Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid

Dovnload 382.55 Kb.

Inhoudsopgave Samenvatting Inleiding: het bedrijvenbeleid



Pagina8/9
Datum04.04.2017
Grootte382.55 Kb.

Dovnload 382.55 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Decentrale overheden in actie voor topsector Water:

  • Noord Nederland: ondersteunt stevig de initiatieven vanuit het TTIWater/Wetsus: de komende jaren is hiervoor € 17 miljoen gereserveerd.

  • Zeeland: stelt ruimte beschikbaar als etalage en experimenteerruimte voor innovaties op gebied van waterbeheer. Verder loopt er een vijftal initiatieven op het gebied van getijdenenergie. Zeeland zet zich in voor de realisatie van deze initiatieven.

  • Rotterdam, Delft en Dordrecht: stellen ruimte beschikbaar als etalage en experimenteerruimte voor innovaties op gebied van waterbeheer.

  • Dordrecht /Drechtsteden: zetten in op de recentelijk opgerichte proeftuin maritieme innovatie.


10. Hoofdkantoren
Hoofdkantoren is een doorsnijdende thema door alle topsectoren heen. Voor het topgebied hoofdkantoren is net als voor de topsectoren een agenda opgesteld door de gouden driehoek van bedrijfsleven, kenniswereld en overheid.
Het aantrekken en behouden van hoofdkantoren is een mix van economische en niet-economische factoren, zoals huisvestingmogelijkheden, beschikbaarheid internationaal onderwijs en cultuuraanbod. De overheid neemt een aantal generieke maatregelen die bijdragen aan het vestigingsklimaat van hoofdkantoren en bedrijven uit de topsectoren, zoals:

  • Uitvoeren van nationale acquisitiestrategie in samenspraak met de topsectoren;

  • Verminderen van de regeldruk via o.m. invoering voor het Lex Silencio principe voor een groot aantal vergunningstelsels per 1 januari 2012;

  • Versterking van het fiscale klimaat voor R&D-investeringen via de aangekondigde RDA;

  • De main-, brain- en greenports worden gefaciliteerd om te kunnen groeien;

  • Aansluiting van het onderwijs op het bedrijfsleven via sectorplannen in de topsectoren.

  • Voor de Schipholregio wordt een rijksstructuurvisie opgesteld (SMASH), die zich richt op het versterken van de economische motor Schiphol door een ruimtelijk perspectief te bieden, onder andere om daarmee de internationale concurrentiekracht te vergroten. Een kwalitatief hoogstaand netwerk van luchtverbindingen is van groot belang voor internationale hoofdkantoren.

  • Met het permanent maken van de crisis- en herstelwet worden mogelijkheden gecreëerd om sneller over te gaan tot de aanleg van infrastructuur teneinde de ontsluiting van de mainports te verbeteren.

Het kabinet neemt daarnaast de volgende maatregelen om buitenlandse bedrijven en kenniswerkers aan te trekken en te behouden:



  • Het kabinet zal in Nederland gevestigde buitenlandse CEO’s vragen zich beschikbaar te stellen voor een pool van CEO’s die fungeren als vraagbaak voor CEO’s van bedrijven die vestiging in Nederland overwegen. Zij zijn als ervaringsdeskundigen immers de beste ambassadeurs van Nederland voor potentiële investeerders.

  • Het kabinet stelt nog dit jaar een pilot in om de toelating van kortverblijvende kennismigranten, een toenemende doelgroep onder de kennismigranten, te vereenvoudigen. Er zal worden bezien of de in de pilot uitgevoerde aanpak voldoet en of de vereenvoudiging zijn doel bereikt.

  • Ook wordt de fiscale 30%-regeling voor expats beter gericht en aangepast zodat een buitenlandse promovendus die na zijn/haar promotie in Nederland tewerk worden gesteld ook als ingekomen werknemers worden beschouwd. Deze regeling behoort tot een van de sterke punten van ons land als aantrekkelijke vestigingsplaats voor talent en buitenlandse investeerders.

  • Het kabinet vindt het belangrijk om pro-actief te kunnen handelen als de vestigingsplaatsfactoren voor bedrijven verslechteren en gaat daarom de contacten met hoofdkantoren in afstemming met regionale organisaties en overheden intensiveren.

  • Besluitvorming over het project Zuidasdok zal prioriteit krijgen vanwege het belang van de Amsterdamse Zuidas als financieel en zakelijk centrum van Amsterdam en toplocatie voor de vestiging van hoofdkantoren.

  • Andere maatregelen die het kabinet neemt om buitenlandse bedrijven en werknemers te verleiden zich hier te vestigen zijn o.a. het gebruik van Engels in relevante overheidscommunicatie, te beginnen met de 10 belangrijkste documenten (o.a. vergunningen) in de eerste helft van 2012; een verbeterde dienstverlening aan expats (streven naar one stop shops) en een onderzoek naar de mogelijkheid om het capaciteitstekort op internationale scholen aan te pakken.


Decentrale overheden in actie voor Hoofdkantoren

  • Noord-Brabant: investeert € 200 miljoen in internationale scholen in Eindhoven en Breda, twee Expat Centres en dependances in de vier grote Brabantse steden en een investeringspakket om het woonklimaat in Brabant op gebied van natuur en cultuur.

  • Metropoolregio Amsterdam: werkt aan de realisatie van hoogwaardige internationale vestigingsmilieus Zuidas Amsterdam, rond Schiphol en Science Park Watergraafsmeer. Continuering van het succesvolle Expatloket Amsterdam (meer dan 10.000 cliënten sinds 2008).

  • In Noordvleugel-verband wordt geïnvesteerd in een op Europese hoofdkantoren gerichte, acquisitiestrategie en intensivering van het accountmanagement richting bestaande buitenlandse vestigingen. Versterken van breed netwerk van internationale scholen in de Noordvleugel en specifieke verbetering van het woon- en leefklimaat voor expats.

  • Den Haag: Den Haag investeert in de quality of life en bereikbaarheid van de internationale zone, het Beatrixkwartier en de attractiviteit van de binnenstad om toplocaties te bieden voor internationale bedrijven. Den Haag investeert in voorzieningen voor de internationale gemeenschap met het The Hague International Centre, waarin alle expat dienstverlening is gebundeld. In 2012 opent de Europese school haar deuren.

  • Rotterdam: De Rotterdam Investment Agency heeft als doel om aan het eind van de huidige collegeperiode een minimum aantal van 100 (buitenlandse) investeringsprojecten te hebben gerealiseerd ten opzichte van 2010. Rotterdam investeert fors in een aantrekkelijk en duurzaam topmilieu voor (inter)nationale hoofdkantoren in Central District, het gebied rondom Centraal Station.

  • Delft: investeert in een internationale basisschool.

4. Verder aan de slag
Met de agenda’s voor de topsectoren en deze kabinetsreactie ligt er de basis om met elkaar krachtig op weg te gaan naar de top. Dit laatste deel van de brief gaat in op belangrijke zaken die we nodig hebben om de agenda’s en het hier gepresenteerde pakket aan maatregelen op een goede manier tot uitvoering te brengen: goed georganiseerde topsectoren die onder leiding van de boegbeelden aan de slag gaan; concrete bijdragen van decentrale overheden; goed toezien op de voortgang en concrete resultaten; en financiële middelen die worden ingezet voor de topsectoren. Deze vier onderwerpen komen hier aan de orde.
4.1 Veld blijft aan het stuur

Het instellen van tien topteams voor het opstellen van actieplannen voor de topsectoren heeft veel in beweging gezet. De topteams zijn het land ingetrokken en hebben met alle belangrijke stakeholders uit hun sector gesprekken gevoerd om kansen en knelpunten te identificeren en hieraan acties te koppelen voor zowel bedrijven, kennisinstellingen als de overheid. Dit heeft geleid tot tien ambitieuze actie agenda’s voor de topsectoren en de gezamenlijke brief van de boegbeelden waarin ze een aantal overkoepelende speerpunten markeren. Het kabinet hecht er zeer aan om bij de realisatie van de agenda’s voort te bouwen op de energie, synergie en betrokkenheid uit de eerste fase.


We gaan daarom verder langs deze weg. De boegbeelden zijn uitgenodigd om een voorstel te doen voor het mobiliseren van de topsectoren bij het vervolg: de uitvoering van de agenda’s. Daarbij gelden belangrijke uitgangspunten:

  • De samenwerking in de gouden driehoek wordt op een structurele basis geborgd, om te zorgen dat de plannen uitmonden in concrete programma´s en projecten op basis waarvan publieke en private budgetten worden ingezet;

  • Per topsector is een boegbeeld het aanspreekpunt voor de uitvoering van de agenda en de organisatie daarvan. Bij de samenstelling van het team betrekt het boegbeeld bedrijfsleven (inclusief MKB), kennisinstellingen en de overheid. De wijze waarop de regie en de structuur van het uitvoeringsproces wordt vormgegeven, is aan de boegbeelden zelf. Zij kunnen daarvoor aanhaken bij bestaande sectorale initiatieven en structuren;

  • Onder regie van het boegbeeld worden de verschillende onderdelen van de agenda uitgewerkt en uitgevoerd, waaronder de innovatiecontracten en de human capital agenda’s. Voor het opstellen van de innovatiecontracten zitten de meest betrokken partijen (financiers én uitvoerders) aan tafel.

  • De implementatie gaat over de gehele breedte van de agenda’s. De inzet op integraliteit geldt ook voor de verbinding en de synergie tussen en over de topsectoren.


4.2 Bijdrage van decentrale overheden

Decentrale overheden leveren een belangrijke bijdrage aan de topsectoren aanpak. Sterke clusters staan mede aan de basis van het succes van de topsectoren28. Het kabinet is trots op de uitverkiezing van de Brainport regio tot ‘Intelligent Community of the Year 2011’, door het Intelligent Community Forum (ICF) in New York. Deze uitverkiezing laat zien hoe vanuit een goede samenwerking van bedrijven, kennisinstellingen en Rijk met decentrale overheden innovaties kunnen worden gestimuleerd en bedrijvigheid kan worden gegenereerd. Dit vereist een goed samenspel tussen bestuurslagen, ieder uit zijn eigen verantwoordelijkheid, met het gemeenschappelijk doel om ondernemers te laten excelleren en de Nederlandse economie te laten floreren.


Voorbeelden van goed samenspel tussen Rijk en decentrale overheden zijn de trajecten die hebben geleid tot de economische visies op de mainport Rotterdam, Brainport 2020 en de Noordvleugel van de Randstad (voorheen Amsterdambrief).

In 2009 heeft het kabinet een economische visie op de lange termijn ontwikkeling van de Mainport Rotterdam opgesteld29. Met de bij deze brief gevoegde kabinetsreactie op Brainport 2020 en de economische visie op de Noordvleugel van de Randstad geeft het kabinet er blijk van veel belang te hechten aan de verdere economische ontwikkeling van de Mainports en de Brainport. Resultaat van het samenspel tussen Rijk en de decentrale overheden is dat zowel bij Brainport 2020 als bij de visie op de Noordvleugel de visie op de lange termijn ontwikkeling is vertaald naar agenda’s voor de beide gebieden met concrete maatregelen die soms een inspanning vragen van bedrijfsleven, soms van kennisinstellingen en soms van een decentrale overheid of van het Rijk. Vaker nog gaat het om gezamenlijke inspanningen van deze actoren. En in nagenoeg alle gevallen sluiten de voorgestelde maatregelen aan bij de nationale topsectorenaanpak en bij de maatregelen in de agenda’s gericht op het bewerkstelligen van een excellent ondernemersklimaat.


Het kabinet wil zich inzetten om samen met de partners uit de Noordvleugel en de Brainport regio de in de beide agenda’s uitgezette koers tot succesvolle uitvoering te brengen. Daarbij is de inzet van het kabinet niet om specifiek regionaal economisch beleid te voeren. De inzet is om de regionale ambities en acties uit de beide agenda’s zo goed mogelijk te laten aansluiten aan de bestaande landelijke beleidskaders (waaronder het topsectorenbeleid) en vanuit deze kaders de inspanningen van de regio te ondersteunen.

Visie op de Noordvleugel (Bijlage 1)

Op verzoek van de Tweede Kamer heeft het ministerie een economische visie opgesteld voor de Noordvleugel van de Randstad (voorheen de zogenoemde Amsterdambrief). De visie beschrijft de Noordvleugel als een economisch samenhangend gebied met Amsterdam, Utrecht en mainport Schiphol als economische kern. De Noordvleugel heeft een aantal belangrijke sterktes als een diverse sectorstructuur, een diverse en hoopopgeleide bevolking en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Maar het gebied heeft ook aantal zwaktes zoals een onvoldoende aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt. Ook gelet op een aantal internationale trends als de verschuiving van economische groei van west naar oost heeft de Noordvleugel te maken met een aantal uitdagingen. In de visie wordt hiervoor een agenda op hoofdlijnen uitgewerkt. Kern van de agenda zijn punten waarop nog meer samenwerking van de triple helix in de Noordvleugel nodig is, zoals het aantrekken van kenniswerkers en bedrijven, het investeren in het vestigings- en ondernemingsklimaat, betere aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt, valorisatie en fysieke en digitale infrastructuur. De Economic Development Board Amsterdam (EDBA), het in 2010 opgerichte samenwerkingsverband van bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden binnen de MRA, zal een belangrijke rol in de samenwerking spelen. Samenwerking die moet leiden tot concrete initiatieven, zoals het recent door EL&I geakkordeerde om kennisvalorisatie en infrastructuurversterking in de Noordvleugel te bundelen in een InnovatieCentrum Metropoolregio Amsterdam, dat de TTO’s, het Amsterdam Center for Entrepreneurship en Syntens bij elkaar brengt.


Brainport 2020 (Bijlage 2)

Eind 2009 heeft het Rijk de burgemeester van Eindhoven verzocht om voor en namens Zuidoost-Nederland te komen tot een integrale samenhangende visie op en uitvoeringsagenda voor de ontwikkeling van de Brainport. Het doel is om deze regio verder uit te laten groeien tot een toptechnologieregio van wereldformaat. Met de visie Brainport 2020 en bijbehorend uitvoeringsprogramma is invulling aan deze opdracht gegeven en is het fundament gelegd waarop deze regio verder kan bouwen. De agenda onderscheidt vier domeinen om deze ambitie waar te maken - people, technology, business en basics, alsmede ook een uitvoeringsstructuur waarmee de voorgestelde maatregelen gerealiseerd kunnen worden. Deze maatregelen vragen soms een inspanning van bedrijfsleven, soms van kennisinstellingen en soms van een decentrale overheid of van het Rijk. Vaker nog gaat het om het samenspel van deze actoren. In nagenoeg alle gevallen sluiten de voorgestelde maatregelen aan bij de nationale topsectorenaanpak. Zo zullen de Technische Universiteit Eindhoven, Holst, TNO en ECN hun krachten op het gebied van zonne-energie bundelen en zal rondom Eindhoven Airport een technologische proeftuin worden gerealiseerd voor duurzame decentrale energieopwekking en –besparing. Eerder dit jaar werd de regio Eindhoven uitgeroepen tot slimste regio ter wereld. Deze uitverkiezing onderstreept eens en te meer het belang van Brainport 2020 Via deze uitvoeringsagenda kan op dit succes worden gekapitaliseerd en kan de succesvolle samenwerking die aan deze uitverkiezing ten grondslag ligt verder worden uitgebouwd.



De trajecten van Brainport 2020 en de visie op de Noordvleugel maken duidelijk dat actieve inzet van decentrale overheden in het bedrijvenbeleid van belang is. Daarom is aan de topteams gevraagd ook aandacht te besteden aan de rol van decentrale overheden bij de topsectoren. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Dijksma en Verhoeven30. In de adviezen wordt op diverse terreinen benoemd hoe de regio kan bijdragen aan versterking van de betreffende topsector.
Het is voor de topsectoren van belang dat clusters zich blijven ontwikkelen door specialisatie, innovatie en samenwerking. De inzet van decentrale overheden ligt daarbij vooral op regionale ruimtelijke aspecten als bereikbaarheid, ruimte, campussen en leefklimaat, en niet-fysieke aspecten als netwerkvorming, de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt en eenvoudiger vergunningverlening. Ook met grensoverschrijdende samenwerking is nog een wereld te winnen. Dit geldt bijvoorbeeld voor Zeeland, bij uitstek een gebied met potenties voor biobased, en voor Brainport. Naast punten benoemd per topsector, doen de topteams een algemene oproep aan de decentrale overheden zich aan te sluiten bij de topsectorenaanpak.
Na het verschijnen van de agenda’s van de topteams is aan steden en provincies gevraagd op welke wijze zij kunnen bijdragen aan die agenda’s en met welke concrete investeringen in regionaal economisch beleid zij die agenda’s kunnen versterken. Uit de reacties blijkt dat decentrale overheden de topsectorenaanpak steunen en graag een bijdrage leveren aan de agenda’s en de uitvoering van het nieuwe beleid. Er wordt waardering uitgesproken voor het aanbrengen van focus. Wel wordt aangetekend dat regionale investeringen zich zelden onder één topsector laten vatten. Juist op de grenzen van de topsectoren (‘cross-overs’) gebeuren de interessante dingen. Voorbeelden zijn biobased (energie, chemie, agrofood) en medische technologie (life sciences, high tech, chemie). Decentrale overheden zeggen bij te kunnen dragen aan de topsectoren door bijvoorbeeld innovatiegericht in te kopen. Ze zijn over het algemeen zeer geïnteresseerd in betrokkenheid bij het nationaal Innovatiefonds MKB+. Samenwerking van verschillende fondsen zal in de komende periode verder worden onderzocht. Clustervorming en campusvorming zijn andere onderwerpen waar regionale initiatieven sterk kunnen bijdragen aan de topsectoren, evenals een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. Ten slotte geven decentrale overheden aan samen met het Rijk tot een nationale acquisitiestrategie voor buitenlandse investeerders en een strategische reisagenda, te willen komen. In bijlage 3 wordt een uitgebreid overzicht gegeven van waar regionaal economisch beleid bij kan dragen aan het topsectorenbeleid.
Ook de regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM´s) hebben voorstellen ontwikkeld om zich vanaf 2011 in aansluiting op hun door provincies gefinancierde regionale taken en speerpunten, te richten op de landelijke topsectoren. Vanuit hun kerntaken zullen ze zich daarbij concentreren op die onderwerpen waar de ROM´s het verschil kunnen maken ten opzichte van andere publieke en private organisaties. Trefwoorden hierbij zijn valorisatie, cross-overs tussen topsectoren, acquisitie en account management van buitenlandse investeerders in samenwerking met EL&I/NFIA, bovenregionale afstemming en participaties/revolverende fondsen op de topsectoren in aansluiting op het Innovatiefonds MKB+.
Bestuurlijk overleg
Vanwege het belang van decentrale overheden voor de agenda’s van de topsectoren, en de wens om als één overheid te opereren, zal dit najaar met de koepels van de decentrale overheden bestuurlijk overleg gevoerd worden op systeemniveau (aanpak en systematiek). De inzet is met provincies en de meest betrokken steden per landsdeel te komen tot actieagenda’s met daarin bijdrages die decentrale overheden leveren, gezamenlijke acties en afstemming van instrumenten. Daarbij zal gezorgd worden dat geen overlap plaatsvindt met Bestuurlijke Overleggen die in het kader van de MIRT worden gevoerd.

4.3 Monitoring en effectmeting

In de aanbiedingsbrief bij het Nationaal Hervormingsprogramma 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, Kamerstuk 21501-20 nr. 531) heeft het kabinet aangekondigd in deze brief aan te geven op welke wijze de resultaten van het nieuwe beleid worden gemeten.


Bij de topsectorenaanpak gaat het niet zozeer om de inzet van meer publiek geld, maar vooral om het beter laten aansluiten van overheidsinspanningen bij de inzichten van topsectoren, kennisinstellingen en regio’s. De topsectorenaanpak heeft als doel de economische prestaties van de topsectoren te versterken. Er zijn echter veel factoren waar de overheid geen invloed op heeft die wel bepalend zijn voor de economische prestaties van de topsectoren. Denk bijvoorbeeld aan macro-economische ontwikkelingen. Het is moeilijk om op wetenschappelijk verantwoorde wijze deze factoren te scheiden van de beleidsinspanningen. Om een globale indicatie van de internationale positie en het economisch belang van een individuele topsector voor de Nederlandse economie en samenleving te kunnen geven, zullen op sectorniveau voor de topsectoren internationaal en nationaal vergelijkbare standaardindicatoren worden verzameld. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande bronnen en onderzoekinitiatieven zodat er geen onnodige administratieve lasten ontstaan.
Vanwege de hierboven vermelde complicaties zal het accent van de monitoring en effectmeting inspanningen liggen op het in kaart brengen van de voortgang en het effect van individuele acties en instrumenten. Monitoring, het weergeven van de voortgang aan de hand van objectieve cijfers, is essentieel om de mogelijkheid te hebben om acties en instrumenten tijdig bij te sturen. De monitoring van de topsectorenaanpak zal als volgt worden vormgegeven:

  • Aan de speerpunten, knelpunten en kansen zoals die in de sectoragenda’s zijn benoemd, zijn concrete acties en instrumenten gekoppeld. In overleg met de boegbeelden en hun teams zullen indicatoren worden benoemd met daaraan gekoppeld streefwaardes. Dit maakt het mogelijk om op het niveau van acties en instrumenten te bezien of deze zijn gerealiseerd en op het niveau van speerpunten, knelpunten en kansen de resultaten inzichtelijk te maken. Te denken valt aan indicatoren over de samenwerking en samenhang in de kennisketen, beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel, regeldruk, acquisities van buitenlandse R&D-investeringen en internationale positionering/profilering van de sector. Monitoring omvat zowel economische, wetenschappelijke als maatschappelijke indicatoren.

  • Daarnaast kom ik met een set passende indicatoren op het niveau van de kennis- en innovatiethema’s waar de topsectoren op inzetten. Het is immers van belang om zo goed mogelijk inzicht te verschaffen in de wetenschappelijke en technologische prestaties die met thematische publieke middelen worden bereikt. Hiervoor kunnen onder andere indicatoren over publicaties en octrooien worden gebruikt. Ontsluiting van informatie over de kennis- en innovatiethema’s zal gebeuren via het MIKK (Meerjaren Innovatie en Kennis Kompas: www.mikk.nl), het online hulpmiddel voor thematisch kennis- en innovatiebeleid.

Ook instrumenten uit het generieke bedrijvenbeleid zullen worden gemonitord door hier indicatoren aan te koppelen. Zo zal bijvoorbeeld voor het innovatiefonds MKB+ gekeken worden naar de EU-data over de perceptie van de beschikbaarheid van risicokapitaal. Om uniforme informatievoorziening te waarborgen, zal AgentschapNL verantwoordelijk worden gemaakt voor het datamanagement. Een maal per jaar zal een topsectorenbrief naar de Tweede Kamer worden gestuurd, waarin de ontwikkelingen van het afgelopen jaar worden vermeld. In deze brief zal ook aandacht worden besteed aan de resultaten van de monitoring voor zowel de topsectorenaanpak als het generieke bedrijvenbeleid. Dit kabinet hecht veel waarde aan de afrekenbaarheid van beleid. Het is immers alleen zinvol beleid te continueren wanneer, binnen de grenzen van de redelijkheid, het effect ervan is aangetoond. Om een goed beeld te krijgen van de effectiviteit is het belangrijk om vroegtijdig (wanneer beleid wordt ontwikkeld) stil te staan bij effectmeting in evaluaties. Zowel generieke beleidsinstrumenten als acties en instrumenten uit de topsectorenaanpak zullen worden geëvalueerd. Voor zover dit mogelijk is, zal bij de evaluaties gebruik worden gemaakt van controlegroepen en/of surveytechnieken waardoor de additionaliteit van instrumenten kan worden geschat.


Bij evaluaties wordt een waardeoordeel uitgesproken over de effecten van het beleid. Evaluaties zullen daarom worden uitbesteed aan onafhankelijke onderzoeksbureaus.

4.4 Financiën
In tabel 1 staan de bedragen die de komende jaren voor het bedrijfslevenbeleid en de topsectoren beschikbaar zijn.


Tabel 1 Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren (in € miljoen in kasbedragen)31

2012

2013

2014

2015

Budget

-houder

I Generiek

A. Ondernemerschap, innovatie en onderwijs
















  1. Innovatiefonds MKB+32

84

93

104

115

EL&I

  1. RDA

250

375

500

500

EL&I/FIN

  1. Aanvullend fiscaal innovatiepakket (RDA+/WBSO/KWR)33

30

100

100

100

EL&I/FIN

  1. Betatechniek

33

33

22

22

OCW

II Specifiek voor topsectoren

B. Kennis en innovatie




  1. NWO/KNAW aandeel topsectoren

90

175

260

350

OCW

  1. Toegepast onderzoek (TNO, GTI’s, DLO)

200

215

230

250

EL&I, DEF

  1. Bevorderen innovatiekracht topsectoren

150

145

139

90

EL&I

  1. Profilering kennisinfrastructuur34

50

50

50

50

OCW

C. Onderwijs en arbeidsmarkt
















  1. Professionele masters

0

7

7

7

OCW

  1. Centra voor Innovatief Vakmanschap35

4

4

4

4

OCW/EL&I

D. Internationaal
















  1. Internationaal ondernemen en ontwikkelingssamenwerking (Buza)

200

235

270

300

BuZa

  1. Internationaal ondernemen (EL&I)

10

10

10

10

EL&I

E. Specifieke bijdragen departementen
















  1. VWS: Life Sciences & Health/zorg

106

85

74

49

VWS

  1. EL&I: Energie-innovatie

81

100

90

101

EL&I

  1. EL&I: Voeding + tuinbouw

30

35

40

50

EL&I

  1. I&M: Logistiek

9

19

17

25

I&M

  1. I&M: Water

12

13

13

25

I&M

  1. OCW: creatief

0

11

11

11

OCW

  1. Defensie

20

20

20

20

DEF

Totaal

1359

1725

1961

2079



1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Decentrale overheden in actie voor Hoofdkantoren
  • 4.1 Veld blijft aan het stuur
  • 4.2 Bijdrage van decentrale overheden
  • Visie op de Noordvleugel (Bijlage 1)
  • Brainport 2020 (Bijlage 2)
  • 4.3 Monitoring en effectmeting
  • Tabel 1 Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren (in € miljoen in kasbedragen) 31 2012
  • Budget -houder I Generiek
  • II Specifiek voor topsectoren B. Kennis en innovatie
  • C. Onderwijs en arbeidsmarkt
  • E. Specifieke bijdragen departementen
  • Totaal 1359 1725

  • Dovnload 382.55 Kb.