 worden de eerste prestatieafspraken gemaakt, waarbij aansluiting wordt gezocht op de kennis en- innovatiecontracten van de topsectoren en de vragen van de overheid.

  • Via marktontmoetingen en een samen met het ministerie van IenM te ontwikkelen digitaal “meeting point” voor vraag en aanbod worden bedrijven snel geïnformeerd over andere behoeften voor duurzame en innovatieve inkopen van rijk en regio. Het meeting point zal begin 2012 gereed komen.

  • De TNO SBIR wordt bij zoveel mogelijk andere toegepaste kennisinstituten (DLO, GTI’s) ingevoerd.



2.2 Ruim baan voor ondernemers

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • 2. In actie voor ondernemers en topsectoren
  • Life Science Park Oss: Topsectorenbeleid in de praktijk
  • 2.1 Nederland innovatieland Een nieuw innovatiebeleid...
  • Holst Centre, open innovatie in de High Tech industrie
  • Innovatie over de grens: kennis halen, kennis brengen
  • 2.2 Ruim baan voor ondernemers

  • Dovnload 382.55 Kb.