Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudsopgave

Dovnload 172.04 Kb.

Inhoudsopgave



Pagina7/9
Datum12.03.2017
Grootte172.04 Kb.

Dovnload 172.04 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9

Het realisme: teksten

L.N. Tolstoj  (1828 – 1910), Oorlog en Vrede (fragment)


(Hoofstuk XIX. Beschrijving van de waar gebeurde slag bij Austerlitz in 1805. Een van de hoofdpersonen van het verhaal, graaf Andrej Bolkonski, komt in het gevolg van vorst Bagration aan op het slagveld)

Vanaf het hoogste punt van onze rechterflank daalde vorst Bagration met het hele gezelschap af naar de plek waar het aanhoudende geweervuur vandaan kwam en je geen hand voor ogen meer kon zien van de kruitdamp. Hoe dichter ze het dal naderden, hoe minder zicht ze hadden, maar des te meer ze de nabijheid van het slagveld voelden. Ze kwamen de eerste gewonden tegen. Eén werd er, met bebloed hoofd en zonder muts, meegesleept door twee soldaten, die hem onder de oksels hadden beetgepakt. Hij reutelde en gaf bloed op. De kogel had hem kennelijk in de mond of keel getroffen. Een ander, die zijn geweer kwijt was, stapte in zijn eentje dapper voort terwijl hij vreselijk kermde en van pijn zwaaide met zijn arm, waaruit het bloed op zijn uniformjas gulpte. Zijn gezicht leek eerder schrik dan lichamelijk lijden uit te drukken. Hij was even daarvoor gewond geraakt. Ze staken de weg over, reden steil naar beneden en zagen tijdens de afdaling enkele lichamen liggen. Ze kwamen een grote groep gewonden tegen waar ook manschappen bij waren die niets mankeerden. De soldaten klommen hijgend omhoog en bleven, ondanks de aanblik van de generaal, hardop praten en druk gebaren. Verderop, in de rook, kon je de rijen grijze jassen al onderscheiden. Toen een van de officieren Bagration in het oog kreeg, stoof hij schreeuwend achter de massaal weglopende soldaten aan om ze terug te sommeren. Bagration naderde de gelederen waaruit dan hier dan daar, kort op elkaar harde knallen opklonken die elk stemgeluid, elk commando overstemden. De lucht was verzadigd van kruitdamp. De gezichten van de soldaten waren allemaal roetzwart, maar straalden bezieling uit. Sommigen waren met de laadstok aan het stampen, anderen strooiden kruit in de pan, haalden een kogel uit de patroontas, weer anderen losten een schot, het geweer zowat tegen het oor. Maar vanwege de kruitdamp die in de windstilte bleef hangen was het onmogelijk om te zien op wie ze schoten. Al met al was het aangename snorren en fluiten van kogels nog best vaak te horen.


Wat moet dit in hemelsnaam voorstellen? Vroeg vorst Andrej zich af toen hij die horde soldaten naderde. Het kan geen voorpostenlinie zijn, want ze staan op een kluitje! Een aanval is het evenmin, want ze rukken niet op. ’t Is ook geen carré, want dan sta je anders opgesteld.

De regimentscommandant, een schriel, broos uitziend oud baasje met een prettige glimlach en oogleden die voor meer dan de helft zijn ogen bedekten, wat hem een zachtaardige uitstraling gaf, reed naar vorst Bagration toe en begroette hem zoals de heer des huizes een welkome gast ontvangt.


(Vertaling door Peter Zeeman en Dieuwke Papma)

Multatuli (ps. voor Eduard Douwes Dekker, 1820 - 1887), Max Havelaar (beginfragment)



Eerste hoofdstuk

Ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht, No 37. Het is myn gewoonte niet, romans te schryven, of zulke dingen, en het heeft dan ook lang geduurd, voor ik er toe overging een paar riem papier extra te bestellen, en het werk aantevangen, dat gy, lieve lezer, zoo-even in de hand hebt genomen, en dat ge lezen moet als ge makelaar in koffi zyt, of als ge wat anders zyt. Niet alleen dat ik nooit iets schreef wat naar een roman geleek, maar ik houd er zelfs niet van, iets dergelyks te lezen, omdat ik een man van zaken ben. Sedert jaren vraag ik my af, waartoe zulke dingen dienen, en ik sta verbaasd over de onbeschaamdheid, waarmede een dichter of romanverteller u iets op de mouw durft spelden, dat nooit gebeurd is, en meestal niet gebeuren kan. Als ik in myn vak - ik ben makelaar in koffi, en woon op de Lauriergracht No 37 - aan een principaal - een principaal is iemand die koffi verkoopt - een opgave deed, waarin maar een klein gedeelte der onwaarheden voorkwam, die in gedichten en romans de hoofdzaak uitmaken, zou hy terstond Busselinck & Waterman nemen. Dat zyn ook makelaars in koffi, doch hun adres behoeft ge niet te weten. Ik pas er dus wel op, dat ik geen romans schryf, of andere valsche opgaven doe. Ik heb dan ook altyd opgemerkt dat menschen die zich met zoo-iets inlaten, gewoonlyk slecht wegkomen. Ik ben drie en veertig jaren oud, bezoek sedert twintig jaren de beurs, en kan dus voor den dag treden, als men iemand roept die ondervinding heeft. Ik heb al wat huizen zien vallen! En gewoonlyk, wanneer ik de oorzaken naging, kwam het me voor, dat die moesten gezocht worden in de verkeerde richting die aan de meesten gegeven was in hun jeugd.

Ik zeg: waarheid en gezond verstand, en hier blyf ik by. Voor de Schrift maak ik natuurlyk een uitzondering. 

Maxim Gorki  (1868 – 1936), De moeder (beginfragment)



HOOFDSTUK I.

Elken dag trilden en brulden door de walmige en vettige lucht over de fabrieks-voorstad de tonen van de fabrieks-stoomfluit, en aan den roep van de stoomkracht gehoorzamend, kwamen uit de vuile en kleine huizen morrende menschen, wier spieren door den slaap niet waren verfrischt en die als opgeschrikte motten druk-bewegelijk over de straat kwamen aanloopen. In de koude schemering, gingen zij op den smallen ongeplaveiden weg naar de hooge steenen kooien der fabriek, die de menschen reeds in onverschillig vertrouwen verwachtte en hen den modderigen weg door dozijnen van vettige, gele, vierkant-gevormde oogen verlichtte. De modder sijpelde onder de voeten door met een spottend en spijtig geluid.

Schrille kreten met slaperige stem uitgestooten; heftig en boosaardig geschimp klonk door de lucht, terwijl gedempte tonen: zwaar machine-gedreun en ontevreden puffen van stoom, de menschen tegemoet klonk. Koud en streng doken de hooge schoorsteenen zwart uit de schemering op, zij rezen als gelijkmatige dikke stokken hoog boven alle gebouwen in de voorstad uit. 's Avonds, als de zon onderging, en hare roode stralen moede op de vensterruiten van de huizen liet spelen, dan wierp de fabriek de menschen als overgebleven slaken weer uit haar steenen lichaam en zij gingen weer langs de straten, zwart berookt, met zwarte gezichten, in de lucht den vettigen reuk van machineolie verbreidend, met blanke hongerige tanden. Nu klonk er levendigheid en zelfs vreugde uit hunne stemmen -- voor vandaag was de tuchthuisarbeid geëindigd, thuis wachtte het avondeten

en de verpoozing.

Weer was een dag door de fabriek opgeteerd, de machines hadden uit de spieren der menschen gezogen wat ze noodig hadden. De dag was spoorloos uit het leven weggewischt, de mensch had ongemerkt weer een schrede naar het graf gedaan, maar hij had nu het genot der verpoozing; de vreugde van de rookerige gelagkamer zag hij vlak voor zich en — hij was tevreden.

Op feestdagen sliep men tot tien uur, dan trokken de solieden en getrouwden hun beste pak aan en gingen naar de mis, terwijl zij onderweg op de jeugd wegens haar onverschilligheid, ten opzichte der kerk, scholden. Na kerktijd gingen ze direct weer naar huis terug, aten koek en gingen weer slapen -- tot aan den avond.
(Vertaling door Gerard Vanter, 1928)

1   2   3   4   5   6   7   8   9

  • Multatuli (ps. voor Eduard Douwes Dekker, 1820 - 1887), Max Havelaar (beginfragment)
  • Maxim Gorki (1868 – 1936), De moeder (beginfragment)

  • Dovnload 172.04 Kb.