Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inhoudstafel inleiding 7 deel 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 10 Deel 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek” 16

Dovnload 0.49 Mb.

Inhoudstafel inleiding 7 deel 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 10 Deel 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek” 16



Pagina1/4
Datum30.01.2019
Grootte0.49 Mb.

Dovnload 0.49 Mb.
  1   2   3   4

De invloed van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht


Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen

De invloed van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht

Promotor: Dr. David Criekemans

Masterproef voorgelegd met het oog op het behalen van de graad van Master na Master Internationale Betrekkingen en Diplomatie

Kelly Hertenweg


augustus 2008


DANKWOORD

Deze masterproef kon slechts tot stand komen dankzij de hulp en steun van familie en vrienden. Hierbij zijn er een aantal mensen die ik in het bijzonder zou willen bedanken voor hun rechtstreekse en / of onrechtstreekse bijdrage.

In de eerste plaats gaat mijn bijzondere dank uit naar mijn promotor, Dr. David Criekemans, voor zijn hulp bij het afbakenen en fijnstemmen van het onderwerp en zijn vlotte bereikbaarheid. Dankzij zijn advies en bemerkingen doorheen de verschillende fases van dit werk kon niet enkel de basis gelegd worden voor de structuur, maar ook voor de verdere uitwerking van het geheel.

Daarnaast verdient mijn goede vriend Tomas een speciale vermelding voor zijn hulp bij het zoeken van een onderwerp, zijn constructieve bemerkingen en zijn grenzeloze geduld en mentale steun over de hele lijn.

Tot slot wens ik ook mijn familie en vrienden, in het bijzonder mijn ouders en mijn zus Debbie, te bedanken voor hun niet aflatende morele steun gedurende het voorbije jaar.



INHOUDSTAFEL

INLEIDING 7

DEEL 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 10

DEEL 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek” 16

.1Aanleiding tot de Uruguyaanse strijd voor de erkenning van het recht op water 16

1.1.Aguas de la Costa 16

1.2.Uragua 19

1.3.De gevolgen van het privatiseringsbeleid in de watersector 22

1.4.Buitenlandse invloeden 23

.1.4.1.Puerto Rico 23

.1.4.2.Argentinië 24

.1.4.3.Brazilië 24

.1.4.4.Bolivia 25

1.5.De economische crisis van 2002 26

1.6.De spreekwoordelijke druppel 27

.2Evolutie van de Uruguayaanse strijd 29

2.1.Verzet tegen het privatiseringsbeleid in de watersector 29

2.2.Het CNDAV 29

2.3.Werkwijze van het CNDAV 31

2.4.Het amendementsvoorstel 32

2.5.De aanloop naar het referendum 33

2.6.Zondag 31 oktober 2004 35

2.7.De nasleep van het referendum 37

2.8.Ontwikkelingen sinds 2005 42

.2.8.1.Het CNDAV 42

.2.8.2.Het DINASA 51

.2.8.3.Water: een handelsproduct of een mensenrecht? 64



DEEL 3 – Internationale impact van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” 65

.1Centraal- en Zuid-Amerika 65

1.1.Colombia 70

1.2.Mexico 73

.2Mondiaal: internationale organisaties 79

2.1.Red VIDA 79

2.2.Blue October 82

DEEL 4 – Het recht op water na 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht? 84

CONCLUSIE 95

BIBLIOGRAFIE 99




INLEIDING

Zuiver, drinkbaar water is van vitaal belang voor ons bestaan. Bovendien is deze natuurlijke rijkdom niet substitueerbaar: er bestaat immers geen technologische oplossing die een gebrek aan water kan compenseren. Met andere woorden, op is op. Het bruikbare zoet water wordt echter steeds schaarser. Dit is niet enkel een gevolg van de recente klimaatsveranderingen en demografische ontwikkelingen, maar ook van vervuiling en verkeerd en overmatig gebruik en dit voornamelijk door de geïndustrialiseerde landen. Het zijn echter in eerste instantie de ontwikkelingslanden die door deze schaarste getroffen worden. Bovendien beschikt de overheid er vaak niet over de noodzakelijke middelen en knowhow om de waterschaarste tegen te gaan.

In de jaren ’80 en – onder invloed van de zogenaamde Washington Consensus1 tijdens de jaren ’90 kon wereldwijd een ware privatiseringsgolf worden vastgesteld. Vanuit de gedachte dat een doorgevoerd privatiseringsbeleid een oplossing voor de waterproblematiek zou kunnen bieden, werd de deelneming van de private sector in (o.a.) de waterindustrie vanaf de jaren ’90 sterk gepromoot door ontwikkelingsagentschappen en internationale organisaties. Als gevolg hiervan werden tal van publieke watervoorzieningen geheel of ten dele overgenomen door private ondernemingen. Deze beschouwden water echter als een handelsproduct en gingen het bijgevolg commercialiseren. Het winstbejag dat hiermee gepaard ging, leidde tot prijsstijgingen, waardoor voor de armere lagen van de bevolking de toegang tot deze vitale grondstof werd bemoeilijkt of zelfs ontzegd.

Dit alles gebeurde zonder enige raadpleging of inbreng van de bevolking. Als reactie hierop en omwille van de pure noodzaak om toegang te hebben tot drinkbaar water, is de bevolking wereldwijd zich gaan verenigen in een nieuwe vorm van burgerpolitiek, waarmee ze – via zgn. direct democracy – de strijd aangaan voor de erkenning van water als een fundamenteel mensenrecht (Hall, Lobina & de la Motte, 2005: 286-287). Volgens Anil Naidoo, coördinator van het Canadese Blue Planet Project2, vormt Zuid-Amerika momenteel het hart van de beweging die pleit voor het recht op water voor iedereen (IPS, 25/7/2006). Het Uruguayaanse volk heeft hierbij het voortouw genomen door in 2004 een referendum goed te keuren waarmee het recht op water als mensenrecht in de Uruguayaanse grondwet werd opgenomen.3

Hoewel het hier een historisch precedent betreft,4 beperkt het merendeel van de bronnen zich tot de grote lijnen van het referendum zelf en de gevolgen die het sorteerde in Uruguay. Voor een goed begrip van (de draagwijdte van) dit referendum en het historische belang ervan, is het echter cruciaal tevens de elementen te achterhalen die tot dit referendum aanleiding hebben gegeven, evenals de gevolgen die het al dan niet heeft teweeggebracht, niet enkel in Uruguay zelf, maar op het hele Zuid-Amerikaanse continent en in de rest van de wereld.

Om deze redenen heb ik er voor gekozen deze verschillende aspecten te bundelen, ten einde een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de invloed die de Uruguayaanse bottom-up beweging al dan niet heeft (gehad) op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht.

Ten einde het eventuele bestaan en de mogelijke omvang van deze invloed te achterhalen, dient in eerste instantie te worden nagegaan in hoeverre het recht op water reeds internationaalrechtelijk erkend was als een fundamenteel mensenrecht in de periode voorafgaand aan de gebeurtenissen in Uruguay. In deel één wordt daarom de evolutie geschetst die zich van de jaren ’70 tot 2004 op dit vlak heeft voltrokken. Daaruit blijkt dat het recht op water gedurende deze periode niet als een zelfstandig en dus individueel afdwingbaar, internationaal, fundamenteel recht van de mens werd erkend.

Deze vaststelling leidt tot de vraag waarom er überhaupt nood is aan de erkenning van een dergelijk recht. Er bestaat immers ook geen fundamenteel mensenrecht op zuivere lucht. Ten einde deze vraag te beantwoorden, wordt in het eerste hoofdstuk van het tweede deel nagegaan wat de oorzaken waren die het Uruguayaanse volk ertoe hebben aangezet de strijd aan te gaan om de erkenning van het recht op water als een op zichzelf staand mensenrecht in de grondwet te doen opnemen.

Na weergave van de context waarin het Uruguayaanse protest op gang is gekomen, wordt in het tweede hoofdstuk van het tweede deel dieper ingegaan op de invloed die het Uruguayaanse volk heeft uitgeoefend op het politieke proces dat aan de opname van het recht op water in de grondwet is voorafgegaan.

In deel drie wordt vervolgens nagegaan welke impact deze Uruguayaanse burgerstrijd op het Zuid-Amerikaanse continent (hoofdstuk één) en de rest van de wereld (hoofdstuk twee) heeft gehad.

Tot slot wordt in het vierde deel onderzocht of er zich op het internationale vlak sindsdien enige wijzigingen hebben voorgedaan, ten einde te kunnen vaststellen wat de actuele stand van zaken is. Op basis hiervan kan dan de vergelijking worden gemaakt met de situatie zoals deze bestond voor 2004.

De conclusies die hieruit voortvloeien maken het ten slotte mogelijk de terugkoppeling te maken naar de onderzoeksvraag, namelijk wat was en / of is de invloed van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” op de strijd voor de erkenning van het recht op water als een fundamenteel mensenrecht? Heeft dit (politieke) precedent een impact gehad op de internationale verdrags(rechtelijke)bepalingen hieromtrent? Wat was de invloed op het mondiale debat?

DEEL 1 – Het recht op water vóór 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht?

De zorg om het behoud van water en de toegang tot zuiver drinkwater voor alle mensen in de wereld is geen nieuw fenomeen. Gelet op het belang hiervan in het kader van voorliggend onderzoek, wordt in dit deel een chronologisch overzicht gegeven van de initiatieven die hiertoe werden genomen in de decennia voorafgaand aan het referendum in Uruguay. Hieruit zal blijken dat er in deze periode zeker geen gebrek was aan aandacht voor dit onderwerp.

Reeds in de jaren ’70 werden binnen de Verenigde Naties (VN) acties ondernomen, zoals de UN Conference on the Human Environment in Stockholm (1972) en de UN Water Conference in Argentinië (1977). Tijdens deze laatste conferentie werd tevens het Actieplan aangenomen, dat het startsein vormde van het International Drinking Water and Sanitation Decade (1981-1990), het decennium waarin de toegankelijkheid tot drinkbaar water voor het eerst centraal stond. Onder meer deze inspanningen leidden in de jaren ’80 voor bij benadering 1,2 miljard mensen tot een verbetering van de toegang tot drinkbaar water (PROTOS vzw., 2007: 2).

Ook in de daarop volgende jaren werd de strijd voortgezet. Zo werd de periode 1990-2000 tot The International Decade for Natural Disaster Reduction gedoopt, waarin achtereenvolgens de World Summit for Children in New York en de Global Consultation on Safe Water and Sanitation for the 1990's in New Delhi (1990), de UN Conference on Environment and Development5 in Rio de Janeiro en de International Conference on Water and the Environment in Dublin (1992),6 de UN International Conference on Population and Development in Caïro en de Ministerial Conference on Drinking Water Supply and Environmental Sanitation in Noordwijk (1994), de UN Fourth World Conference on Women in Peking en de World Summit for Social Development in Kopenhagen (1995), de World Food Summit in Rome en de UN Conference on Human Settlements7 in Istanbul (1996) plaatsvonden. En hoewel hun focusgroepen verschilden, deelden ze allen één gemeenschappelijk doel: de toegang tot veilig, zuiver drinkwater mogelijk maken (UNESCO – WWAP, 2008).

Al deze initiatieven betroffen echter stuk voor stuk slechts éénmalige evenementen. Uitzondering hierop was het Stockholm Water Symposium dat sinds 1991 jaarlijks georganiseerd werd door het Stockholm Vatten AB, de openbare watermaatschappij van Zweden (zie infra p. 11) (SIWI, 2008).

In 1996 werden vervolgens het Global Water Partnership (GWP)8 en de World Water Council (WWC)9 opgericht.

Het GWP is een internationaal netwerk dat op basis van bilaterale Water Partnerships openstaat voor alle overheden en overheidsinstanties, instellingen, publieke en private organisaties, burgerbewegingen, professionele entiteiten en coöperaties die de Dublin–Rio principes onderschrijven en die zich op één of andere manier bezighouden met Integrated Water Resources Management (IWRM). Het doel van het GWP bestaat erin landen te ondersteunen bij de aanname en de implementatie van IWRM, om alzo tot duurzame en evenwichtige waterbeheersystemen te komen (zie infra p. 39) (GWP, 2008; SAMTAC, 2005: 3-4).

De WWC daarentegen is volgens haar eigen website een internationaal platform dat uit talrijke belangenbewegingen bestaat en opgericht werd door gerenommeerde waterspecialisten en internationale organisaties, met als doel ‘to promote awareness, build political commitment and trigger action on critical water issues at all levels, including the highest decision-making level, to facilitate the efficient conservation, protection, development, planning, management and use of water in all its dimensions on an environmentally sustainable basis for the benefit of all life on earth’ (WWC, 2008). Onder deze belangenbewegingen bevinden zich echter ook vertegenwoordigers uit de private watersector, hetgeen het WWC enigzins controversieel maakt (PROTOS vzw., 2007: 5).

In 1997 werd het Stockholm International Water Institute (SIWI)10 opgericht. Dit instituut zou voortaan de organisatie van de World Water Week (WWW)11 – de opvolger van het Stockholm Water Symposium (zie supra p. 10) – voor zijn rekening nemen, evenals de jaarlijkse uitreiking van de Stockholm Water Prize (1991), de Stockholm Junior Water Prize (1994) en de Stockholm Industry Water Award (2000) (SIWI, 2008).

Datzelfde jaar vond tevens het eerste World Water Forum (WWF) plaats (Marrakech, 1997),12 dat eerder op de UNCED in Rio de Janeiro in het leven was geroepen en sindsdien om de drie jaar heeft plaatsgevonden. De WWC is de organisator van dit evenement, hetgeen vanzelfsprekend de nodige bedenkingen oproept (PROTOS vzw., 2007: 4-5).13

Het tweede World Water Forum dat in maart 2000 in Den Haag doorging,14 werd op de voet gevolgd door de ondertekening van de Millenniumverklaring door alle (op dat moment) 189 lidstaten van de Algemene Vergadering van de VN (september 2000). Onder de hierin opgenomen Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen (MOD’s)15 bevindt zich ook het voornemen om tegen 2015 ‘...the proportion of people who are unable to reach or to afford safe drinking water’ te halveren (AV-VN, 2000: 5).16 Volgens de vzw. PROTOS,17 een in waterbeheer gespecialiseerde Belgische niet-gouvernementele organisatie, zou dit een vermindering tot 550 miljoen mensen impliceren (PROTOS vzw., 2007: 4).

Datzelfde jaar werd in het kader van de UNESCO18 tevens het World Water Assessment Programme (UNESCO – WWAP)19 opgericht, dat toezicht houdt op zoetwaterkwesties ‘ten einde hieromtrent aanbevelingen te formuleren en case studies te ontwikkelen en ten einde de evaluatietechnieken op het nationale niveau te verbeteren en het besluitvormingsproces te kunnen informeren’. Om de drie jaar wordt in het kader van het WWAP en in samenwerking met het WWF het World Water Development Report (WWDR)20 gepubliceerd, dat een uitgebreid overzicht geeft van de actuele staat van de mondiale zoetwaterbronnen (UNESCO – WWAP, 2008).

Het GWP en de WWC (zie supra p. 10), beiden omstreden omwille van hun focus op de private watersector, vormden in de periode 2001-2003 samen het World Panel on Financing Water Infrastructure, ofte het Camdessus Panel, een denktank die oplossingen zocht om de dure investeringen in de watersector te kunnen financieren. Het eindrapport van deze werkgroep werd in 2003 onder de titel Financing Water for All21 op het derde Wereld Water Forum voorgesteld (FWA, 2007; PROTOS vzw., 2007: 5).

Na de International Conference on Freshwater in Bonn (2001), vond in 2002 in Johannesburg de World Summit on Sustainable Development plaats (UNESCO – WWAP, 2008). Deze wereldtop evalueerde o.a. de tien jaar die sinds de UNCED Earth Summit in Rio de Janeiro verlopen waren (Sybesma-Knol, 2007: 45). Ook werden er een aantal watergerelateerde beslissingen genomen. Voor de opvolging van deze beslissingen evenals voor de opvolging van de in 2000 opgestelde MOD’s werd in 2003 – het International Year of Freshwater22 UN Water23 opgericht, dat hiernaast tevens instaat voor de organisatie van World Water Day (WWD),24 dat elk jaar op 22 maart25 doorgaat (PROTOS vzw., 2007: 4-5; UN Water, 2007).



Nog in 2003 nam het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten – het VN-Comité dat over de interpretatie en toepassing van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESC)26 van 1966 waakt – het General Comment No. 1527 aan. Dit document gaat integraal over het recht op water en wordt als het – tot op heden – meest gezaghebbende document terzake beschouwd (Verschuuren, 2006: 427). Hierin wordt bepaald dat: ‘the human right to water entitles everyone to sufficient, safe, acceptable, physically accessible and affordable water for personal and domestic uses’, niet enkel als een middel om het recht op o.a. voedsel, kleding en onderdak na te streven, maar ook als een zelfstandig, onafhankelijk recht (ECOSOC, 2002: 2). General Comment No. 15 verschaft echter louter enkele richtlijnen voor de lidstaten omtrent de interpretatie van artikels 11 en 12 van het IVESC. Het betreft dan ook geen wettelijk bindende “hard law” noch een wettelijk bindende interpretatie van het Verdrag. Deze progressieve interpretatie van het IVESC ondersteunt en registreert niettemin de progressieve ontwikkeling van het internationaal recht in het algemeen en de economische, sociale en culturele rechten in het bijzonder, hetgeen op zijn beurt de ontwikkeling van bindende nationale, regionale en internationale rechtsregels zal beïnvloeden. Dit document mag daarom beschouwd worden als een doorbraak in de strijd om de expliciete erkenning van het recht op water (Sybesma-Knol, 2007: 46).

Het derde Wereld Water Forum dat eveneens in 2003 in Kyoto plaatsvond,28 rondt tot slot dit chronologische overzicht van de periode voor 2004 af (UNESCO – WWAP, 2008).

Aan initiatieven en aandacht voor het onderwerp bestond tot voor 2004 met andere woorden geen gebrek. Deze ‘mijlpalen’, zoals ze op de website van UNESCO worden genoemd, hebben dan ook zeker enige vruchten afgeworpen. Er zijn hierdoor immers tal van (mensenrechten)verdragen, verklaringen, richtlijnen en andere documenten die verwijzingen naar het recht op water bevatten, tot stand gekomen. Desondanks bevatten slechts drie mensenrechtenverdragen een expliciete vermelding van het recht op water. Van deze drie zijn er daarenboven slechts twee in het kader van de VN afgesloten, waardoor enkel deze twee een globale impact hebben. Het betreffen de Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women (1979) en de Convention on the Rights of the Child (1989) (The Right to Water, 2008).29 Beide verdragen focussen zich echter enkel op een welbepaald deel van de wereldbevolking, waardoor een groot deel van de globale populatie niet gerechtigd (b)lijkt op toegang tot de meest urgente basisbehoefte na zuurstof.

Al deze elementen samen leiden tot de conclusie dat geen enkel van de vele initiatieven op het internationale niveau heeft geleid tot een expliciete erkenning van het recht op water als een onafhankelijk, autonoom mensenrecht.

DEEL 2 – De Uruguayaanse “burgerpolitiek”

Naar aanleiding van deze vaststelling, kunnen we ons de vraag stellen: ìs er wel nood aan een dergelijk recht? In het eerste hoofdstuk van dit deel wordt daarom nagegaan wat de Uruguayanen ertoe heeft aangezet om de opname van het recht op water in de grondwet te eisen. In het tweede hoofdstuk wordt vervolgens dieper ingegaan op de invloed van het Uruguayaanse volk op het politieke proces dat aan deze opname is voorafgegaan.



    1. Aanleiding tot de Uruguyaanse strijd voor de erkenning van het recht op water

Sinds de onafhankelijksverklaring van Uruguay30 in 1828 werd vastgelegd door het Verdrag van Montevideo (CIA, 2008) zijn het steeds publieke bedrijven geweest die in de levering van drinkbaar water voorzagen. Om deze verdeling van drinkbaar water in het hele land op uniforme wijze te laten geschieden, werd in 1952 het overheidsbedrijf Obras Sanitarias del Estado (OSE)31 opgericht (Santos & Valdomir, 2006: 1).

      1. Aguas de la Costa

Dit veranderde echter toen op 26 november 1989 senator Luis Alberto Lacalle Herrera32 van de centrumrechtse conservatieve Partido Nacional33 de verkiezingen won. Hoewel hij een pragmatische en behoudsgezinde campagne had gevoerd, werden onder zijn presidentschap (1990-1995) structurele economische hervormingen doorgevoerd, waaronder de privatisering van verschillende overheidssectoren en de toetreding van Uruguay tot de Mercado Común del Sur (MERCOSUR)34, dat op 26 maart 1991 – door de ondertekening van het Tratado de Asunción35 door Uruguay, Argentinië, Brazilië en Paraguay werd opgericht (Cockcroft, 2001: p. 705; Mercosur, 2008).

Het economische neoliberale privatiseringsbeleid van Lacalle Herrera leverde hem de steun op van het IMF36, de Wereldbank37 en andere buitenlandse kredietverstrekkers in zijn strijd om de schuldenlast te verlichten. Dit leidde tot een groei van het bruto nationaal product (BNP) van 1% in 1989 (het jaar vóór de eedaflegging van Lacalle Herrera) tot ruim 7% in 1992.38 Ook de inflatie vertraagde, van meer dan 100% in 1991 tot beneden de 60% in 1992 (De Tijd, 15/12/1992). Deze inflatiegraad was echter nog altijd zeer hoog en de vakbonden reageerden hiertegen door niet minder dan vijf algemene stakingen. Maar ook de Uruguayen zelf lieten zich niet onbetuigd: op 5 juli 1992 vond een stemming plaats waarbij werd bepaald dat een referendum omtrent de privatisering van staatsbedrijven zou worden georganiseerd (Atlapedia online, 2008; Cockcroft, 2001: 705; Globalinfo, 2004).39

De regering besloot echter het resultaat van dit referendum niet af te wachten en kende op 11 december 1992, twee dagen vóór het geplande referendum, een eerste kleine40 private waterconcessie toe. Het project had betrekking op een deel van de zuidoostelijke provincie Maldonado, één van de 19 departementen van het land41 en werd verstrekt aan de Uruguayaanse naamloze vennootschap Aguas de la Costa42 voor een periode van 25 jaar (Santos & Valdomir, 2006: 2).

In het referendum, dat dus op 13 december plaatsvond, verwierpen de Uruguayanen echter massaal43 vijf belangrijke onderdelen van de vérstrekkende privatiseringswet die de president wenste door te voeren (Cockcroft, 2001: 705; Santos & Valdomir, 2006: 2). Ondanks dit ondubbelzinnige standpunt van de bevolking, meldde de president onmiddellijk na de bekendmaking van de resultaten van het referendum dat het geplande privatiseringsbeleid hoe dan ook zou worden verdergezet (De Tijd, 15/12/1992). En zo geschiedde: amper een jaar later kon het contract met Aguas de la Costa toch ondertekend worden, doordat de linkse afgevaardigde en voorzitter van het Movimiento de Participación Popular (MPP)44 Helios Sarthou tegen wet 16.361 stemde (La insignia, 2004).45

Nauwelijks vier jaar later – in december 1997 – werden 60% van de aandelen van Aguas de la Costa verkocht aan de Spaanse groep Aguas de Barcelona (Agbar),46 waardoor deze de controle over de activiteiten van het Uruguayaanse bedrijf verwierf (Santos & Valdomir, 2006: 2; Taks, 2008: 18-19). Agbar was op zijn beurt voor 25% in handen van Suez Lyonnaise des Eaux47, de Franse multinational die het resultaat was van een fusie die eerder dat jaar tussen Compagnie de Suez and Lyonnaise des Eaux had plaatsgevonden (Hall, 1999: 11-12) en die tot 2003 de watervoorziening in Zuid-Amerika zou domineren.48

Vanaf de overname van de waterverdeling door Aguas de la Costa schoten de tarieven pijlsnel de hoogte in. Ter rechtvaardiging van deze prijsstijging refereerde het bedrijf naar het geringe aantal consumenten dat onder de concessie viel, waardoor de (onderhouds)kosten slechts door weinigen gedragen werden. Ironisch genoeg betrof het hier hetzelfde argument dat eerder naar voren was geschoven om de gevolgen van het hele project te minimaliseren, namelijk dat het slechts op een 3000-tal gebruikers van toepassing zou zijn (La insignia, 2004). Bovendien ging het bedrijf onmiddellijk na de overname over tot de verwijdering van alle openbare waterbronnen, om zodoende het aantal (betaalde) aansluitingen op het waternet te vergroten (GRAIN, 1/2005).

Het privatiseringsproject bracht ook ecologische gevolgen met zich mee. Zo melden verschillende bronnen dat Aguas de la Costa verantwoordelijk was voor de opdroging van het drinkwaterdepot Laguna Blanca, aangezien het bedrijf aan overexploitatie deed en geen alternatieve bronnen zocht (Amigos de la Tierra, 2004; La insignia, 2004; REDES-AT, 30/11/2004; Santos & Villareal, 2006: 1-2).


      1. Uragua

De verwarring rond en verdeeldheid over het door Lacalle Herrera gevoerde beleid en hoe het nu verder moest, bleek duidelijk uit de verkiezingen van 1994, die als de meest bevochten verkiezingen uit de Uruguayaanse geschiedenis geboekstaafd staan: het verschil tussen de overwinnende sociaal-democratische centrum-rechtse liberale Partido Colorado49 en het linkse kartel Encuentro Progresista-Frente Amplio50, dat als derde partij eindigde, betrof slechts 1,75%. Hierdoor werd Julio María Sanguinetti Coirolo51, die na de val van het militaire regime (1973-1985) de eerste democratisch verkozen president was geweest, ook de eerste herkozen president van Uruguay (Encyclopædia Britannica Online – Academic Edition, 2008).

Sanguinetti Coirolo zette het economische beleid van zijn voorganger en politieke tegenstander echter gewoon verder. Dit leidde gedurende enkele jaren tot een gestage groei van de economie, totdat onder invloed van de Aziatische financiële crisis lage grondstofprijzen en economische moeilijkheden in de belangrijkste exportmarkten in 1999 een recessie veroorzaakten (zie infra p. 25).

Onder het presidentschap van Sanguinetti Coirolo werd tevens een amendement tot wijziging van de in 1967 aangenomen en op dat ogenblik reeds tweemaal gewijzigde grondwet goedgekeurd, hetgeen o.a. de wijziging van het nationale kiessysteem tot gevolg had: voortaan zou, indien geen enkele presidentskandidaat in de eerste ronde een absolute meerderheid zou weten te behalen, een tweede ronde worden georganiseerd.52 Dit had belangrijke gevolgen voor de nationale verkiezingen van 1999. In de tweede ronde wisten de “Colorados”, dankzij de steun van de “Blancos”, hierdoor namelijk andermaal de steeds sterker wordende linkse kandidaat Tabaré Vázquez (zie infra p. 35, in het bijzonder voetnoot 109) te verslaan, waardoor de centrum-rechtse coalitie – dit keer onder leiding van Jorge Luis Batlle Ibáñez53 – voor een nieuwe periode van vijf jaar aan de macht kwam (History of Nations, 2005).

Deze regering, die op 1 maart 2000 aantrad, kende nog datzelfde jaar een tweede waterconcessie toe en dit ondanks het resultaat van het referendum van 1992 en de problemen die het eerste privatisingsproject in de watersector had veroorzaakt. De contractpartij was dit keer het Spaanse Uragua, dat eerder dat jaar was opgericht door het waterbedrijf Aguas de Bilbao en het energiebedrijf Iberdrola54, beiden tevens van Spaanse origine. De concessie werd toegekend voor een periode van dertig jaar en had betrekking op het dichter bevolkte en toeristische westelijke deel van het Maldonado-departement dat niet door de eerste overeenkomst met Aguas de la Costa werd gedekt (FOEI, 1/2005; Hall & Lobina, 2002: 7 & 22; Taks, 2008: 19).55

Het ontluikende privatiseringsproces genoot de steun van de Wereldbank en het IMF. Zo stelde de Wereldbank OSE in 1999 door middel van een lening het nodige geld ter beschikking om ook in de andere departementen de mogelijkheid te creëeren om concessies toe te kennen (Taks, 2008: 19).

Het belangrijkste argument dat ter rechtvaardiging van het privatiseringsbeleid door de regering naar voren werd geschoven, had betrekking op het zogenaamde onvermogen van zowel OSE als de staat om te voorzien in de kosten van een efficiënte en moderne dienstverlening en te voldoen aan de groeiende vraag (Taks, 2008: 19). Deze redenering stond echter haaks op de vaststelling dat er zich bij de waterbedeling door OSE slechts kleine problemen voordeden en het staatsbedrijf steeds in staat was geweest om meer dan 90% van de bevolking van veilig en betaalbaar water te voorzien (FOEI, 1/2005).56 Vanaf de overname door private bedrijven daarentegen werd het water uit de kraan ondrinkbaar. Bovendien escaleerden de prijzen zodanig57 dat zelfs het pro-privatisering pleitende Global Water Partnership (zie supra p. 10 en infra p. 39) de concessie niet langer genegen was (Hall & Lobina, 2002: 22).

Zo werden reeds tijdens het eerste jaar na de toekenning van de concessie aan Uragua tal van klachten opgetekend, gaande van de verwijdering van openbare bronnen, over prijsstijgingen en fouten in de facturering tot onderbrekingen in de dienstverlening58. Ook de overheid ondervond problemen ten gevolge van de privatisering. Zo werden de beloofde investeringen in infrastructuur niet uitgevoerd, evenmin als de saneringswerken in Punta del Este (La insignia, 2004). Verder bleek de concessiehouder een wanbetaler, zowel op het vlak van de inkomstenbelastingen als met betrekking tot de overeengekomen vergoedingen voor het vruchtgebruik (Globalinfo, 2004; Santos & Villareal, 2006: 1). Consumenten die tijdelijk hun waterfactuur niet konden betalen, werden dan weer onmiddellijk afgesloten (La insignia, 2004).59 In een rapport van de Federación de Funcionarios de OSE (FFOSE)60 van juni 2001 werd bovendien onthuld dat Uragua – in strijd met de gesloten overeenkomst – sommige maanden geen verslag uitbracht bij het OSE omtrent de resultaten van de (voorgeschreven) analyses van de watermonsters. Uragua had tot slot ook nagelaten het OSE in kennis te stellen van de vereiste financiële informatie (Hall & Lobina, 2002: 4, 7, 21-22).

Het ging vervolgens van kwaad naar erger: in 2002 werd vastgesteld dat het door Uragua geleverde water gecontamineerd was met de coliform-bacterie.61 Aangezien de aanwezigheid van deze bacterie in het water een ernstige indicatie was voor het feit dat het water een mogelijke bedreiging voor de volksgezondheid vormde, verklaarde het OSE het water onveilig en raadde het tot tweemaal toe aan het water te koken alvorens het te drinken. Uragua deed de hele zaak echter af als een louter politiek spel en ook de minister van milieu stelde dat er geen sprake was van een bedreiging voor de volksgezondheid (FOEI, 1/2005; Hall & Lobina, 2002: 22).


      1. De gevolgen van het privatiseringsbeleid in de watersector

Naast het feit dat door de hoge prijsstijgingen en aansluitingskosten grote delen van de bevolking zich geen toegang tot drinkbaar water meer konden veroorloven,62 de economische verliezen die door de overheid werden geleden, de niet-naleving door de concessiehouders van de met de overheid gesloten contracten en de dalende kwaliteit van het drinkwater, veroorzaakten de bedrijven ook aanzienlijke milieuschade. Zo werd reeds melding gemaakt van de opdroging van het Laguna Blanca door toedoen van Aguas de la Costa (zie supra p. 18), maar ook de aanwezigheid van Uragua heeft op ecologisch vlak zijn sporen nagelaten. Zo verhinderde het bedrijf niet dat vloeibaar restafval in het water terechtkwam, waardoor dit vervuild raakte. Dit vervuilde water werd vervolgens afgeleid naar de haven (FOEI, 1/2005).

      1. Buitenlandse invloeden

Naast de waterproblemen die zich op het binnenlandse vlak manifesteerden, hebben ook de negatieve waterprivatiseringservaringen van andere Zuid-Amerikaanse landen een invloed op de opkomst van de Uruguayaanse “burgerpolitiek” uitgeoefend.

        1. Puerto Rico

Van 1995 tot 2001 werd de Puerto Ricaanse watermaatschappij Autoridad de Acueductos y Alcantarillados (AAA)63 beheerd door Compañía de Aguas, een toenmalige dochteronderneming van de vroegere Franse watergigant Compagnie Générale des Eaux (CGE)64. Tijdens deze periode werd de watermaatschappij ten gevolge van verscheidene milieuschendingen door het U.S. Environmental Protection Agency65 beboet voor een totaal bedrag van 6,2 miljoen dollar. Toen het contract ten einde liep, kwamen bovendien niet minder dan 3.181 administratieve, operationele en onderhoudsgebreken aan het licht. Tot slot werd in mei 2001 een deficit van 695 miljoen dollar opgetekend, hetgeen een stijging betekende van 454 miljoen dollar in minder dan twee jaar.

Desondanks sloot de Puerto Ricaanse overheid onmiddellijk na het aflopen van haar contract met Compañía de Aguas een nieuwe beheersovereenkomst, dit keer met Ondeo66, een dochteronderneming van die andere Franse watergigant Suez (zie supra p. 17, in het bijzonder voetnoot 47). De situatie verbeterde echter niet, waardoor de regering in 2004 besloot tot de annulatie van de overeenkomst. Hierdoor kwam het beheer van AAA terug in handen van de staat (Barlow & Clarke, 2003: 127-128; IRC, 2/12/2004).



        1. Argentinië

Datzelfde Suez had eerder – in 1993 – via haar filiaal Aguas Argentinas67 reeds een 30 jaar durende concessie met betrekking tot de watervoorziening in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires in de wacht weten te slepen (Hall & Lobina, 2003: 11; Le Jouet enragé, 2/2007).

In 1995 ontdekte ook CGE Argentinië: het bedrijf verwierf er de controle over de Argentijnse aquaducten in de provincie Tucum. Deze privatiseringen leidden echter tot wanbeheer van het watersysteem en drastische prijsstijgingen68. De bevolking reageerde hiertegen met intense protesten en acties, o.a. in de stad Tucumán, waarop het CGE de Argentijnse overheid wegens schending van het Bilaterale Investeringsverdrag tussen Frankrijk en Argentinië voor het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID)69 daagde. Het Hof wees de eis van CGE echter van de hand (Barlow & Clarke, 2003: p. 128).

Ondanks het feit dat ook CGE (inmiddels omgedoopt tot Vivendi, zie supra voetnoot 64) een overeenkomst voor de duur van 30 had afgesloten, gooide het bedrijf als een gevolg van de aanhoudende protesten na drie jaar de handdoek in de ring en verliet Argentinië in 1998 (IRC, 2/12/2004). Suez bleef wel, maar diende enkele jaren later gedwongen het land te verlaten.


        1. Brazilië

Eveneens in 1995 werden de aquaducten in de Braziliaanse stad Limeira verkocht aan Aguas de Limeira70, dat op zijn beurt voor 50% in handen was van het Franse Lyonnaise des Eaux (zie supra p. 17). Na deze privatisering schoten ook hier de tarieven de hoogte in en werden 40% van de werknemers ontslagen. Deze besparingen werden echter niet aangewend om de infrastructuur van de watermaatschappij te verbeteren, maar daarentegen uitgekeerd aan de aandeelhouders en kaderleden (IRC, 2/12/2004).

        1. Bolivia

De grootste problemen deden zich echter voor in Bolivia. Onder (zachte) dwang van de Wereldbank71 was de Boliviaanse regering in 1997 overgegaan tot de privatisering van de watervoorziening in de hoofdstad La Paz. De concessiehouder was het Suez-filiaal Aguas del Illimani. Twee jaar later, in september 1999, werd een tweede concessie toegekend, dit keer aan het consortium Aguas del Tunari (Hall & Lobina, 2003: 6), een dochtermaatschappij van het Amerikaanse Bechtel Corporation72 Deze overeenkomst werd gesloten voor een periode van 40 jaar en had betrekking op de aquaducten van Cochabamba – de derde grootste stad van Bolivia. De openbare watermaatschappij Servicio Municipal de Agua Potable y Alcantarillado (SEMAPA)73 werd aldus geprivatiseerd. Ook hier leidde het privatiseringsbeleid tot drastische prijsstijgingen (tot 200%). De bevolking en burgerbewegingen reageerden door zich te verenigen in de Coordinadora por la Defensa del Agua y de la Vida (CDAV). In april 2000 escaleerde de toestand en leidde tot een vier dagen durend beleg van de stad door middel van een algemene staking en wegversperringen. Om deze situatie te beëindigen werd een gewapende politiemacht ingezet. Hierbij raakten tientallen74 betogers gewond en viel er zelfs een dode75. Deze vierdaagse zou de geschiedenis ingaan als de Cochabamba Water War. Het protest wierp uiteindelijk zijn vruchten af: de regering kwam terug op haar privatiseringsbeslissing en SEMAPA werd opnieuw geïnstalleerd. Hierdoor werd het CDAV wereldwijd een symbool van de strijd tegen neoliberale hervormingen.

De situatie is er sindsdien echter nauwelijks beter op geworden. SEMAPA, dat vóór de privatisering al in een niet te beste toestand verkeerde, is nu bij gebrek aan middelen en ten gevolge van een vervallen infrastructuur helemaal niet meer in staat te voldoen aan de vraag. Bovendien ondermijnt de eis naar functies binnen het bedrijf door de groepen die de drijfveer achter de ‘wateroorlog’ vormden, iedere poging om de efficiëntie en de administratie te verbeteren (IPS, 8/11/2006; IRC, 2/12/2004).



      1. De economische crisis van 2002

Een vijfde element dat tot het protest heeft bijgedragen, is de economische crisis van 2002. Zoals hierboven reeds vermeld werd (zie supra p. 19), lieten de gevolgen van de Aziatische financiële crisis van 1997-98 zich vanaf 199976 ook op het Zuid-Amerikaanse continent voelen. De ontluikende en (aldus sommigen) veelbelovende economische expansie die in het begin van de jaren ’90 had plaatsgevonden, was volledig tot stilstand gekomen en een recessie had zich meester gemaakt van de regio. Als een gevolg hiervan ontstond een golf van kritiek met betrekking tot de op de Washington Consensus geïnspireerde neoliberale hervormingen van de jaren ’80 en ’90 (Catalán Aravena & Jager, 2002: 1).

In Uruguay leidde deze recessie in 2002 tot een crisis binnen het bankwezen.

Ondanks het feit dat de economische recessie het rendement van vnl. de publieke banken had verzwakt,77 leek de banksector tot eind 2001 nog redelijk gezond. Het systeem was echter zeer kwetsbaar voor externe schokken door de sterk op de dollar gerichte beleggingssstructuur en de manifeste aanwezigheid van buitenlandse beleggers.78 Desondanks nam de Banco Central del Uruguay (BCU)79, de Centrale Bank van Uruguay, niet de nodige voorzorgsmaatregelen. Bovendien stond de BCU toe dat de banken voor een in totaal zeer hoog bedrag aan leningen toekenden, die bovendien voor ¾ in buitenlandse munt, hoofdzakelijk Amerikaanse dollars ($), werden toegekend, ondanks het feit dat 71% van de leningen aan de eigen onderdanen werden verstrekt.80

Op fiscaal vlak leidde de recessie tot de opeenstapeling van steeds groter wordende deficits,81 die vervolgens gefinancierd werden door steeds groter wordende schulden. Hierdoor was de totale staatsschuld op het einde van 2001, vlak voor het uitbarsten van de crisis, opgelopen tot 10,7 miljard $, waarvan bovendien 83% in buitenlandse valuta was uitgedrukt.

Door deze zwakke banksector, diens hoge, in buitenlandse valuta uitgedrukte publieke en private schuld en de vertraging van de economie, was de Uruguayaanse banksector zeer gevoelig voor externe schokken en een potentiële muntdevaluatie. De crisis in Argentinië82 had dan ook zware gevolgen voor Uruguay: op een jaar tijd liep de buitenlandse schuld op tot 11,3 miljard $, hetgeen overeen kwam met 93% van het BNP van dat jaar (The New York Times, 8/5/2002; The World Bank, 2005: 4-7).


      1. De spreekwoordelijke druppel

Door deze financiële crisis zag de regering van Batlle Ibáñez (zie supra p. 19) zich genoodzaakt het IMF om financiële steun te vragen. Het IMF liet weten bereid te zijn deze steun te verschaffen, op voorwaarde dat de regering het tot dan toe gevoerde privatiseringsbeleid zou verderzetten en uitbreiden (Hall, Lobina & de la Motte, 2004: 2; IMF, 2002). De regering stemde hiermee in, waarop beide partijen in 2002 in het geheim een intentieverklaring sloten, waarin de regering zich er o.a. toe verbond om – binnen een strikt chronogram – een wettelijk kader tot stand te brengen ten einde de deelname van de private sector in de watervoorziening te vergemakkelijken (Taks, 2008: 19).83

Onder invloed van de, naar aanleiding van de economische crisis, ontstane kritiek op het neoliberale hervormingsbeleid (zie supra p. 25) en ten gevolge van de hierboven beschreven negatieve ervaringen met de privatisering van de watersector, zowel in eigen land als in de naburige landen, veroorzaakte de bekendmaking van deze verklaring een ware schokgolf bij de bevolking. De reactie die hierop ontstond, wordt nader toegelicht in het volgende hoofdstuk.



    1. Evolutie van de Uruguayaanse strijd

Na dit overzicht van de omstandigheden waarin het Uruguayaanse protest op gang is gekomen, wordt in dit hoofdstuk dieper ingegaan op de reactie van het Uruguayaanse volk op deze gebeurtenissen en de invloed die dit heeft gehad op het politieke proces dat aan de erkenning van het recht op water is voorafgegaan.

      1. Verzet tegen het privatiseringsbeleid in de watersector

Het verzet tegen de privatisering van de watervoorziening en de eisen van de resp. buurtorganisaties verschillenden naargelang de karakteristieken van de streek binnen het Maldonado-departement waarop de betreffende privatisering betrekking had. Zo waren de klachten in de toeristische zone voornamelijk gericht op de kwaliteit van het water en de prijzen van de dienstverlening. ‘Agua Sí, robo, No’84 was de leuze van de Liga de Fomento de Manantiales, één van de buurtorganisaties in de regio. In de armere zones van het departement waren de acties van de buurtorganisaties dan weer eerder gericht op de strijd voor het behoud van de zgn. “canillas populares”, de openbare waterbronnen waar degenen die zich geen particuliere wateraansluiting kunnen veroorloven, zich gratis van drinkbaar water kunnen voorzien. Zo kon de buurtcommissie in de Barrio San Antonio III, een wijk in de stad Maldonado, niet alleen voorkomen dat de bron die in de bevoorrading van de wijk voorzag, werd verwijderd, maar slaagde ze er tevens in het waterbedrijf in het onderhoud van de bron te laten voorzien. De kosten van dit onderhoud vielen echter wel ten laste van de lokale autoriteiten (FOEI, 1/2005; GRAIN, 1/2005).

      1. Het CNDAV

De bekendmaking van de tussen de Batlle Ibáñez-regering en het IMF gesloten intentieverklaring, was, na het ongenoegen ten gevolge van de wantoestanden die in het vorige hoofdstuk reeds vermeld werden en de dreiging uitgaande van de in het kader van de World Trade Organisation (WTO), de Free Trade Area of the Americas (FTAA) en de EU-Mercosur gesloten vrijhandels- en investeringsakkoorden (Hall, Lobina & de la Motte, 2004: 2), de spreekwoordelijk druppel en directe aanleiding tot de oprichting van een overkoepelende verzetsbeweging: de Comisión Nacional en Defensa del Agua y de la Vida (CNDAV)85 (Santos & Villareal, 2006: 1).

Het CNDAV vertrekt van een heel andere visie op water dan degene die door de multinationals wordt gehanteerd. Tegenover de benaderingswijze van water als een handelswaar waaraan een winstoogmerk kan verbonden worden, stelt de organisatie namelijk de benadering van water als een publiek goed, waarbij de toegang ertoe als een recht van ieder mens moet beschouwd worden (GRAIN, 1/2005). Of zoals het CNDAV het stelt: ‘El Agua es un Derecho, no una Mercancía86 (CNDAV, 2007). Het CNDAV werd dan ook opgericht om de opname van enerzijds een verbod op de privatisering van water en anderzijds de erkenning van (de toegang tot) drinkbaar water als een fundamenteel mensenrecht in de nationale grondwet af te dwingen (The Public Eye Awards, X: 1).

Het CNDAV betrof oorspronkelijk een heterogene coalitie van vier organisaties, namelijk de Comisión de Defensa del Agua y Saneamiento,87 de FFOSE (zie supra p. 21, in het bijzonder voetnoot 60), Red de Ecología Social – Amigos de la Tierra – Uruguay (REDES-AT)88 en Uruguay Sustentable89. Later traden ook een groep onderzoekers en docenten van verschillende universiteitsfaculteiten, het Frente Amplio90 en de meerderheid van de Partido Nacional, de studentenvereniging van de universiteit evenals een 50-tal andere kleine en middelgrote organisaties en sociale bewegingen tot het CNDAV toe (Espectador.com, 2004; GRAIN, 1/2005; Santos & Villareal, 2006: 2; Taks, 2008: 19).

Hetgeen het CNDAV onderscheidt van eerder opgerichte commissies die eveneens ten strijde trokken tegen de privatisering van de openbare dienstverlening, kan volgens Javier Taks – die zijn inspiratie in een werk van Carlos Santos vond –91 in vier punten worden samengevat:



  • Hoewel deze als zeer belangrijk werden beschouwd, hield het CNDAV zich niet enkel bezig met de agendapunten van de werknemersvakbonden. Ook andere belangrijke kwesties werden bij het debat betrokken, zoals milieuoverwegingen en de conceptualisering van water als gemeenschappelijk goed, waardoor een alomvattender discussie met een breed draagvlak ontstond;

  • De horizontale werking van het CNDAV, hetgeen ertoe leidde dat alle fundamentele beslissingen in plenaire vergadering en met concensus werden genomen;

  • Ondanks het lidmaatschap van verschillende politieke partijen, wist het CNDAV zijn autonomie te bewaren;

  • Hoewel zijn initiële doelstelling, met name de opname in de grondwet van zowel een verbod op de privatisering van water als de erkenning van het recht op (de toegang tot) drinkbaar water, bereikt is, zet het CNDAV zijn activiteiten verder en dit zowel op nationaal als op internationaal vlak.

Deze elementen hebben in grote mate bijgedragen tot het succes van het CNDAV (Taks, 2008: 19).

      1. Werkwijze van het CNDAV

Overeenkomstig artikel (art.) 331 van de Constitución Política de la República Oriental del Uruguay (de Uruguayaanse grondwet) van 1967 zijn er vier manieren om de grondwet geheel of ten dele te wijzigen. De mogelijkheid die ter beschikking van de burgers ligt, wordt als eerste vermeld en stelt: ‘Por iniciativa del diez por ciento de los ciudadanos inscriptos en el Registro Cívico Nacional, presentando un proyecto articulado que se elevará al Presidente de la Asamblea General, debiendo ser sometido a la decisión popular, en la elección inmediata.’92 (PDBA, 2005: sectie XIX, hoofdstuk III, art. 331, A, 1e zin).

Uruguay telt ruim 3,4 miljoen inwoners. Aangezien ongeveer een vierde van dit bevolkingsaantal de kiesgerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt (CIA, 2008),93 volstonden 283.000 handtekeningen om de organisatie van het referendum te kunnen afdwingen.94 Het CNDAV had een jaar nodig om dit aantal te verzamelen. In oktober 2003 werden de handtekeningen samen met het voorstel overgemaakt aan het parlement. Aangezien de hierboven vermelde grondwettelijke bepaling stelt dat dit voorstel bij de eerstvolgende verkiezingen in de vorm van een referendum aan de bevolking moet worden voorgelegd, impliceerde dit in casu dat de betreffende volksraadpleging met de nationale verkiezingen van 2004 zou samenvallen (zie infra p. 35) (Amigos de la Tierra Internacional, 2004; GRAIN, 1/2005; Santos & Villareal, 2006: 2).



      1. Het amendementsvoorstel

Zoals vermeld, werd het CNDAV in eerste instantie opgericht om de opname in de grondwet van enerzijds de erkenning van het recht op (de toegang tot) drinkbaar water als een fundamenteel mensenrecht en anderzijds een verbod op de privatisering van water te bekomen (zie supra p. 29). Bijgevolg diende het CNDAV een voorstel tot amendering van de artikelen 47 en 188 van de grondwet in.95

Artikel 47, dat onder het tweede hoofdstuk van de sectie ‘Rechten, plichten en garanties’ valt, handelt over het leefmilieu en stelt dat ‘de bescherming van het leefmilieu van algemeen belang is. Men moet zich onthouden van elke handeling die een ernstige aantasting, vernietiging of contaminatie van het leefmilieu kan veroorzaken. De wet zal voorzien in een overgangsregeling en kan voorzien in sancties ten overstaan van overtreders’.96 Het amendement voegde hier een omstandige tekst aan toe, waarbij de kerngedachte in de eerste twee zinnen vervat lag, namelijk: ‘Water is een natuurlijke bron die essentieel is voor alle leven. De toegang tot drinkbaar water en de toegang tot sanitatie vormen fundamentele mensenrechten.’97 De rest van de voorgestelde toe te voegen tekst omvatte bepalingen ten einde beide rechten die in deze kerngedachte vervat lagen, te vrijwaren.98

Artikel 188, dat onder het eerste hoofdstuk van de sectie ‘Autonome entiteiten en gedecentraliseerde diensten’ valt, maakt melding van de voorwaarden overeenkomstig dewelke de wet privé-kapitaal mag toelaten tot de oprichting of uitbreiding van het patrimonium van autonome entiteiten en gedecentraliseerde diensten. Het amendementsvoorstel liet de bestaande tekst van dit artikel ongemoeid, doch voegde hier aan toe: ‘De bepalingen van dit artikel (verwijzend naar de samenwerkingsverbanden in het kader van een gemengde economie) zijn niet van toepassing op de diensten die van belang zijn voor drinkbaar water en sanitatie.’99

Tot slot maakte het voorstel nog melding van een overgangsmaatregel die bepaalde dat ‘de restitutie [die zal plaatsvinden] naar aanleiding van de inwerkingtreding van deze hervorming geen schadevergoeding genereert voor de gederfde winsten en enkel de niet-afgeschreven investeringen zal vergoeden.’100 Deze bepaling had tot doel te voorkomen dat Aguas de la Costa en Uragua (of hun respectievelijke moederbedrijven) op basis van hun gedwongen terugtrekking uit de watersector in staat zouden zijn naast een vergoeding voor de daadwerkelijk door hen geleden schade tevens een vergoeding voor de geleden winstderving op te eisen (Hall & Lobina, 2007: 46-47; Hall, Lobina & de la Motte, 2004: 6-8).



      1. De aanloop naar het referendum

Ondanks de politieke steun die het CNDAV en haar voorstel genoten (zie supra p. 29), stond het geplande referendum niet bovenaan de politieke agenda en ook de media beschouwden het onderwerp niet als prioritair. Bovendien voerden zowel de private ondernemingen uit verschillende sectoren van de bedrijfswereld als de conservatieve zakenwereld een harde strijd tegen het hervormingsvoorstel (Waterjustice, 2004). En ook het IMF, door wiens interventie de hele zaak aan het rollen was gegaan, liet zich niet onbetuigd en startte begin 2004 een publiek debat met het CNDAV, waarin het IMF ontkende de Uruguayaanse regering enige bepalingen te hebben opgelegd (FOEI, 2008; REDES-AT, 30/11/2004).

In de aanloop naar het referendum werden door het CNDAV dan ook tal van activiteiten georganiseerd ten einde de bevolking op de hoogte te brengen van het initiatief en hen te overtuigen van het belang om in het voordeel van de grondwetswijziging te stemmen.

Zo werd op 7 oktober een evenement georganiseerd waarop het initiatief werd toegelicht en waar een hele rist Uruguayaanse cultuurpersoonlijkheden hun steun betuigden en de bevolking opriepen om hetzelfde te doen (REDES-AT, 5/10/2004).

Ook de Canadese schrijfster en mede-oprichtster van het Blue Planet Project (zie supra p. 7 voetnoot 2) Maude Barlow101 droeg haar steentje bij: ten einde de campagne te steunen, werd de Spaanse versie van haar in 2002 in co-auteurschap met Tony Clarke geschreven boek Blue Gold: The Fight to Stop Corporate Theft of the World’s Water102 in 2004 in Montevideo gelanceerd. Het boek geeft o.a. een analyse van de rechten van de mens met betrekking tot water en verhaalt over de strijd van volkeren en gemeenschappen voor het behoud of de terugwinning van “hun” water. In een interview met Luciana Vaccotti uitte de schrijfster haar bewondering voor het Uruguayaanse volk, dat de moed had en in staat is geweest om dit proces in gang te zetten. Met de uitspraak ‘El 31 de octubre, todos somos uruguayos103 wilde ze de Uruguayanen naar eigen zeggen dan ook laten weten dat dit proces door de hele wereld gevolgd werd, aangezien het de eerste in zijn soort was. Voor het eerst was een volk er immers in geslaagd de mogelijkheid af te dwingen om zijn stem te laten horen en zodoende te beslissen op welke wijze de watervoorziening beheerd moet worden. Doorheen het interview benadrukte ze dan ook herhaaldelijk het belang van (de uitslag van) de volksraadpleging (REDES-AT, 19/10/2004).

Voorts werd een tweetal weken voor het referendum een verklaring bekendgemaakt waarin de internationale gemeenschap haar steun en solidariteit aan het Uruguayaanse volk betuigde: 127 organisaties104 en honderden particulieren uit 36 verschillende landen van over de hele wereld lieten weten het initiatief te steunen en dit omwille van het feit dat ‘sienta un precedente fundamental / histórico105en la defensa del agua, a través de su inclusión en la carta magna de un país por la vía de la democracia directa106 (IPS, 31/10/2004; REDES-AT, 15/10/2004).

Al deze steunbetuigingen gaven de Uruguayanen vertrouwen in hun mogelijkheden en in de rechtvaardigheid van de strijd die ze hadden aangevat. Dit zette de naburige steden van de stad Maldonado107, San Carlos, Piriápolis, La Barra, Manatiales, Balneario Buenos Aires en Chorro, er toe aan gerechtelijke stappen te ondernemen tegen Uragua en Aguas de la Costa. Op 21 oktober werd een verzoek tot minnelijke schikking tegen beide waterbedrijven ingesteld.108 Deze actie genoot de steun van het CNDAV (REDES-AT, 21/10/2004).


      1. Zondag 31 oktober 2004

Op zondag 31 oktober 2004 was het dan zover: samen met de nationale presidents- en parlementsverkiezingen vond tevens de stemming omtrent het voorstel tot grondwetswijziging van het CNDAV plaats. Het werd een historische dag op alle gebieden.

Enerzijds in het kader van de verkiezingen, waar met betrekking tot de presidentsverkiezingen een primeur kon worden opgetekend: voor het eerst sinds de onafhankelijkheidsverklaring van Uruguay kwam een (centrum-)linkse partij aan de macht. Tabaré Ramón Vázquez Rosas,109 de kandidaat van de linkse coalitie Encuentro Progresista – Frente Amplio – Nueva Mayoría (EP-FA-NM)110 slaagde er dit keer namelijk wél in de conservatieve (centrum-)rechtse partijen te verslaan, in tegenstelling tot de verkiezingen van 1999, toen de partij in de tweede verkiezingsronde de duimen moest leggen voor het kartel dat de conservatieven na de eerste ronde hadden gevormd (zie supra p. 19). Hierdoor kwam er een einde aan de bijna twee eeuwen durende machtswissel tussen de “Colorados” en de “Blancos”.

Ook de parlementsverkiezingen bezorgden het linkse front een absolute meerderheid: het EP-FA-NM haalde 53 van de 99 zetels in de Kamer en 17 van de 31 zetels in de Senaat binnen (Fundación CIDOB, 2007; Hall & Lobina, 2007: 47).



Anderzijds was 31 oktober 2004 ook de dag waarop het hierboven besproken voorstel tot grondwetswijziging aan het volk werd voorgelegd. Ondanks de sterke tegenkanting en het grootschalige lobbywerk van de private waterindustrie, stemden meer dan 60% van de Uruguayanen in het voordeel van deze grondwetsherziening.111 Dit resultaat was grotendeels de verdienste van het CNDAV en de talrijke buurtorganisaties die zich in de maanden voorafgaand aan het referendum volledig hadden toegelegd op het overbrengen van de geest en de inhoud van het voorgestelde amendement (FOEI, 2008; FOEI, 1/2005; IPS, 31/10/2004; REDES-AT, 30/11/2004; Santos & Villareal, 2006:1).

      1. De nasleep van het referendum

De betreffende amendementsbepalingen werden van kracht op 8 november 2004. Vanaf deze datum ondernam het CNDAV dan ook tal van acties om de dialoog omtrent de richtlijnen tot implementering van deze bepalingen in de grondwet en de overgangsmaatregelen dienaangaande op gang te brengen. Aangezien de legislatuur van de linkse coalitie EP-FA-NM pas op 1 maart 2005 aanving, duurde het echter nog tot 20 mei 2005 vooraleer het noodzakelijke presidentieel decreet er kwam. Het CNDAV ging echter niet akkoord met de bepalingen van dit decreet, dat de consolidering van de bestaande sociale uitsluiting bewerkstelligde. Het decreet stond de beide waterbedrijven immers toe de termijn van hun respectievelijk verworven concessies te voltooien. Dit zou betekenen dat het water in Maldonado resp. nog tot 2018 (wat de Aguas de la Costa-concessie betrof) en 2030 (de Uragua-concessie) onder privaat beheer zou blijven. Het CNDAV zette daarop een nationale mobiliteitscampagne op het getouw (Indymedia Uruguay, 2005; Taks, 2008: 19).

Voorts hadden Vázquez Rosas en de toenmalige senator Danilo Astori112 de bedrijfswereld tijdens hun verkiezingscampagne verzekerd dat – in het geval het referendum zou worden aangenomen – de hierin opgenomen bepalingen geen schade zouden toebrengen aan de Spaanse waterbedrijven.

Het spreekt echter voor zich dat op basis van de bepaling die overeenkomstig het amendement aan artikel 188 van de grondwet zou worden toegevoegd en die betrekking heeft op alle private waterondernemingen (zie supra p. 32), de met Uragua en Aguas de la Costa gesloten concessies vroegtijdig zouden moeten worden stopgezet. Jurist en medeontwerper van de hervormingstekst Guillermo García Duchini wees er bovendien op dat de respectievelijke contracten zelf de regering sowieso in staat stelden de concessies voortijdig stop te zetten. Beide overeenkomsten voorzagen de Staat namelijk van de mogelijkheid om zich zgn. vrij te kopen wanneer werd vastgesteld dat de betreffende concessie indruiste tegen het openbaar belang, hetgeen ten gevolge van de hervorming het geval was.113

Het contract met Uragua werd weliswaar beëindigd, maar niet ten gevolge van de protestacties van het CNDAV noch op basis van de contractuele vrijkoopclausule: de opzegging kwam er naar aanleiding van de niet-naleving van de plichten waartoe het bedrijf op grond van de concessieovereenkomst gehouden was, dus op basis van contractbreuk. Als gevolg hiervan verliet Aguas de Bilboa (dat de concessie van Uragua in handen had, zie supra p. 19) in oktober 2005 het Uruguayaanse grondgebied (Hall & Lobina, 2007: 47). Hierdoor kwam het beheer en de exploitatie van de waterbronnen en de organisatie van de waterdistributie in de betreffende regio terug onder de verantwoordelijkheid van het OSE. Deze kan er in bepaalde gevallen voor opteren deze taak geheel of ten dele over te dragen aan het lokale bestuur, hetgeen in casu ook gebeurd is, wat leidde tot het publiek-publiek samenwerkingsverband tussen het OSE en het bestuur van Maldonado.114

In het geval van Aguas de la Costa werd wél een beroep gedaan op de vrijkoopclausule. Suez Lyonnaise des Eaux verkocht zijn aandelen in de onderneming namelijk aan de overheid, waardoor de firma werd omgevormd tot een gemengd overheidsbedrijf.115 Het CNDAV wees er echter terecht op dat een dergelijke constructie niet in overeenstemming is met het gewijzigde artikel 188. Het OSE heeft sindsdien nog een aantal – doch niet alle – private delen overgenomen. Desondanks wordt algemeen aangenomen dat de waterdiensten zo goed als integraal gehernationaliseerd werden (Taks, 2008: 19-20).

De bottelarijen van mineraal water, de frisdrankfabrikanten en de toeristische wellnesscentra hadden meer geluk: aangezien op het ogenblik dat de hervormingstekst werd opgesteld hierover (nog) geen consensus bestond, werd dit onderwerp eruit weggelaten. Dientengevolge heeft de hervorming geen betrekking op hen en kunnen ze, op voorwaarde dat er geen overexploitatie plaatsvindt, hun activiteiten gewoon verder zetten.116

Ten slotte had Vázquez Rosas – ten einde de buitenlandse investeerders en bedrijven in Uruguay gerust te stellen – in de aanloop naar de verkiezingen tevens beloofd dat de grondwettelijke hervormingen geen terugwerkende kracht zouden hebben. Carlos Coitiño, die als afgevaardigde van dezelfde partij (het Frente Amplio) werkzaam was binnen het CNDAV,117 wees er in een interview met het IPS echter op dat het hier een overbodige belofte betrof, aangezien het concept van de retroactieve werking geen uitstaans heeft met de betreffende amendementstekst (IPS, 31/10/2004).118


      1. Ontwikkelingen sinds 2005

Ten einde een goed beeld te krijgen van de actuele stand van zaken omtrent het recht op water in Uruguay wordt ter afronding van dit tweede casuïstieke deel een beknopt overzicht gegeven van de ontwikkelingen en gebeurtenissen die zich in dit kader sinds de afwikkeling van het referendum hebben voorgedaan. Hierbij worden enkel die feiten en acties vermeld die – althans in eerste instantie – beperkt bleven tot en enkel betrekking hebben op het Uruguayaanse grondgebied. Gebeurtenissen die een zgn. direct spill over-effect veroorzaakten, evenals gebeurtenissen die zich elders in de wereld voordeden onder invloed van de gebeurtenissen in Uruguay zullen daarentegen in het derde deel besproken worden.

        1. Het CNDAV

Zoals reeds vermeld werd, heeft het CNDAV na het bereiken van haar initiële doelstelling haar activiteiten verdergezet (zie supra p. 30). Bovendien werd haar actieterrein uitgebreid.119

Zo uitte het CNDAV in april 2005 haar bezorgdheid naar aanleiding van de voorstelling van het reglement en het statuut van de Asociación Uruguaya del Agua (AUA),120 het tussen Uruguay en het GWP afgesloten Water Partnership (zie supra p. 10). Hierin erkent het AUA immers dat het zich baseert op de principes en doelstellingen van het GWP, dat o.a. de stelling ondersteunt dat water een economische waarde heeft en dientengevolge als een handelsproduct moet worden beschouwd. Bovendien verwijst het handvest op geen enkel moment naar het resultaat van de hierboven besproken volksraadpleging. De grootste vrees van het CNDAV vloeit echter voort uit de mededeling van het AUA dat het zal bijdragen aan de uitvoering van de internationale samenwerkingsverbanden die Uruguay in het kader van water heeft afgesloten. Het CNDAV beschouwt de AUA dan ook als strijdig met de referendumuitslag (REDES-AT, 30/4/2005).

Voorts waarschuwt het CNDAV voor de risico’s die verbonden zijn aan (de opmars van) bepaalde landbouwsectoren.121 Zo wordt sinds kort naast de reeds zeer waterintensieve zuivel- en rijstproductie, ook een explosieve groei in de kweek van sojabonen en de industriële bosbouw van eucalyptussoorten vastgesteld, hetgeen tot een almaar toenemende zgn. indirecte wateruitvoer122 leidt. Bovendien vereisen deze landbouwproducten niet alleen enorme hoeveelheden water, maar vervuilen ze ook het grondwater en de aquifers door het hoge gebruik van chemicaliën (Taks, 2008: 20).

Toch heeft het CNDAV sinds het referendum veel van haar slagkracht verloren. Vele organisaties hebben de commissie hierna immers verlaten. Bovendien is de kloof tussen de harde kern in de hoofdstad en de buurtorganisaties in de rest van het land almaar groter geworden, hetgeen ertoe leidde dat vele van deze volksbewegingen zich in de loop der tijd hebben ontbonden. In een poging het tij te doen keren, riep het CNDAV op Wereldwaterdag 2007 door middel van een perscommunicatie haar (voormalige) achterban op zich (terug) te verenigen ten einde met vereende kracht de strijd verder te zetten (Taks, 2008: 21).123



        1. Het DINASA

In navolging van de hervorming van artikel 47 van de grondwet formuleerde het Ministerio de Vivienda, Ordenamiento Territorial y Medio Ambiente (MVOTMA)124 in de artikelen 327 tot en met 331 van wet 17.930 van 19 december 2005 tot bepaling van de begroting voor de periode 2005-2009 haar nationaal water- en sanitatiebeleid.125

Zo benadrukt het ministerie in artikel 327 dat ze ‘met betrekking tot de ontwikkeling en het beheer van de drinkwater- en sanitatiediensten, haar aandacht in het bijzonder zal toespitsen op de uitbreiding van deze diensten en op de doelstellingen in het kader van haar universalisering, op de prioriteitscriteria, het niveau van de dienstverlening en de noodzakelijke investeringen, evenals op de efficiëntie en de kwaliteit ervan.’ (art. 327 §1 zin 2).126 Ze voegt hier vervolgens nog aan toe dat de voorstellen die ze in het kader van de uitvoering van haar beleid naar voren zal schuiven, het resultaat zullen zijn van de effectieve participatie aan alle beleids-, beheers- en controleinstanties van consumenten en burgerbewegingen.127

Ten einde gevolg te geven aan deze doelstellingen meldt artikel 328 de oprichting van het Dirección Nacional de Aguas y Saneamiento (DINASA)128 binnen het Dirección General de Secretaría van het ministerie (§1).

Ook de drie hierop volgende artikels beschrijven maatregelen die genomen worden met het oog op de verwezenlijking van de in artikel 327 uiteengezette doelstellingen en verschaffen deze maatregelen zodoende een wettelijke grond.

Zo heeft artikel 329 tot doel de efficiëntie van de betreffende diensten te verhogen. Hiertoe wordt de uitvoerende macht – in onderlinge overeenstemming met de Raad van Ministers – de taak opgelegd de bevoegdheden van de respectievelijk betrokken diensten te herzien, evenals de beschikbare middelen, materialen en kredieten. Dit naar aanleiding van het feit dat het beheer, de exploitatie en de organisatie van het water in bepaalde gevallen door verschillende publieke instanties in samenwerkingsverband kan worden uitgeoefend (zie supra p. 37 omtrent het vertrek van Uragua), waardoor een overlapping van taken en functies tussen de verschillende diensten kon ontstaan.

Artikel 330 gaat verder door te stellen dat het MVOTMA – voor rekening van de uitvoerende macht – de Algemene Vergadering vanaf 2006 jaarlijks op de hoogte dient te brengen van de vooruitgangen die met het oog op de (in artikel 327) vermelde doelstellingen werden geboekt (art. 330 §1). Deze bepaling vergroot niet enkel de transparantie, maar stimuleert tegelijk tot het nemen van maatregelen en voorkomt op die manier dat de beloofde hervormingen op de lange baan worden geschoven.

Het laatste artikel voorziet tenslotte in de oprichting van een Comisión Asesora de Agua y Saneamiento (COASAS),129 eveneens in de schoot van het MVOTMA. Dit comité dient enerzijds het werk van het DINASA te ondersteunen, door de verschillende beleidsvisies van de sector te verzamelen en op te nemen in een uniform groter geheel. Anderzijds en hierbij aansluitend dient het comité tevens de participatie van de burgers in de besluitvorming te verbeteren (art. 331 §1). Om dit doel te bereiken, is het samengesteld uit zowel gedelegeerden van de publieke en de private instellingen als uit vertegenwoordigers van de burgerbewegingen en consumentenorganisaties (art. 331 §2). Ook het CNDAV heeft tot op heden actief deelgenomen aan de activiteiten van dit comité. Er bestaan echter twijfels omtrent het feit of het CNDAV al dan niet officieel erkend wordt als een fundamentele actor. Andere deelnemende organisaties, zelfs indien ze destijds tégen het zgn. waterreferendum waren, hebben hier vreemd genoeg geen last van (DINASA, 2008; Taks, 2008: 20-21).130


        1. Water: een handelsproduct of een mensenrecht?

Hoewel het MVOTMA door haar waterbeleid en de oprichting van het DINASA duidelijk heeft aangegeven dat ze (de geest en de principes van) de waterbeweging een warm hart toedraagt, vaart het Ministerie van Economie en Financiën (MEF) een heel andere koers. Ondanks de grondwettelijke hervorming en de sociale en ecologische gevolgen, promoot het MEF namelijk de uitbesteding van taken aan private ondernemingen (Taks, 2008: 21).

Er is dus tot op heden geen eensgezind overheidsstandpunt omtrent de vraag waar het destijds allemaal mee begon, namelijk: is water een mensenrecht of toch slechts één van de zovele handelsproducten? Javier Taks lijkt van mening te zijn dat de waarheid ergens in het midden ligt. Hij beëindigt zijn analyse van de Uruguayaanse zaak namelijk met de conclusie dat ‘an honest dialogue between social movements and the progresist government in Uruguay should continue for the right to water to become a day-to-day practice.’ (Taks, 2008: 21) Wat er ook van zij, één ding is alvast een feit: nog geen 3,5 miljoen Uruguayanen zijn er op nauwelijks enkele jaren tijd in geslaagd het recht op water als een zelfstandig en fundamenteel mensenrecht in hun hiërarchisch hoogste rechtsbron te doen opnemen, terwijl de Verenigde Naties er al bijna 40 jaar over debatteren en nog steeds rond de hete brij heen blijven draaien.

DEEL 3 – Internationale impact van de Uruguayaanse “burgerpolitiek”

Zoals in de inleiding reeds werd aangehaald, beschouwen velen de Uruguay-case als een belangrijk politiek precedent, niet enkel met betrekking tot het gebruik van referenda in de strijd tegen het privatiseringsbeleid, maar ook en vooral omwille van het feit dat het de eerste keer was dat het recht op (de toegang tot) water onder invloed van “burgerpolitiek” in de vorm van een bottom-up-beweging als mensenrecht erkend werd en als dusdanig in de nationale grondwet werd opgenomen.

In dit deel wordt getracht te achterhalen welke invloed deze historische gebeurtenis op het internationale toneel heeft uitgeoefend. Hierbij wordt eerst gekeken naar de nabije omgeving van Uruguay, met name het Centraal- en Zuid-Amerikaanse subcontinent. Vervolgens wordt de blik verlegd naar het wereldtoneel.


    1. Centraal- en Zuid-Amerika

Door het feit dat deze regio jaarlijks de hoogste hoeveelheid neerslag ter wereld ontvangt en hierdoor vier van ‘s werelds 25 grootste rivieren131 evenals enkele van de grootste meren ter wereld herbergt, is deze regio één van de waterrijkste ter wereld. De ongelijke geografische verdeling van dit water, maar ook en vooral (sociale) ongelijkheid en milieuverontreiniging (o.a. door slecht waterbeheer) maken echter dat veel Centraal- en Zuid-Amerikanen slechts in beperkte mate of zelfs helemaal geen toegang hebben tot zuiver water (Barlow & Clarke, 2004: X). Het waterprivatiseringsbeleid heeft deze situatie nog erger gemaakt. Of zoals het United Nations Development Programme (UNDP)132 het in haar jaarrapport van 2006 (zie infra p. 48, in het bijzonder voetnoot 148) verwoordde: ‘The scarcity at the heart of the global water crisis is rooted in power, poverty and inequality, not in physical availability.’ (AlterNet, 1/5/2008).

Terwijl het CNDAV in eigen land het slachtoffer van haar eigen succes lijkt te zijn geworden (zie supra p. 40), werd de ‘Uruguayan way133 reeds in verschillende Centraal- en Zuid-Amerikaanse landen geïmiteerd. Hieronder worden twee representatieve voorbeelden – één uit elk subcontinent – kort toegelicht, ten einde een idee te geven van de reikwijdte van het Uruguayaans referendum.



      1. Colombia

‘De waterpolitiek in Latijns-Amerika is wisselend en niet te voorspellen’ meldde PROTOS in het in 2005 verschenen artikel Latijns-Amerika: wie heeft de wateroorlog gewonnen? (PROTOS, 23/12/2005). Hiermee sloeg de niet-gouvernementele organisatie – die zichzelf als ‘dé Noord-Zuidreferentie in water’ (PROTOS, 2008) naar voren schuift – de nagel op de kop, temeer aangezien wat het artikel voorts vermeldde twee jaar later al geen waarheid meer blijkt te zijn. Het artikel stelde nl. dat de gevoerde waterpolitiek – zijnde de privatisering van de watersector – in Colombia ‘eerder geslaagd’ blijkt te zijn (PROTOS, 23/12/2005). Nauwelijks twee jaar later lijkt Colombia echter in quasi dezelfde situatie aanbeland als Uruguay vijf jaar eerder (zie supra p. 31): 60 Colombiaanse milieuorganisaties,134 vakbonden, sociale bewegingen en inheemse groeperingen hebben zich verenigd en zijn er – na de verzameling van de noodzakelijke 135.000 handtekeningen – in geslaagd om hun voorstel om het recht op water in de grondwet op te nemen officieel te laten registreren. De volgende stap is het verzamelen van 1,5 miljoen handtekeningen zodat het parlement het betreffende voorstel in een referendum aan de bevolking zal dienen voor te leggen.135 Indien het zover komt en de bevolking zich vervolgens in het voordeel van deze grondwetsherziening zou uitspreken, zal Colombia het tweede land in Zuid-Amerika136 worden dat het recht op water in de grondwet opneemt en het tweede land ter wereld waar deze opname via een bottom-up-beweging heeft plaatsgevonden (AlterNet, 1/5/2008; IPS, 26/08/2007). De gelijkenis met en invloed van de gebeurtenisssen in Uruguay had nauwelijks groter kunnen zijn.

      1. Mexico

In oktober 2005 werd in Mexico – naar het voorbeeld van het CNDAV (zie supra p. 28 e.v.) – de Coalición de Organizaciones Mexicanas por el Derecho al Agua (COMDA)137 opgericht. De COMDA bestaat uit tientallen organisaties en netwerken138 en ijvert voor dezelfde doelstellingen als haar grote voorbeeld, te beginnen met de erkenning van het mensenrecht op water. Hiertoe lanceerde COMDA de nationale campagne “El Derecho al Agua a la Constitución139. Het COMDA was tevens één van de organisatoren140 van de Jornadas en Defensa del Agua, een reeks activiteiten die gedurende de periode van 21 januari tot en met 22 maart 2006 georganiseerd werden in de aanloop naar het vierde WWF, dat in Mexico plaatsvond (zie infra p. 47-48) (COMDA, 2008).

    1. Mondiaal: internationale organisaties

Ook op het niveau van de internationale organisaties heeft het gebeuren in Uruguay zijn stempel weten te drukken.

      1. Red VIDA

In augustus 2003, met andere woorden ongeveer een jaar na de oprichting van het CNDAV, zag het Vigilancia Interamericana para la Defensa y Derecho al Agua (Red VIDA)141 het licht. Dit interamerikaans netwerk voor de verdediging en bescherming van water ontstond toen 54 organisaties uit 16 landen van over het hele Amerikaanse continent zich in San Salvador verenigden voor de lancering van een campagne voor de bescherming van water als ‘un bien público y un derecho humano fundamental142. Deze organisatie heeft sindsdien een explosieve groei gekend en telt momenteel reeds 250 leden verspreid over 115 landen wereldwijd (Red VIDA, 2008).

      1. Blue October

Om de historische gebeurtenis die op 31 oktober 2004 in Uruguay heeft plaatsgevonden, te vieren en tevens de nodige aandacht te vestigen op de nog steeds actuele watercrisis, werd in 2006 Blue October143 in het leven geroepen. Met dit internationale initiatief144 wordt de maand oktober aan de hand van allerlei evenementen in het teken van water gezet. De bedoeling van dit alles is ‘to challenge corporate control of water and to protect water as a shared natural resource available to all’ (BlueOctoberCampaign.Org, 2007).
DEEL 4 – Het recht op water na 2004: een internationaal erkend zelfstandig fundamenteel mensenrecht?

In het eerste deel werd nagegaan of in de periode voorafgaand aan het zgn. waterreferendum in Uruguay het recht op water als een internationaal, autonoom en fundamenteel mensenrecht werd erkend. Dit bleek, alle initiatieven en goede wil ten spijt, niet het geval te zijn. In dit vierde en laatste deel zal daarom worden nagegaan of hierin in de afgelopen 3,5 jaar die sinds het referendum verstreken zijn, enige verandering is gekomen. Hebben de Uruguayaanse burgerstrijd en / of de regionale en mondiale uitwassen ervan (rechtstreeks of onrechtstreeks) enige invloed uitgeoefend op de internationale wetgeving? Wordt het recht op water met andere woorden inmiddels als een op zichzelf staand fundamenteel mensenrecht erkend? Of – zo dit nog niet het geval blijkt te zijn – zijn er aanwijzingen dat hierin weldra verandering zal komen?

Zoals in het eerste deel werd vastgesteld, werd de periode vóór 2004 afgerond met het derde Wereld Water Forum dat in de loop van het International Year of Freshwater – zijnde 2003 – in Kyoto plaatsvond (zie supra p. 13).

In het voor de Uruguayanen bewogen jaar 2004 kunnen geen noemenswaardige internationale gebeurtenissen omtrent het recht op water worden opgetekend. Naast jaarlijks weerkerende mondiale “waterevenementen” zoals de Wereldwaterdag werden immers geen nieuwe initiatieven genomen. Deze pauze was echter van korte duur, want in 2005 ging The International Decade for Action ‘Water for life’ (2005-2015)145 van start. Dit is reeds het derde decennium dat tot waterdecennium wordt uitgeroepen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat – niettegenstaande alle voorgaande inspanningen – de geboekte vooruitgang op het vlak van water ontoereikend blijft. Dit is op zijn beurt grotendeels het gevolg van het niet (volledig) naleven van de gedane beloftes, o.a. deze in het kader van de MOD’s (zie supra p. 11).

In 2006 was het alweer tijd voor het – inmiddels vierde – Wereld Water Forum dat dit keer in Mexico georganiseerd werd (UNESCO – WWAP, 2008).146 Maar ook nu werd er geen verwijzing naar het recht op (de toegang tot) water als een mensenrecht in de Slotakte van het WWF opgenomen. Dit gebeurde wel in een aanvullende verklaring die aan de Slotverklaring werd toegevoegd, maar dit bijvoegsel werd slechts door vier landen – waaronder Uruguay – ondertekend147 en wordt op de website van het WWF zelfs niet gepubliceerd (Verschuuren, 2006: 426).

Enkele maanden later, op 9 november, stelde het UNDP naar jaarlijkse gewoonte haar Human Development Report (HDR) voor. Omwille van de nog steeds groeiende en almaar dramatischer wordende mondiale watercrisis, heeft het UNDP dit 17e HDR, dat onder de titel Beyond scarcity: Power, poverty and the global water crisis148 verscheen, aan deze problematiek gewijd. In het rapport trekt de organisatie hard aan de alarmbel en waarschuwt dat de materie dringend bovenaan de politieke agenda moet worden geplaatst. Tegelijkertijd wijst het rapport erop dat de problematiek weliswaar wereldwijd erkend wordt en het gespreksonderwerp van tal van debatten vormt, maar dat het daar vaak bij blijft. ‘Access to water for life is a basic human need and a fundamental human right’ meldt Kemal Derviş al in het voorwoord (UNDP, 2006: v). De erkenning van het recht op drinkbaar water als een mensenrecht vormt dan ook één van de vier prioriteiten die door het rapport naar voren worden geschoven (PROTOS vzw., 2007: 5).

Eind vorig jaar flakkerde de hoop op deze erkenning weer op. Aanleiding hiertoe was de aanloop naar de 60ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), dat op 10 december 2008 gevierd zal worden.149 Verwacht werd dat de VN dit moment zouden aangrijpen om het mensenrecht op water in de vorm van een verklaring aan het oorspronkelijke verdrag toe te voegen, te meer daar de regeringen van Duitsland, Spanje, Zwitserland, Italië en Bolivië reeds stappen in deze richting hadden ondernomen. In februari liet de VN Raad voor de Rechten van de Mens echter weten slechts een rapporteur te zullen aanstellen die belast zal worden met het onderzoek naar het belang van een universeel mensenrecht op water. De Raad besloot hiertoe nadat enkele landen – waaronder de VSA en Canada – hun veto tegen een dergelijke toevoeging hadden gesteld. En aangezien deze rapporteur pas over drie jaar verslag dient uit te brengen (PROTOS, 1/7/2008), ziet het er niet naar uit dat het recht op water weldra als een fundamenteel mensenrecht zal erkend worden. Deze beslissing van de Raad doet bovendien vragen rijzen omtrent het nut en de doelstelling van het initiatief van de VN om 2008 uit te roepen tot het International Year of Sanitation.150

Voor de volledigheid dient hier ten slotte nog melding te worden gemaakt van het vijfde Wereld Water Forum dat volgend jaar in Istanbul georganiseerd wordt.151

CONCLUSIE

Zuiver, drinkbaar water is van vitaal belang voor ons bestaan. Met deze stelling werd onderhavig werk geopend. De dramatische gebeurtenissen in Uruguay en andere Zuid-Amerikaanse landen hebben deze bewering – voor diegenen die hier nog aan twijfelden – bevestigd. Desondanks hebben tot op heden 884 miljoen mensen152 geen toegang tot veilig drinkwater (IPS, 18/7/2008). Hierdoor sterven dagelijks tussen de 20.000 en 30.000 mensen. Alleen al voor wat de kinderen betreft, komt dit neer op één overlijden elke acht seconden153, ofte bijna 2 miljoen kinderlevens per jaar (Alternet, 1/5/2008; PROTOS, 2008). Toch zijn het aantal landen in de wereld waar het recht op water als een fundamenteel mensenrecht wordt erkend, op twee handen te tellen.

De Uruguay-case heeft inmiddels aangetoond dat de expliciete en ondubbelzinnige erkenning van het recht op (de toegang tot) water als een fundamenteel mensenrecht in de praktijk wel degelijk een verschil kan maken. Dit voorbeeld heeft ook de bevolking in andere delen van de wereld ertoe aangezet zich te verenigen en de strijd voor de officiële erkenning van deze basisbehoefte aan te gaan.

Om deze problematiek efficiënt en op korte termijn op te lossen, is echter een overkoepelende, mondiale aanpak noodzakelijk. Maar de instanties die hiertoe het best geplaatst zijn, zoals (en bij uitstek) de VN, slagen hier blijkbaar niet in: geen enkel van de toch wel zeer talrijke initiatieven die de afgelopen vier decennia genomen werden, heeft op het internationale niveau geleid tot een expliciete erkenning van het recht op water als een onafhankelijk, autonoom mensenrecht. Ook in de nabije toekomst lijkt hier geen verandering in te zullen komen.

Uiteraard biedt de erkenning van een dergelijk recht – zelfs indien deze in de grondwet of in een internationaal bindend verdrag wordt opgenomen – in de praktijk geen waterdichte garantie op zuiver drinkwater. Het is echter een eerste belangrijke en noodzakelijke stap, die de bevolking bovendien een instrument geeft om hun regering verantwoordelijk te stellen indien dit recht wordt geschonden. Het is echter net deze verantwoordelijkheid die de leiders ervan weerhoudt om de vervulling van deze behoefte als een zelfstandig, universeel, ondeelbaar, onaantastbaar en onvervreemdbaar recht formeel te erkennen. Een dergelijke erkenning zou immers tot gevolg hebben dat (de toegang tot) drinkbaar water als een autonoom recht kan worden afgedwongen, zonder dat de schending van een andere bepaling dient te worden aangetoond. De machthebbers beweren dat een dergelijk recht te ver zou leiden, bijgevolg niet realiseerbaar zou zijn en daarom per definitie betekenisloos zou blijven. Daarom wordt de voorkeur gegeven aan minder ingrijpende maatregelen (cfr. vierde WWF, zie infra p. 47-48).

Ondertussen neemt het waterverbruik van degenen die er wél toegang toe hebben echter onvermoeibaar toe, voornamelijk ten gunste van de industrie. Zo is het waterverbruik sinds 1975 reeds verdubbeld (PROTOS, 2008). ‘s Werelds zoetwatervoorraden raken echter in sneltempo uitgeput. Gelet op de absolute noodzaak tot frequent gebruik van deze vitale grondstof, zal hier hoe dan ook spoedig verandering in moeten komen, indien we niet willen dat Daniëlle Mitterand gelijk zal krijgen toen ze zei: ‘Ooit zullen we steenrijk zijn, maar sterven van de dorst’ (EEN, 9/7/2008).



BIBLIOGRAFIE

  1. PERS- EN TIJDSCHRIFTARTIKELS

  • BARLOW, M. & CLARKE, T. (2004), ‘Diefstal van openbaar water – De strijd om water in Latijns-Amerika’ in LA Chispa, 6, 8: X.

(Zie ook: http://www.noticias.nl/chispa/num307.html)

  • DE KIEVID, J. (2004), ‘Historische verkiezingen in Uruguay – Links wint’ in LA Chispa, 6, 8: X.

(Zie ook: http://www.noticias.nl/chispa/num307.html)

  • HALL, D., LOBINA, E. & DE LA MOTTE, R. (2005), ‘Public resistance to privatisation in water and energy’ in Development in Practice, 15, 3-4, 286-301.

(Zie ook: http://www.psiru.org/reports/2005-06-W-E-resist.pdf)

  • HUWART, A-C (17/6/2008), ‘L’eau, un défi mondial’ in Swarado (< bijlage bij Le Soir), 6.

  • PETROVA, V. (2006), ‘At the Frontiers of the Rush for Blue Gold: Water Privatization and the Human Right to Water’ in Brooklyn Journal of International Law, 31, 2: 577-613.

(Zie ook: https://www.brooklaw.edu/students/journals/bjil/bjil31ii_petrova.pdf)

  • PROTOS vzw. (2007), ‘De rol van de Verenigde Naties in de wereldwijde waterproblematiek’ in Wereldbeeld, 31, 141: 2-6.

  • SYBESMA-KNOL, N. (2007), ‘Behoort het recht op water tot de fundamentele rechten van de mens?’ in Wereldbeeld, 31, 141: 44-50.

  • TAKS, J. (2008), “'El Agua es de Todos/Water for All': Water resources and development in Uruguay” in Development, 51, 1: 17-22.

(Zie ook: http://www.palgrave-journals.com/development/journal/v51/n1/pdf/1100464a.pdf)

  1. BEELDMATERIAAL

  • CANVAS (7/6/2008), ‘Water op de fles!’ in Vranckx (< BBC, 2008).

  • EEN (25/6, 2/7 en 9/7/2008), ‘Water beschermen is leven beschermen’ in De aarde vanuit de hemel (< ARTHUS-BERTRAND, Y., 2006).

  • EEN (13/12/2007), ‘Water in Namibië’ in Koppen.

  • EEN (13/12/2007), Het Journaal.

  1. INTERNETBRONNEN

    1. ACADEMISCHE RAPPORTEN & PUBLICATIES

      1. Public Services International Research Unit – Business School – University of Greenwich – Verenigd Koninkrijk

  • HALL, D. (1999), Water and privatization in Latin America, http://www.psiru.org/reports/9909-W-Latam.doc, 66 p.

  • HALL, D. & LOBINA, E. (2007), Water privatisation and restructuring in Latin America, http://www.psiru.org/reports/2007-09-W-Latam.doc, 60 p.

  • HALL, D. & LOBINA, E. (2003), Problems with private water concessions: a review of experience, http://www.psiru.org/reports/2003-06-W-over.doc, 48 p.

  • HALL, D. & LOBINA, E. (2002), Water privatisation in Latin America, http://www.dev-zone.org/kcdocs/6154latam.pdf, 27 p.

  • HALL, D., LOBINA, E. & DE LA MOTTE, R. (2004), Making water privatisation illegal – new laws in Netherlands and Uruguay, http://www.psiru.org/reports/2004-11-W-crim.doc, 8 p.

      1. Faculteit Latijns-Amerikaanse sociale wetenschappen – FLACSO – Argentinië

  • DOMINGUEZ, A. (2006), La gestión sustentable del agua en Uruguay, http://www.redes.org.uy/modules.php?op=modload&name=News&file=index&catid=9&topic=, 18 p.

      1. Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie – Universiteit van Amsterdam – Nederland

  • CATALAN ARAVENA, O. & JAGER, H. (2002), Economische groei en volatiliteit in het Chileense liberalisatiemodel, http://www1.fee.uva.nl/toe/content/people/content/jager/downloadablepapers/Chili%20ME.pdf, 13 p.

(Zie ook: CATALAN ARAVENA, O. & JAGER, H. (2002), ‘Economische groei en volatiliteit in het Chileense liberalisatiemodel’ in Maandschrift Economie, 66, X: 495-509).

      1. Centro de Investigación de Relaciones Internacionales y Desarrollo, Fundación CIDOB – Barcelona – Spanje

  • FUNDACION CIDOB (2007), Biografías Líderes Políticos - Tabaré Vázquez Rosas, http://www.cidob.org/es/documentacion/biografias_lideres_politicos/america_del_sur/uruguay/tabare_vazquez_rosas.

  • FUNDACION CIDOB (2006a), Biografías Líderes Políticos – Jorge Luis Batlle Ibáñez, http://www.cidob.org/es/documentacion/biografias_lideres_politicos/america_del_sur/uruguay/jorge_luis_batlle_ibanez.

  • FUNDACION CIDOB (2006b), Biografías Líderes PolíticosJulio María Sanguinetti Coirolo, http://www.cidob.org/es/documentacion/biografias_lideres_politicos/america_del_sur/uruguay/julio_maria_sanguinetti_coirolo.

    1. ANDERE RAPPORTEN

  • PROTOS (2005), Water en conflicten. Tekort aan water bedreigt de vrede, http://www.protos.be/protosh2o/bibliotheek/results?search=water+en+conflicten&option=Titel&andor=and&search2=&option2=Taal&start=25, 47 p.

  • United Nations Development Programme, UNDP (2006), Human Development Report 2006 – Beyond scarcity: Power, poverty and the global water crisis, http://hdr.undp.org/en/media/hdr06-complete.pdf.

(Zie ook: United Nations Development Programme, UNDP (2006), Human Development Report 2006 – Beyond scarcity: Power, poverty and the global water crisis, New York: Palgrave Macmillan, 422 p.)

    1. ARTIKELS

      1. Algemeen

  • Espectador.com (2004), Proyecto de reforma constitucional presentado por la Comisión en Defensa del Agua y de la Vida, http://www.espectador.com/nota.php?idNota=19456.

  • FundingUniverse (2008), Company Histories – Vivendi Universal S.A., http://www.fundinguniverse.com/company-histories/Vivendi-Universal-SA-Company-History.html.

  • Globalinfo (2004), Privatisering water: verboden in Nederland en Uruguay, http://www.globalinfo.nl/content/view/463/39/.

  • History of Nations (2005), History of Uruguay, http://www.historyofnations.net/southamerica/uruguay.html.

  • Indymedia Uruguay (2005), Declaración de la Comisión del AGUA, http://uruguay.indymedia.org/news/2005/06/36184.php.

  • La insignia (2004), Salvar el agua para cambiar el país, http://www.lainsignia.org/2004/agosto/econ_001.htm.

  • Veolia Environnement (2008), 150 ans au service de l'environnement – L'histoire du groupe Veolia Environnement, http://www.veolia.com/fr/groupe/historique/default.aspx.

      1. Nationale en internationale (niet-)gouvernementele organisaties

  • Amigos de la Tierra Internacional (31/10/2004), Uruguay: Triumph of the social struggle for water, http://www.radiomundoreal.fm/rmr/?q=en/node/3579.

  • Blue Planet Project (X), Victory in Uruguay, http://www.blueplanetproject.net/Movement/Uruguay.html.
  1   2   3   4


Dovnload 0.49 Mb.