Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding tot de menswetenschappen

Dovnload 260.26 Kb.

Inleiding tot de menswetenschappen



Pagina1/6
Datum05.12.2018
Grootte260.26 Kb.

Dovnload 260.26 Kb.
  1   2   3   4   5   6

Inleiding tot de menswetenschappen
Hoofdstuk 1: Menswetenschappen


  1. Indeling van de menswetenschappen


Onderscheid tussen:


  • De alfa-wetenschappen: wetenschappen die menselijke producten en praktijken als studieobject hebben. Er zijn 2 soorten:




      • De gedrags – en sociale wetenschappen: onderzoeken het gedrag van de mens. Vb. economie, sociologie, psychologie

      • De cultuur – en taalwetenschappen: onderzoeken de menselijke producten. Vb. geschiedenis, rechtswet., kunstwet., linguïstiek

  • De beta-wetenschappen: natuurwetenschappen, inclusief de toegepaste wetenschappen. Vb. biologie, chemie, wiskunde, fysica

  • De gamma-wetenschappen: medische wetenschappen.


Er bestaan nog andere onderverdelingen:


  • De formele of deductieve wetenschappen (vb. logica en wiskunde) tov de ervarings – of empirische of inductieve wetenschappen (vb. alle andere wetenschappen)

 empirisch = feitelijke verbanden leggen, proefondervindelijk

 deductie = uitgaande van het meer algemene, tot het bijzondere besluit



  • Onderscheid door exactheid: De exacte (vb. natuurwetenschappen) tov de rest

 alle wetenschappen streven naar exactheid

  • Onderscheid door methode: De natuurwetenschappen tov de geesteswetenschappen (Wilhelm Dilthey):




    • De natuurwetenschappen:

      • Studieobjecten interpreteren de omgeving niet

      • Ze trachten te verklaren → Erklären

      • Causale samenhang




    • De geesteswetenschappen:

      • Studieobjecten interpreteren de omgeving

      • Ze trachten te begrijpen → Verstehen

      • Betekenissamenhang: voor het achterhalen van die betekenis moet je een bijzondere kennisweg gebruiken: de Einfühlung.




  1. Wetenschappelijkheid




  • Wetenschappelijkheid = werkwijze om systematisch en betrouwbare kennis te bekomen.

    • Wetenschapsfilosofie: het domein van de wijsbegeerte dat zich bezig houdt met het kritisch onderzoek van de wetenschappen

    • Methodologie: onderzoekt de methodes waardoor de wetenschappen komen tot hun resultaten en onderzoekt de grondslagen van die methodes kritisch.

    • Wetenschappelijkheid: respecteren van normen en criteria bij het verzamelen en opbouwen van kennis (propositionele kennis: dit zijn feiten die ons vertelt zijn of geleerd zijn ↔ niet-propositionele kennis: dit zijn dingen die we weten omdat we ze dmv ervaring ontdekt hebben)

    • Centraal kenmerk: Wie wetenschappelijk te werk gaat, komt zonder dwang en in principe tot dezelfde inzichten. (bewijsvoering).




      • Waarde: = evaluatie = is iets wat belangrijk hoort geacht te worden. (vb. als je iets zegt over iets of iemand, dan ken je een waarde toe aan die zaak of persoon → schoonheid, betrouwbaarheid, …)

      • Criterium: = kenmerk die toelaat evaluaties (waarden toe te kennen) te maken = een kenmerk waarvan de aan – of afwezigheid voldoende is om een activiteit, een product, een persoon, … in een bepaalde categorie te plaatsen. (vb. wat onderscheid goede appels van slechte? Rood, sappig, …). Criteria kunnen meer of minder scherp zijn (vb. als een criterium “rood zijn” is, wat dan als de appel deels groen en rood is) en ze kunnen ook meer of minder ter zake zijn (vb. is de kleur wel een belangrijk item om goede van slechte te onderscheiden). Criteria zijn bediscussieerbaar.

      • Norm: een regel die het gedrag in een bepaald gebied hoort te regelen. Een norm heeft ongeveer dezelfde betekenis als een criteria. Alleen een norm is een criterium waaraan iets moet voldoen om tot een groep te behoren.

1) Normen = regels die het gedrag op een bepaald gebied horen te bepalen  vb. omgangsnormen

2) Kennisverwerving: normen die de verwerving van betrouwbare kennis garanderen



  • De kwaliteit van kennis hangt af van de normen die het vergaren en opbouwen van die kennis hebben gestuurd en van de (kwaliteit van de) criteria die daarbij zijn gehanteerd.




  • Goede wetenschappelijke producten kan men herkennen aan de volgende criteria:




    • Kracht op vlak van de ordening van waarnemingsgegevens:




      • Falsifieerbaarheid: theorieën zijn beter naarmate ze meer weerlegbaar zijn. Dit betekent dat de theorie iets te maken heeft met de werkelijkheid/feiten.

      • Empirische accuraatheid: als een theorie succes heeft op het vlak van voorspellen toont dit dat ze iets te maken heeft met de werkelijkheid/feiten.

      • Bereik: theorie heeft succes op het vlak van voorspellen van verschillende soorten gebeurtenissen.

      • Coherentie: theorie is niet in contradictie met wat wij weten uit andere wetenschappen. (ook interne consistentie)




  • De kracht van theorieën op vlak van de ordening van waarnemingsgegevens blijkt uit tests:




    • Eerlijke tests: confrontatie met alternatieve en wedijverende theorieën.

    • Onafhankelijke tests: testen van afzonderlijke hypothesen.

    • Kruistests: verschillende componenten van theorieën uit verschillende domeinen vergelijken/ tegen elkaar afwegen.




  • Verklaringskracht:




  • Causaal: aangeven van de oorzaken van gebeurtenissen.

  • Unifiërend: verschillende domeinen onder 1 noemer plaatsen.



  • Formele kracht:




    • De logico-mathematische formuleerbaarheid

    • De axiomatische formaliseerbaarheid

Het is niet omdat een theorie aan 1 van deze voorwaarden niet voldoet dat zij daarom slecht is: afwegingen en keuzes zijn nodig.

Zo kan men een contradictie in een theorie soms oplossen door een ad hoc-hypothese te formuleren (en de falsifieerbaarheid dus opofferen).


  1. Filosofie

  • Filosofie etymologisch: philia + sophia = vriendschap voor + wetenschap, kennis, praktische wijsheid

Zoeken naar waarheid (Plato, Gorgias).

Zoeker van de kennis versus bezitter van de kennis, de kunde.



Men bestudeert geen filosofie, men doet het.

  • Wat is filosofie?

Voorlopigheid van de resultaten: “Wat op dwingende gronden door iedereen wordt erkend, is meteen ook wetenschappelijke kennis geworden, is geen filosofie meer, maar gaat over een bepaald domein van het kenbare.”

Verschijnsel van de leegloop van de wijsbegeerte + creatie nieuwe domeinen.

Principiële bereidheid om vragen en antwoorden daarop kritisch te onderzoeken.

Ergo(dus): met respect voor de standaarden van rationele argumentatie.

Betrekking op ultieme vragen (vb. grondslagen van de kennis)


  • Ultieme vragen?

Ontoereikende wetenschappelijke methodes: niet beslisbaar door experiment, observatie.

Enkel reflectie over reeds aanwezige kennis als onderzoeksmethode.



  1   2   3   4   5   6


Dovnload 260.26 Kb.