Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding Op 20 november 2003 heeft de hoogste Duitse Rechter, het bgh (het Bundesgerichtshof), een tweetal uitspraken1 gewezen, waarin een stokje wordt gestoken voor de verklaring voor recht door de Nederlandse wegvervoerder

Dovnload 25.75 Kb.

Inleiding Op 20 november 2003 heeft de hoogste Duitse Rechter, het bgh (het Bundesgerichtshof), een tweetal uitspraken1 gewezen, waarin een stokje wordt gestoken voor de verklaring voor recht door de Nederlandse wegvervoerder



Datum01.08.2017
Grootte25.75 Kb.

Dovnload 25.75 Kb.




Maakt Bundesgerichtshof einde aan de verklaring voor recht door de Nederlandse wegvervoerder?


Inleiding


Op 20 november 2003 heeft de hoogste Duitse Rechter, het BGH (het Bundesgerichtshof), een tweetal uitspraken1 gewezen, waarin een stokje wordt gestoken voor de verklaring voor recht door de Nederlandse wegvervoerder. In dit artikel wordt stilgestaan bij de uitspraken van het BGH en hun gevolgen.


Doorbreking van aansprakelijkheid


De aansprakelijkheid van de internationale wegvervoerder voor diefstalschade wordt vrijwel altijd beheerst door het CMR-Verdrag. De vraag is vervolgens of de wegvervoerder de gehele schade moet betalen of dat hij zich kan beroepen op de CMR-limiet. Art. 23 CMR beperkt de aansprakelijkheid voor ladingschade tot 8,33 Special Drawing Right (SDR), thans circa € 10,- per kg brutogewicht. Art. 29 lid 1 CMR bepaalt echter dat de wegvervoerder zich niet op deze aansprakelijkheidslimiet kan beroepen indien de schade voortspruit uit opzet of daarmee gelijk te stellen schuld volgens de wet van het gerecht waar de vordering aanhangig is.

De CMR heeft bedoeld een uniform aansprakelijksregime te scheppen maar heeft wel aan de nationale CMR-rechter overgelaten om te bepalen of er opzet of daarmee gelijk te stellen schuld is.


In het vervoerdersvriendelijke Nederland komt het in de regel slechts tot doorbreking van de limiet ingeval van opzet (diefstal) door een ondergeschikte van de vervoerder. De Hoge Raad heeft immers in haar arresten van 5 januari 2001 alsmede van 22 februari 2002 zware eisen gesteld aan het bewijs van met opzet gelijk te stellen schuld (bewuste roekeloosheid)2.


De verklaring voor recht


Met de uitspraken van de Hoge Raad is in Nederland de limiet een wel haast onneembare vesting voor de lading geworden. Met name in Duitsland wordt veel sneller onbeperkte aansprakelijkheid aangenomen dan in Nederland op grond van ‘grobe Fahrlässigkeit’. Doorbreking van de CMR-limiet lijkt met name in diefstalzaken in Duitsland eerder regel dan uitzondering.

In het licht hiervan hebben Nederlandse vervoerders en hun aansprakelijkheidverzekeraars de afgelopen jaren veelvuldig zelf het initiatief genomen tot een procedure in Nederland: de vervoerder begon voor de Nederlandse rechter zelf een procedure tegen de afzender, de geadresseerde, de ladingbelanghebbende (als dat een ander was dan de afzender of geadresseerde) en de gesubrogeerde verzekeraar(s), met andere woorden tegen alle mogelijke ladingbelanghebbenden, en vroeg de rechter om voor recht te verklaren dat de aansprakelijkheid was beperkt tot SDR 8,33 per verloren of beschadigd bruto kg. Om een en ander in een financieel perspectief te plaatsen: vervoer van een pallet met computeronderdelen, gewicht 150 kg, waarde € 100.000,-; de limiet is ‘slechts’ 150 x € 10,- =

€ 1.500,- terwijl de werkelijke schade € 100.000,- is. En als het dan om drie pallets gaat, dan kunt u begrijpen dat beide partijen willen doorprocederen tot Bundesgrichtshof en Hoge Raad.
Het CMR-Verdrag biedt in art. 31 lid 1 een ruime keuzemogelijkheid aan rechters, namelijk bij de rechter van het land: (1) bij partijbeding aangewezen, (2) waar de gedaagde is gevestigd, (3) van de plaats van inontvangstneming van de lading en (4) van de plaats van de bestemming van de lading. Door snel een verklaring voor recht uit te brengen bij een vervoerdersvriendelijke rechter werden ladingbelanghebbenden tot nu toe belemmerd in de mogelijkheid om de vervoerder te dagvaarden in Duitsland, waar zij een veel grotere kans hadden om de schade integraal vergoed te krijgen3. Ingevolge art. 31 lid 2 CMR kan namelijk geen nieuwe vordering “omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen worden ingesteld” wanneer al een vordering (lees: de verklaring voor recht) aanhangig is voor de bevoegde CMR-rechter. De latere rechter moet zich dan onbevoegd verklaren, een juridische toepassing van het spreekwoord “Wie het eerst komt, het eerst maalt.”.


Nederland-Duitsland


De verklaring voor recht procedures tussen Nederlandse vervoerders en Duitse lading­verzekeraars ontwikkelden zich de laatste jaren tot ware krachtmetingen vergelijkbaar met de voetbalwedstrijden tussen de nationale teams. In Duitsland bestond/bestaat grote weerzin tegen de Nederlandse verklaring voor recht dagvaarding. De verklaring voor recht procedure, door de Nederlandse wegvervoerder voor de Nederlandse rechter, werd niet minder beschouwd als diefstal van de ladingclaim van Duitse verzekeraars4 en zelfs afgedaan als ‘Atypische Manipulation’5. Dit misbruik moest worden gekeerd!

In Duitsland gingen er steeds meer stemmen op om bij de toepassing van de bevoegdheids­regeling van art. 31 CMR geen voorrang te verlenen aan een eerdere ingestelde verklaring voor recht (“Negative Feststullungsklage”) boven een latere ingestelde vordering van de ladingverzekeraar tot vergoeding van diezelfde schade (“Leistungsklage”6). Het tij keerde derhalve voor de verklaring voor recht.



De uitspraken van het BGH

In een tweetal uitspraken gewezen op 20 november 2003 heeft het Bundesgerichtshof nu een stokje gestoken voor de verklaring voor recht.


De ene zaak met nr. 294/02 gaat over de volgende feiten. Tijdens transport van een container met wegwerpcamera’s van Rotterdam naar Langenveld (Duitsland) door de (papieren) Nederlandse vervoerder K. gaat de lading grotendeels verloren. In de procedure voor de Duitse rechter beroept de vervoerder zich op een voor de Rechtbank Rotterdam eerder aanhangig gemaakte vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat zij niet, althans slechts beperkt, aansprakelijk zou zijn voor het verlies. De Duitse ladingverzekeraar stelt in de Duitse procedure dat dit niet in de weg staat aan toewijzing van de ladingclaim door de Duitse rechter. De zaak komt uiteindelijk bij het BGH. Het BGH volgt het standpunt van de Duitse verzekeraar.
Kort gezegd komt het erop neer dat het BGH van oordeel is dat de mogelijkheid van keuze voor de in art. 31 lid 1 CMR aangewezen nationale rechters, is bedoeld voor de partij die een echte vordering (een claim) heeft. De claimant kan aldus zijn een vervoerder die vracht vordert. Het kan (en zal in de meeste gevallen) ook zijn de ladingbelanghebbende, die een claim heeft wegens verlies of beschadiging. Zijn keuzemogelijkheid om een claim in te stellen blijft - aldus het BGH - staan, ook al is hij gedagvaard in een verklaringsprocedure (door de wegvervoerder).

Het BGH onderkende in de uitspraak de noodzaak om te voorkomen dat in verschillende

CMR-landen verschillende uitspraken over één en dezelfde zaak worden geven, maar achtte dit argument onvoldoende. Het BGH gebruikte als argument voor de keuzemogelijkheid van de claimant onder meer dat het CMR kennelijk bedoeld heeft om het de claimant eenvoudig te maken: de afzender kan de claim aanhangig maken in het land waar het transport begon; de geadresseerde kan dit doen in het land van aflevering.
Het BGH stelt in feite dat art. 31 CMR slechts een forum voor de schuldeiser is; slechts de (lading) claimant kan de zaak aanbrengen voor de CMR-rechter.

Gevolgen

De vraag is wat de gevolgen zullen zijn van de uitspraken van het BGH.


De openbaar gemaakte uitspraken zijn nog vers. Derhalve is voorzichtigheid geboden bij haastige conclusies. In ieder geval is duidelijk dat in lopende CMR-procedures in Duitsland tegen de ladingclaim niet langer het verweer kan worden gevoerd dat eerder al door de vervoerder een procedure in Nederland aanhangig is gemaakt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht (en dat de Duitse procedure dus moet worden stilgelegd).

Theoretisch kan naast zo’n Duitse procedure een eerder in Nederland aanhangig gemaakte procedure tot het verkrijgen van een verklaring voor recht worden voortgezet. De vreemde situatie doet zich dan voor dat de Nederlandse rechter kan en waarschijnlijk ook zal oordelen dat de vervoerder zich op de limiet mag beroepen, terwijl de Duitse rechter kan en zal oordelen dat de vervoerder onbeperkt aansprakelijk is. Hoewel een uitspraak van de Hoge Raad nog ontbreekt wordt in de Nederlandse rechtspraak een verklaring voor recht nog steeds erkend7. Dit geldt (vooralsnog) ook voor de Franse en Engelse rechtspraak8.


Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of het voor vervoerders en hun aansprakelijkheids­verzekeraars nog zinvol is om bij vervoer van Nederland naar Duitsland (of omgekeerd) een verklaring voor recht procedure in Nederland te beginnen. Ook als de Nederlandse rechter oordeelt dat de vervoerder beperkt aansprakelijk is, zal een veroordelend vonnis van de Duitse rechter voor de gehele schade in Duitsland (en vermoedelijk ook in de andere CMR-landen, behalve waarschijnlijk Nederland) tegen de wegvervoerder ten uitvoer kunnen worden gelegd. Concreet betekent dit dat vervoerders die op/door Duitsland rijden of aldaar (voor verhaal vatbare) activa, zoals bijvoorbeeld vrachtvorderingen, hebben aan een Duitse veroordeling zullen moeten voldoen, ook als de Nederlandse rechter heeft geoordeeld dat de vervoerder slechts beperkt aansprakelijk is.
Kan een Duits veroordelend vonnis (voor onbeperkte aansprakelijkheid) ook in Nederland ten uitvoer worden gelegd als de Nederlandse rechter al heeft geoordeeld in een verklaringsprocedure dat de vervoerder slechts beperkt aansprakelijk is? Volgens P. de Meij, in zijn recent verschenen proefschrift9, staat onverenigbaarheid met een reeds bestaand nationaal vonnis executie van het vreemde (lees Duitse) vonnis dan in de weg.

De grote vraag is natuurlijk of de verklaring voor recht procedure in Nederland stand zal houden. Wat zal de Hoge Raad doen, wanneer een (Duitse) ladingbelanghebbende een ‘CMR verklaring voor recht’ zaak voorlegt aan de Hoge Raad? Zal de Hoge Raad de lagere rechters volgen en in overeenstemming met het Europese bevoegdheidsrecht10 een dergelijke verklaring voor recht dat de CMR-vervoerder slechts beperkt aansprakelijk is, erkennen? Of zal de Hoge Raad op dit punt het gezaghebbende Bundesgerichtshof volgen en oordelen dat de bevoegdheidskwesties geheel geregeld worden door art. 31 CMR? Dat zou betekenen dat een ladingbelanghebbende de mogelijkheid behoudt om te procederen bij de rechter van zijn keuze, ook al is de vervoerder hem voor geweest met een dagvaarding tot verklaring van recht bij een ‘vervoerdersvriendelijke’ CMR-rechter.

Als de Hoge Raad het BGH volgt, ligt het echter ook voor de hand dat de Hoge Raad de knoop doorhakt - het BGH hoefde dat vooralsnog niet te doen - en oordeelt dat, gelet op de tegenstrijdige uitspraken die dan in Nederland (beperkt aansprakelijk) en Duitsland (onbeperkt aansprakelijk) worden gegeven, er voor de Nederlandse verklaring voor recht geen plaats meer is. Dat laatste gaat wel heel ver, want daarmee zou de Hoge Raad zijn interpretatie van het begrip ‘bewuste roekeloosheid’ prijs geven voor de veel ‘ladingvriendelijker’ interpretatie van dat begrip door het BGH ….

Het zal duidelijk zijn dat hierover nog niet het laatste woord is gesproken en dat het nog jaren kan duren voordat we hier juridisch zekerheid over verkrijgen.



Slot

De uitspraken van het BGH zijn slecht nieuws voor Nederlandse wegvervoerders en hun aansprakelijkheidsverzekeraars, daarentegen goed nieuws voor (met name) Duitse lading­verzekeraars.

Wegvervoerders met een Duitse vervoerspraktijk (en hun verzekeraars) zullen terdege rekening moeten houden met de consequenties van deze uitspraak. De verklaring voor recht voor een Nederlandse rechter is niet langer meer een geschikt middel om te ontsnappen aan een Duitse veroordeling tot onbeperkte vergoeding van de ladingclaim.

De uitspraken werken verder rechtsonzekerheid in de hand. De vreemde situatie doet zich immers voor dat de Nederlandse rechter kan oordelen dat de vervoerder zich op de limiet mag beroepen, terwijl de Duitse rechter kan oordelen dat de vervoerder onbeperkt aansprakelijk is.

De tijd zal moeten leren wat de precieze effecten zullen zijn van deze uitspraken.

Mr M.A.W van Maanen


VerklaringvoorrechtBeursbengelartikel/ry



1 BGH, 20 november 2003, 32 R 294/02 en IZR 102/02, nog niet gepubliceerd; een elektronische versie van beide uitspraken en een vertaling in het Nederlands van IZR 294/02 kunt u aanvragen bij info@vantraa.nl.

2 De Hoge Raad oordeelde dat van ‘met opzet gelijk te stellen schuld’ in de zin van art. 29 CMR naar Nederlands recht pas sprake is, als de vervoerder/chauffeur roekeloos heeft gehandeld met de wetenschap dat de schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien: hij moet zich (subjectief) hebben gerealiseerd dat de kans dat er schade zou ontstaan aanmerkelijk groter was dan dat de schade niet zou ontstaan, maar zich hierdoor van zijn roekeloze gedrag niet heeft laten weerhouden, NJ 2001, 391 en 392 alsmede NJ 2002, 388.

3 De basis van de erkenning van de ‘verklaring voor recht’, procedure is te vinden in het Tatry-arrest van het Hof van Justitie van de EG van 6 december 1994, NJ 1995, 659.

4 Vgl. Heuer, CMR und EüGVü: Nochmals zur Frage der Internationalen Züstandigkeit (Art. 31 Abs. 1 CMR/Art. 20 EüGVü) und zur Einrede der Rechtsänhangigkeit bei Negativer Feststellungsklage (Art. 31 Abs. 2 CMR/Art. 21 EüGVü), TranspR  2002, p. 221-225 alsmede Herber, Probleme von Art. 31 CMR - endlich ein Einde des Mißbrauchs durch negative Feststellungsklage des Frachtführers? TranspR 2003, p. 19 e.v.

5 Heuer, TranspR 1996, 196, 197.

6 OLG Köln 8 maart 2002, TranspR 2002, 239 en HansOLG Hamburg 30 september 2002, TranspR 2003, 23.

7 Zie bijvoorbeeld Rechtbank ’s-Gravenhage 17 april 2002, S&S 2003, 23 alsmede Hof Amsterdam 23 januari 2003, nog niet gepubliceerd.

8 Zie bijvoorbeeld voor Engeland: Court of Appeal 23 januari 2001, Lloyds Law Report Vol. 1, 2001, part. 8 (Merzario v. Leitner).

9 Samenloop van CMR-Verdrag en EEX-Verordening, p. 218.

10 Zie de ‘Tatry’, genoemd in noot 3.

  • Doorbreking van aansprakelijkheid
  • De verklaring voor recht
  • Nederland-Duitsland

  • Dovnload 25.75 Kb.