Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding tot de menswetenschappen

Dovnload 260.26 Kb.

Inleiding tot de menswetenschappen



Pagina3/6
Datum05.12.2018
Grootte260.26 Kb.

Dovnload 260.26 Kb.
1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 5: Logica en denkpsychologie





  1. De axiomatische methode ????

De methode van de deductie houdt in dat je als je een formele redenering tegenkomt, met daarin ‘p → q’ en ‘p’, je dan tot q mag besluiten, wat het pijltje ook betekent. Dit noemt men afleiden. Afleiden is in essentie een kwestie van syntax, maw van vormkenmerken van tekencombinaties. De procedure loopt in vier stappen:




  • De keuze van een aantal ‘primitieve’ tekens:

P, q, r…: veranderlijken voor proposities

-, v, ., →, ↔, (,)


  • Definitie van regels voor het vormen van Well Formed Formulas:




      • Elke eenvoudige letter is een WFF.

      • Het teken – gevolgd door om het even welke WFF is een WFF.

      • Een open hakje gevolgd door een WFF gevolgd door één van de tekens ., v, →, ↔, gevolgd door en andere WFF gevolgd door een gesloten haakje is een WFF.

Uit deze regels kan je besluiten of een opeenvolging van tekens een juiste tekencombinatie heeft (maw of de opeenvolging de juiste syntax heeft)




  • De keuze van axioma’s, dit is een klein aantal basiscombinaties waaruit de andere kunnen worden afgeleid:




      • (p v p) → p

      • q → (p v q)

      • (p v q) → (q v p)

      • (p v ( q v r)) →(q v ( p v r))

      • (q → r) → ((p v q) → (p v r)

Door die axioma’s worden een aantal tekens impliciet gedefinieerd. Maar je hoeft die interpretatie niet te maken om de axioma’s correct te kunnen hanteren. Dat gebeurt namelijk door:




  • De keuze van een aantal afleidingsregels die toelaten uit de axioma’s andere WFF’s af te leiden:




      • Een regel voor de ‘substitutie van variabelen’ die toelaat een variabele te vervangen door een andere, op voorwaarde dat de vervanging consistent gebeurt door de hele formule heen.

      • Een regel voor de afleiding die stelt dat uit p → q en p, q mag worden afgeleid.

      • Een regel voor de ‘substitutie bij definitie’ die toelaat om een formule te vervangen door een andere formule die er equivalent mee is. Door deze regel wordt een aantal tekens expliciet gedefinieerd.



Hoofdstuk 6: Psychologie van de regelovertreding





  1. De Milgram-experimenten (Obedience to Authority)

Onmiddellijk na WOII had men het racistische geweld tov joden in verband gebracht met een autoritaire persoonlijkheidsstructuur. (cfr The Authoritarian Personality)

De bevindingen van Milgram toonden eveneens een verband aan tussen de bereidheid tot geweldpleging en de persoonlijkheidsstructuur, maar het verband was zwakker dan verwacht. Bovenal bleek het belang van situationele factoren.

Milgram maakte bij zijn experimenten gebruik van de experimentele methode: die bestudeert het menselijk gedrag in het kader van gecontroleerde laboratoriumexperimenten door:




  • Isolering van het te bestuderen gedrag: afzonderen in een laboratorium

  • De systematische variatie van variabelen in de situatie: de variabelen die het te bestuderen gedrag beïnvloeden worden stelselmatig gevarieerd.

  • De meting van de reacties op de wijzigingen en van de wijzigingen zelf: vb. bij de studie van de invloed van de temperatuur op de klederdracht gaat men de temperatuur meten en de klederdracht ‘meten’.

  • Het verzekeren van de principiële herhaalbaarheid van het experiment: dit om de geldigheid te toetsen.

Men gaat ervan uit dat het gedrag een afhankelijke variabele is, die wordt bepaald door een reeks onafhankelijke variabelen. Het effect van een afzonderlijke variabele wordt bepaald door die veranderlijke te variëren terwijl de overige worden constant gehouden.


Experiment van Milgram: p117 e.v. + bevindingen
Conclusies:



  • In een autoritaire setting, waarbij gebruik wordt gemaakt van het ‘gezag’ van de wetenschappen, is de meerderheid (2/3) van de proefpersonen bereid om zelfs tegen internpersoonlijke weerstand in, een weerloos slachtoffer te pijnigen.

  • Deze bereidheid neemt af met de nabijheid van het slachtoffer.

  • Wanneer meerdere personen optreden als beul, draagt onenigheid tussen die personen bij tot daling van de bereidheid tot pijniging.

  • Wanneer er onenigheid bestaat bij de gezagsdragers over wat de correcte handelwijze is, valt de bereidheid om orders uit te voeren weg.

De experimenten staan voldoende dicht bij real-life situaties om voorzichtige hypothesen over het reële gedrag toe te laten.

Men kan moeilijk ontkennen dat de Milgram situaties nogal wat kenmerken gemeen hebben met echte autoriteitssituaties.
Belangrijke opmerkingen bij de Milgramsituatie:


  • Paradox van de sequentiële handeling: Het verschijnsel dat mensen bereid zijn om nadat zij een kleine stap gezet hebben (30 Volt) een volgende even grote stap te zetten (30 V toevoegen) hoewel zij aanvankelijk niet bereid zouden zijn om meteen grote stap te nemen (60V toedienen). Psychologisch mechanisme: als men het toedienen van 30 V niet problematisch ziet moet men ook de bijkomende 30 v als niet problematisch zien (2x even grote overtreding). Als men de verhoogde spanning als een probleem ziet, dient men te erkennen dat ook de 1e stap verkeerd was. Je kan jezelf m.a.w. alleen witwassen door je zwart te maken. De meeste mensen verkiezen het zichzelf als wit te blijven zijn en gaan dus door met het zwarte handelen.

  • Learning by doing: door shocks toe te dienen leer je het toedienen van shocks verdragen.




  1. De Lerner-experimenten

Onderzoekshypothese van Lerner: getuigen van onverdiend lijden zullen trachten de rechtvaardigheid in een situatie te herstellen door het slachtoffer te helpen. Als dat niet mogelijk is, zullen zij de rechtvaardigheid in de situatie herstellen door het slachtoffer te blameren → ze willen het geloof in een rechtvaardige wereld staande houden.


Experimenten van Lerner: p120 e.v.

Opstellingen: p121

Bevindingen: p122

Conclusies:




  • Als de proefpersonen geloven dat het model elektroshocks zal krijgen beschrijven ze het als minder aantrekkelijk dan als zij dat niet geloven.

  • Als de proefpersonen geloven dat het model shocks zal krijgen, wordt de martelaar sterker verworpen dan de niet-martelaar.

  • Als de proefpersonen geloven dat het model geen shocks zal krijgen, dan wordt de martelaar als even aantrekkelijk, zoniet aantrekkelijker ervaren dan de niet-martelaar.

  • Als de proefpersonen geloven dat het model shocks zal krijgen, maar ook geloven dat het in hun plaats shocks krijgt en zij zich net zo goed in die situatie konden bevinden, zal het model als aantrekkelijker worden ervaren dan wanneer het gevoel van een mogelijk gedeeld lot niet aanwezig is.

→ Als men een slachtoffer kan helpen zal men dat doen.

→ Als men het slachtoffer niet kan helpen, verkiest de meerderheid om het te blameren.

→ De ervaring van verschillend-zijn is essentieel voor het accepteren van leed aangedaan aan anderen. Anders gezegd: hoe meer men zichzelf ervaart als gelijk aan het slachtoffer, hoe minder men geneigd zal zijn om te blameren.


Verklaringen:


  • De frustratie-agressiehypothese: mensen nemen wraak op het slachtoffer voor de spanning die zij zelf ervaren bij het zien van het lijden van het slachtoffer.

  • De schuldreductiehypothese: het blameren van het slachtoffer reduceert het schuldgevoel bij de toeschouwers als ze het slachtoffer niet kunnen helpen.

  • De dissonantiereductiehypothese: als je een diepe behoefte hebt om te geloven dat iets het geval is, zal je informatie die daarmee in strijd is negeren, bedreigende informatiebronnen vermijden en consonante informatiebronnen opzoeken.

  • De rechtvaardige-wereldhypothese: de meeste mensen geloven dat wij in een rechtvaardige wereld wonen en als zij dan iemand zien gepijnigd worden denken zij dat dit tot deze rechtvaardige wereld behoord en dat het zijn verdiende loon is. (Waarnemingen in strijd met de rooskleurige wereldvisie worden m.a.w. gereduceerd.)

≠ dissonantiereductiehypothese



  1. Het model van Albert Bandura

Uit de Milgram- en Lernerexperimenten blijkt dat ‘normale’ mensen in bepaalde situaties- en dit tegen hun eigen waarden en overtuigingen in – kunnen pijnigen.

Albert Bandura heeft geprobeerd om een overzicht te geven van mechanismen die mensen gebruiken om tegen hun eigen waarden en normen te handelen. Een overzicht:


  • Morele justificatie: hoewel men start van de overtuiging dat iets verkeerd is, wijzigt men de overtuiging doordat men in een bepaalde situatie komt te staan waarin zich een morele justificatie aandient voor het foute handelen. Essentieel voor deze justificatie is dat mensen er gehoor aan geven omdat dit hen uitkomt en niet zozeer omdat de argumentatie hen overtuigt.

  • Palliatieve vergelijkingen: door het vergelijken van een voorgenomen verkeerde daad met één die nog slechter is, overtuigt men zichzelf dat de voorgenomen daad nog niet zo slecht is.

  • Eufemistische uitdrukkingen: uitdrukkingen die de zaak mooier voorstellen dan zij is. Dergelijke uitdrukkingen dienen eerder om de buitenstaanders te misleiden dan om de daders zelf gerust te stellen.

  • Verplaatsing van de verantwoordelijkheid:




  • In autoritaire structuren: men schuift de verantwoordelijkheid af op een hoger geplaatste.

  • Men kan de verantwoordelijkheid afschuiven op een bewustzijnstoestand (vb. dronken).




  • Diffusie van de verantwoordelijkheid: als men zichzelf ziet als een onderdeel van een groter radarwerk, kan men zichzelf eveneens ontlasten van verantwoordelijkheid.

  • Het minimaliseren, negeren of verkeerd inschatten van de gevolgen van de handelingen.

De gevolgen zien er door de ogen van de daders heel anders uit dan bekeken door de ogen van de slachtoffers.

  • Dehumanisering: mensen gaan gemakkelijker over tot het stellen van ‘problematische’ daden als zij de ander zien als geheel verschillend van zichzelf (vb. taal, uitzicht). Dit noemt men vergroten van de psychische afstand. Ook de fysieke afstand kan bijdragen tot het depersonaliseren en dehumaniseren van mensen (cfr. Milgramexperimenten)

  • Blameren van het slachtoffer: daders zullen het slachtoffer zelf de schuld geven van wat hen overkomt.




  1. Het verklaren van grootschalige geweldpleging

Browning heeft bij zijn onderzoek de leden van de politiemoordbrigade bestudeerd. Dit waren volgens hem gewone mannen zonder echt gewelddadig verleden of sadistische aanleg. Browning toont aan hoe die mannen het moorden leerden door het te doen (learning by doing) en hoe sommigen zich ontwikkelden tot volleerde sadisten. Belangrijke vaststellingen van Browning zijn:




  • Men trachtte de afstand tussen de beul en het slachtoffer psychisch en fysiek zo groot mogelijk te maken.

  • Men dronk zich voor een moordpartij zat (ontremming).

  • Bij een operatie zonder officieren nam de bereidheid tot moorden af (autoriteit).

  • Het belang van groepsconformisme: dit is de wil om voor de ogen van je kameraden niet te kort te schieten.

  • De meesten hadden psychische problemen met het moorden maar toch deed ongeveer 80% van de mannen mee ook al werden ze daartoe niet gedwongen.

  • Er was geen pre – of zelfselectie om deel te worden van deze groep. Het waren vooral oudere mannen die ongeschikt waren voor de dienst.

  • De mannen keurden zelf hun gedrag af.

Eigenlijk kan men het optreden van dergelijk moordbrigades zien als een geïnstutionaliseerde manier om de hoger vermelde ontremmingsmechanismen te bevorderen. In gewone omgeving zullen mensen wel de neiging hebben om deze mechanismen te gebruiken wanneer zij onder druk staan om een regel die ze zelf aanvaarden te overtreden. Het zijn dus uitzonderingssituaties.




  1. Rationeel gedrag of niet?

Uit studies blijkt dat als men weet wat een persoon vindt dat hij zou moeten doen, in slechts 10% van de gevallen zijn gedrag kan voorspeld worden. Dus als je weet wat volgens mensen hoort, zullen zij in 90% van de gevallen anders reageren. Dit zou men zo kunnen zien dat de ‘diepe’ moraliteit wordt gedoubleerd door een ‘situationele’ moraliteit die onder de druk van omstandigheden aan de oppervlakte komt.

Er zijn allerlei factoren gevonden die zorgen voor meer overeenstemming tussen ‘diepe’ en ‘situationele’ moraliteit zoals opvoeding; persoonlijkheid en levensgeschiedenis.

Sociaal psychologen zien dit gedrag van mensen in extreme situaties als onvoorspelbaar en hun beslissingen dus als irrationeel. Men spreekt immers van rationeel handelen, als je handelt op grond van beslissingen waarvoor je goede redenen hebt. Toch kan me dit gedrag als rationeel beschouwen volgens Becker. Want volgens hem is groepsconformisme rationeel gedrag. De grondgedachte van deze theorie is de volgende: stel dat in iemands preferentieordening groepsconformisme boven het moorden staat. Dit is al altijd zo geweest maar tot nu toe kon deze persoon deze twee preferenties gelijktijdig bevredigen. Maar stel dat deze persoon in een situatie komt waar dit niet het geval is dan zal hij moeten kiezen voor datgene waar hij het meeste belang aan hecht namelijk het groepsconformisme. Dus zal de persoon rationeel voor het moorden kiezen.

Maar de vaststelling dat de meeste politiemannen diepe crisissen doormaakten toont aan dat er een breuk is in hun preferentiestructuur. We hebben dus te maken met inconsistente en niet-transitieve preferentieordeningen. Ook het voorkomen van “learning by doing” en de “paradox van de sequentiële handeling” is moeilijk te verklaren vanuit de stabiliteit van de preferenties. Het lijkt er veel meer op dat de actoren zelf hun preferenties gaan wijzigen terwijl zij leren hun weerstanden tegen hun eigen handelswijze te overwinnen.

De zienswijze van Becker toont wel aan dat de zaken misschien niet zo gemakkelijk liggen als men op het 1e zicht zou denken. Het leert ons echter ook iets over de gebrekkige onderlinge coherentie van de gedragswetenschappen. De uitgangspunten van de experimentele sociale psychologie en de economie bepalen in zeker mate of men gedrag als rationeel of irrationeel gaat interpreteren.

Rationele actoren: contra:


      • rol: situatie (wordt gekozen)

      • onvoorspelbaarheid

      • inconsistente preferenties: depressies, gebruik excuses

      • preferentiewijziging: learning by doing

Rationele actoren: pro:

 actor prefereert waardering door anderen
Uitroeiingskampen

  • Slachtofferperspectief

  • Daderperspectief

      • hebzucht en ambitie (indianengenocide)

      • wraak en egoïsme (servische gewelddaden tegen Kroaten)

      • idealisme (jodengenocide)

      • plezier (5% vd gewelddaden)



1   2   3   4   5   6

  • Hoofdstuk 6: Psychologie van de regelovertreding

  • Dovnload 260.26 Kb.