Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding tot de menswetenschappen

Dovnload 260.26 Kb.

Inleiding tot de menswetenschappen



Pagina5/6
Datum05.12.2018
Grootte260.26 Kb.

Dovnload 260.26 Kb.
1   2   3   4   5   6

Hoofdstuk 8: rechtvaardigheidstheorieën





  1. Inleiding

Er zijn 3 soorten uitspraken:




  • Empirische uitspraak: zij legt een feitelijk verband tussen 2 onderwerpen (beschrijvende vaststelling)

  • Technisch relatie: zegt wat men kan doen om iets tegen te gaan, het zijn feitelijke uitspraken  verifieerbaar

Niet elke technische relatie geeft aanleiding tot een normatieve!

  • Normatieve uitspraak: zegt wat men hoort te doen om iets tegen te gaan.

 geen waarheid, geen valsheid

 wel of niet justifieerbaar

→ Alleen technische maatregelen die ook normatief gejustifieerd zijn, komen in aanmerking voor uitvoering.
Positieve economie: een wetenschap die zich beperkt tot het vaststellen en verklaren van feitelijke verbanden en tot het aangeven van technische mogelijkheden om vooraf gegeven doelen te bereiken.

(verklaring manier waarop g en d onder omstandigheden van schaarste worden verdeeld)  geen voorschriften, niet hoe men zou moeten handelen



Normatieve economie: een econoom die allerlei aanbevelingen doet stapt eigenlijk in een normatieve rol.
De rechtvaardigheidstheorieën hebben een normatieve basis van de allocatie van maatschappelijke middelen als onderwerp. Ze maken deel uit van de normatieve economie. De filosofische grondslagen worden dan weer onderzocht in de ethiek. De ethiek omvat het kritisch onderzoek van de methodes voor het justifiëren en onderzoeken van normen, waarden, regels en beginsels en de justificatie zelf van deze gegevens.

Het normatieve gaat hier dus om de ethische verdeling van goederen en diensten.

 een distributieve of verdelende rechtvaardigheid: “ hoe hoort men lasten en baten (pos. en neg. inkomens, kansen, macht, …) te verdelen?”

 justificaties van de verdeelpatronen

2 typen:


  • in termen van het beschikken over middelen om fundamentele zaken te doen (utilitarisme, Rawls)  doelen realiseren

  • in termen van negatieve basisrechten (Locke, Nozick)




  1. Utilitarisme




    1. Inleiding

J.S. Mill formuleerde de grondslagen van het utilitaristisch programma in zijn Utilitarianism.

Utilitarisme is een consequentialistische (stelt dat men datgene moet doen dat het goede maximaliseert) moraaltheorie.

Het blijvend succes van het utilitarisme (ondanks heel wat fundamentele tegenwerpingen) is verklaarbaar uit het gegeven dat vanuit haar premissen rechtstreekse verbanden konden worden gelegd en werden gelegd tussen de moraaltheorie, spel theorie en economische theorie.

Het probleem van de maximalisering van het menselijk geluk is immers nauw verwant met het probleem van de (strijd tegen de) schaarste en het realiseren van welvaart (welfare economics). De interesse van talrijke economen vor het utilitarisme inspireerde een voortdurende verfijning van de theorie.
Economie – Ethiek

Economie (neo-klassiekers): zegt hoe een rationele actor zich zou gedragen mocht hij zijn verwachte utiliteit willen maximaliseren.

Ethiek: zegt hoe een rationele actor zich zou gedragen mocht hij een gelijk gewicht geven aan het welzijn van alle betrokken actoren.

vergelijking, overeenkomst


2 basisbeginselen:

- utiliteitsbeginsel: greatest happiness of the greatest number

 grootste welzijn voor betrokken populatie

- beginselen van algemene welwillendheid:

elk telt als 1 en slechts als 1:

gelijke belangen dienen een gelijk gewicht te krijgen.




    1. The greatest happiness of the greatest number

De grondlegger van het utilitarisme is Jeremy Bentham. Hij beweert dat de mens geleid wordt door twee fundamentele drijfveren, het streven naar lust (pleasure) en het vermijden van pijn (pain). Deze twee drijfveren bepalen wat mensen doen, maar ook wat zij behoren te doen, wat goed of slecht is, wat goed- of afkeurenswaardig is. De drijfveer in kwestie zijn waarderingen, gebaseerd op het principle of utility.


Dat beginsel geldt zowel op collectief als individueel vlak:

- het individu streeft voor zichzelf naar maximalisering van de eigen lust en minimalisering van de eigen pijn

- collectief: greatest happiness of the greatest number. Een handeling is moreel juist indien ze het meest bijdraagt tot de vermeerdering van de totale maatschappelijke lust en/of vermindering van de totale maatschappelijke pijn. Daarbij is die totale maatschappelijke lust of pijn niets anders is dan de soms van de lust en de pijn van individuen.


    1. De morele calculus

(= effect voorgestelde handelswijze op welzijn van alle betrokkenen)

Het verband tussen wat nuttig is en wat rationeel is voor de mens ziet er in het utilitarisme van Bentham als volgt uit:


  • Goederen zijn al deze objecten die lust opwekken en daarom nuttig zijn.

  • De nuttigheid stijgt bij toename van de goederenconsumptie zodat een rationeel individu steeds liever meer dan minder verkiest van een goed.

  • Een individu is onverschillig (indifferent) in de keuze tussen 2 pakketten goederen die dezelfde kwantiteit lust / onlust opleveren gezien hun nuttigheid dezelfde is en alleen kwantitatieve verschillen in lust / onlust relevant zijn.

Om lust en onlust te kunnen vergelijken zou dit moeten gemeten worden. Op die manier zou men de voorkeuren kunnen ordenen. Maar dit veronderstelt het bestaan van een meeteenheid wat tot een probleem kan leiden. Indien dit wel bestaat dan hoort bij elke voorkeur een kardinaal getal en aan de hand van deze getallen kan men de voorkeuren gaan vergelijken en ordenen.

Elk individu kan de waarde voor zichzelf van de sensaties van pijn en van lust op zichzelf meten op grond van de volgende 6 criteria: 4 ervan moeten toegepast worden op de sensaties van lust of pijn:


  • Intensiteit.

  • Duurzaamheid.

  • (On)zekerheid.

  • Nabijheid.

De overige 2 moeten worden toegepast op de handeling in kwestie:




  • Vruchtbaarheid: leidt de handeling al dan niet tot sensaties van dezelfde aard.

  • Zuiverheid: wat is de kans dat de handeling gevolgd wordt door sensaties van tegenovergestelde aard.

Tenslotte:




  • Moet worden nagegaan hoeveel individuen door de handeling worden geraakt.

  • Ieder moet voor zich de lust en de onlust berekenen op grond van de 6 bovenvermelde criteria.

  • De lust en de onlust van de verschillende betrokkenen moet worden opgeteld.

  • Deze uitkomst moet vergeleken worden met de uitkomst die zou opgeleverd worden door alle andere mogelijke handelswijzen.

Benthams programma had onder meer een politieke dimensie. Hij zag zijn utilitarisme als een politiek hervormingsprogramma dat door een verdeling van de goederen volgens het utiliteitsbeginsel het menselijk geluk kon realiseren. Daarbij kwam de staat een centrale rol toe: hij zag de staat als het instrument om de allocatie van de goederen te realiseren.


    1. Verdeling van de lust/onlust over een populatie

Kritiek op het utilitarisme:




  • Men kijkt enkel naar de totale lust, maar men heeft geen oog voor de verdeling van de lust en onlust (pijn) over een populatie (dus zou het toegelaten zijn om iemand te doden om de totale lust te maximaliseren).

  • Indien men alleen kijkt naar de totale lust zijn er grote sociale ongelijkheden toegelaten (individuen kunnen immers uit dezelfde kwaliteit goederen heel verschillende lusthoeveelheden putten).

Mogelijke oplossing: indien men niet naar de totale, maar wel naar de gemiddelde nuttigheid (average utility) als morele standaard neemt. Maar dit brengt terug een probleem met zich mee:

Wanneer men naar het gemiddelde kijkt dan heeft men geen enkel besef meer van het aantal individuen.
Sommige utilitaristen kennen een eigen waarde toe aan de verdeling van de nuttigheid. Drie mogelijkheden dienen zich aan:


  • Egalitarisme: een zo gelijk mogelijke verdeling van een zo groot mogelijke nuttigheid wordt de waardestandaard

  • Maximaal toegelaten nuttigheidsverschillen worden bepaald.

  • Een minimaal nuttigheidsniveau voor ieder individu wordt gegarandeerd

In elk van deze drie gevallen kan men niet mee over zuiver utilitarisme spreken omdat het wezenskenmerk ervan is prijsgegeven. Namelijk dat de structuur van de verdeling er naast nuttigheid, een zelfstandige waarde verwerft.

Overigens dient men er op te wijzen dat het utilitarisme vanzelf een zekere tendens naar egalitarisme (gelijkheidsstreven) bevat. Bentham was ook de 1e om de wet van het dalende grensnut te formuleren. Allocatie in de richting van de minder bedeelden, en dus een zeker egalitarisme, is vanzelf aanwezig in het utilitarisme.


    1. Gelijkheid van wat?

Egalitarisme slaat niet noodzakelijkerwijs op gelijke verdeling van goederen of bezittingen. Het slaat eigenlijk op de gelijkheid van lustbeleving of van nutservaring.

Utilitaristen die verder gaan dan de strikt utilitaristische beginselen, en daarnaast ook een egalitaire verdeling op zich een belangrijke waarde achten, verdedigen een egalitaristische variant van het utilitarisme. Dergelijke theorieën worden geconfronteerd met het probleem van de ongelijke kosten die de realisatie van min of meer gelijke nuttigheidsbalansen met zich meebrengt. Als men een gelijk nuttigheidsniveau beoogt dan is het best mogelijk dat de ene persoon daarvoor weinig en de andere persoon daarvoor veel of dure goederen voor nodig heeft. Dit noemt men het probleem van expensive tastes.

Het utilitarisme van Bentham tendeert ernaar om gelijkheid van welzijn (equality of welfare) te verdedigen. Mensen zijn gelijk als zij hetzelfde welzijnsniveau hebben (subjectieve gelukstoestand).

Andere mogelijkheden zijn:

- equality of wealth: men meet (on)gelijkheid naar het criterium bezittingen

- equality of resources: men gaat uit van de gedachte dat mensen gelijke kansen hebben wanneer zij gelijke hulpbronnen hebben

- equality of functioning capability: initiële ongelijkheden compenseren, men moet dus de nadruk leggen op wat mensen kunnen doen met hun middelen.

Wat mensen kunnen doen met hun middelen is niet herleidbaar naar lustervaringen.

 afwijkingen van utilitarisme: niet meer welzijn maar preferentie centraal


Er zijn twee verschillende noties van welzijn:


  • Klassiek utilitarisme: hedonistisch: wat gemeten wordt zijn sensaties van lust of pijn en nuttigheid wordt bepaald door plezier/pijn.

  • Sommige latere utilitaristen: uitgangspunt is niet plezier/pijn, maar preferenties en strevingen (desires).

Welfare economics: welvaart is de totaliteit aan bevrediging van preferenties in de maatschappij. Maar hierbij moet men rekening houden dat de bevrediging van de voorkeuren verschillend is van het persoonlijk luststreven, want mensen hebben voorkeuren die hun persoonlijk luststreven niet dienen.

De meting van deze voorkeuren in tegenstelling tot lustgevoelens kan gebeuren door in plaats van een cardinale ordening een ordinale ordening te maken. Dit maakt het meten heel wat gemakkelijker. Men moet hier geen rekening meer houden met de criteriums maar wel met de subjectieve keuzen van mensen die blijken uit hun marktgedrag.

Het (moreel) waardevolle kan niet slechts berusten op psychische sensaties, dit illustreert Nozick met zijn experience machine. Mensen wensen een zekere persoon te zijn en zekere dingen te doen en niet eenvoudig ervaringen te beleven.




    1. Welk soort preferenties

De standaardtheorie over de rationaliteit van actoren maakt de volgende vooronderstellingen:







    • Zijn preferenties transitief zijn.

    • Zijn preferenties compleet zijn: ofwel verkiest met x boven y ofwel y boven x ofwel staat hij indifferent tegenover beide.

Onder die voorwaarden zijn zijn preferenties geordend en kan men ze voorstellen als een utiliteitsfunctie van goederen die preferenties bevredigen.


Er zijn drie uitgangshypothesen van de standaardeconomische theorie:


  • Actoren trachten de utiliteitsfunctie te maximaliseren.

  • Het gedrag van actoren die hun utiliteit maximaliseren wordt gecoördineerd door het bestaan van markten. De maximalisatie van U brengt een aantal kosten mee. Een actor maximaliseert zijn utiliteit als de verhouding tussen de marginale waarde van twee gegeven goederen gelijk is aan de verhouding tussen hun kosten.

  • De preferenties van actoren zijn stabiel en onafhankelijk van prijzen en marktdistributie, dus wanneer een goed teveel kost zal men wel zijn gedrag wijzigen.

Die hypothesen van de standaardtheorie over rationaliteit zijn vanuit de normatieve hoek in vraag gesteld. Hier zijn een paar tegenwerpingen:




  • Het bestaan van erroneous preferences of foute voorkeuren: mensen kunnen zich vergissen in hun preferenties omdat ze onvoldoende informatie hebben. Soms kan consumptie van experience goods leiden tot een endogene verandering in de preferenties. Dit wil zeggen dat je als je een goed een tijd geconsumeerd hebt, je het toch niet meer zo geweldig vindt en het een lagere waardering krijgt waardoor je preferenties gaan veranderen.

  • Het bestaan van adaptive preferences: deze preferenties gaan de informatie vervalsen: mensen passen zich aan hun omstandigheden aan, en preferenties ontwikkelen voor datgene wat binnen hun bereik ligt, terwijl ze dat wat buiten hun bereik ligt niet willen. Deze adaptieve behoeften kunnen dus afwijken van de werkelijke behoeften.




    1. Utilitarisme en intermenselijke handelingscoördinatie

Het utilitarisme is een ethische doctrine: het vraagt aan actoren zo te handelen dat in hun utiliteitsfunctie de belangen van anderen mee worden verrekend

→ each counts as one and no more than one. Maar bij dezelfde personen kunnen verschillende behoeften een verschillend gewicht hebben. In die zin is het utilitarisme altruïstisch, want het vraagt te rekenen in het voordeel van jezelf en anderen.

De vraag stelt zich welke motieven kan de utilitarist hebben voor deze samenwerking met anderen


  • We bekijken het antwoord op deze vraag eerst vanuit de positieve economie:




      • Samenwerking is maar mogelijk en rationeel wanneer de afzonderlijke actoren voordelen putten uit de samenwerking met anderen die zij niet alleen kunnen realiseren (vb. speltheorie)

      • Rationeel gedrag in suboptimale situaties geeft aanleiding tot de tragedy of the commons: wat rationeel is vanuit het standpunt van de persoonlijke utiliteitsfunctie blijft onbepaald zolang er geen zekerheid bestaat over het gedrag van de anderen vb. prisoner’s dilemma p. 185 - 186




  • Nu bekijken we het antwoord op de vraag vanuit het utilitarisme:




      • De belangen van anderen wegen even zwaar als de eigen belangen (altruïst).

      • Maar in samenwerkingverbanden waar zijn eigen bijdrage niet essentieel is voor het realiseren van de beoogde voordelen kan hij meer utiliteit realiseren door egoïstisch te handelen dan door samen te werken met de andere actoren: als dat zo is, moet hij egoïstisch handelen.

Conclusie: dit leidt tot suboptimale resultaten: in een gemeenschap van utilitaristen zal iedereen zijn voordeel nastreven op voorwaarde dat de anderen samenwerken.




    1. Daad – en regelutilitarisme

Men kan uit het voorgaande afleiden dat de individuele utiliteitsmaximalisering in veel gevallen geen rationele uitkomst heeft. De enige manier om dit te maximaliseren bestaat erin het gedrag van anderen voorspelbaar te maken door bijvoorbeeld regels af te spreken met anderen die men volgt, ook als zij soms niet utiliteitsmaximaliserend zijn.


Het verschil met het daadutilitarisme (Bentham) is dat dit utilitarisme dicteert in een gegeven situatie de meest optimale beslissing te nemen. Een actor is hier niet irrationeel als hij bijvoorbeeld gedane beloften verbreekt. Alles komt immers aan op de positieve gevolgen van de handelingen, niets op de waarde van het volgen van regels.
De basisgedachte van het regelutilitarisme is de zelfde als die van het daadutilitarisme: maximalisering van een utiliteitsfunctie bepaald de morele waarde van een handeling. De functie opereert echter niet op individuele beslissingen, maar op de regels die de beslissingen leiden. Deze regels worden zo gekozen dat hun samenspel tot de meeste utiliteit leidt, als alle actoren die regels volgen.
De tegenstelling tussen daad – en regelutilitarisme kan als volgt worden verduidelijkt: voor een daadutilitarist is een handeling moreel juist als zij betere of minstens even nuttige gevolgen heeft dan eender welke handeling die de betrokkene kan stellen. Voor een regelutilitarist is een handeling moreel juist als zij wordt voorgeschreven door een regel, waarvan de algemene navolging de meest nuttige gevolgen heeft.


    1. Handelen onder onzekerheid

De utilitaristische calculus is toekomstgericht. Maar het behoort tot de fundamentele kenmerken van ‘de toekomst’ dat zij onzeker is. Toekomstgericht handelen, is handelen op grond van waarschijnlijkheden. Daardoor stelt zich een probleem: kan men berekenen wat de numerieke waarschijnlijkheid is dat een handeling een welbepaald gevolg zal hebben?

Daarom gaat men een onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve waarschijnlijkheden:


  • De Bayesiaanse interpretatie gaat ervan uit dat subjectieve waarschijnlijkheden afhankelijk zijn van het overtuigingssysteem dat iemand aankleeft en opdat zij rationeel zouden zijn volstaat het dat zij consistent zijn met dat geloofssysteem.

  • Tegenover deze interpretatie staat een objectivistische die waarschijnlijkheden definieert aan de frequentie van een gebeurtenis relatief aan een verzameling mogelijke gebeurtenissen.

Zowel in de standaardeconomische theorie als in het utilitarisme opteert men voor de subjectivistische interpretatie van waarschijnlijkheden. Maar opnieuw stellen zich de problemen dat overtuigingen foutief of adaptief kunnen zijn. Een bijkomend probleem is dat actoren tijdpreferenties hebben. Men verstaat daaronder de tendens om het gewicht van preferenties die in de toekomst moeten worden bevredigd te onderschatten.




    1. Andere problemen

Tegen het utilitarisme werd opgeworpen dat het geen onderscheid maakt tussen ‘persoonlijke’ en ‘externe’ preferenties. Nochtans heeft het eerste betrekking op het eigen leven en het tweede heeft betrekking op het leven van anderen. Door niet te differentiëren tussen persoonlijke en externe preferenties kan het utilitarisme grote bemoeizucht legitimeren met het leven van anderen.


Evenmin weet het utilitarisme de betekenis van individuele rechten, als hinderpalen tegen inbreuken op de belangen van de enen ten voordele van die van de anderen, een juiste plaats toe te kennen. Dit probleem van de rechten stelt zich scherp in het utilitarisme. Op één of andere manier benadert die theorie de maatschappelijke totaliteit als één groot individu in functie waarvan de echte individuen hun handelen moeten richten.
Morele monstruositeit: kleine groep onschuldigen boeten voor grote groep schuldigen  welzijn maximaliseren.



  1. Het libertair bezitsindividualisme van Robert Nozick




    1. Inleiding




  1. Nozick ↔ Rawls

Nozick heeft het boek Anarchy, State and Utopia gepubliceerd als antwoord/kritiek op het boek A theory of justice. Maar op sommige vlakken vertonen deze twee boeken gelijkenissen:




  • Het is allebei een fundamenteel individualistische benadering

  • Beiden zijn sterk beïnvloed door het verlichtingsdenken

  • Bij allebei speelt het concept ‘toestemming’ een centrale rol.




  1. Wat zijn natuurrechten?




    • Rechten: iets is een recht = zeggen dat er terecht mag op aangedrongen worden. Rechten genereren verplichtingen bij anderen. Men kan positieve (rechten die opgenomen zijn in wetten of conventies) en morele (niet zo) rechten onderscheiden.

    • Natuurrechten: zij vormen een subcategorie bij de morele rechten. Ze zijn prelegaal (iedereen heeft deze rechten) en presociaal (ze gaan vooraf aan het bestaan van sociale en politieke structuren) vb. mensenrechten.

Ze worden meestal omschreven in termen van de volgende drie kenmerken:



  • Ze zijn universeel (gelden voor iedereen)

  • Ze zijn onvervreemdbaar (ze kunnen niet weggenomen worden)

  • Ze zijn van doorslaggevende aard (ze wegen zwaarder door dan eender welke andere overweging)

De rechten waarover de libertairen het hebben zijn in de eerste plaats de rechten die individuen moet beschermen tegen de belangen van grote aantallen anderen. Dit centrale uitgangspunt (dat de natuurrechten moeten beschermd worden) heeft niets te maken met een berekening van de voor – en nadelen van het respecteren van die rechten, of met het egaliseren van de verdeling van baten en lasten in de samenleving, maar uitsluitend met ‘entitlements’. Op basis hiervan construeert Nozick zijn rechtvaardigheidstheorie met als uitgangspunt: de overtuiging dat er bepaalde dingen zijn die men niet behoort te doen ten aanzien van anderen, hoe groot ook de voordelen zouden zijn indien men het wel zou doen. De rechtvaardiging van dit uitgangspunt: een absoluut zelfbeschikkingsrecht.




    1. Individuele vrijheid contra paternalisme

De libertaristische moraaltheorie gaat uit van de onvervreemdbaarheid van het individuele recht op vrijheid als zelfbeschikkingsrecht en als eigendomsrecht en keert zich tegen eender welke vorm van paternalisme waarbij individuele vrijheidsrechten om welke reden ook met de voeten wordt getreden.

Maw iedereen heeft zijn basisrechten of entitlements (vb. schoonheid) en men mag deze aanwenden om bepaalde dingen te verkrijgen waarna men de verkregen dingen voor zichzelf mag houden.

De opzet van Nozicks Anarchy, State and Utopia is tweeërlei:

1) hij ontwikkelt een denkkader waarbinnen morele justificaties voor het monopolie over geweld en voor de herverdelende functies van de staat worden ontkracht.

1   2   3   4   5   6


Dovnload 260.26 Kb.