Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave Voorwoord 2 Inleiding 3 Geloof bij kinderen en jongeren 4

Dovnload 182.48 Kb.

Inhoudsopgave Voorwoord 2 Inleiding 3 Geloof bij kinderen en jongeren 4



Pagina1/4
Datum24.09.2018
Grootte182.48 Kb.

Dovnload 182.48 Kb.
  1   2   3   4

Inhoudsopgave



Voorwoord 2

  1. Inleiding 3

  2. Geloof bij kinderen en jongeren 4


    1. Definitie van geloof 4

2.2 Verschillende geloofsaspecten 5

2.2.1 Cognitieve geloofskenmerk 6

2.2.2 Affectieve geloofskenmerk 8

2.2.3 Gedragsmatige geloofskenmerk 9

2.2.4 Relationele geloofskenmerk 10

2.3 Belemmeringen in de geloofsontwikkeling 11




  1. Autisme 12

    1. Naar een definitie van autisme 12

    2. Autisme spectrum stoornissen 13

      1. Autisme spectrum stoornissen volgens de DSM-IV-TR 13

      2. Subtypes bij autisme 14

3.3 Nadere kijk op de kenmerken van autisme 15

3.3.1. Kenmerken van autisme op cognitief vlak 15

3.3.2. Kenmerken van autisme op affectief vlak 16

3.3.3. Kenmerken van autisme op gedragsmatig vlak 16

3.3.4. Kenmerken van autisme op relationeel vlak 17

4. Verklaringsmodellen en de Existentiële Theory of Mind 19

4.1. Algemene verklaringsmodellen 19

4.2. De Theory of Mind nader uitgewerkt 20

4.3. De Existentiële Theory of Mind 21

4.4. De Existentiële Theory of Mind en autisme 22



5. Geloof bij kinderen en jongeren met autisme 24

5.1 Cognitieve geloofskenmerk 24

5.2 Affectieve geloofskenmerk 26

5.3 Gedragsmatige geloofskenmerk 27

5.4 Relationele geloofskenmerk 27

6. Conclusie 28

7. Literatuurlijst 29

Voorwoord

De kennis rondom autisme spectrum stoornissen is in de laatste decennia enorm toegenomen. Op het gebied van de geloofsbeleving van deze jongeren schiet de wetenschappelijke kennis echter nog tekort. Bij stichting gereformeerde gezondheidszorg Eleos, waar wij beiden aan verbonden zijn door respectievelijk onze stage en werkervaringplek, werden wij en onze collega’s echter wel steeds vaker met vragen van ouders hiernaar geconfronteerd. Omdat dit terrein onze interesse heeft, werd besloten deze vraag als uitgangspunt te nemen voor onze scriptie en ons doctoraalonderzoek. Hiermee wordt getracht meer inzicht te krijgen in de geloofsbeleving van jongeren met een autisme spectrum stoornis en wordt geprobeerd om het belang van onderzoek naar betekenisgeving en geloofsbeleving van kinderen en jongeren met of zonder stoornissen op de sociaal-wetenschappelijke kaart te zetten.


Deze scriptie en het daaruit voortvloeiende onderzoek hadden echter niet kunnen worden voltooid zonder de hulp van een groot aantal mensen. Op deze plek willen wij van de gelegenheid gebruik maken om hen hiervoor hartelijk te bedanken. Allereerst willen wij de medewerkers van Eleos bedanken voor hun meedenken en het helpen vinden van respondenten. Ook de middelbare scholen, het Guido de Brès college, het Driestar college en het Greijdanuscollege willen we bedanken voor hun bereidheid deel te nemen aan het onderzoek. Natuurlijk zijn we alle jongeren die deel hebben genomen aan het onderzoek ook erg dankbaar voor hun tijd, inzet en openheid bij het invullen van de vragenlijsten. Daarnaast gaat onze dank uit naar al onze vrienden en familie voor hun medeleven en onmisbare hulp bij het vertalen van de vragenlijst, het afnemen van de testjes “plaatjes ordenen” van de WISC III, het invoeren van de ruwe gegevens in SPSS en de hulp bij het onder de knie krijgen van de verschillende analysemethoden in SPSS: Hans, Karlien, Kirsten, Sjoerd, Dorothea, Paul, Tjeerd, Theo, Esther, Michiel en Tim super bedankt voor jullie hulp! Speciale dank gaat ten slotte uit naar onze begeleiders dhr. L. Wijnroks en dhr. J. Boom, voor hun betrokkenheid, enthousiasme en meedenken tijdens het onderzoeksproces. Bedankt allemaal!

Utrecht, augustus 2006

Gerdien Bouwman

Marieke van der Maten-Abbink


1. Inleiding

Religiositeit en de religieuze ontwikkeling bij kinderen en adolescenten is in de sociale wetenschappen een verwaarloosd terrein (King & Boyatzis, 2004). Dit is opmerkelijk, omdat het in de opvoeding en ontwikkeling van kinderen en jongeren wel degelijk een belangrijke plaats kan innemen. Zo toont Hyde (1990) aan dat religiositeit een significante invloed kan hebben op de normen en waarden die kinderen en jongeren hanteren en dat het van invloed is op hun gedrag.


Over de geloofsontwikkeling en geloofsbeleving van kinderen met een autisme spectrum stoornis is echter helemaal niets bekend, terwijl hier binnen de protestants christelijke hulpverlening wel steeds meer vragen naar komen. Door het huidige hiaat in de wetenschappelijke literatuur hieromtrent hebben hulpverleners hier ook weinig zicht op en groeide de vraag naar een onderzoek dat meer helderheid zou verschaffen over de manier waarop kinderen en jongeren met autisme het geloof beleven.

In deze scriptie wordt getracht om aan deze vraag tegemoet te komen. Door middel van een uitgebreide literatuurstudie wordt geprobeerd om de wetenschappelijke kennis omtrent autisme te integreren met de kennis omtrent de geloofsbeleving van kinderen en jongeren, om op deze manier tot theoretisch gefundeerde verwachtingen te komen aangaande de geloofsbeleving bij kinderen en jongeren met autisme. Daarbij zal de volgende vraag in deze scriptie centraal staan:



Hoe beleven protestants-christelijke kinderen en jongeren met autisme en een gemiddelde intelligentie hun geloof?

Om deze vraag te beantwoorden is de volgende hoofdstukindeling aangehouden: ten eerste zal de geloofsbeleving en geloofsontwikkeling van normaal functionerende kinderen aan bod komen. Omdat de literatuur en het onderzoek rondom geloof bij kinderen en jongeren echter schaars is, zal ook gebruik worden gemaakt van literatuur die meer op volwassenen toegespitst is. Ten tweede zal nader worden ingegaan op autisme spectrum stoornissen en de beperkingen die zij met zich mee brengen. Ten derde komen verschillende verklaringsmodellen voor autisme aan bod en zal worden ingegaan op de Existentiële Theory of Mind. Ten slotte zal aan de hand van de besproken literatuur worden geprobeerd aan te geven waarin de geloofsbeleving van kinderen met autisme verwacht wordt af te wijken van kinderen zonder een dergelijke stoornis.



2. Geloof bij kinderen en jongeren
2.1 Definitie van geloof

Alvorens in te gaan op geloof bij kinderen en jongeren, is het nodig het begrip “geloof” nader te definiëren. In de wetenschappelijke literatuur zijn er veel verschillende definities van geloof in omloop en worden aan begrippen die inhoudelijk vrijwel gelijk zijn verschillende namen toegekend (Hyde, 1990). Dit maakt het definiëren van geloof niet eenvoudig. Allereerst worden daarom verschillende definities van geloof en aanverwante begrippen besproken om ten slotte tot een definitie te komen waarmee in deze scriptie gewerkt wordt.

Hoewel in de Nederlandse taal het begrip “geloof” veelal geassocieerd wordt met “religieus zijn” dan wel “in God geloven” zijn verscheidene auteurs van mening dat de betekenis van het begrip verbreed zou moeten worden (Ploeger, 1993). Zij gaan ervan uit dat ieder mens in beginsel een gelovig mens is. Zo spreekt Fowler (1981) over geloof – bij hem ‘faith’ genaamd- als het vinden van samenhang en het toekennen van betekenis aan verschillende krachten en relaties, die ons leven vorm geven. Ook bij Ganzevoort (1994) staat de interpretatie en de attributie van betekenis centraal. Verscheidene Nederlandse auteurs pleiten voor overeenkomstige definities, maar prefereren het gebruik van andere termen hiervoor. Ploeger (1993) noemt het levensoriëntatie dan wel levensbeschouwing, Van Zantum-van Hattum (1993) spreekt van zingeving en Donders (2004) prefereert de term betekenisgeving. Deze auteurs gebruiken een functionele definitie van geloof –of andere nomenclatuur die zij voor het begrip geloof gebruiken-, waarbij zij er van uitgaan dat ieder mens geloof nodig heeft als een oriëntatiekader dat orde, eenheid en samenhang in zijn wereld aanbrengt en van waaruit de wereld wordt waargenomen en erop gereageerd wordt. Dit kader kan in hun zienswijze zowel onbewust als meer weloverwogen en bewust zijn.

Bij de definitie van geloof kan echter ook in plaats van de functie het transcendente centraal staan. Hierbij treedt er een versmalling van het begrip op, waarbij geloven weer nauw verwant wordt aan religie en godsdienst. Pargament (1997) noemt in dit kader verschillende voorbeelden van definities hiervan, die gemeenschappelijk hebben dat ze allen naar hetzelfde referentiepunt verwijzen, namelijk het transcendente.

Verschillende definities van geloof en nauw verwante begrippen zijn nog op een ander punt van elkaar te onderscheiden, ze kunnen persoonlijk dan wel gemeenschappelijk zijn. Hierbij beïnvloeden het persoonlijke en gemeenschappelijke geloof elkaar wederzijds. Veelal worden geloof, spiritualiteit en levensoriëntatie opgevat als de eigen geloofsopvattingen, ervaringen en idealen van een individu (Fowler, 1981; Ploeger, 1993; Van Zantum-van Hattum, 1993). Religie, godsdienst, en levensbeschouwing zijn meer collectief van aard, waarbij gedeelde levensopvattingen en –ervaringen van een bepaalde groep mensen centraal staan (Emblen, 1992; Fowler, 1981; Ploeger, 1993; Van Zantum-van Hattum, 1993).

In deze scriptie zal gebruik worden gemaakt van een persoonlijke definitie van geloven, waarbij zowel het transcendente als de functie centraal zal staan. Hiervoor is gekozen omdat deze scriptie zich beperkt tot protestants-christelijke jongeren en binnen het protestantisme bijna altijd de relatie met het transcendente -een min of meer persoonlijke God- centraal staat (Van Uden & Pieper, 1996). Dat binnen onze definitie ook de functie centraal zal staan, komt voort uit het feit dat het binnen het protestantisme gaat om een zoektocht naar het vinden of geven van betekenis aan de wereld om ons heen, en het geloof een oriëntatiekader vormt van waaruit deze betekenisgeving plaatsvindt. Met deze gegevens in het achterhoofd zal in deze scriptie onder “geloof” het volgende worden verstaan: een persoonlijke zoektocht naar betekenisgeving in relatie tot een God.


2.2 Verschillende geloofsaspecten

Een nadere uitwerking van geloof kan zowel op inhoudelijke als structurele gronden gebeuren. Deze inhoud en structuur beïnvloeden elkaar wederzijds. Zo kan een structuurverandering zorgen voor een verandering in de inhoud van het geloof en andersom (Fowler, 1981). De nadruk zal hier liggen op de structurele kenmerken van het geloof. In ieder persoonlijk geloof kunnen deze kenmerken teruggevonden worden en een vergelijking van het geloof van verschillende personen kan daarom goed aan de hand van deze structurele kenmerken plaatsvinden.

Op basis van de eerder genoemde definitie kunnen de structurele kenmerken van geloof grofweg worden ingedeeld in vier categorieën: cognitieve, affectieve, gedragsmatige, en relationele kenmerken (Pargament, 1997; Ploeger, 1993; Helve, 1994). De persoonlijke zoektocht naar betekenisgeving in relatie tot een God bestaat uit een cognitieve en affectieve component, heeft consequenties voor iemands gedrag en de zoektocht, hoewel deze persoonlijk is, vindt vaak plaats met hulp van en wordt beïnvloed door andere mensen. Uiteraard staan deze verschillende kenmerken niet geheel los van elkaar, maar beïnvloeden ze elkaar op wederzijdse wijze (Wong-McDondald & Gorsuch, 2004). De verschillende kenmerken zullen nader worden uitwerkt en de belangrijkste aspecten ervan zullen worden besproken.

2.2.1 Cognitieve geloofskenmerk

Het structurele, cognitieve geloofskenmerk bestaat uit de persoonlijke betrokkenheid in het denken over religieuze zaken (Helve, 1994; Pederson, Williams & Kristenson, 2000). Belangrijke aspecten hierbij zijn de geloofsopvattingen die mensen erop nahouden en hun godsbeelden. Voor veel mensen is geloof allereerst en voornamelijk een manier van denken, van waaruit betekenis en samenhang wordt gegeven aan de wereld om hen heen (Fowler, 1981; Pargament, 1997). Opvallend is dat binnen het onderzoek naar religieus denken en godsbeelden de aandacht vooral is komen te liggen op de ontwikkeling ervan. Goldman (1964) toonde aan dat de mentale bekwaamheid en leeftijd de belangrijkste voorspellers zijn van het religieuze denken.



Fowler (1981) ging daar nader op in door met behulp van de cognitieve, morele en psychosociale ontwikkelingsmodellen van respectievelijk Piaget, Kohlberg en Erikson, een beschrijvend, normatief model te ontwikkelen waarin verschillende geloofsstadia te onderscheiden zijn. Om te beoordelen in welke geloofsfase een persoon zit, kan onder andere gebruik worden gemaakt van de structurele kenmerken, plaats van autoriteit, vormen van samenhang in de wereld en functie van symbolen. De stadia worden vooraf gegaan door het ongedifferentieerde geloof dat preconceptueel en prelinguïstisch is. Door relaties met de primaire opvoeders worden bij kinderen de eerste beelden van vertrouwen, hoop en liefde gevormd, hetgeen de basis vormt voor de latere geloofsontwikkeling. Dit ongedifferentieerde geloof wordt opgevolgd door zes stadia, waarvan voor het geloof bij kinderen en jongeren de volgende vier van belang zijn.

  1. Intuïtief-projectieve geloof: tussen het derde en zevende levensjaar is geloof gebaseerd op fantasie en verbeelding en wordt het door de perceptie gedomineerd. Doordat het kind nog niet in staat is logisch te redeneren kan het onbevangen en vol fantasie waarnemen, waardoor symbolen en God magisch zijn voor het kind. In deze fase is de invloed van ouders, taal en verhalen groot.

  2. Mytische-letterlijke geloof: door de opkomst van het concreet operationele denken tussen het zevende en elfde levensjaar neemt het kind de verhalen, het geloof, de symbolen en de morele voorschriften van zijn cultuur letterlijk over en leert het werkelijkheid en verbeelding van elkaar te onderscheiden. Kinderen kunnen zich inleven in het perspectief van anderen, oorzaak en gevolg onderscheiden en leren door verhalen samenhang te vinden en te geven aan hun ervaringen. Het kind gaat op in zijn verhalen en symbolen, maar is nog niet in staat om daar reflectief op terug te kijken.

  3. Kunstmatig-conventioneel geloof: na het twaalfde levensjaar of later, kan de jongere door de opkomst van het formeel-operationele denken abstracter met zijn geloof bezig zijn. Symbolen kunnen worden begrepen evenals de kracht van beeldende taal. Persoonlijke relaties en het voldoen aan de verwachtingen van anderen zijn in dit stadium belangrijk, omdat de jongere nog onvoldoende autonoom is om zijn eigen perspectief vast te houden en objectief naar het eigen geloof te kijken. Veel volwassenen blijven volgens Fowler (1981) in dit stadium steken.

  4. Individueel-reflectief geloof: grote verschillen in waarden en verschillende autoriteiten dan wel ervaringen, kunnen leiden tot een kritische reflectie van het eigen geloof en tot aanpassing daarvan. Dit geschiedt meestal rond de vroege adolescentie. Adolescenten ontwikkelen op bewuste wijze een eigen persoonlijk geloof, dat een onderdeel is van hun onafhankelijke identiteit, en accepteren dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor keuzes omtrent hun geloof.

Hoewel dit model in de loop der jaren centraal is komen te staan in de wetenschappelijke kennis en literatuur ten aanzien van de geloofsontwikkeling, kwam er ook kritiek op het model. Vergouwen (2001) zegt dat in dit ontwikkelingsmodel de aandacht voor de context te zeer wordt geminimaliseerd en dat meer aandacht voor contextafhankelijke processen in de ontwikkeling gewenst is. Anderen bekritiseren het model vanwege de te grote nadruk die er ligt op de cognitieve geloofskenmerken. Hoewel Fowler (1981) pretendeert een model te geven voor dé geloofsontwikkeling, verwaarloost hij de affectieve en gedragsmatige kant van geloven volgens hen te zeer. Daarom kan volgens hen beter gesproken worden van een model voor de geloofsontwikkeling ten aanzien van het cognitieve aspect (Hyde, 1990).

Onder het cognitieve geloofskenmerk is daarnaast veel onderzoek verricht naar de godsbeelden van mensen. Lee & Early (2000) geven in hun artikel aan dat het godsbeeld een goede maatstaf lijkt te zijn voor iemands geloof. Hoewel er een grote diversiteit aan godsbeelden bestaat, onderscheiden Wong-McDonald & Gorsuch (2004) de volgende, meest voorkomende godsbeelden: God als welwillend, toornig, alomtegenwoordig en alwetend, leidend, onrechtvaardig, stabiel, deïstisch, waardeloos, machtig, veroordelend en tenslotte als zorgzaam. Verscheidene auteurs en onderzoeken geven aan dat er een relatie bestaat tussen belangrijke personen voor een individu en zijn godsbeeld. Zo toonde Rizzuto (1979) aan dat er een sterke correlatie bestaat tussen de manier waarop mensen representaties maken van God en de manier waarop ze representaties hebben gecreëerd van andere significante personen in hun leven. Godsbeelden worden vaak gebaseerd op beelden die individuen van hun eigen ouders hebben en de kwaliteit van de relatie waarmee ze aan hun ouders gehecht zijn (Granvist, 1998; Kirckpatrick & Shaver, 1990; Klein, 2001; Schaap-Jonker, Eurelings-Bontekoe, Verhage, & Zock, 2000; TenElshof & Furrow, 2000). Daarnaast blijkt het geïnternaliseerde beeld van God veelal parallel te lopen met de kwaliteit van objectrelaties van een individu en de capaciteit om deze relaties te creëren (Heinrichs, 1982; Jongsma-Tieleman, 1991). Rümke (1965) noemt in dit verband dat iemand pas dan een rijp geloof heeft als hij zijn godsbeeld gebaseerd op significante figuren in het leven kan loslaten en God kan leren zien als een eigen hogere macht.

Godsbeelden veranderen met de leeftijd, zoals ook blijkt uit het volgende review onderzoek onder gelovige kinderen en jongeren (Hyde, 1990): peuters zien God veelal als iemand die magische dingen kan doen en voor hen zorgt, terwijl kleuters God meer zien als machtig en iemand die toezicht houdt om hen te straffen voor verkeerde dingen. Rond het zesde jaar denken veel kinderen een intieme relatie met God te hebben, terwijl anderen al meer in abstractere termen over hem praten. Rond het tiende levensjaar ervaren kinderen veelal een persoonlijke relatie met God te hebben en stellen ze veel vragen over hem. Deze vragen zijn de voorbode van de twijfels die in de pubertijd en de adolescentie op de voorgrond treden. Jongeren gaan hun eigen en andermans geloof kritisch onderzoeken, leren in abstractere termen over het geloof na te denken, en het antropomorfisme verdwijnt. Onderzoek van Janssen, De Hart & Gerardts (1994) toont daarnaast aan dat God door zowel kerkelijk betrokken als niet-kerkgaande Nederlandse jongeren in abstracte, onpersoonlijke, zelfgeformuleerde termen als voornamelijk een handelende God wordt beschreven.
2.2.2 Affectieve geloofskenmerk

Bij het affectieve kenmerk staan de gevoelens en ervaringen ten aanzien van God en andere religieuze zaken centraal (Helve, 1994; Hyde, 1990; Pederson et al., 2000). Belangrijke aspecten hiervan zijn de religieuze beleving en ervaring, alsook de religieuze toewijding en betrokkenheid, die onder andere tot uiting komen in de motivatie om te geloven. Religieuze ervaringen zijn onderdeel van de ervaringswereld waarin individuen leven. William James (1966) stelt dat deze wereld bestaat uit een subjectieve en objectieve leefwereld. De subjectieve leefwereld bepaalt hoe mensen hun objectieve wereld waarnemen en beïnvloedt hun beleving. Religieuze ervaringen kunnen in dit opzicht worden opgevat als subjectieve ervaringen, die de beleving op een dusdanige manier beïnvloeden dat ze verwondering en bewustwording van het transcendente tot gevolg hebben (Hyde, 1990). Hoewel de meeste ervaringen niet specifiek religieus hoeven te zijn, wordt een ervaring of beleving religieus genoemd op het moment dat het individu de ervaring op een dusdanige manier interpreteert.

Onderzoek wees uit dat kinderen al op jonge leeftijd religieuze ervaringen mee kunnen maken. Door identificatie met belangrijke religieuze volwassenen als familieleden, worden ze gevoelig voor Gods aanwezigheid. Ook voor gelovige adolescenten vervullen religieuze ervaringen een belangrijke rol (Darcy-Berube, 1985). Uit Elkinds (1963) onderzoek bleek dat deze ervaringen voor hen met name bestonden uit goddelijke interventie, berouw, bekering, directe communicatie met God en verhoogde bewustwording van God door meditatie.

De religieuze betrokkenheid en toewijding komen onder andere tot uiting in de motivatie om te geloven. Allport & Ross (1967) maakten voor het eerst een onderscheid tussen een intrinsieke en extrinsieke motivatie om te geloven. Intrinsiek geloof heeft daarbij betrekking op geloof waarbij religie de centrale motiverende kracht is in iemands leven, de religie wordt als het ware geleefd. Extrinsiek geloven kenmerkt zich door een geloof dat gebruikt wordt om een ander doel te verwezenlijken (Pargament, 1997; Pederson et al., 2000). Extrinsiek geloof kan verder worden onderverdeeld in het gebruiken van religie voor persoonlijke doeleinden, extrinsiek-persoonlijk, en in het gebruik voor sociale doeleinden, extrinsiek-sociaal (Wong-McDondald & Gorsuch, 2000, 2004). Later bleek dat er nog een derde religieuze oriëntatie te onderscheiden was, namelijk de “quest-orientation”. Bij deze motivatie om te geloven staat het zoeken naar antwoorden op existentiële en religieuze antwoorden centraal, waarbij men zich ervan bewust is dat er misschien überhaupt geen antwoorden op vragen bestaan (Pargament, 1997; Wong-McDonald, 2004). De religieuze motivatie begint zich te ontwikkelen in de kindertijd en neemt veelal vaste vormen aan in de adolescentie. Over de inhoud van religieuze motivatie bij kinderen en jongeren is helaas niets bekend (Hyde, 1990).


2.2.3 Gedragsmatige geloofskenmerk

Bij het gedragsmatige geloofskenmerk staat centraal hoe religieuze opvattingen en belevingen tot uiting komen in concreet gedrag. Naast onderzoek naar geloofspraktijken als gebed, kerkgang en betrokkenheid bij kerkelijke activiteiten, wordt er op dit gebied ook veel onderzoek gedaan naar de “locus of control” en de religieuze coping van mensen (Hyde, 1990; Pargament, 1997; Wong-McDonald & Gorsuch, 2004).

Betrokkenheid bij religieuze praktijken hangt in de kindertijd nauw samen met de mate waarin ouders religieus betrokken zijn. Ook bij jongeren is de belangrijkste voorspeller van religieuze betrokkenheid het voorbeeld dat ze van hun ouders hebben gekregen, maar de invloed van leeftijdgenoten neemt in deze leeftijdsfase wel significant toe. Gedurende de adolescentie groeit de twijfel bij jongeren en mede door toenemende zelfstandigheid ten opzichte van hun ouders neemt de betrokkenheid bij religieuze praktijken bij velen af. Opvallend is dat jongeren na deze periode vaak weer bij hun traditionele waarden en normen terugkomen, maar niet terugkeren naar de kerken (Hyde, 1990).

Met betrekking tot gedrag is het belangrijk welke plaats mensen toekennen aan de controle die zij over een situatie hebben, of die controle bij hen zelf ligt of bij externe factoren. Deze perceptie van de locus of control bepaalt of mensen gebeurtenissen in het leven zien als afhankelijk van hun eigen acties of afhankelijk van externe factoren zoals, machtige anderen, God of toeval. Hoewel het uiteraard deels van de gebeurtenis afhangt welke mate van controle mensen er op denken te hebben, blijken mensen over het algemeen toch in te delen te zijn in een van de vier genoemde categorieën (Wong-McDonald & Gorsuch, 2004).

Coping kan worden omschreven als de manier waarop mensen omgaan met problemen en stressoren. Religieuze coping wordt in dit kader veelal gezien als de manier waarop mensen hun geloof gebruiken om problemen op te lossen (Wong-McDonald & Gorsuch, 2004). Er zijn bij mensen in totaal vier religieuze copingstijlen te onderscheiden: de samenwerkende copingstijl, waarbij het individu en God samenwerken om een probleem op te lossen; de op het zelf gerichte copingstijl, waarin het individu meer vertrouwt op het eigen handelen dan op God in het oplossen van zijn problemen; de zich onderwerpende copingstijl waarbij het individu de oplossing van zijn problemen over laat aan God en zichzelf als passief daarin beschouwt (Pargament, 1997); de zich overgevende copingstijl, waaronder een actieve keuze wordt verstaan om zich over te geven aan de wil van God, terwijl Gods wil in tegenstrijd kan zijn met de eigen wil (Wong-McDonald & Gorsuch, 2000; 2004).

De locus of control blijkt in een wederkerige relatie te staan met de copingstrategie die mensen erop nahouden (Pargament, 1997). De locus of control kan immers de copingstijl die mensen hanteren beïnvloeden en de effectiviteit van de coping kan invloed hebben op hun perceptie van de controle (Wong-McDonald & Gorsuch, 2004). Over de religieuze copingstijl van kinderen en jongeren is echter voor zover wij hebben kunnen nagaan niets bekend.


2.2.4 Relationele geloofskenmerk

Bij het relationele geloofskenmerk gaat het niet zozeer om het intrapersoonlijke geloof, maar om de manier waarop het geloof interpersoonlijk beleefd en geuit wordt in tweetallen, families, groepen, gemeenschappen, culturen etc. In de geloofsontwikkeling van kinderen en jongeren speelt het relationele aspect vaak een belangrijke rol. Religieuze ouders proberen hun kinderen in te wijden in het geloof door de relatie die ze met hen hebben en hen deel te laten nemen aan collectieve religieuze dan wel kerkelijke activiteiten. In de pubertijd en adolescentie is de relatie met leeftijdsgenoten belangrijk voor de mate waarin jongeren religieus betrokken blijven en hoe (Hyde, 1990).

Hyde (1990) gaat nader in op deze verschillende sociale invloeden op de ontwikkeling van religiositeit. Als eerste personen die bijdragen aan het socialisatieproces zijn ouders van grote invloed op de religiositeit van hun kinderen. Onderzoek wijst bijvoorbeeld uit dat op basis van de vroege ouder-kindrelatie in de late adolescentie, vier verschillende geloofssystemen te onderscheiden zijn. Deze verschillende geloofssystemen worden gekarakteriseerd door afhankelijkheid van externe autoriteit, negativisme, behoefte geaccepteerd en gewaardeerd te worden of een behoefte alles cognitief te beredeneren. Tevens zijn de ouderlijke controle en verzorging van invloed op de religiositeit van kinderen. Over het algemeen blijken moeders in de kindertijd en vaders gedurende de adolescentie een grote invloed te hebben op de ontwikkeling van religiositeit bij hun kinderen.

Gedurende de pubertijd leren jongeren dat er meer waarden en normen, geloofssystemen en meningen bestaan dan die van hun ouders en wordt de invloed van hun ouders minder groot. De invloed van leeftijdsgenoten op de ontwikkeling van religiositeit neemt in deze periode echter toe door de sociale druk om zich te conformeren aan de normen van de peergroep. Tussen het vijftiende en zeventiende jaar ontdekken jongeren hun eigen geloof des te meer. Rond het achttiende jaar hebben jongeren vaak een eigen autonoom geloof en nemen zij deel aan de daarmee gepaard gaande religieuze activiteiten.

  1   2   3   4

  • Voorwoord
  • 1. Inleiding

  • Dovnload 182.48 Kb.