Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Inleiding tot de verklaring der heilige schrift als het woord gods

Dovnload 0.54 Mb.

Inleiding tot de verklaring der heilige schrift als het woord gods



Pagina1/7
Datum28.10.2017
Grootte0.54 Mb.

Dovnload 0.54 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7

Titelblad


De Heilige Schrift

en haar Verklaring.

INLEIDING TOT DE

VERKLARING DER HEILIGE SCHRIFT

ALS HET WOORD GODS.

DOOR


J.C. SIKKEL,

Dienaar des Woords te Amsterdam.


Voorwoord


Voorwoord

De jarenlang gekoesterde begeerte, om iets te mogen doen voor het tot-stand-komen van een Nederlandsche Verklaring der Heilige Schrift, naar de behoeften der geloovigen in onze eeuw, drong er mij toe, bij het ontbreken van een hermeneutisch werk, dat van Gereformeerde beginselen uitgaat en dus de Heilige Schrift bij de verklaring als het Woord Gods in haar eenheid tot haar recht zoekt te brengen, bijgaand geschrift als hulpmiddel op te stellen.

Tegelijk met de Verklaring van het Boek Genesis, die onder den titel "Het Boek der Geboorten" als eerste deel en proeve eener Verklaring van de Heilige Schrift door mij thans in druk aangeboden wordt, legde ik ook bijgaand geschrift als Inleiding tot de Verklaring der Heilige Schrift ter perse.

Tot de afzonderlijke uitgave besloot ik in de veronderstelling, dat dit geschrift, ook afgescheiden van hel beoogde Schriftwerk, bij de studie tot verklaring der Heilige Schrift en bij die der hermeneutische beginselen van eenig nut kan zijn.

Vinde mijn poging welwillende beoordeeling bij allen, die de studie der Heilige Schrift liefhebben.

En geve de Heere er zijn zegen over.

Amsterdam, 1906.

J.C. SIKKEL.




I. DE HEILIGE SCHRIFT HET WOORD GODS.


I. DE HEILIGE SCHRIFT HET WOORD GODS.

De verklaring der Heilige Schrift moet uitgaan van de geloovige erkenning, dat de Heilige Schrift het Woord Gods is.

Het feit, dat de Heilige Schrift het Woord Gods is, behoort tot de dingen, die des Geestes Gods zijn, en die de natuurlijke mensch niet verstaan kan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden (1 Kor. 2:14-15). Deze geestelijke onderscheiding is slechts mogelijk voor wie geboren is uit water en Geest, zoodat hij het Koninkrijk Gods kan zien en bekwaam gemaakt is, om te gelooven (Joh. 3:3; 1:12).

Dat de Heilige Schrift het Woord Gods is, staat vast voor het ware geloof. Door het geloof alleen verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid; en door het geloof alleen verstaan wij ook, dat de Heilige Schrift het Woord Gods is. Gelijk de levende God bestaat voor het geloof; gelijk Jezus voor het geloof de Christus, de Zoon des levenden Gods is; gelijk heel de waarheid van het Koninkrijk Gods voor het geloof bestaat; gelijk voor het geloof alles waarachtig is, wat God ons geopenbaard heeft; - zoo is ook voor het geloof de Heilige Schrift het Woord Gods.

Het is dan ook onmogelijk, de waarheid, dat de Heilige Schrift het Woord Gods is, voor den natuurlijken mensch te bewijzen, gelijk het onmogelijk is, hem te bewijzen, dat God de wereld schiep door zijn Woord en dat de Heere Jezus Christus onze Verlosser is. Wel kan de natuurlijke mensch veel aangaande de Schrift zien, onderzoeken en weten; de geestelijk blinden kunnen in zekeren zin de waarheid der Schrift tasten; zij loopen er onophoudelijk tegen aan, gelijk ze met Gods onzienlijke dingen in de Schepping en in het leven onophoudelijk in aanraking komen; - maar zoo min als zij den levenden God vinden en erkennen in zijn werken, zoo min vinden en erkennen zij Hem in zijn Woord, in de Schrift. Het geloof is ook hier het bewijs der zaken, die men niet ziet (Hebr. 11:1, 3).

Is het ingewrochte geloof, het geloof als verborgen levensbeginsel, de geestelijke band onzer ziele aan onzen God in Jezus Christus onzen Heer door den Heiligen Geest, waardoor wij tot geloofsonderscheiding bekwaamd zijn, - het geloof in zijn openbaarwording, het gelooven, is de geestelijke werkzaamheid onzer ziel, waardoor wij de dingen, die des Heeren zijn, onderscheiden, en waardoor ook de Heilige Schrift door ons als het Woord Gods onderscheiden, erkend en aangenomen wordt. Dit geloof als werkzaamheid onzer ziel wekt de Heilige Geest door het gehoor van het Woord Gods zelf: en voor dat gewekte geloof is aanstonds het Woord Gods waarlijk Gods Woord, waaronder we buigen, om er ons door te laten gezeggen, er ons aan te onderwerpen, er op te bouwen, bewuste gemeenschap te hebben met den Heere en met al zijn Volk, en te leven in het licht (Joh. 3:33; Rom. 16:14, 17; 1 Joh. 1:1-3).

Zoo heeft het altoos met het Woord Gods in de wereld gestaan, ook toen het Woord Gods nog geen schrift was; het is voor het ongeloovige en Gode vijandige vleesch nooit waarlijk het Woord van den levenden God geweest, maar het is immer waarachtig Gods Woord geweest voor het oprechte geloof.

Ook vóór den zondeval leefde de mensch Gods in de gemeenschap des Heeren door het geloof, d.i. in de erkenning van het Woord, dat de Heere over en tot hem gesproken had en sprak.

En na den val heeft met Eva het heilige zaad door het geloof het Woord Gods erkend, er onder gebogen, er bij geleefd, het bewaard. Abel geloofde God, hij geloofde zijn Woord; dat Woord was voor hem het waarachtige Woord van den waarachtigen levenden God; zóó was er voor hem bij zijn offerande door het geloof gemeenschap met den Heere, terwijl voor Kaïn in diens ongeloof de waarachtigheid van het Woord Gods niet bestond en de gemeenschap met God door hem werd gemist (Gen. 4: 3-5; Hebr. 11:4). Henoch wandelde met God, immers in gemeenschap met God, door te leven bij zijn Woord, door het geloof; en Noach geloofde het Woord des Heeren, bouwende de ark. Abraham geloofde God op zijn Woord. Voor Mozes en de profeten was het Woord Gods waarachtig. En alle heiligen, heel de schare der geloovigen (Hebr. 11), zij allen hebben geleefd bij het Woord des Heeren, dat vast staat tot in eeuwigheid. Heel de gemeenschap van al het Volk des Heeren uit alle geslachten en tijden kenmerkt zich door het geloof, dat het Woord Gods erkent; zij is de gemeenschap, waarin het Woord van God geldt; dat Woord is de voorwaarde en het beginsel van die gemeenschap (Luk. 11:28).

De Christus, het Hoofd des Lichaams, de Hoeksteen van dezen Tempel der Gemeente Gods, is met het Woord Gods één. Hijzelf is het eeuwige Woord Gods (Joh. 1); en het Woord Gods, dat Hem voorging en volgde, getuigt van Hem (Joh. 5:38, 39). Maar naar zijn menschelijke natuur geeft Hij Zich in heel zijn Middelaarswerk op aarde aan het Woord Gods, ook aan het gesproken en geschreven Woord Gods, over, in de gemeenschap met Israël en met zijn Volk uit alle geslachten. Hij bukt onder het Woord Gods; Hij spreekt het Woord Gods; Hij doet het Woord Gods. Zóó leeft Hij; zóó lijdt en sterft Hij; zóó staat Hij uit de dooden op en zoo vaart Hij ten hemel naar het Woord Gods.

Heel de waarheid en gemeenschap des geloofs staat en valt met het Woord Gods.

Het Woord Gods is het, waardoor de Gemeente van Christus uit alle geslachten tot Hem vergaderd wordt. Allen, die den Zoon door den Vader gegeven zijn, komen tot Hem, geleerd door het Woord Gods. Het aannemen van den Christus als hun Heer en Zaligmaker, en het aannemen van God als hun Vader, is voor hen één met het aannemen van het Woord des Heeren. In het Woord Gods nemen alle heiligen met Abraham den Heere en zijn genade aan, en in den Christus klemmen zij met Petrus zich vast aan de woorden des eeuwigen levens. Of ze helden Gods worden, pilaren in den Tempel des Heeren, of als het gekrookte riet op Hem hopen en de kruimkens oplezen, die van zijn tafel vallen, - met machtigen greep of met bevende vingeren vatten zij door het geloof het Woord des Heeren aan, omdat het voor hen waarachtig Gods Woord is (Gen. 15:5-6; Joh. 8:56; 6:68-69).

Door het Woord Gods wordt heel de Gemeente van Christus gebouwd en bepaald. Door dat Woord geeft de Heilige Geest haar bewuste gemeenschap met Christus, haar Hoofd. Door dat Woord leert, troost, leidt, reinigt en siert Hij haar. Dat Woord Gods wordt in haar en door haar uitgeroepen. Zij bewaart het Woord Gods. Door het Woord Gods verlicht zij de wereld en alle dingen en is zij de pilaar en vastigheid der waarheid. Het Woord Gods is het Zwaard des Geestes in haar hand, waardoor zij in het geloof overwint (Jes. 40:6; 1 Petr. 1:24-25; Ef. 6:17).

Het gesproken Woord Gods, gelijk Christus en zijn apostelen, Mozes en de profeten, dit deden hooren, is hierin van het geschreven Woord Gods, van de Schrift, niet onderscheiden.

Ook het gesproken Woord Gods kwam door menschen tot menschen. Slechts de Christus, als de Zoon met den Vader één, kende, ook in zijn menschelijke natuur, door zijn eenheid met den Vader het Woord. Wel heeft de Heere ook rechtstreeks door zijn Geest, door droomen en gezichten, en met hoorbare stem, tot menschen gesproken, ook na den zondeval. Zoo sprak Hij tot de aartsvaders, tot Mozes en de profeten; ook wel tot de apostelen. Maar Hij heeft hen ook aangewezen als zijn dienstknechten, in zijn goedertierenheid beschikt, opdat door hen als menschen zijn Woord tot menschen komen zou (Gen. 18:19; Ex. 20:19; Deut. 18:18; Joh. 4:25; Matt. 17:5; Hand. 9:15).

Wij kunnen ook sinds onzen val het Woord Gods niet anders ontvangen dan door den Middelaar. Hij is de gezalfde Profeet, om ons het Woord Gods te doen hooren. En Hij moest in de volheid des tijds mensch worden, opdat het Woord Gods in den tijd tot ons komen kon. Daarom kwam het dan ook door Hem, door zijn Geest, tot de aartsvaders, de profeten en de apostelen, en door hen, door menschen, ons in alles gelijk, tot ons. Door menschen hebben wij het Woord Gods; en in die menschen stoot zich nu het ongeloof aan den Steen des aanstoots. Het Woord Gods is onder de menschen gegeven door profeten en apostelen; wie hen hoort, die hoort den Christus, en die hoort het Woord Gods. Heel de Tempel Gods wordt gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de Hoeksteen is; op het fundament der apostelen en profeten, die door den Geest van Christus ons het Woord Gods verkondigd hebben. (Luk. 4:16-21; 10:16; 1Petr. 1:11-12; Ef. 2:20-22).

Nu heeft het den Heere echter behaagd, ons dit Woord niet slechts in wegstervende klanken, maar ook in blijvend schrift te geven. Ook deze menschelijke gestalte heeft Gods Woord aangenomen. Zelf heeft God in steenen tafelen de Wet geschreven; en Hij heeft Mozes bevolen, te schrijven in een boek. (Ex. 17:14; 24:12; 34:1, 27, 28; Deut. 4:13; 5:22; 10:2, 4; 28:58; 29:20, 27; 31:9, 19, 22, 24) Hiermee kwam het Woord Gods in schrift als het geschreven Woord Gods, waardoor het Woord Gods op aarde op menschelijke wijze bewaard werd. De profetische arbeid is, althans sinds Mozes, dan ook mede een arbeid in schrift, waarbij ook steeds, wat in losser schrift reeds geboekstaafd was, naar Gods bestel dienstbaar werd aan zijn geschreven Woord, aan de Schrift. Gelijk de Heere het manschenwoord koos als voertuig voor zijn Woord, zoo koos Hij nu het menschenschrift, om er zijn Woord als de Schrift door te bouwen. Hierin eerde God in zijn genade den mensch; Hij schiep den mensch naar zijn beeld; en Hij gaf zijn Woord op aarde door menschenwoord, door het menschelijk verzekerde en duurzame menschenwoord, door menschenschrift.

Het Woord Gods wordt een Boek, dat in boeken uitkomt.

Ook het "boek" is niet slechts een menschelijke gedachte; het is allereerst een gedachte Gods, door menschen gevonden en gegrepen, en door hen in hun boeken menschelijk uitge­werkt. De eenheid der Gedachten Gods, zijn Verkiezing, zijn Besluit, zijn Raad, zijn Oordeel, zijn Openbaring, wordt in de Schrift een "Boek" genoemd. Zoo pleit Mozes, biddend voor zijn volk: "Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult' Doch zoo niet, delg mij nu uit uw Boek, hetwelk Gij geschre­ven hebt! Toen zeide de Heere: dien zou Ik uit mijn Boek delgen, die aan Mij zondigt!" (Ex. 32:32-33.) In den Psalm aanbidden wij: "Uw oogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in uw Boek geschreven, de dagen, als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was." (Ps. 139:16.) In de rolle van dat Boek ook is van den Christus geschreven. (Ps. 40:8 [Ps. 40:7].) Zoo wordt ook elders gesproken van het Boek des Heeren; van de namen, die ge­schreven zijn in de hemelen; van het Boek des Levens, des Lams, dat geslacht is. (Jes. 34:16; Dan. 12:1; Luk. 10:20; Openb. 13:8; 20:12.) Het Woord, de openbaring, het ge­zicht Gods, wordt daarom ook gezegd te komen als een boek, dat aan den profeet wordt gegeven, opdat hij het zou opeten en daarna profeteeren:of dat verzegeld is en geopend moet worden. (Jes. 29:11, 18; Ezech. 2:9; 3:1-3; Dan. 7:10; 12:4; Nah. 1:1; Zach. 5:1-2; Openb. 10:2, 8-11.)

Dat het Woord Gods schrift en boek werd, komt ook geheel overeen met de behoefte, waaraan het Woord Gods op aarde moest voldoen.

Wij konden het Woord Gods niet anders ontvangen dan door den Middelaarsdienst en alzoo door menschen. Het moest in ons eigen menschenwoord komen, in ons eigen gesproken woord. Maar het gesproken menschelijk woord werd noodzakelijk in de menschelijke historie schrift. Het moest schrift worden, zoo het zich in zijn beteekenis als woord onder zondige en sterfe­lijke menschen wilde handhaven. Zóó alleen kon het menschen­woord als woord vast staan bij het uiteengaan van het men­schelijk geslacht, en in de gemeenschap van dat geslacht, dat ons en allen menschen aangaat; in de gemeenschap van het menschelijk geslacht van voorgaande en volgende tijden.

Heel het menschelijk denken is onze, heel de menschelijke geschiedenis, heel het menschelijk geslacht, heel het menschelijk woord. Daarom moest het menschenwoord schrift, boek worden. Het gesproken woord is voor den enkelen tijdkring; voor den persoonlijken kring; voor de ingewijden; voor het eigen volk; voor de plaats, waar het klinkt. Het hangt aan het oogenblik en het oogenblikkelijke; aan den mensch, die het spreekt of hoort. Het is afhankelijk van de kaste, die het bewaart. Het maakt afhankelijk en houdt afhankelijk van enkelen. Maar het geschreven woord, het bock. behoort aan de menschheid; aan alle volken; aan alle volgende tijden; aan den enkelen mensch en aan heel de menschelijke gemeenschap; en het is van alle menschen en van heel de menschheid veelszins onafhankelijk.

Zoo is clan ook het Woord Gods schrift, boek geworden, een menschenboek; in gewone gebrekkige menschelijke taai; in een bepaalde menschelijke taal. Het is schrift, boek, ge­worden in het echte menschelijke schrift met al zijn vastheid en met al zijn zwakheid. Het is boek geworden, en van hand tot hand voortgeschreven; straks van taal in taal vertolkt; en eindelijk door de drukpers vrij en onwankelbaar staande in het leven der menschheid.

Wij spreekt God door de Schrift tot zijn menschen in al hun levenskringen. Tot al de zijnen, in hun binnenkamer en in heel hun leven; en tot heel het menschelijk geslacht, dat bij boeken leeft. Onder onze boeken staat het Boek des Heeren, de Heilige Schrift, het Woord Gods, het Boek voor alle volken; - palladium der vrijheid voor het menschelijk geslacht; der vrijheid, der eenheid, der gemeenschap vooral van allen, die gelooven in den levenden God.



Zonder de Schrift kan het historische volk des Heeren, Israël, niet bestaan. Met de Schrift komt het als volk op en treedt het als volk onder de volken in de Historie, het eigen volk Gods; het profetische volk voor het menschelijk geslacht aller eeuwen, aan hetwelk als volk de heilige traditie der menschheid, de belofte des Heeren, de woorden Gods, toebetrouwd zijn; het volk van het Woord Gods.

Israël wordt Israël met de opkomende Schrift, en de Schrift wordt de Schrift met het opkomende Israël. Met het feit van het bestaan van Israël is het feit van het bestaan der Schrift als de Schrift, het geschreven Woord Gods, noodzakelijk. Het eene feit kan het andere niet missen. Want het Woord Gods wordt in bijzonderen zin historie, volkshistorie en volksleven, met en in Israël. Dit Israël is het wonderzaad uit Abraham, met en in Abrahams verkiezing en roeping ten zegen voor alle geslachten der aarde gegeven; het is de levende vleeschen profetie, die met het zaad der belofte het profetisch woord draagt en bewaart, dat sinds Adam, Enos, Henoch, Noach, Abraham, Izak, Jakob met de profetische genade opkwam, en dat doorging met de bijzondere openbaring des Heeren in Israël en in zijn historie. Dit Israël moest zijn historie schrijven; het moest de Wet, de woorden en de daden des Heeren boeken; het moest de Profetie spreken en in schrift bewaren, en zijn eigen leven uit God vertolken. Het Woord Gods wordt met en door Israël voortgaand Schrift, Boek, literatuur. Gelijk dit volk in den gang van zijn historie, in zijn zijn en in zijn worden, het volk Gods was, de heiligheid des Heeren droeg, zijn Stad had en zijn Tempel, zijn Weg en zijn Woning op aarde, zijn Troon en zijn Schepter, zoo was het en had het zijn Woord, dat het belichaamde in zijn bestaan, in heel zijn type en leven, in zijn religie en historie; en dat het door zijn profeten als de mond des Heeren vertolkte en met hun griffie schreef.

De Schrift is menschelijk en historisch, maar Israëlitisch en profetisch. Zij is het menschelijk en historisch geschreven Woord van God; één met het gesproken Woord Gods in Israël en vóór Israël; één met Israël, dat het historische Woord Gods was en voortzette; één met het Woord, dat vleesch werd, met den Christus, die uit Israël is, zooveel het vleesch aangaat. (Rom. 9:4-5; 3:1-2.)

Met de komst van dien Christus in de Historie, met zijn vernedering en verhooging tot vrijmaking en vergadering zijner Gemeente uit alle volken, voltooit zich het in bijzonderen zin historische en het geschreven Woord Gods door zijn apostelen en evangelisten. Zoo voltooit zich het Boek, dat het Woord Gods is. (Hebr. 1:1; Openb. 1:1 v.v. [Op. 1]) En met de voltooiing der Schrift wordt de Gemeente van Christus vrij en mondig, in de bewuste gemeenschap met haar verheerlijkt Hoofd. Met de Schrift als het Woord Gods is zij des Heeren getuige in heel het menschelijk geslacht, in heel de voortgaande mensche­lijke historie, van Jeruzalem en Rome uit, tot aan de einden der aarde en der tijden.

Met de heilige linie en bepaald sinds Israëls opkomen werd dan het Woord Gods schrift, boek, de Schrift, het Boek. En gelijk het geloof het Woord Gods onderscheidt en verstaat, zoo onderscheidt en verstaat ook het geloof de Schrift, het Boek, dat Gods Woord is.

Dit wil niet zeggen, dat ieder geloovige afzonderlijk uit de menschelijke schriften moet uitmaken, wat de Schrift, het Woord Gods is; de Heere geeft dit zijn Volk als gemeenschap te onderscheiden, te verstaan.

Bij het groeien der Schriften heeft Israël als Israël, naar de bedeeling des Heiligen Geestes onder het Oude Verbond, de Schrift gegrepen, bewaard en overgeleverd. Aanstonds met het opkomen en groeien der Schrift als Boek wordt het volk des Heeren door Mozes aan dat Boek gebonden (Deut. 28:58; 29:20, 27; 31:26.) En sinds blijft die band erkend (Joz. 1:8; 8:31; 23:6.) De Schrift is voor Israël als Israël het Woord Gods. Alle volgende Schrift bouwt op de voorgaande, die als het Woord Gods onderscheiden is. Israël onderscheidt in zijn voortgaande historie en levensgang zijn heilige Schriften en voegt ze ten laatste met voorbijgang van andere schriften als de Schriften, als de Schrift, bijeen. Ook dit is een feit, dat door het geloof erkend en geëerbiedigd wordt.

Voor den Christus is dan ook "de Schrift", gelijk die voor Israël geldt, het Woord Gods. Het "daar staat geschreven" is voor Hem de aanwijzing van wat God gesproken heeft en spreekt. (Matt. 4:4 v.v.) Het zijn de Schriften, die naar zijn uitdrukkelijk zeggen voor en in en door Hem vervuld moeten worden (Matt. 13:14; 21:42; 26:54; Mark. 12:10; 14:49; Luk. 4:21; 21:22; 24:27, 44; Joh. 7:38; 13:18; 15:25; 17:12; 19:28.) Hijzelf verklaart Zich de vervulling der Schrift en wil uit de Schrift worden gekend. (Joh. 5:39; Luk. 24:27, 45.) Het gelooven der Schrift is voor Hem één met het gelooven van het Woord Gods en met het gelooven van Hem als den Christus. (Joh. 5:46-47.) De Schrift kan dan ook niet gebroken worden. Zij staat voor den Christus vast als het Woord van God (Luk. 16:17; Joh. 10:35; Mark. 12:36).

De apostelen en evangelisten staan niet anders tegenover de Schrift. Voor hen is Jezus de Christus, omdat Hij de vervulling is der Schrift. Zij zien de Schrift zich in Hem ver­vullen (Matt. 1:22; 2:15, 23; 4:14; 8:17; 12:17; 13:35; 21:4; 27:35; Mark. 15:28; Joh. 12:38; 18:9; 19:34, 37). Jezus is voor hen gestorven, begraven en opgestaan naar de Schriften (1 Kor. 15:3, 4). Zij verkondigen door de Schriften, dat Jezus de Christus is. (Hand. 18:28; 1:16; 8:35; 17:2; Rom. 1:2; 16:25-26.) De Schrift spreekt voor hen het Woord Gods. (Rom. 3:10-18; 4:3, 17; 9:17; 10:11; 11:2, 8; 15:4; Gal. 3:8, 22; 4:30; 1 Tim. 5:18; 2 Tim. 3:15-16; Jak. 2:8; 4:5-6; 2 Petr. 1:20; 3:16.) Zij erkennen al de Schrift als van God door den Heiligen Geest ingegeven; God, de Heilige Geest, spreekt voor hen in de Schrift. (2 Tim. 3:16; 2 Petr. 1:19-21; Hand. 1:16; Hebr. 3:7; 9:8; 10: 15.)

De Gemeente van Christus stemde door alle eeuwen met het geloof der apostelen in. Hoe zou zij ook anders! Zonder de Schrift is zij zelf niet. Zij is met de Schrift geboren; en wederom, zij is geboren door de Schrift. De Schrift is voor haar het Woord Gods, omdat zij gelooft; en zij gelooft door de Schrift. De Schrift geeft den inhoud aan haar geloof. Haar bewust geloof is de zekere geestelijke kennis van haar God en van zijn Gezalfde, van zijn beloften en van zijn Heil, van zijn Wil en Welbehagen, van zijn Gedachten, Wegen en Raad, van zijn Deugden en van zijn Wezen, waarvan de inhoud haar toegebracht wordt door de Schrift. De Schrift is voor haar het Woord Gods.

Dit geldt van de Schrift in haar geheel, van de Schriften des Nieuwen Testaments zoo goed als van die des Ouden.

In de komst van Christus, in zijn woord en werk, in zijn vernedering en verhooging, in de uitstorting des Heiligen Geestes, in het apostolaat, in het wegvallen van den "middelmuur des afscheidsels", in de prediking des Evangelies, in het optreden der Gemeente van Christus uit Joden en Heidenen, in den opkomenden strijd der Gemeente naar haar roeping voor alle tijden, in den aanvang van haar worsteling met en in het men­schelijk geslacht tot de eindbeslissing toe, was met de bijzon­dere openbaring Gods en de bijzondere historie de noodzake­lijkheid, de zekerheid gegeven, dat de Schrift zich bij haar uitgang in de wereld voltooien moest. De Christus had daar­voor ook den waarborg gegeven. Al de zijnen zouden door het woord der apostelen in Hem gelooven; deze moesten alle volken onderwijzen, het Evangelie prediken in de geheele wereld aan alle creaturen: zijn getuigen zijn onder alle volken, tot aan het uiterste einde der aarde (Joh. 17:20; Matt. 28:19; Mark. 16:15; Luk. 24:47-49; Hand. 1:8). Aan die roeping zouden zij, als geroepen apostelen van Jezus Christus, beantwoorden door den Heiligen Geest, dien zij ontvangen zouden. Die zou hen in al de waarheid leiden; Hij zou het nemen uit den schat der openbaring, die de Christus van den Vader ontving, en die in den Christus gegeven is, en Hij zou het hun verkondigen; Hij zou hun alles leeren en hun alles indachtig maken, wat de Christus hun gezegd had; de toekomende dingen zou Hij hun verkon­digen; zij zouden het niet zijn, die zouden spreken, maar het zou de Geest des Vaders zijn, die in hen spreken zou. (Joh. 16:12-15; 14:25-26; 15:26-27; Matt. 10:20.) De apostelen, ook Paulus, spreken dan ook in het onwankelbaar bewustzijn, dat zij door openbaring van Jezus Christus spreken, als geroe­pen apostelen van Christus en als dienstknechten van God. Zoo spraken zij. En zoo schreven zij; zoo moesten zij schrijven, en doen schrijven. Zoo werd ook hun woord schrift voor alle volgende tijden, de Heilige Schrift, het Woord Gods. (Hand. 2:36, 38, 42; 3:6, 26; 4:10-12, 19, 31; 5:9, 32; 7:51; 9:27, 29; 10:36; 13:32, 47; 15:28; 17:30; 20:27; 22:14; 26:16, 18; 28:28; 1 Joh. 1:1-3; 1 Petr. 1:1, 25; 2 Petr. 1:1, 15; 3:16; Jak. 1:1; Rom. 1:1-7; 15:16; 16:25, 26; Gal. 1:11-12; 1 Kor. 11:23; 15:3; Openb. 1:1-3; 22:18-20; enz.)

De Schriften des Nieuwen Testaments werden door de Ge­meente van Christus onderscheiden en aanvaard, gelijk die des Ouden. Haar was geen mindere genade gegeven dan aan Oud-Israël. Maar de bedeeling des Heiligen Geestes over haar was een andere, een rijkere. Gelijk de Schriften des Nieuwen Ver­bonds den Christus ontsluiten, zoo ontsluiten zij in Hem Israël, het Woord Gods, de Schriften des Ouden Verbonds; zij ontsluiten voltooiend heel de Schrift. De bloem der Schrift gaat in de Schriften des Nieuwen Testaments ten volle open. Met den Christus en zijn Gemeente wordt de verborgenheid der Schrift onthuld. Voor de Gemeente van Christus wordt de Schrift eerst ten volle de Schrift, het Woord Gods, gelijk zijzelf eerst ten volle het Volk Gods is. Zij kent het Woord Gods. Het ge­loof der geloovigen, de geloofskennis, het oordeel des ge­loofs, onderscheidt sedert de uitstorting des Heiligen Geestes het Woord Gods en grijpt de Heilige Schrift in haar een­heid als Gods Woord. Niet een gezagsuitspraak der apostelen voegt de Schriften des Nieuwen Testaments bijeen, maar de Heilige Geest leidt het oordeel des geloofs in de Gemeente van Christus, om bij de heilige Schriften te leven, en te kiezen, wat Hij koos.

Daarom ook was er in de Christelijke Kerk weifeling over sommige der heilige Schriften, eer ze tot de Heilige Schrift ge­rekend werden. Gelijk het geloof der Gemeente worstelen moest met alle ketterij, doorbreken moest tot het zuivere en volle be­lijden, en niet aanstonds en in alle geloovigen, aan den omtrek gelijk in het middelpunt, scherp onderscheidde, zoo moest de geloofsbeslissing der Christelijke Kerk over de grenslijn van den Kanon der Schriften worstelen, evenals haar Belijdenis zich worstelend in de volle breedte en hoogte uitwerkte.

De Gemeente van Christus in ons vaderland, gelijk zij zich door het geloof vrij worstelde in de Reformatie, boekte de Heilige Schrift in haar Belijdenis als het heilig en goddelijk Woord, het geopenbaarde Woord van God, in schrift gesteld. (Nederl. Geloofsbel. Art. III.) En met haar belijden wij in onze Nederlandsche Belijdenis:

Wij vervatten de Heilige Schriftuur in twee Boeken, des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn Kanonieke Boeken, waar niets tegen valt te zeggen. Deze worden aldus gesteld in de Kerke Gods. De Boeken des Ouden Testaments: de vijf Boeken van Mozes, te weten Genesis, Exodus, Numeri, Deuteronomium; het Boek Jozua; der Richteren; Rut; twee Boeken Samuëls, en twee Boeken der Koningen; twee Boeken der Kronieken; Ezra; Nehemia; Ester; Job; de Psalmen van David; drie Boeken van Salomo, namelijk de Spreuken, de Prediker en het Hooglied; de vier groote Pro­feten Jesaja, Jeremia (met de Klaagliederen van denzelfden), Ezechiël en Daniël; en voorts de andere twaalf kleine Profeten namelijk Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Haba­kuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi. Het Nieuwe Testa­ment:de vier Evangelisten Matteüs, Markus, Lukas, Johannes; de Handelingen der Apostelen; de veertien Brieven van den Apostel Paulus, te weten aan de Romeinen, twee aan de Korinthiërs, aan de Galaten, aan de Efesiërs, aan de Filippensen, aan de Kolossensen, twee aan de Tessalonicensen, twee aan Timoteüs, aan Titus, aan Filemon, aan de Hebreën; de zeven Brieven der andere Apostelen, te weten de Brief van Jakobus, twee Brieven van Petrus, drie van Johannes, de Brief van Judas; en de Openbaring van den Apostel Johannes.-

Al deze Boeken alleen ontvangen wij voor heilig en Kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En wij gelooven zonder eenige twijfeling al, wat daarin begrepen is; en dat niet zoozeer, omdat de Kerk ze aanneemt en voor zoodanige houdt; maar inzonderheid, omdat de Heilige Geest getuiegenis geeft in onze harten, dat zij van God zijn; en dewijl zij ook het bewijs daarvan bij zichzelf hebben, gemerkt de blinden zelf tasten kunnen, dat de dingen, die daarin voorzegd zijn, geschieden.

Wij gelooven, dat deze Heilige Schriftuur den wil van God volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mensch schuldig is te gelooven, om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de geheele wijze des dienstes, dien God van ons eischt, aldaar in het lange beschreven is, zoo is het den menschen, al waren het zelfs Apostelen, niet geoorloofd anders te leeren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schrifturen; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de Apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is, den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel, dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is. Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, (want de waarheid is boven alles), noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle menschen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelf. Daarom verwerpen wij van ganscher harte al, wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de Apostelen geleerd hebben: "Beproeft de geesten, of ze uit God zijn. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis.

(Art. IV, V en VII der Nederl. Geloofsbel.)

Het geloof beroept zich in dit belijden op het getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten, dat de Heilige Schrift het Woord van God is.

Dit wil niet zeggen, dat de Heilige Geest den geloovigen inwendig door een woord bekend maakt, wat het Woord van God is, terwijl zij dit Woord dan in de Heilige Schrift terugvinden. Het wil ook niet zeggen, dat het geloof bepaalt, wat het Woord Gods is. Natuurlijk niet.

God alleen bepaalt, wat zijn Woord is. Zijn Woord bestaat eeuwig in de hemelen (Ps. 119:89), met en in Hem, die als het Woord in den beginne was en bij God was. (Joh. 1:1.) Dit geldt ook van het Woord Gods als de Schrift. Die Schrift is eeuwig in Gods Raad, in zijn Besluit, in zijn genade, waarin Hij den Zoon tot een Christus gaf. De Heere bracht haar uit in den Christus door den Heiligen Geest. Israël, de profeten, de apostelen en evangelisten, waren daarin zijn instrumenten. Als zoodanig zijn ze door Hem uitverkoren, en toebereid (Ex. 33:12; Jes. 49:1, 2, 5; 6:7; Jer. 1:5; Gal. 1:15; Joh. 15:16). Deze goddelijke verordineering en beschikking geldt de personen en de begenadiging der heilige schrijvers, maar ook de gemeenschap, waartoe ze behooren, het geslacht van Abraham, de historie van Israël, de ligging van Kanaän,den loop der tijden, en de levensomstandigheden. In en met en bij dit alles waren echter de heilige schrijvers instrumenten Gods, die de Heere door zijn Geest gebruikte, om tot stand te brengen, wat zijzelf niet ten volle konden kennen noch bedoelen, namelijk de eene Heilige Schrift, het geschreven Woord Gods, zooals dit lag in Gods Besluit, vaststond in den gezalfden Zoon van God, die in de Historie komen moest, en gewrocht werd dooi­den Heiligen Geest. De Schrift is alzoo het werk van den Hei­ligen Geest. De heilige schrijvers hebben ons het Woord Gods gegeven, gedreven zijnde door den Heiligen Geest (2 Petr. 1:20-21). Al de Schrift is van God ingegeven (2 Tim. 3:16). De eenige autoriteit, die op aarde verklaren kan, dat de Schrift het Woord Gods is, is God zelf, de Christus, de Heilige Geest, en daarom de Schrift zelf, die het Woord Gods is. Zóó getuigt dan ook de Schrift. Zij staat daarin boven alle menschen, boven de schrijvers zelf, boven alle profeten en apostelen, ja boven de engelen Gods.

Maar nu woont de Heilige Geest in de Gemeente Gods, in de geloovigen. Hij wederbaart hen en leidt hen in alle waar­heid. Hij werkt het geloof in de harten door het Woord Gods. Hij doet het Woord Gods kennen en onderscheiden, erkennen en belijden. Zóó verstaan de geloovigen, door het geloof, dat de Schrift het Woord Gods is; en hun geest getuigt met den Geest Gods mee; zij belijden het, zij beleven het, zij bukken onder de Schrift als het Woord Gods. Zij roepen de Schrift als het Woord Gods in de wereld uit.

Dit getuigenis des Heiligen Geestes in de geloovigen is dus niet een inwendige leer buiten het Woord, buiten de Schrift om, maar het is het getuigenis der Schrift zelf, onder de ver­lichting des Heiligen Geestes door het geloof verstaan, erkend, tot overtuiging in ons geworden, verzegeld in ons. Gelijk de Geest getuigt met onzen geest al, wat de Heere tot ons spreekt in zijn Woord: dat God waarachtig is; dat Jezus is de Christus, onze Heer en Zaligmaker; en dat wij kinderen Gods zijn; - zoo getuigt ook de Geest met onzen geest, dat de Schrift is het Woord Gods. Die in den Zoon van God gelooft, die heeft het getuigenis in zichzelf. (Joh. 3:33; Matt. 16:17; Rom. 8:16; 1 Joh. 5:9).

Dit getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten wordt alzoo met het geloof geboren; het behoort tot het geloof, ontkiemt met het geloof, en wast met het geloof op. Het geloof, dat tot God komt, komt ook tot de Schrift; het geloof, dat Jezus als den Christus erkent, erkent ook de Schrift als het Woord Gods. Het geloof, dat in bange worstelingen doorbreekt, en levenslang met zwakheden en twijfelingen te strijden heeft, maar dat niet­temin welverzekerd wordt en onze hoogste gewisheid is, door geen beproeving noch lijden, ja door de doodsverschrikkingen niet teniet te doen, dat geloof kent dezelfde verzekerheid en onwankelbaarheid met betrekking tot de Schrift, het Woord Gods, als met betrekking tot God en zijn genadewerk, tot den Christus en zijn zoenbloed, tot den Heiligen Geest en zijn vertroostingen.

De belijdenis der Gemeente Gods staat met dit getuigenis des Heiligen Geestes in de geloovigen in nauw verband. Wij hebben de Schrift allereerst door Israël, door de Gemeente Gods des Ouden Verbonds. Dat Israël der eeuwen heeft het Woord Gods, hem toebetrouwd, ons overgeleverd. Jeruzalem is ook hierin onze moeder. En de Gemeente Gods des Nieuwen Verbonds, de Kerk van Christus, heeft ingelijks het Woord Gods voor ons ontvangen; zij heeft het bewaard en ons toegebracht; ook zij is Jeruzalem, het Sion Gods. Het geloof staat dan ook in de gemeenschap der heiligen, en het wordt door die gemeenschap, voor zooveel den dienst der middelen aangaat, van 's Heeren wege gewekt, gesterkt, gezegend en verrijkt.

Toch hebben wij onzen band aan den Heere, onze gemeen­schap aan Christus, ons deel aan de genade, onze bijzondere Geestesgaven, niet door Israël, en niet door de Kerk des Hee­ren, maar onmiddellijk door den Heiligen Geest. Wekt Hij en sterkt Hij het geloof in de gemeenschap der heiligen, Hij brengt niettemin uit den Christus alle genade persoonlijk toe aan wie van Christus zijn. En zoo ook deelt Hij persoonlijk de genade des geloofs uit voor zooveel de Schrift als het Woord Gods aangaat.

De gemeenschap der Kerk kan ook zwak zijn in het geloof; de gemeenschappelijke verlichting kan slechts gering zijn. Dan leeft de Gemeente niet in de ruimte. Dan spreekt het Woord van God haar niet machtig toe. Dan is de eenige Naam, onder den hemel gegeven, haar niet hoog en heerlijk. Dan leeft zij niet diep in de verborgenheden Gods. En dan ook raakt zij slechts de opper­vlakte der Schrift met haar blik aan. Dan is menig Schriftdeel haar gesloten. Dan drijft de twijfel het riet heen en weer, en staat zij aarzelend tegenover meer dan één Boek der Schrift. Dan komt zij in de eenheid, volheid en diepte der Schrift niet in, en mist zij de kracht, om het Zwaard des Geestes te laten blinken en treffen.

En dan kan nochtans voor de enkele geloovigen, die door genade verlichte oogen des verstands ontvangen, de Schrift als het Woord Gods in haar inhoud en volheid spreken. Dan kunnen de enkele geloovigen nochtans zoo met hun God bij zijn Woord verkeeren. Dan kunnen zij nochtans zoo inblikken in de Schrift en haar in haar heerlijkheid als het Woord Gods doorschouwen, al kunnen zij dit niet uitleggen. Dan kan het getuigenis des Heiligen Geestes nochtans machtig zijn in hen, ook tegen het doffe bewustzijnsleven der Gemeente Gods in.

Dit neemt echter de roeping der Christelijke Kerk als ge­meenschap niet weg, om met volle bewustheid en kracht de Schrift als het Woord Gods te belijden. Zij moet de Schrift als het Woord Gods aan de geloovigen en aan de menschheid voorhouden, prediken en op de conscientiën binden. Zij moet de Schrift als het Woord Gods tot alle volken brengen en voor heel het menschelijk leven uitroepen.

Zij moet die Schrift als Gods Woord steeds meer kennen en verstaan, en haar aan alle geloovigen en hun zaad doen kennen en doen verstaan. Zij moet in die Schrift al dieper doordringen, in de volheid en eenheid van dit Woord Gods, en in zijn strekking voor heel het leven der tijden en van eiken tijd, door welken zij geleid wordt. Zij moet in haar Belijdenis dat Woord Gods vertolken tegenover ongeloof en dwaling. Zij moet door haar Dienst des Woords, in de verklaring der Schrift en in haar toepassing, het Volk des Heeren weiden en hoeden in en door het Woord Gods; en alle deelen der Schrift tot hun recht zoeken te brengen in de eenheid van het geheel, opdat het eene en het gansche Woord van God worde gekend, genoten, beleden en beleefd.

Daarin moet zij voortgaan van licht tot licht en van kracht tot kracht. Zij moet uit den ouden schat altoos oude en nieuwe dingen voortbrengen. Gelijk het eene zonnelicht, door heel het firmament uitgebreid en door heel de aarde in kleuren, tinten en glansen weerspiegeld, altoos voller moet worden gekend en genoten, en gelijk de eene en dezelfde Schep­ping Gods altoos weer nieuw, rijker en voller wordt aanschouwd, zoo is de Schrift als het Woord Gods wel gekend van ouds, maar moet zij immer weer en meer ontsloten en gekend worden. Gelijk Adam en Eva het eene Woord Gods ontvingen en dat eene Woord straks in heel de Schrift uitstraalt over heel het mensche­lijk geslacht en over alle tijden, in de openbaring der hoogten Gods en in de ontdekking van de diepten des Satans, zoo moet de Gemeente Gods in de kennis der Schrift als het Woord des Heeren voortvaren tot de volmaaktheid. De Profetie kent Abraham, Mozes en David in hun beteekenis beter, dieper, breeder, voller, dan zij zichzelf gekend hebben; het Woord Gods in Mozes en David wordt ontsloten door de Profeten, door den Christus en zijn apostelen. Zoo wordt ook de Profetie zelf ontsloten door den Christus. En de Christus ontsluit Zich als het Woord door het Apostolaat. En dan pas is de Schrift als Gods Woord voltooid, opdat zijzelf voor alle tijden en voor alle leven en in heel haar inhoud en volheid als het Woord Gods ontsloten zou worden door de Gemeente Gods, in welke de Heilige Geest woont. Zoo wordt het Woord in steeds rijker volheid ontvouwd, toegebracht aan de geloovigen en door den Heiligen Geest hun toegeëigend, opdat zij sterk en rijk zouden zijn in de kennis van het Woord des Heeren en in de welge­gronde en vruchtbare overtuiging, dat de Schrift het Woord Gods is. Tot heerlijkheid van God.

Aan dien arbeid der Gemeente des Heeren, aan die roeping van den Dienst des Woords, aan die volmaking der heiligen, en alzoo aan de verlichting der menschheid, aan de verheerlijking Gods, moet de studie tot verklaring der Heilige Schrift dienst­baar zijn.

Zij moet van het levend geloof in God, van het geloof in den Christus, van het geloof en de belijdenis, dat de Schrift het Woord Gods is, uitgaan. En daarmee moet zij uitgaan van de eenheid der Schrift als het Woord van God. Zij moet die eenheid in de veelheid en de veelheid en volheid van die een­heid in het licht zoeken te stellen. Zij moet de Schrift verklaren in de Schriften, den weg en het licht Gods in de Schrift­figuren en Schriftfeiten, het Woord in de woorden der Schrift. Zij moet zich van den inhoud en het karakter der Schrift als het eene Woord Gods en van het Woord Gods als de Schrift welbewust zijn, opdat zij bekwaam zij, om het geheel door de deelen en in de deelen het geheel niet te verduisteren maar te verklaren. De plaats en de beteekenis van elk Boek in de eene Schrift moet door haar vastgesteld worden. In dat verband moet zij elk Boek in zijn bouw en gang zoeken te verstaan, en van deel tot deel, van zin tot zin, van woord tot woord, ontvouwen. Altoos weer moet ze na haar indalen in het afzonderlijke en bijzondere tot het eene Woord Gods opklimmen, gelijk dat uitgaat tot zijn Gemeente, tot de mensch­heid en tot alle menschen.

Zij moet daarbij staan in de gemeenschap des Heiligen Geestes. In de gemeenschap der Schrift zelf. In de gemeenschap der profeten en apostelen, die ons het Woord Gods verkondigd en de Schriften ontsloten hebben. In de gemeenschap met Christus, die de sleutel der Schrift is en die den sleutel der Schrift heeft; die de Schriften in Zichzelf opende en opent, en die ons verstand opent, opdat wij de Schriften verstaan. (Luk. 24:32, 45.) De verklaring der Schrift, gelijk ons die uit Christus' mond door de Schrift zelf gegeven wordt, en gelijk de profetische en apostolische Schriften ons die bieden, is daarom niet aan onze critiek onderworpen, maar is ons door den Heiligen Geest zelf als zijn verklaring der Schrift ge­geven, ook om ons in den arbeid tot verklaring der Heilige Schrift ten licht te zijn.

Zoo zal dan ook de verklaring der Schrift staan in de gemeenschap der heiligen. In de gemeenschap der Belijdenis van de Gemeente Gods. In de gemeenschap van den arbeid tot verklaring der Schrift, gelijk die zich in de Kerk van Christus ontwikkeld heeft. Dien arbeid van eeuwen zet de studie tot verklaring der Schrift voort, getrouw aan de Gemeente des Heeren, en dankbaar voor alles, wat haar door dien arbeid en tot voortzetting van dien arbeid werd toegevoerd.

Ieder, die de Heilige Schrift verklaart, moet zich daarbij echter bewust zijn van eigen roeping, om zelf in het geloof den Heere te dienen door de genade en gaven des Heiligen Geestes. En waar de Geest des Heeren is en in heel zijn werk en ordening geëerbiedigd wordt, daar is, ook in de verklaring der Schrift, de vrijheid.

Aldus arbeidende en jagende naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus, kan, mag en moet de arbeid tot verklaring der Heilige Schrift een weten schappelijke arbeid zijn.

De eisch van den wetenschappelijken arbeid is hier evenwel niet slechts, dat wij beschikken over kennis van taal en historie en andere vakken van wetenschap; dat we geoefend zijn in letterkundige en zielkundige onderscheiding en ontleding.

Wie niet geestelijk tot een schrijver of spreker doordringt, en niet geestelijk kent en onderscheidt de personen of den kring, tot welken de spreker of schrijver zich richt, en het doel, dat deze in dien kring of bij die personen zoekt te bereiken, die is tot ver­klaring van alle toespraak of schrift wetenschappelijk on­bekwaam.

Zoo kan dan ook de man van wetenschap, die niet zelf in het Huis des Heeren geplant is, en met zijn wetenschappelijk bewustzijn niet wortelt in den bodem der Schrift als het Woord Gods, hoogstens knechtelijken dienst in den wetenschappelijken arbeid tot verklaring der Heilige Schrift verrichten, gelijk Hiram, de koning van Tyrus, in den tempelbouw te Jeruzalem; - tot den eigenlijken arbeid der Schriftverklaring is hij niet gerech­tigd en niet bekwaam.

Tot wetenschappelijke verklaring der Heilige Schrift is juist het Schriftuurlijke geloof noodzakelijk, de gemeenschap des Heiligen Geestes, de gemeenschap met Christus, de gemeen­schap met de Schrift zelf, de gemeenschap met de belijdende Gemeente des Heeren.

De zoogenaamde verklaring der Heilige Schrift, die onder de pretensie van echt wetenschappelijke arbeid te zijn, de Schrift overlevert aan het oordeel van een boven haar zich verheffende wetenschap, opdat deze wetenschap zonder geloof over de waarheid en waarde der Heilige Schrift beslisse, be­hoort dan ook door wie in het licht Gods wil leven en daar­om juist de echt wetenschappelijke verklaring der Heilige Schrift begeert, te worden afgewezen.

Zeker, alle kennis, die hier dienen kan, moet dienstbaar ge­maakt worden aan de verklaring der Heilige Schrift; alle kundig­heden moeten hier dienen. Op het nauwkeurigst moeten de zin der woorden en de omstandigheden der tijden bij de verklaring der Heilige Schrift in het oog gevat en in het licht gesteld worden; de historische inhoud van Schriftverhaal, Schriftfeit en Schriftwoord moet bij de verklaring helder uitkomen. Maar die verklaring zou toch naar den zuiver wetenschappelijken eisch tot de Schrift niet doordringen en haar sprake niet uit­brengen, zoo zij niet uitging van de erkenning en belijdenis der Heilige Schrift als het Woord van God, om er in aan­bidding van den volzaligen levenden God, die ons zijn Woord doet hooren, zelf knielend onder te bukken en naar te luisteren. Tot de zuivere meening des Heiligen Geestes, tot de ware bedoeling Gods, in de Schrift als geheel en in verband daarmee in het Schriftdeel, in het Schriftfeit en in het Schriftwoord, heeft de verklaring der Heilige Schrift, voor zooveel het haar gegeven is, door te dringen, en de bedoeling des Heeren, zonder meer, zonder minder, te vertolken. Daartoe heeft zij dat Woord des Heeren op te vangen in een oor, dat voor het Woord Gods ontsloten is; dat het Woord Gods in woor­den en feiten onderscheidt naar de onderscheiding, die Gods Woord zelf geeft; en dat gemeenschap heeft met hen, tot wie het Woord des Heeren gericht is en in wie het moet doen, wat den Heere behaagt.

Niet slechts wetenschappelijke toerusting, maar de gemeen­schap met God naar zijn Woord is dus tot wetenschappelijke verklaring der Heilige Schrift onmisbaar. Ook de gemeenschap met Christus' Kerk in haar leven en roeping, in haar zwakheid en in haar kracht. Niets menschelijks ook mag ons daarbij vreemd zijn; we moeten bewust staan in het menschelijke leven, in het historische leven van het gevallen menschelijk geslacht, in de gemeenschap der tijden en der geslachten, in het leven en de gemeenschap ook van onzen tijd.

Alzoo haar roeping verstaande zal de arbeid tot verklaring der Heilige Schrift zich immer gesteld zien voor een veelom­vattende en nooit eindigende taak. Over de volle kennis en het volle verstand der Schrift beschikt niemand onder de men­schen, noch wetenschappelijk, noch geestelijk. Altoos blijven weer tal van duisterheden, raadselen en onverklaarbaarheden over. Onze blik reikt maar een eind ver. De kennis is ons te wonderbaar en te hoog. Zelfs de historie en de taal der Schriften laten vele vragen over. De Schriften zelf zijn ook slechts in afschriften tot ons gekomen, eer de drukpers ze vermenig­vuldigen kon; en die afschriften zijn niet altoos tot op de letter toe eensluidend. Tal van Schriftplaatsen wachten dan ook nog op meer licht, eer de juiste zin geheel vastgesteld kan worden. Zoo kennen we ook de Schrift slechts ten deele. Och of we haar maar mochten kennen, voor zooveel de Heere ons den weg tot die kennis ontsloot! Of we haar kennen mochten in de gemeenschap met Christus als het Woord van onzen God!


  1   2   3   4   5   6   7

  • I. DE HEILIGE SCHRIFT HET WOORD GODS.

  • Dovnload 0.54 Mb.