Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding tot de menswetenschappen

Dovnload 260.26 Kb.

Inleiding tot de menswetenschappen



Pagina2/6
Datum05.12.2018
Grootte260.26 Kb.

Dovnload 260.26 Kb.
1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 2: De experimentele methode





  1. Inleiding




  • Kennis: elke voorstelling, denkbeeld of overtuiging, waarvan we aannemen dat die met een zekere werkelijkheid overeenkomt (= breder dan wettenschap)

  • Wetenschap:

1) een menselijke bedrijvigheid die erop gericht is tot gesystematiseerde en betrouwbare kennis te komen.

2) het resultaat van een bedrijvigheid in een bepaald gebied: een wetenschap is is dan een geheel van uitspraken, wetten of theorieën betreffende een enigszins samenhangend probleemgebied. Het voldoet aan de volgende eisen: mededeelbaar, systematisch (geordend), controleerbaar.




  1. Waarom zoeken wij kennis?

Wij gaan informatie uit de buitenwereld opdoen aan de hand van onze zintuigen.

Men kan het gebruik van deze zintuigen verbeteren door ermee te leren werken. Zo kan men dan voorstellingen beginnen maken. De mens is daar zo bedreven in dat zij die voorstellingen gaat associëren met elkaar en dankzij de taal kan men ze onthouden en meedelen, zo ontstaat cultuur.

Er zijn ook nadelen verbonden aan de uitbreiding van het kenvermogen:




  • Voorstellingen die voorkwamen in gevaarsituaties (vb. bloed) worden geassocieerd met gevaar. Zo ontstaan symbolen van gevaar, die angst oproepen, ook wanneer er geen gevaar is.

  • Men gaat alles wat vreemd is als angstwekkend gaan zien door de behoefte om een begrijpelijk beeld van de wereld te vormen.

  • Doordat de mens continu keuzes moet maken gaat het gevoel opsteken van het maken van de foute keuze. Het handelen gaat dus gepaard met een gevoel van onzekerheid.

Deze factoren maken begrijpelijk dat naast de behoefte naar praktische kennis de mens ook een nood voelt aan ruimere cognitieve inhouden en richtsnoeren voor het handelen, die de angst en het onbehagen moeten reduceren.


    1. Oorspronkelijke vormen van kennis en gedragsregels




  • Taboe: met deze term worden objecten aangeduid die men niet mag aanraken en handelingen die men niet mag stellen. Die objecten zijn taboe wanneer ze door een associatie met gevaar of door aantasten maatschappij angst verwerken. Het contact met taboe wordt ervaren als een bezoedeling, vorm van onreinheid.

  • Magie: dit wordt gebruikt om zich te reinigen van bedoezeling. Dit is een geheel van stereotype handelingen (riten) en uitspraken (formules). Magie heeft drie voorname functies: de afweermagie (moet gevaren afwenden), de productieve magie (belangrijke menselijke noden worden hierdoor bevredigd) en de destructieve magie (men meent kwaad te berokkenen aan de vijand). De laatste twee noemt men ook tovenarij waarbij de positieve, witte magie genoemd wordt en de negatieve, zwarte magie.

  • Mythe: aan de hand van de mythe probeert men inzicht te verkrijgen in de wereld. Dit is een verhaal dat ontsproten is aan de fantasie waaraan men een zeker geloof hecht. Dit heeft de volgende functies: ze ordenen de wereld tot een samenhangend geheel, ze beiden een verklaring voor vreesaanjagende fenomenen en pijnlijke en revolterende toestanden en door te verklaren, rechtvaardigen ze bepaalde maatschappelijke situaties.

De methode van verklaren in de mythe bestaat erin duidelijk te maken hoe de dingen ontstaan zijn. Men onderscheidt kosmogonische mythen die het ontstaan van de wereld verklaren.


    1. De grote wereldgodsdiensten

Bij openbaringsgodsdiensten (eerste millenium v.C.) kan men enkele aspecten onderscheiden:




  • Universaliteitaanspraak: de openbaringsgodsdiensten gaan zich richten op alle mensen. Mythische godsdiensten richtten zich op een volk.

  • Openbaring: de waarheden vinden hun oorsprong bij God of in de ‘hoogste werkelijkheid’ en ze worden geuit in boeken of door de prediking van een profeet. Het wordt gezien als de hoogste goddelijke waarheid. Nogal vlug wordt die ‘openbaring’ neergelegd in geschriften waarvan de tekst uiteraard niet voor discussie vatbaar kan zijn.

  • Dogmatisme: de basis van de geloofswaarden ligt onwrikbaar vast. Een dogma is iets dat men moet aannemen om als gelovige te worden beschouwd. Het geloof en het toetreden bepaalt nu of je ertoe behoort.

  • Verlossing: een godsdienst zegt dat de mens zich in een droevige conditie bevindt op deze aarde en het toetreden tot die godsdienst brengt een einde aan de zonde en ellende → verlossingsgodsdienst.

Historisch situeren ivm kennisverwerving over de wereld:


Vanaf het 3e millenium v.C leefden mensen in een complex geheel, met relaties

met relaties van diverse aard, zo ontstaan er taboe’s, riten en gebruiken.

Er ontstonden dan ook codices van rechtsregels (18e eeuw v.C.) en uit diverse

bronnen kon men afleiden dat ook morele normen en idealen werden gevormd.

Het indrukwekkendste van deze ethische voorschriften is de Gulden Regel die

in de meeste grote culturen terug te vinden is.

In negatieve zin: “Doe een ander niet aan wat je niet wenst dat jou zou worden aangedaan.” In positieve zin: “Doe voor de anderen wat je wenst dat jij voor jou zouden doen.”

Het probleem is dat dit ingaat tegen de neigingen van egoïsme en agressiviteit, dus is er nood aan een diepere fundering van dergelijke normen. Er moet een oplossing gevonden worden voor het basisprobleem van elke ethiek die zelfopoffering vraagt: het geluk dat de bozen vaak te beurt valt en het lijden dat de goeden treft.

Er zijn twee verschillende oplossingen: de Westerse (gaat uit van een dualistisch wereldbeeld goed ↔ kwaad) en de Indische (gaat uit van de zielsverhuizing, als men een goed leven leidt dan reïncarneert men in een betere vorm en omgekeerd).  details: zie cursus p. 15 - 16

Godsdiensten kunnen ook gezien worden als een bindmiddel om mensen van uiteenlopende stammen tot een grotere eenheid te brengen.

Dit is net zoals de mythes aan de verbeelding ontsproten.


    1. De wetenschappelijke kennisverwerving

a. In de mythen beleven de afzonderlijke volkeren een eigen wereld a.h.w. groepsdromen. Uit de openbaringsgodsdiensten kennen we een aantal wereldgodsdiensten die alle de waarheid beweren te hebben, maar een gemeenschappelijke ontbreekt.

De mensheid moet dus een methode vinden om betrouwbare kennis te bereiken. Een dergelijke methode noemen we wetenschap. In de zoektocht hiernaar zijn 2 periodes onderscheidbaar:


  • In de zesde eeuw voor Christus werd door Thales en zijn navolgers de wiskunde ontwikkeld. Hier slaagde men erin om eigenschappen van mathematische objecten te formuleren en bovendien te bewijzen. Deze kennisverwerving was zonder dwang en leidde tot universele erkenning. Dit leidde rond 300 v.C. tot het werk van Euklides (zie site slides!) die het geheel van stellingen op axiomatische wijze synthetiseerde.

De kennis is betrouwbaar, maar slechts een kennis van constructies van onze geest. (denkoperaties).

  • In de Oudheid werden wetenschappen ontwikkeld die betrekking hadden op de ervaarbare wereld. (statica, optica, astronomie) Een algemene methode om betrouwbare kennis over de wereld te bekomen, was er niet. Dit veranderde toen Galilei (zie sites slide!) de wetten van de val en de worp wou onderzoeken. Hij probeerde een wiskundige formulering te vinden voor deze fenomenen maar door de complexiteit ervan werd hij gedwongen om deze experimenteel te toetsen.

  • Zo ontstond de experimentele methode als een combinatie van de wiskundige methode en het experiment. De resultaten leiden tot universele erkenning. De methode om betrouwbare kennis over de wereld te krijgen was ontdekt, ze is gekenmerkt door ondubbelzinnige formulering en strenge controle.

b. De mechanica van Galilei en de planetentheorie van Kepler werden door Newton gesynthetiseerd, zo ontstond de natuurkunde (17e eeuw). In de 18e eeuw werd de grondslag gelegd voor de scheikunde. En in de 19e eeuw werden de diverse natuurwetenschappen als autonome disciplines ontwikkeld, hetzelfde gebeurde met de mens- en cultuurwetenschappen. Ook de toegepaste wetenschappen werden uitgebouw in verband met technische ontwikkelingen.


c. Na deze ontzaglijke vooruitgang heeft men een zeer grote betrouwbaarheid over wat men weet, toch is er een geen universeel beeld over de totale werkelijkheid ontstaan dat tot spontane instemming leidt.

Normaal zou de wetenschappelijke methode de mythes en de godsdiensten moeten doen uitsterven want voor alles zou dit een verklaring moeten kunnen vinden maar de sektes blijven bestaan (USA, Iran).

Door middel van de wetenschappelijke methode probeerde men over een middel te beschikken om aloude vragen op te lossen maar dit is niet het geval:


  • Doordat de wetenschap zodanig complex is geworden beheerst niemand meer een totaalbeeld ervan en is de wetenschap uiteengevallen in specialismen. Er is niemand die het geheel kan overzien en de oude vraag van iedere mens nar een totaalbeeld van zijn wereld krijgt dus zelden een volwaardig wetenschappelijk antwoord. Daardoor zal de wetenschap meestal nog voor gedeelten van zijn wereldbeeld beroep doen op mythen of dogmatische systemen.

  • Omdat het oorspronkelijk doel dat de kennis als antwoord op nood aan verklaring niet ongeschonden bewaard is gebleven. De wetenschap is verdeeld is grote organisaties en de doeleinden worden gegeven in functie van die deelsystemen en niet in functie van de mens of de mensheid.

  • Ondanks diverse pogingen is de wetenschap er niet in geslaagd de vragen betreffende waarden en normen (ethische en politieke vragen) zo te benaderen dat een totale consensus ontstaat.

d. De resultaten van de wetenschap brengen ook gevaren mee voor de mensheid. Doordat het universaliteitideaal niet volledig is bereikt ontstond de antiwetenschappelijke of pseudo-wetenschappelijke stromingen → fundamentalisme stromingen en nieuwe godsdienstige en pseudo-godsdienstige sekten, die ermee dreigen grote aantallen mensen te bedwelmen in nieuwe droomwerelden.

De eis tot betrouwbare kennis moet niet verworpen worden maar men moet ze in volle oorspronkelijkheid herstellen.


    1. De wijsgerige kennisverwerving

Wijsbegeerte:



  • vorm van kennisverwerving wanneer men de eis van betrouwbaarheid stelt en dus kritisch wordt.

De wijsgerige houding is ontstaan in Griekenland vanaf de 6e eeuw v.C.

Men had de overtuiging opgedaan dat bewijsvoeringen wel degelijk mogelijk waren. Thales was zowel 1e wiskunde als 1e wijsgeer.



  • Het verschil met de mythische benadering ligt in de overtuiging dat deze laatste niet bevredigend is; dat discussie en controle nodig is en dat de definitiemethodes verbeterd moeten worden.

  • Wijsgeren hebben de al verworven resultaten van wetenschappen in hun denken geïncorporeerd. Wat hen van wetenschapsmensen onderscheidt is dat zij, ondanks de methodische tekorten, telkens opnieuw de totaliteit van vragen blijven stellen.

  • Ze gaan streven naar rationaliteit; rationeel denken.

  • In de brede wijsgerige zin van het woord is de rationele benadering gekenmerkt door de eis betrouwbare antwoorden te zoeken op alle vragen of zo dicht mogelijk te benaderen (wetensch. versoepelen)

→ Wijsbegeerte, rationaliteit in brede zin, heeft dus voor op de wetenschap dat de totaliteit van de grote vragen wordt gesteld, maar daardoor moet de betrouwbaarheid van de antwoorden enigszins in gedrang komen!!



  1. De experimentele methode




  1. Inleiding




    • Aristotoles: legde de nadruk op de rol van de ervaring als bron van kennis. Maar in zijn ogen is ervaring (empeira) niet gepland,: ze denken dat men vanzelf ondervinding opdoet, door voldoende lang te leven.

Samenvattend kan men zeggen dat de Oudheid en de Middeleeuwen methodologisch in grote mate door Aristoteles bepaald werden en ons een aantal juiste observatiegegevens bezorgd hebben; maar daarnaast werden theorieën vooropgesteld die totaal verkeerd waren en niet getoetst.

    • De Griekse wiskunde (de systematische wiskunde) zorgde voor het ontstaan van enkele exacte theorieën van natuurwetenschappelijke aard: astronomie, statica, hydrostatica en begin van optica.

Deze theorieën bevatten algemene wetten die toelaten te voorspellen wat zich in een groot aantal particuliere gevallen zal voordien. Doordat deze wetten in een coherente axiomatische theorie worden afgeleid bieden ze ook een verklaring voor deze fenomenen.

We stellen vast dat deze theorieën wel interne limieten vertoonden. Deze theorieën geven dan ook geen aanleiding tot een verdere expansie van de natuurwetenschap.




  1. De wetenschappelijke revolutie

De experimentele methode heeft een explosief en een cumulatief karakter.




    • De nieuwe werkwijze is niet het gevolg van het voorafgaandelijk uitdenken van een nieuwe methodologie. Hij is ontstaan door de nieuwe problemen, theorieën en experimenten sinds de 1e studies van Galilei.

  • De grondslag van de experimentele methode ligt in de Archimedische werkwijze (= de neiging om wiskunde toe te passen op fysische problemen).

  • Dit werd succesvol gedaan door Galilei in de mechanica (= probleem van de val en de worp). Maar hier kan het mathematisch model niet op een intuïtieve manier ontstaan (te complex). Daardoor moeten de resultaten aan de feiten worden getoetst. Dit betekent dat de ‘Archimedische werkwijze’, zodra ze op de mechanica wordt toegepast, de onderzoeker bijna vanzelf tot de experimentele methode dwingt. Daardoor komt men tot het besefs dat het verificatieaspect van even groot belang is als het wiskundige.




  1. Kennistheoretische reflectie op de Nieuwe Methode

1. Deze nieuwe methode heeft 2 karakteristieken:

- een wiskundige theorie: biedt een formulering van de relaties ts de grootheden

- experimenten: die bij benadering moeten beantwoorden aan de waarden die door de wiskundige wet werden voorspeld.

Men heeft lang geredetwist over wat nu het essentiële is van de theorie. Het heeft lang geduurd voor men het experiment als evenwaardig ging aanzien tov het wiskundige (Boyle was daarin de eerste).

2. Ook vroeg men zich af waar de bewijskracht van de theorie lag.

Dit is een vraag die nog niet definitief is opgelost.

Het zekerheidskarakter van een wetenschap berust op haar kwetsbaarheid: als de theorie fout is dan is dat gemakkelijk vaststelbaar.




  1. Het nieuwe wereldbeeld

Rond de 17de eeuw ontstaat er een nieuwe mentaliteit. Deze mentaliteit ontstaat uit de overtuiging dat men een nieuwe methode (New Learning) heeft ontdekt om kennis te verwerven. Dit uit zich vooral in de rede. Tevens ontstaat er een afkeer tov het middeleeuwse denken en tov opvattingen die niet op eigen onderzoek maar op autoriteit zijn gebaseerd. Vanaf nu moet de wetenschap zich bezighouden met onze ervaarbare wereld. Deze nieuwe denkwijze werd voor het eerst verwoord in het werk van Francis Bacon: Novum Organum (naam boek Aristoteles).


Dit alles resulteert in een dubbele verandering in de wereldvisie


  • Van een gesloten naar een open wereldbeeld:

In de middeleeuwen werd het heelal beschouwd als een bol waarbinnen zich concentrisch andere bollen bevonden. Het centrum daarvan was de aarde (geocentrisme). Ales in de wereld had een vaste plaats: de sterren, de zon, de aarde… De mens bevond zich in het centrum maar was opgesloten in het ondermaanse. Deze gesloten hiërarchie van sferen werd als positief aanzien. Men sprak over de ‘hiërarchie der sferen’.Ongetwijfeld was er een analogie tussen dit wereldbeeld en het statische mens- en maatschappijbeeld van die tijd.


Door ontwikkelingen in de 16de eeuw werd dit gesloten wereldbeeld opengebroken:


  • In 1543 door Copernicus met revolutionibus orbium caelestium:

het heliocentrisme met de zon als centrum, de sfeer van sterren blijft bestaan.

  • In 1583 door Bruno met zijn De l’infinito: het heelal is oneindig met een oneindig aantal zonnestelsels. De mens is het middelpunt en is een onooglijk stipje. Deze gedachten moest Bruno echter bekopen met de brandstapel. Later bewezen Galilei en Kepler deze visie.




  • Van een ‘bezield’ naar een mechanisch universum:




    • Deze open wereld werd gedemythiseerd en gemechaniseerd door de nieuwe fysica van Galilei.

    • Newton (1687): verklaarde zowel de aardse als de hemelse verschijnselen met dezelfde wetten.

    • Descartes (1596-1650): alle processen in de materiële wereld konden door middel van mechanica worden verklaard. (zie site slides!)

    • Vesalius (1543): “Dehumani corporis fabrica”: creëerde een nieuwe mensvisie: met zijn lichaam behoort hij tot de mechanische wereld, met zijn geest is hij in staat de wereld te begrijpen en eventueel te veranderen. Dit is de grond van de menselijke rede. (zie site slides)

    • Harvey(1628): (zie site slides)




  • Van uitzonderlijk naar een schakel in de evolutie:




  • Darwin (1858): On the origin op species

  • Freud (20ste eeuw)


Hoofdstuk 4: Driemaal is scheepsrecht: verklaringen in de sociologie, antropologie en de psychologie


  1. Norbert Elias’ theorie van het civilisatieproces: causale verklaringen




    1. Inleiding

Norbert Elias probeert in Über den Prozess der Zivilisation de langetermijnsverschuiving van het gedragstandaarden in een bepaalde richting te verklaren. Deze verschuiving noemen wij ‘civilisering’ en gebeurt in het Westen tussen de 8ste en de 20ste eeuw.

Methode: etiquette- en opvoedingsboekjes


    1. Een voorbeeld: tafelgewoonten

Zie boek..





    1. Constanten in het civilisatieproces




  • Verlaging pijnlijkheidgrens

Zowel bij diegenen die de gedragingen waarnamen als bij diegenen die zich niet aan de standaarden konden houden nam het schaamtegevoel toe. Het zien, ruiken, horen en aanraken van lichaamsproducten werd voortaan als pijnlijk ervaren. Die taboeëring strekte zich gaandeweg ook uit over de taal. Zo ontstond de ‘Bann des Schweigens’ of verhullende en wetenschappelijke taal (vb. penis).




  • Achter de coulissen plaatsen

Alles wat herinnert aan de biologische herkomst van de mens werd verlegd achter de coulissen van het maatschappelijke bestaan (vb. mensen eten dieren, naakt werd uit de publieke sfeer gebannen,…).




  • Individualisering

Er trad individualisering op (vb. individuele bedden, lepels,…)




    1. Ruimere samenhang en verklaring

Volgens Elias worden deze tendensen verbonden met een toenemende rationalisering en psychologisering van de maatschappelijke interactie.




  • Rationalisering: het proces waardoor mensen leren hun directe impulsen te temperen, aan te passen, en te berekenen op de verwachte reacties van anderen.

  • Psychologisering: het proces waardoor men meer aandacht krijgt voor de verborgen motivaties, verlangens en intenties achter de open gedragingen van zichzelf en van anderen.

→ Deze processen gaan samen met de toenemende ‘vervlechting’ van

het sociale weefsel, dwz dat men meer en meer zijn psychische en manifeste gedragingen gaat afstemmen op die van anderen.

→ De verschuiving in de gedragsstandaarden komt eerst tot stand als gevolg van de Fremdzwang (dit betekent dat jij gedwongen wordt door een vreemde om je aan bepaalde standaarden te houden). Later zal die Fremdzwang omslaan in Selbstzwang (dit betekent dat je jezelf opdraagt om je aan bepaalde standaarden te houden).




    1. De staatsvorming




  • Elias verklaart het civilisatieproces aan de hand van het basisbegrip vervlechting. Hieronder verstaat hij een ordeningspatroon dat ontstaat door de wijze waarop individuen met elkaar interageren.

Elias heeft hiervoor een causale verklaring: de differentiatie van de maatschappelijke functies verklaard naar zijn mening de differentiatie van het psychisch apparaat. (de maatschappij gaat zijn veranderingen opleggen aan elk individu die tot die maatschappij behoort). Dit noemt men het proces van staatsvorming.

  • Volgens Elias heeft de toenemende vervlechting te maken met de strijd om de belangrijkste machtsbronnen. Daarom staat centraal in het civilisatie proces het koningsmechanisme’. Dit kent meerdere fases:




    • Fase van de vrije concurrentie: er staan meerdere eenheden naast elkaar, allen ongeveer even sterk, die wedijveren om de maatschappelijke machtsbronnen.




    • Fase van de monopolistische gebonden concurrentie: er blijven na cumulaties slechts enkele sterke concurrenten over. Meer en meer gaat men over naar een monopolie (gecentraliseerde staat). De kleinere machten (adel) moet nu om zijn macht uit te bereiden in de gunst staan van de monopolist (koning). Dit zorgt voor spanningen (tussen de adel) die leiden tot een netwerk van wederzijdse afhankelijkheid, wat zich uit in psychologisering en rationalisering.




    • Fase van de functionele democratisering: door de monopolisering van de macht wordt het wel onmogelijk om nog langer het hele mechanisme te beheersen. Daarom zal de centrale figuur de macht moeten delen, waarvan een functionele democratisering het gevolg is. Dit leidt tot de afname van machtsverschillen. De afnemende machtsongelijkheden vertalen zich dan in de veralgemening van de Selbstzwänge.




  • Elias probeert ook modellen en ontwikkelingswetten te formuleren om het civilisatieproces te kunnen verklaren.




  • Model: dit is een voorbeeld dat toelaat de belangrijkste relaties tussen de componenten van een proces vast te leggen

  • Ontwikkelingswetten: deze ontstaan uit de modellen. Het is een algemeen beginsel dat een veranderlijke relatie tussen meerdere veranderlijken aangeeft.

  • Voorbeelden van wetten en modellen:

- Centrum-periferiemodel: uitbreiding civilisatie = verhouding tussen centrum en periferie, de periferie neemt door mimicry de gedragsstandaarden van het centrum over

- Koningsmechanisme (model): economische voorbeeld van de markt (concurrentie/monopolie)

- Wet van de afname van de contrasten: gevolg van de sociale mimicry, waardoor de lagere categorieën de gedragingen van de hogere imiteren

- Wet van de vermeerdering van de spelsoorten: steeds meer domeinen worden aan civilisering onderworpen en er komt ruimte voor meer gedragswijzen.

Elias tracht om, naar analogie van de natuurwetenschappen, modellen en wetten te

formuleren en causale verklaringen te construeren.




  1. Marshall Sahlins en Mary Douglas: structuralisme en structureel-functionalisme

Centraal in deze visies staat dat mensen betekenis geven aan de hen omringende wereld. De gedachte dat mensen betekenis geven aan hun omgeving houdt in dat zij die omgeving zien als een geheel van tekens en dat zij hun gedragingen, de gedragingen van anderen,… zien als symbolen. Op de vraag naar wat die symbolen verwijzen heb je verschillende visies:




  • Bepaalde praktijken symboliseren brede kenmerken van de sociale structuur. Deze visie onderscheid een sociale structuur en een symbolisch (classificatie)systeem waarbij het symbolisch systeem, de sociale structuur ondersteunt. Dus de sociale integratie veronderstelt een consensus (eens zijn) over de manier waarop men de werkelijkheid ziet en interpreteert. Mensen moeten dus zienswijzen delen, willen zij kunnen samenleven. Symbolische classificaties zijn indelingen van de werkelijkheid. (cfr. mens-dier, hoog-laag, natuur-cultuur etc.)

Dit vormt de basisgedachte en is verder ontwikkeld in de richting van:


  • Structureel-functionalisme: dit gaat uit van de gedachte dat symbolen moeten worden onderzocht vanuit het standpunt van hun effecten op de sociale structuur. (cfr. Mary Douglas)




  • Structuralisme: de praktijken verwijzen niet naar kenmerken van de sociale structuur, maar het is onmogelijk de betekenis van een element te vatten, zonder het in een gesloten systeem van betekenissen te plaatsen waarin dat element past. De betekenis van een praktijk hangt af van haar plaats in de symbolische structuur.




  1. Marshall Sahlins: structuralisme

Hij zegt dat betekenisvolle structuren de kern en de eenheid uitmaken van sociale systemen. Die zienswijze toetst hij op het zelfbeeld van de moderne Westerse maatschappijen. Volgens dit zelfbeeld primeren handelen op grond van zakelijkheid en efficiëntie op de symbolische en culturele opsmuk. Het streven naar materiële rationaliteit kenmerkt het handelen van de homo economicus, niet de productie van betekenis. Dit zelfbeeld is volgens Sahlins fout → het nut van een ding is niet rechtstreeks af te leiden uit de eigenschappen van dat ding, maar wel uit de betekenis die men hecht aan de eigenschappen van dat ding (vb. jurk, pijp). Dus het nut van een ding hangt af van het symbolisch systeem waarin die gebruiksvoorwerpen worden geproduceerd.

Dit wordt toegepast op onze voedselproductie:

De kapitalistische voedselproductie is geen kwestie van louter rationaliteit. Kapitalisme is een culturele orde die zich op een bepaalde manier manifesteert. De productie en handel van g en d gebeurt m.a.w. in het kader van een culturele code die definieert wat utiliteit is.

Niet de economische, ecologische of biologische factoren bepalen wat wij wel of niet eten, maar het wordt bepaald door ons betekenissysteem (vb. hond).

Het heeft iets te maken met de symbolische waarde die aan voedsel wordt toegekend.

Volgens Sahlins zijn er twee ordeningsbeginselen waar je dieren kan in onderverdelen:


  • Nabijheid mens: naarmate een diersoort dichter bij de mens leeft, wordt zij minder eetbaar geacht.

  • Binnen versus buiten: hoe dieper, hoe meer intern het vlees, hoe minder eetbaar; hoe meer extern, hoe meer eetbaar. Sahlins gaat er hier vanuit dat de lagere waardering van orgaanvlees te wijten is aan een taboe op het consumeren van je diepste zelf.

→ Uit deze twee beginselen kan je afleiden dat onze voedingsgewoonten metaforisch verbod zijn op kannibalisme.


Volgens Sahlins staat die symbolische logica haaks op het louter utiliteitsdenken. Als je enkel de nutritionele waarde van eetbare goederen in beschouwing neemt, is er geen reden om vb. orgaanvlees minder hoog in te schatten dan spiervlees.

Besluit: symbolische systemen bepalen de gebruikswaarde van goederen en niet de 1 of de andere materiële standaard.




  1. Mary Douglas: Structureel-functionalisme

Ook Mary Douglas meent dat symbolische systemen een belangrijke plaats innemen in de sociale wereld. Zij voegt daar wel de gedachte aan toe dat de symbolische structuren in verband staan met de sociale structuren.

Laatstgenoemde zouden inhoud en vorm van eerstgenoemde bepalen.

De symbolische structuren hebben een functie namelijk het versterken, beschermen en bestendigen van de sociale orde.


Douglas gaat als voorbeeld de verboden geformuleerd in Leviticus en Deuteronomium (2 bijbelboeken) nemen. (p.53)

Volgens Douglas heeft het geen zin om elke regel apart te verklaren. Ze hebben maar zin in een totaalconceptie van de wereld, volgens welke het volk van God moet gescheiden blijven van andere volkeren (tweedeling).

De gedacht van heiligheid drukt zich onder andere uit in de gedachte dat het lichaam integer en een perfect recipiënt dient te zijn. Vanuit die logica kan men begrijpen dat wat het lichaam zelf af- of uitstoot onrein wordt bevonden.

De tweedeling tussen integere en niet-integere dingen passen de joden toe op hun wereldvisie, zei verdelen de wereld in drie: aarde, water en lucht.


Om een verbod te verklaren moet je de symbolische structuur terugvinden. In tegenstelling tot Sahlins meent Douglas dat men die structuren op het diepere niveau zelf nog eens kan verklaren door de symboliek te relateren aan de sociale structuren.

De sleutel van deze logica is de tegenstelling tussen de dingen binnen en buiten de goddelijke alliantie (vb. opvattingen over de lichamelijke perfectie en alles wat het lichaam afstoot wordt als onrein gezien zoals menstruatiebloed,…). Deze opvattingen over reinheid en onreinheid dienen als analogieën om een algemene gedachte van sociale orde uit te drukken. Zij symboliseren kenmerken van de sociale structuur die door de leden van die sociale structuur bijzonder relevant worden geacht.

Telkens weer merkt men dat allerlei groepen de sociale structuur projecteren op het menselijke lichaam. Alle lichaamsproducten worden ‘gevaarlijk’ bevonden en omringd met bijzondere voorzorg. De lichaamsopeningen zelf worden ook als punten ervaren waarlangs het lichaam gemakkelijk kan worden gekwetst of ondermijnd.
Waar Sahlins en het structuralisme het houden op de autonoom verklarende kracht van symbolische systemen, voert Douglas een andere gedachte aan: symbolische systemen vormen gehelen die je vanuit een betekenisrelatie moet benaderen. Maar op een dieper niveau ligt de sociale structuur aan de basis van de symboliek. Zij voert twee soorten verklarende relaties aan:


  • Symbolische systemen zijn functioneel voor het verdere bestaan van de sociale structuur: de symbolische systemen zijn er om de sociale structuur te bestendigen. Dit noemt men functionalistische verklaringen.

  • Symbolische systemen worden veroorzaakt door de sociale structuur door analogische overdracht. Dit is een causale verklaring.

→ Conclusies uit deze drie verklaringen:




  • De hypothesen lopen sterk uiteen




  • Elias: vervlechtingsdynamiek (de scheiding tussen het Es, het Ich en het Über-Ich wordt sociaal veroorzaakt)

  • Sahlins: eenheid van betekenissystemen (verwijst net zoals Douglas naar symbolische systemen)

  • Douglas: sociale functionaliteit

  • Freud: bestaan van het onbewuste (hij gaat uit van een onveranderlijke psychische structuur die het gedrag bepaald)




  • Verklaringswijzen lopen sterk uiteen:




  • Elias: causaal

  • Sahlins: unifiërend

  • Douglas: functionalistisch (soort causale verklaring)

  • Freud: causaal en unifiërend




  1. Economie: welk soort verklaringen




  1. Modellen?

(= een voorbeeld dat toelaat de belangrijkste relaties tussen de componenten van een proces vast te leggen)

of

(=een geheel van simplifiërende vooronderstellingen mbt een bepaald werkelijkheidsdomein)



Wiskundige modellen spelen een heel grote rol in de economische wetenschap.

Modellen laten voorspellingen toe over werkelijkheidsdomeinen en/of geven verklaringen voor gebeurtenissen in dat werkelijkheidsdomein.

Sommige auteurs nu proberen de ‘economie’ inhoudelijk te definiëren , m.a.w. door te zeggen wat economie bestudeert: enkele voorbeelden:
L. Robbins

“ the forms asumed by human behaviour in disposing of scarce means”


“the science which studies human behaviour as a relationship between ends an scarce means which have alternative uses”
J. Craven:

“Economics is the study of the methods allocating scarce resources and distributing the product of those resources, and the study of the consequences of these methods of allocation and distribution.”

Samuelson en Nordhaus:

“Economics is the study of how people and society choose to employ scarce resources that could have alternative uses in order to produce various commodities and to distribute them for consumption, now or in the future, among various persons and groups in society.”


Volgens Gary Becker baseert de economische wetenschap haar verklaringen en voorspelling op enkele typische simplifiërende vooronderstellingen. Hij vermeldt de volgende:

Zij maximaliseren een bepaalde waarde in functie van de verwachte waarde opgeleverd door de alternatieven Z1 ….. Zm.




    • De vooronderstelling van het marktevenwicht

Er bestaan markten die de gedragingen van de deelnemers coördineren.




    • De vooronderstelling van stabiele functies

Preferenties van actoren veranderen niet substantieel in de tijd.




  1. Experimentele wetenschap?

Normaliter leiden economen uit hun modellen voorspellingen af, die zij dan proberen te toetsen aan de realiteit. Elke bevestiging leidt tot de overtuiging dat de uitgangsveronderstellingen correct waren en dat het werkelijk gedrag van mensen kan worden verklaard op grond van die veronderstellingen.

Gewoonlijk is de economie geen experimentele wetenschap.


  1. Betekenissen

Volgens Sahlins heeft de hedendaagse economie geen oog voor de symbolische systemen waarbinnen de ‘gebruikswaarde’ wordt bepaald. Dit klopt niet volgens Hayek en Steedman.

Volgens Hayek moet een coherente verklaring voor het gedrag van een actor gebeuren in termen van de betekenissen die de actor geeft aan zijn handelingen.

Steedman voegt daaraan toe dat de goederen en diensten die relevant zijn voor het begrijpen van de V of het A van een individu niet uitsluitend kunnen worden beschreven in een fysicale of chemische taal. Mensen vragen voor hun fysiologische behoeften niet naar voedsel maar naar wat volgens hen geldt als voedsel, men moet dus ook de sociale praktijken kennen waarbinnen ze worden gebruikt.

Sahlins schrijft ten onrechte de stelling toe dat ‘nut’ een ‘materiële’ eigenschap zou zijn van dingen. Nuttige dingen hebben wel een materiële drager, maar wat hen nuttig maakt, zijn de menselijke doelen waarbinnen de vormen van die dingen betekenis krijgen.

Maar Sahlins heeft wel gelijk als hij zegt dat economen zich meestal niet afvragen waar de preferentie-ordeningen van individuen vandaan komen en dat zij utiliteiten als gegeven beschouwen.

Sahlins valt het naïeve beeld van de sociale actor als max. utiliteitsgericht aan .

We besluiten dat de economie een wetenschap is die zich bezighoudt met de sfeer van de betekenisgeving.




  1. Wetten? Causale verklaringen?

(= een algemeen beginsel dat een onveranderlijke relatie tussen meerdere veranderlijken weergeeft)

Zo komen er ook heel wat wetten voor in de economie:
Wet van het dalende grensnut:

Het meerdere nut dat men verwerft door de laatste eenheid van een geconsumeerd goed wordt steeds geringer.

 actoren verkiezen bundels van g en d die variëteit bezitten

Wet dalende vraagfunctie

Als de prijs van een goed stijgt zal er minder van dat goed w gevraagd.

De substitutiewet

Hoe schaarser een goed, hoe groter zijn relatieve substitutiewaard; zijn marginale waarde stijgt in relatie tot de marginale waarde van het goed waarvan minder wordt gevraagd.

De wet van de maximalisering van de utiliteit

Een actor maximaliseert zijn totale utiliteit als de verhouding tussen de marginale waarde van om het even welke 2 gegeven goederen gelijk is aan de verhouding tussen hun prijzen.

 utiliteit = maar voor bevrediging (satisfaction) uit de C van een pakket g en d


Dergelijk wetten drukken een vast verband uit tussen meerdere veranderlijken. De wetten van de economie zijn afhankelijk van de betekenisgeving.
Max Weber betoogt dat de begrijpende verklaring de causale niet uitsluit maar zelfs noodzakelijk aanvult. Volgens Weber heeft de economie iets te maken met middel-doelrelaties. (def L Robbins)

Volgens Weber is die relatie tussen doelen en middelen perfect toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek.

Men kan dit doelgerichte handelen echter ook causaal gaan interpreteren. Een doel is de voorstelling van een effect, waarbij de voorstelling de oorzaak van een handeling kan worden.

Maar die ‘wetten’ helpen je alleen om in specifieke gevallen beter de causale bijdrage van een handeling te begrijpen.

Maar het opstellen van wetten is in de cultuurwetenschappen niet het doel van het wetenschapsbedrijf. Dit alles impliceert niet dat de resultaten van de cultuurwetenschappen ‘subjectief’ zijn, in die zin dat zij voor de ene persoon wel en voor de andere niet geldig zouden zijn.


  1. Het onbewuste?

De economie veronderstelt op een of andere manier onbewuste motivaties. De vraag of mensen zich al dan niet bewust zijn van de determinanten van hun keuze laat zij meestal terzijde.

Men moet wel aannemen dat een flink deel van het menselijk gedrag onbewust verloopt, dus de economie gaat er wel van uit dat onbewuste handelingen mogelijk zijn.

Hoe is niet de vraag van de econoom, wel van de psycholoog.




  1. Functionele verklaringen?

Er komen functionele verklaringen voor in de economie, maar ze zijn overbodig doordat er een zekere tendens is naar wat men noemt micro-reductie: macro-verschijnselen worden dikwijls gereduceerd tot het samenspel van individuele micro-beslissingen en micro-handelingen.




  1. Conclusie




  • Falsifieerbaarheid: pogingen zijn er niet of heel weinig.

  • Empirische accuraatheid: veel voorspellingen zijn er niet gevonden. (wel bij Elias en misschien bij Douglas)

  • Bereik: klein bereik.

  • Coherentie: de onderlinge theorieën zijn onderling behoorlijk tegenstrijdig.

  • Eerlijke tests: nauwelijks.

  • Onafhankelijke tests: nauwelijks.

  • Kruistests: niet

  • Formele kracht: niet

→ Dit betekent niet dat er geen menswetenschappen mogelijk zijn. Wel dat hun kennisstatuut en –aanspraken niet meteen evident zijn.



1   2   3   4   5   6


Dovnload 260.26 Kb.