Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave

Dovnload 172.04 Kb.

Inhoudsopgave



Pagina4/9
Datum12.03.2017
Grootte172.04 Kb.

Dovnload 172.04 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Tekst van het openingslied van de tv-serie Ivanhoe.





Het Engelse origineel:

Ivanhoe, Ivanhoe,


 to adventure, bold adventure watch him go.
There's no power on earth can stop what he's begun;
with Bart and Gurth, he'll fight 'till he has won.
Ivanhoe, Ivanhoe.
He's a friend who will defend the people's foe.
He'll strike with speed like lightning bold brave and game,
 In justice he is fighting, to win the fairest dame.
 Shout a cheer, adventure is here;
 riding with Ivanhoe – Ivanhoe

De Nederlandse versie:

Ivanhoe, Ivanhoe


 Onvervaard gaan wij te paard met Ivanhoe
 Waar hij gaat of staat
 Wij zijn steeds aan zijn zij
 Wij zijn paraat
 En zingen vrij en blij
 Ivanhoe, Ivanhoe
 Overal door bos en dal met Ivanhoe
 De vrijheid is zijn leuze
 Gerechtigheid in 't land
 Er is voor hem geen keuze
 Zijn zwaard ligt in zijn hand
 Kom we gaan, allen te saam
 Voorwaarts met Ivanhoe
 Met Ivanhoe



Nicolaas Beets (1814-1903), zijn gedicht De moerbeitoppen ruischten


    'De moerbeitoppen ruischten;'
          God ging voorbij;
    Neen, niet voorbij, hij toefde;
    Hij wist wat ik behoefde,
          En sprak tot mij;

    Sprak tot mij in de stille,


          De stille nacht;
    Gedachten, die mij kwelden,
    Vervolgden en onstelden,
          Verdreef hij zacht.

    Hij liet zijn vrede dalen


          Op ziel en zin;
    'k Voelde in zijn' vaderarmen
    Mij koestren en beschermen,
          En sluimerde in.

    De morgen, die mij wekte


          Begroette ik blij.
    Ik had zo zacht geslapen,
    En Gij, mijn Schild en Wapen,
          Waart nog nabij

Piet Paaltjens (ps eudoniem van François Haverschmidt, 1835 - 1894): Snikken en grimlachjes


Immortelle nummer XLIV

 Wel menigmaal zei de melkboer

Des morgens tot haar meid:

‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet,

Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.

 

Nu, dat hij en de meid het niet wisten,



Dat was minder; - maar dat zij

Er hoegenaamd niets van vermoedde,

Dat was wel hard voor mij.

Aan Betsy

 Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos

In hartverovrend achtelooze houding lag

Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch

Langzaam doordwaalden. 't Was een vreeslijk heete dag.

 

 Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog



Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok

Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog

Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.

 

Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk



Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat

Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,

Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.

 

O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud



Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand

Had plots de flesch, zoodra ze leeg was, door het woud

Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.

 

Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,



Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -

En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -

Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.


Hendrik Conscience (1812 – 1883), De leeuw van Vlaanderen (fragment)

(Korte inleiding: Vlaanderen, 1302. Een amateurleger van Vlaams opstandige boeren en burgers levert een veldslag tegen hun Franse onderdrukkers. Het Franse leger bestaat uit ridders in harnas, zwaar bewapend en te paard. De Vlamingen lijken geen partij en een slachting dreigt. Maar net op dat moment verschint er een geheimzinnige ridder ten tonele. Het blijkt Robrecht van Béthune te zijn, De leeuw van Vlaanderen!)


Op dit ogenblik zag men in de richting van Oudenaarde, achter de Gaverbeek,

iets dat hevig tegen de zon blonk, zich tussen de bomen bewegen, dit

wonderbaar verschijnsel naderde met snelheid en kwam eindelijk in open

veld, twee ruiters vertoonden zich en kwamen in volle draf naar het

slagveld gelopen. De ene was een ridder, dit kon men aan zijn prachtige

uitrusting zien, zijn harnas en al het ijzer dat hem en zijn paard bedekte,

was verguld en schitterde verwonderlijk. Een grote blauwe vederbos rolde op

de wind achter zijn rug, het leder van zijn tuig was geheel met zilveren

schelpjes bekleed, en op zijn borst was een rood kruis geschilderd, boven

dit teken op een zwarte grond stond het woord Vlaanderen in grote zilveren

letters te lezen.
Geen ridder was er op het slagveld zo prachtig uitgerust als deze

onbekende, maar hetgeen hem meest onderscheidde was zijn gestalte, hij was

een hoofd langer dan de zwaarste mannen en zo machtig van lichaam en leden

dat men hem voor een reuzenzoon zou genomen hebben. Het paard dat hij

berende, bracht veel tot die wonderbare gestalte toe, want het was ook

bovenmate hoog en sterk,--de schoonste Duitse hengst die men zien mocht.

Lange vlokken schuim vlogen om zijn mond en twee dikke ademwolken gingen

blazend uit zijn longen.--De ridder had geen ander wapen dan een

schrikkelijke marteel of wapenhamer, waarvan het staal zich hevig op de

gele glans der vergulde wapenrusting uitloste.



De Vlamingen wendden hun ogen met blijde hoop naar de gulden ridder, die in

de verte kwam aanrennen. Zij konden het woord Vlaanderen nog niet lezen, en

konden dus niet weten of hij een vriend of een vijand was; maar in hun

uiterste toestand droomden zij dat God onder die gedaante hun een zijner

Heiligen toezond om hen te verlossen. Alles kon hun dit doen geloven, zijn

glanzende uitrusting, zijn buitengewone gestalte en het rood kruis dat hij

op de borst droeg.
Gwyde en Adolf, die zich te midden der vijanden verweerden, bezagen

elkander met de grootste opgetogenheid, zij hadden de gulden ridder

herkend. Nu scheen het hun dat de Fransen veroordeeld waren, want zij

hadden een vol betrouwen in de macht en de kunde van die nieuwe krijger. De

blikken, die zij zich onderling toestuurden, zegden: "O geluk, daar is de

Leeuw van Vlaanderen!"


De gulden ridder naderde eindelijk bij de Franse benden; eer men hem vragen

kon wie hij bestrijden of bijstaan wilde, viel hij op het dikste der

ruiters en sloeg met zijn marteel zo woest en zo verschriklijk onder hen,

dat zij, met vrees bevangen, elkander omverdrongen om zijn slagen te

ontwijken. Alles viel voor zijn pletterende hamer,--en achter zijn paard

bleef in de vijandlijke scharen een ijdel spoor gelijk het zog dat een

zeilend schip na zich laat; in dier voege, al wat hij treffen kon overhoop

smijtende, kwam hij met wonderlijke snelheid tot bij de benden, welke tegen

de Leie gedreven waren en riep: "Vlaanderen de Leeuw! Volgt mij! Volgt

mij!"
Deze woorden roepende, wierp hij een groot getal Fransen in het slijk, en

ging zo verbazend in de slachting voort dat de Vlamingen hem als een

bovennatuurlijk wezen aanzagen.



1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Nicolaas Beets (1814-1903), zijn gedicht De moerbeitoppen ruischten
  • Piet Paaltjens (ps eudoniem van François Haverschmidt, 1835 - 1894): Snikken en grimlachjes
  • Hendrik Conscience (1812 – 1883), De leeuw van Vlaanderen (fragment)

  • Dovnload 172.04 Kb.