Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Dovnload 301.79 Kb.

Internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek



Pagina1/7
Datum02.08.2017
Grootte301.79 Kb.

Dovnload 301.79 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7

Internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Aan de orde is de behandeling van:



  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met een verbeterde regeling voor het gezamenlijk verzorgen van hoger onderwijs door Nederlandse en buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs alsmede vanwege enkele andere wijzigingen ter bevordering van de internationalisering van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (bevordering internationalisering hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek) (34355).

De voorzitter:


Ik mag als eerste het woord geven aan de heer Bisschop namens de fractie van de SGP. Ik zeg met name in de richting van de minister dat hij hierna nog een andere verplichting heeft, maar het debat zal wel worden gevolgd door zijn onvolprezen collega's. Hij neemt wel degelijk kennis van het vervolg ervan.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Bisschop (SGP):
Ja, voorzitter, ik neem straks zelfs met gespitste aandacht kennis van de reactie van de minister. Dank voor het begrip. In deze drukke tijden moet je soms, als je jezelf niet kunt delen, en zover zijn we nog niet, keuzes maken.

Als je wilt leren bergbeklimmen, maakt het nogal wat verschil of de instructeur zelf ooit een berg beklommen heeft. Juist als het lastig wordt, ben je er niet mee geholpen als een instructeur je alleen maar wat boekenwijsheid toeroept: kijk maar op bladzijde 34 hoe je het moet doen! In het onderwijs werkt het eigenlijk niet zo veel anders. Wie bevoegd wil lesgeven in de bovenbouw van havo of vwo, zal ten minste een eerstegraadsbevoegdheid als docent moeten hebben. Als we leerlingen voorbereiden op het hoger onderwijs, willen we zo veel mogelijk zekerheid bieden op een goede begeleiding. Een beslissing hierover overlaten aan het bevoegd gezag, is geen goed idee. Daarom is deze voorwaarde ook in de wet geregeld. De SGP vindt het eerlijk gezegd vanzelfsprekend dat dit ook onverkort moet gelden voor het begeleiden van een promovendus. De meest minimale vereiste die we aan een promotor mogen stellen, is dat hij of zij zelf is gepromoveerd. Naast vakkundigheid is ook persoonlijke ervaring met het promotietraject van groot belang om goed te kunnen begeleiden. Wanneer de hoogleraar door het wetsvoorstel geen exclusieve bevoegdheid meer heeft, zou ten minste deze waarborg opgenomen moeten zijn. Graag verneem ik daarom de reactie op het amendement-Bisschop/Duisenberg (34355, nr. 11).

De regering geeft aan dat het College voor Promoties volledig de vrijheid moet hebben om een promotor te benoemen. Dat klinkt gul, maar schieten we hiermee niet van het ene uiterste naar het andere? Van een strikte beperking tot hoogleraren gaan we nu eigenlijk naar een onbeperkte doelgroep. Kan de regering aangeven in welke situaties het niet bezwaarlijk zou zijn dat een promotor zelf niet gepromoveerd is? Waarom sluiten we niet aan bij het verplichte doctoraat, zoals dat bijvoorbeeld in Vlaanderen, Denemarken, Noorwegen en Zweden is geregeld?

Het tweede punt dat ik aan de orde wil stellen betreft de internationale opleidingen. Op het punt van internationalisering vraagt de SGP aandacht voor de kwaliteitsbewaking van opleidingen die in het buitenland worden aangeboden. Het is de bedoeling dat Nederlandse diploma's kunnen worden verleend aan opleidingen die volledig in het buitenland worden gefinancierd. Hoe zit het met de kosten voor de accreditatie, het toezicht en de contracten met landen van vestiging die voor de buitenlandse opleidingen gemaakt moeten worden? Hoe dan ook worden publieke middelen uitgetrokken voor deze opleidingen. Is het redelijk dat dit ten laste komt van onze begroting?

De regering stelt dat de mogelijkheid van toezicht een cruciale vereiste is om een opleiding in het buitenland te mogen verzorgen. Dit zal in de Algemene Maatregel van Bestuur worden opgenomen. Waarom wordt deze fundamentele vorm van toezicht, deze fundamentele norm, dan niet in de wet verankerd? Dit is een beetje een wetstechnische vraag. We hebben het dan beter geborgd, ervan uitgaande dat aan dit uitgangspunt niet te tornen valt. Hier ligt voor ons nog een belangrijke hobbel.

De verleiding is groot om uitvoerig stil te staan bij de plannen die de Rijksuniversiteit Groningen heeft voor een dependance in Yantai. Maar ik heb begrepen dat dit item met heel veel enthousiasme door collega's uitvoerig aan de orde zal worden gesteld. Ik laat hun dat podium gaarne.

Ik wil het hierbij laten, voorzitter. Ik ben zelfs ruim binnen mijn spreektijd gebleven. Die tijd laat ik graag boeken tegen een toekomstige overschrijding.

De voorzitter:


Dan moet u bij een heel nieuw regime zijn, denk ik.

De heer Bisschop (SGP):


Dat is in zicht, maar we wachten het af.

De heer Duisenberg (VVD):


Voorzitter. De VVD is hartstochtelijk voorstander van internationalisering van het hoger onderwijs. Het is voor onze studenten een grote en belangrijke kans om internationale ervaring op te doen. Dit kan door internationalisering at home, zoals we dat noemen — "thuis", zeg ik tegen de voorzitter — door joint degrees — gezamenlijke graden — online — op de lijn — door uitwisselingsprogramma's en ook door zogenaamde branch campuses — "zusterkampeerplaatsen", mijnheer Elias? Maar ook is internationalisering belangrijk voor de Nederlandse kenniseconomie. Onder andere door onze internationale en open houding is Nederland het welvarende en hoogontwikkelde land geworden dat het nu is. Wat de VVD betreft zoeken instellingen voor hoger onderwijs actief profiel op internationalisering, dingen zij mee naar de internationale top en zijn zij een magneet voor internationaal talent. Dit komt de positie van de kenniseconomie van Nederland ten goede. Voor mij is dit een abc'tje. A: onze instellingen zijn van hoog niveau. B: talent is op zoek naar hoger onderwijs, wereldwijd. C: we hebben talent hard nodig voor de toekomst, met de demografische ontwikkelingen die er zijn, en om aantrekkelijk te blijven als vestigingslocatie voor bedrijven en andere organisaties. Tegen deze achtergrond is de VVD-fractie positief over het voorliggende wetsvoorstel van de minister. Ik heb hierover nog een aantal vragen.

Over de uitbreiding van het ius promovendi heb ik dezelfde vraag als die welke de heer Rog al heeft gesteld. Daar laat ik het dus bij en daarover gaat ook het amendement dat we hebben ingediend.

Over het onderdeel dat gaat over studiekeuzeactiviteiten voor studenten uit het buitenland zeg ik het volgende. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat studiekeuzeactiviteiten ook verplicht worden voor studenten met een buitenlands diploma. In de memorie van toelichting staat dat deze activiteiten eventueel ook op afstand kunnen worden georganiseerd. Heeft de instelling nog de keuze om géén studiekeuzeactiviteiten te eisen? En werpt dit niet, als het dus wel zou gebeuren, een onpraktische en onnodige drempel op om in Nederland te gaan studeren voor de buitenlandse student die dat leest? Immers, die internationale student maakt al een heel bewuste keuze voor die specifieke hogeschool of universiteit.

Ik wil ook nog een opmerking maken over het amendement dat ik indien samen met de heer Mohandis van de Partij van de Arbeid. Dat gaat over de mogelijkheid van een driejarig hbo voor vwo'ers. Het is belangrijk dat het hbo aantrekkelijker wordt voor mensen met een vwo-diploma.

De voorzitter:
Is dat amendement al binnen, mijnheer Duisenberg?

De heer Duisenberg (VVD):


Ja, als het goed is wel.

De voorzitter:


Gaat u verder.

De heer Duisenberg (VVD):


Ik wil van deze wetsbehandeling gebruikmaken om, samen met de Partij van de Arbeid, een omissie weg te nemen in een eerder voorstel dat wij hebben gedaan, door een amendement in te dienen waardoor het driejarige hbo makkelijker wordt voor vwo'ers. Dit is eerder al mogelijk gemaakt bij de Wet kwaliteit in verscheidenheid hoger onderwijs, maar het is nog niet zo dat alle vwo'ers er gebruik van konden maken. Met name in de zorgsector was dit een probleem. Door dit amendement wordt het mogelijk om de driejarige hbo-bachelor voor vwo'ers én als 180 ECTS, én als 240 ECTS-studiepunten aan te bieden. Indien dit amendement wordt aangenomen, wanneer zal dat dan uitwerking hebben in het aanbod van de hbo-instellingen?

Ik kom op de nota van wijziging met betrekking tot transnationaal onderwijs en de wijziging van artikel 1.19 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De VVD staat positief tegenover de mogelijkheid die het wetsvoorstel biedt om een gehele opleiding in het buitenland op te zetten, en tegenover de introductie van het toestemmingsvereiste. De opleidingen in het buitenland passen bij mijn algemene standpunt over internationalisering in het hoger onderwijs dat ik aan het begin van mijn betoog uiteen heb gezet. Dit is een kans. We staan er goed voor met onze hogeronderwijsinstellingen. Talent is wereldwijd op zoek naar studie. Nederland moet een magneet zijn voor dat talent. Als Nederlandse universiteiten en hogescholen, zoals Stenden, de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit van Amsterdam of de Universiteit Maastricht deze ambities hebben, in de toekomst wellicht nog meer, dan steunt de VVD dat. Dit is overigens niet nieuw: niet voor Nederland en niet voor het buitenland. New York University, Johns Hopkins University en universiteiten uit Australië, Engeland, Singapore en Canada zetten al dezelfde stappen. Vergelijkbaar is de aankondiging van interesse van de Universiteit van Oxford om een vestiging in Parijs op te zetten. Hoe staat de minister ertegenover als buitenlandse universiteiten hier in Nederland zo'n vestiging willen opzetten? Wat voor mogelijkheden geeft dit voor Nederlandse studenten en welke kaders gelden er dan? Ik ben van mening dat, wanneer instellingen ervoor kiezen, internationalisering at home en in het buitenland een toegevoegde waarde zijn voor studenten. Natuurlijk kunnen dergelijke stappen niet zonder waarborgen en oog voor de risico's worden genomen. Dit vereist in de eerste plaats een kritische raad van toezicht. Maar daarnaast zijn wij het ook eens met het extra wettelijk kader, inclusief het toestemmingsvereiste dat hier wordt voorgesteld.

De Raad van State noemt drie voorwaarden, waarbij ik mij aansluit. Ten eerste mag transnationaal onderwijs geen afbreuk doen aan de kwaliteit en continuïteit van het hoger onderwijs in Nederland. Ten tweede moeten voor transnationaal onderwijs dezelfde, althans vergelijkbare eisen gelden als voor de geaccrediteerde opleiding in Nederland en moet het toezicht op de naleving ervan gegarandeerd zijn. Ten derde moet oneigenlijk gebruik van de rijksbijdrage voor zover het transnationaal onderwijs wordt verzorgd door bekostigde instellingen, worden voorkomen. De introductie van het toestemmingsvereiste in artikel 1, punt 19 van de Wet op het hoger onderwijs en in de nota van wijziging van december 2016, en de beantwoording van de vragen in het verslag geven wat de VVD betreft goed antwoord op de waarborging van deze drie voorwaarden.

Waar het om gaat, is dat je, als je een kans wilt pakken, preventief de risico's zo goed mogelijk in beeld hebt en hiervoor waarborgen inricht. Vervolgens moet je je ook afvragen wat je dan uitvoerend doet en wat je reactief nog zou moeten doen, mocht zich toch een voorval voordoen. Wat kunnen dan de gevolgen zijn en wat is dan je respons? Ik zie dat de minister zich hiervan goed bewust is. In de uitwerking van het toestemmingsvereiste staan bijvoorbeeld voorwaarden, zoals dat het moet gaan om een bestaande opleiding, dat er maatregelen zijn om de kwaliteit van onderwijs te borgen, dat de veiligheid van personeel is geborgd en dat in financiële zin de rijksbijdrage niet wordt aangewend voor buitenlandse activiteiten. In het nadere rapport staan uitgebreide overwegingen met betrekking tot toezicht en handhaving door de inspectie en de NVAO, en hoe te handelen indien er kwaliteitsproblemen zouden zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag zie ik waarborgen over het uitsluiten van publieke middelen als voorfinanciering of als nafinanciering. Ik zie zaken over de toegang van de inspectie tot de locatie in het buitenland en over de onverminderde randvoorwaarden van artikel 1.6 van de WHW met betrekking tot de academische vrijheid. Ik denk dat de toestemming, vereist in artikel 1 punt 9, een goede zaak is en zie met alle teksten daaromheen met vertrouwen een AMvB tegemoet, mocht er een aanvraag zijn van een instelling om zo'n campus in het buitenland te starten.

De voorzitter:
Dan gaan we nu luisteren naar een interruptie van de heer Van Meenen, D66.

De heer Van Meenen (D66):


Ook wij zien die aanvraag graag tegemoet. Sterker nog: wij weten allemaal dat die aanvraag er al is, namelijk die van de Rijksuniversiteit Groningen, om in Yantai een vestiging van 10.000 studenten te beginnen, en ik meen ook nog een academisch ziekenhuis. Daarover wil ik het hebben. Het is immers een prachtig verhaal wat de heer Duisenberg hier in zijn algemeenheid houdt, maar de realiteit is toch vrij hard. Die bestaat eruit dat wij niet alleen hier een wet aan het vaststellen zijn, maar dat dat in China ook is gebeurd. In China zegt de wet dat op universiteiten in China militaire trainingen moeten worden gehouden en dat er lessen in marxisme gegeven moeten worden. Gezien eerdere moties van de heer Duisenberg vraag ik me sterk af hoe hij hiernaar kijkt. Maar als dat het geval is, hoe kijkt hij dan naar deze aanvraag? Kan die aanvraag in zijn ogen, met de AMvB die eraan komt, kans van slagen hebben als dit soort eisen in China door de wetgever aan deze instelling worden gesteld?

De heer Duisenberg (VVD):


Dit zijn precies de waarborgen waarnaar verwezen wordt en die ook in de AMvB worden meegenomen. Het is natuurlijk heel normaal dat je, als je iets probeert te doen in het buitenland, als contractpartij — dat zou in dit voorbeeld deze universiteit zijn, maar ik weet dat bijvoorbeeld de universiteit van Maastricht ook zaken in het buitenland wil gaan doen, net als de Stenden Hogeschool — in het midden staat. Ik heb het zelf gedaan, niet in het onderwijs maar in het bedrijfsleven. Toen heb ik ook contracten in het buitenland gesloten. Dan heb je te maken met meerdere partijen die je bij elkaar probeert te brengen. Dat is niet meer dan normaal. Nederland kan gewoon zijn eisen stellen. Als daaraan niet wordt voldaan omdat die door de andere kant niet kunnen worden ingewilligd, dan heb je geen award.

De heer Van Meenen (D66):


De heer Duisenberg zeilt een beetje om mijn vraag heen. Ik geef voorbeelden die gewoon in de Chinese wetgeving staan. Stel dat dit vereisten worden voor het starten van onderwijs door de Rijksuniversiteit Groningen, valt dat dan wat de heer Duisenberg betreft nog binnen de grenzen van academische vrijheid?

De heer Duisenberg (VVD):


Ik lees in de beantwoording van de minister dat er wel degelijk waarborgen gevraagd en eisen gesteld worden ten aanzien van de academische vrijheid en ook ten aanzien van bijvoorbeeld het handhaven van mensenrechten. Er wordt gesproken over de betrekkingen tussen Nederland en dat land. Dit soort zaken worden meegenomen in die AMvB. Dat lijkt mij vanzelfsprekend. Dat is misschien niet het antwoord dat u wilt horen, maar ...

De heer Van Meenen (D66):


Ik krijg gewoon geen antwoord. We weten allemaal dat er een AMvB komt. Mijn vraag is wat het oordeel van de VVD hierover is. Er worden gewoon eisen gesteld: er moet les gegeven worden in marxisme, er moet militaire training plaatsvinden, er is geen vrije toegang tot het internet. Is het voor de VVD denkbaar dat dit overeind blijft, in welke AMvB dan ook, als iets wat gevraagd mag worden door het ontvangende land? Dat is mijn vraag.

De voorzitter:


Even voor al die mensen op de publieke tribune: een "AMvB" is een Algemene Maatregel van Bestuur, waarmee we dingen die we algemeen in wetten regelen, wat preciezer vastleggen.

De heer Duisenberg (VVD):


Nogmaals, mijnheer Van Meenen, die informatie hebt u ergens opgepikt of gelezen; "het zou dit kunnen zijn of dat", ...

De heer Van Meenen (D66):


Nee, het staat in de wet in China. Dat kunnen we allemaal lezen.

De voorzitter:


Niet door elkaar.

De heer Duisenberg (VVD):


De minister stelt heel duidelijk in haar beantwoording dat in het afwegingskader dat zij voor ogen heeft, dit soort zaken worden meegenomen. Je zult wellicht nog wel veel meer dingen kunnen bedenken. Het eerste waar ik aan dacht — u komt daar niet mee, maar het is vrij belangrijk — is bijvoorbeeld intellectueel eigendom. Hoe is dat geregeld? Dat soort zaken moet je gewoon meenemen. Voor Nederland of voor, in dit geval, de universiteit die dit wil gaan doen, is dit één deel van het contract. Het andere deel is wat die andere partij inbrengt. Als het elkaar niet ontmoet, heb je geen deal, zo simpel is het.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Ik ken de VVD ook als een partij die graag een goede scheiding hanteert tussen het publieke en het private domein. Is de heer Duisenberg het met mij eens dat het opzetten van een onderwijsinstelling in het buitenland vanuit Nederland, door een publieke onderwijsinstelling, in feite een private en verder ook een privaat gefinancierde onderneming is, en dat daarmee de publiek bekostigde instelling in Nederland zich als onderneming opstelt in het buitenland?

De heer Duisenberg (VVD):


Jazeker, het is een private activiteit. Maar dat is niet voor het eerst. Er worden immers veel private activiteiten ondernomen. Dat gebeurt ook hier in Nederland al. Daar zijn ook regels voor: wat mag men doen, wat wordt ermee in de verslaglegging gedaan? Dat is hier ook het geval. Als je naar het buitenland gaat, of het nu China is of Duitsland of Zuid-Amerika, dan gelden er bepaalde regels. Die staan ook in dit wetsvoorstel. In de toestemmingsvereisten staan er nog nadere voorwaarden voor de manier waarop je dat kunt scheiden. Ik denk en ik weet ook dat dit kan.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Oké, dat is prima, waarvan akte. Dat is wel een heel belangrijk gegeven. Dat komt vaak terug in discussies over vermenging van publiek en privaat. Denk aan de discussie over de positie van woningcorporaties. Daarin hanteert de VVD een totaal ander uitgangspunt. Dan is het ook nog eens zo dat we een publiek bekostigde en hier in Nederland onder overheidstoezicht staande opleiding kopiëren in een private vorm in het buitenland en dat we daar vervolgens de Nederlandse normen omtrent accreditatie en dergelijke op loslaten. Is de heer Duisenberg het met mij eens dat er een heel bijzondere vermenging optreedt van enerzijds het vanuit het publieke domein verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit en de inhoud van onderwijs en anderzijds een bedrijfsactiviteit in het buitenland die daar naar haar aard eigenlijk weinig mee te schaften zou hebben?

De heer Duisenberg (VVD):


Nee, die mening ben ik niet toegedaan, maar ik sta daar natuurlijk ook heel anders in dan partijen als GroenLinks en D66. Voor u is het glas gewoon leeg. U ziet helemaal geen kansen hierin. U wilt niet dat deze instellingen zich profileren, waarover ik overigens een beetje verbaasd ben. Een partij zoals die van u, maar ook D66, juicht globalisering en een open blik op de wereld vaak juist toe, maar nu het erop aankomt, verdwijnt u achter de dijken. In het geval van de heer Van Meenen moet ik misschien zeggen "achter de grachten". Dat stelt mij een beetje teleur. Ik zit daar anders in. Ik zie dit als een kans. Hoe zit het dan met die kwaliteitsvoorwaarden? Als een instelling zoals een hogeschool — neem Stenden — naar het buitenland gaat, dan representeert die daar het Nederlandse hoger onderwijs. Ik denk dat het daarom belangrijk is dat er waarborgen in dit wetsvoorstel zitten en dat daar dus in staat dat de kwaliteitsvoorwaarden daar dezelfde zijn als voor het Nederlandse onderwijs. Die instelling is daar dan immers de etalage voor ons Nederlandse hoger onderwijs. Daarom vind ik het heel logisch dat hetzelfde kader wordt toegepast op de activiteiten die zo'n instelling in het buitenland heeft.

De heer Grashoff (GroenLinks):


Ik stelde die vragen niet omdat wij ten principale tegen internationalisering zijn — de heer Duisenberg weet net zo goed als ik dat wij daar beiden voorstander van zijn — maar omdat die specifiek ingaan op de gekozen vorm. Daar gaat de heer Duisenberg toch een beetje aan voorbij. Het is niet een kwestie van "internationalisering is goed en elk initiatief is dus goed". Het moet hier gaan om de vraag of het initiatief als zodanig de toets der kritiek kan doorstaan. Ik stel vast dat het blijkbaar in de ogen van de VVD geen probleem is om een publiek bekostigde en onder publiek toezicht staande onderwijsvorm in een private vorm te kopiëren in het buitenland en om dan de veronderstelling te hebben dat de wetten en de regels van dat buitenland daarvoor niet gelden. Dat laatste zal in elk geval niet het geval zijn.

De heer Duisenberg (VVD):


Als u positief tegenover internationalisering staat, als we dat uitgangspunt delen, zou ik vooral zeggen: kijk met mij heel open naar dit wetsvoorstel. Ik denk dat wij het er echt over eens zijn dat het kansen biedt als je zo'n stap zet, maar dat je ook moet kijken naar de vraag hoe je dat goed regelt omdat aan elke stap risico's zitten. Volgens mij kijk ik daar net zo kritisch naar als u, maar ik zie geen reden om bij voorbaat al te zeggen: ik vind het allemaal niets. Ik denk dat het kan en dat je die kans moet pakken. Ik hoop eigenlijk dat u hetzelfde vindt. U stelt dat er een vorm van vermenging optreedt, maar ik zie dat anders. Ik vind het vanzelfsprekend dat we daar dezelfde kwaliteitswaarborgen toepassen. Dat moet je dan dus regelen. Als je daar niet uitkomt met die partijen in het buitenland, dan heb je geen deal. Je moet de eisen zo stellen dat je als Nederland comfortabel bent met die stap. Als je daar niet uitkomt, kom je daar niet uit.

De voorzitter:


Dit wordt een herhaling. Mijnheer Rog.

De heer Rog (CDA):


Misschien is het goed dat ik aan de voorkant aangeef dat mijn partij niet behoort tot de kosmopolitische elite maar dat zij ook nog niet de deur dicht heeft gedaan voor dit wetsvoorstel. Een belangrijk weegpunt voor ons is de afspraken die je kunt maken. Het ligt mijn partij buitengewoon zwaar op de maag dat het erop lijkt dat China allerlei eisen kan stellen waaraan daar onder de verantwoordelijkheid van onze universiteit voldaan moet worden, bijvoorbeeld als het gaat om het in studenten pompen — ik zeg het maar zo — van een schadelijke ideologie als het marxisme. Dat lijkt mij iets wat ook de heer Duisenberg niet moet willen. Het gaat dan om geopolitieke opvattingen en het uitsluiten van mensen die niet denken overeenkomstig de wijze waarop de Chinese overheid dat wil. Is de heer Duisenberg met mij eens dat we dat aan de voorkant moeten uitsluiten en dat we dit soort experimenten anders niet moeten aangaan?

De heer Duisenberg (VVD):


Ik begrijp uw vraag, die ook in lijn is met dat wat de heer Van Meenen heeft gezegd. Mijn antwoord is hetzelfde; ik dacht dat dat antwoord duidelijk was. Dat luidt dat je vooraf in je kaders meegeeft wat de toets der kritiek zou moeten kunnen doorstaan.

Gisteren heeft de Eerste Kamer een wet aangenomen met betrekking tot de rechtsstatelijkheid, de principes van de rechtsstaat. Daaraan moeten onze instellingen voor hoger onderwijs voldoen. Als wij zeggen dat ook de buitenlandse vestigingen aan de kaders moeten voldoen, gelden die principes daar vanzelf. Als er dan voorwaarden worden gesteld die daar tegenin gaan en niet passen bij onze academische vrijheid, heb je geen deal.

De heer Rog (CDA):
Dit vind ik een geruststellend antwoord.

De heer Duisenberg (VVD):


Mijn vervolgvraag richt zich op de hier opgedane kennis die geëxporteerd wordt naar een vreemd land. Is de heer Duisenberg het met mij eens dat we kosten van toezicht en de opbrengsten die daar gegenereerd worden, deels mogen laten terugvloeien naar het land dat deze mensen in de gelegenheid heeft gesteld om daar geld te verdienen?

De

  1   2   3   4   5   6   7

  • Duisenberg

  • Dovnload 301.79 Kb.